Posts Tagged ‘Rusland’

Het is weer begonnen, het miljardenbal der Champions League. De eerste oprolpartijtjes zijn inmiddels een feit. Het ooit roemruchte Celtic werd van het kastje naar de muur gespeeld door het wel erg valsspelende Paris Saint Germain. Feyenoord, ook al zo’n roemruchte club uit een grijs verleden, werd kansloos van de mat geveegd door het nieuwe kapitaal uit Manchester. Commentatoren spraken jubelend over de passeerbewegingen van Neymar of de dribbels van Messi. Analisten bazelden en stamelden over buitenspel en binnenkant dekken. Het heeft allemaal een blabla gehalte van jewelste. Alsof de onderste steen al niet langgeleden is opgegraven en uitbundig geanalyseerd.

Die groepswedstrijden zijn veelal een karikatuur op wat sport echt interessant maakt: strijd en spanning. Neem Chelsea, die patserige club van die nog patserige Abramovic. Met zes tegen nul deden zij evenzeer een duit in het korte-metten-maken-met-zakje. Het, letterlijk en figuurlijk, arme FK Qarabag uit Azerbeidzjan was het slachtoffer. Ook hier kwam de commentator niet verder dan het uitbundig bewieroken van de doelpuntenmakers. En sprak hij vol passie over fluwelen linkerbenen en splijtende passes. Van de Chelsea spelers uiteraard. Over de FK repte hij met geen woord. Behalve dan in zinnen met woorden als kanonnenvoer, speelbal of lelijk eendje. 

FK Qarabag

En dat nu, is jammer. FK Qarabag mag dan slechts een figurant zijn in een groep met ook nog Atletico Madrid en AS Roma. De geschiedenis van de club is wel degelijk roemrucht. Daar kan Chelsea, en vele andere clubs uit die protserige Premier League, bepaald niet tegenop.

Ooit, toen de Sovjetunie nog niet was uiteengevallen, speelde FK Qarabag een bescheiden rolletje in een der competities. De thuisbasis was Agdam, een stadje van ongeveer 30.000 inwoners op de grens van Azerbeidzjan en Nagorno-Karabach. Niemand, zeker grote clubs niet als CSKA Moskou of Dinamo Tiflis, maakte zich destijds druk om het bestaan van dit clubje. Niemand, zeker de communistische kopstukken in Moskou niet, bekommerde zich om dit stadje. Maar toen, op een dag in 1990, de Armenen in opstand kwamen tegen het Sovjetregime veranderde dit. Van een nietszeggend oord in de periferie van het machtige Sovjetrijk verwerd Agdam tot één van de speerpunten in de onafhankelijkheidsstrijd van Armenië, Azerbeidzjan en Nagorno-Karabach.

Nagorno-Karabach, het mag een onbekend stukje aarde zijn, maar de oorlog die hier woedde in de negentiger jaren van de vorige eeuw, was evengoed woedend. Ten tijde van de Sovjetunie was dit een etnisch Armeense autonome regio in de Azerbeidzjaanse SSR. Met andere woorden, de bevolking was overwegend Armeens en christelijk, maar de leiders Azerbeidzjaans en moslim. Destijds was dit nauwelijks problematisch, vooral omdat de werkelijke macht bij het Politburo in Moskou lag. Maar de verschillen kwamen razendsnel aan de oppervlakte op het moment dat het centrale gezag haar invloed verloor en verkrampt reageerde op de nieuw ontstane situatie.

Zowel Azerbeidzjan als Armenië maakten aanspraak op Nagorno-Karabach. En het landje zelf eiste, al in 1991, zelfstandigheid op. Kansloos als het was tegen de strijdkrachten van Azerbeidzjan, werkten de Karabachse vrijheidsstrijders nauw samen met de Armeniërs. Terwijl FK Qarabag haar wedstrijdjes speelde in het stadionnetje van Agdam gebruikten Azerbeidzjaanse strijders de stad om hun raketten richting andere delen van Karabach af te vuren. Dit zeer tegen het zere been van de Armenen en de Karabachen. Op een kwade dag in 1993 begonnen deze laatsten een offensief met als doel Agdam eens en voor altijd te veroveren. Zware gevechten maakten dat de gehele bevolking, bijna allemaal met Azerbeidzjaanse roots, naar het oosten vluchtte. Naar Bakoe met name. Om te voorkomen dat zij ooit zouden terugkeren, verwoestten de overwinnaars de stad grotendeels. Inclusief het stadionnetje van FK Qarabag.

Tegenwoordig is Agdam een spookstad. Nooit is een poging ondernomen de stad te herbouwen. Nooit heeft iemand de stoute schoenen aangetrokken en intrek genomen in zijn of haar oude woning. Volkomen logisch overigens, aangezien de Armeense strijdkrachten de stad nog steeds zien als een buffer tegen de agressieve Azerbeidzjanen. Tegelijkertijd dreigen de Azerbeidzjanen iedereen neer te schieten die zich in Agdam ophoudt.

Aghdam

Met de inwoners verdwenen ook de spelers, het bestuur, de terreinknecht en alle bij FK Qarabag betrokkenen uit Agdam. Verbannen uit hun stad. Gedwongen om te vertrekken naar Bakoe. Gedoemd om te spelen in hetzelfde stadion als de grote rivaal Neftci Bakoe. Te gronde gericht door een oorlog, nauwelijks meer dan twintig jaar geleden. Het is dan ook weinig verrassend dat de club voortdurend in grote financiële problemen verkeerde. Na jarenlang gefrustreerd in de luwte van de grote rivaal te hebben bestaan, besloot het terug te keren naar Karabach. Natuurlijk niet naar Agdam, dat ligt immers nog in puin, maar naar Quzanli, een stadje zo’n 50 kilometer van de frontlinie.

Azersun Holding, één van de grootste bedrijven in Azerbeidzjan, besloot in 2001 zijn naam aan de club te verbinden. Plotsklaps waren de geldelijke problemen verdwenen. In plaats daarvan brak een gouden periode aan, met alleraardigste successen. Vijf keer landskampioen en zes keer bekerwinst. En dus het bereiken van de groepsfase van de Champions League. Het Olympisch Stadion van Quzanli, met een capaciteit van 2.000 toeschouwers, blijkt al ruim een decennium een onneembare vesting.

Maar Chelsea, Atletico en AS Roma kunnen opgelucht ademhalen. Zij hoeven niet helemaal naar Quzanli. Want voor haar Europese wedstrijden wijkt FK Qarabag uit naar het Tofikh Bakhramovstadion in Bakoe, met een capaciteit van bijna 30.000 toeschouwers. Vast en zeker is het goed voor de inkomsten van de club. Maar het ware toch mooi geweest, indien die verwende profs een wedstrijd hadden moeten spelen in het kabouterstadionnetje in Quzanli.

Advertisements

Enorme hoeveelheden bommen, gedropt tijdens de tweede Tsjetsjeense oorlog, maakten van Grozny een hel. Het hele centrum veranderde in een ruïne. Honderden mensen verloren het leven en honderdduizenden vluchtten voor de Russische bommen. Dit zijn de beelden die ook nu nog spontaan op ons netvlies verschijnen bij het horen van de naam van de Tsjetsjeense hoofdstad.

Maar de werkelijkheid is een totaal andere. Op deze warme zaterdagavond wandel ik door de V.V. Poetinstraat. En ik ben bepaald niet alleen. Met mij paraderen duizenden inwoners door de straten. Kinderen spelen en rennen. Gehoofddoekte vrouwen houden hun nageslacht nauwlettend in het oog, onderwijl met elkaar babbelend. Stoere mannen, die bijna allemaal uit een worstelarena lijken te zijn ontsnapt, showen hun imposante torso’s in te strakke t-shirts.

Onder het toeziend oog van Kadyrov, papa Kadyrov en Poetin, hun portretten pronken overal, lijkt Grozny een modelstad te zijn geworden. Een stad waar veel andere Russische steden slechts met jaloezie naar kunnen kijken. De straten zijn hier schoon. De parkjes groen en netjes onderhouden. De winkels luxueus en uitnodigend. De imposante wolkenkrabbers en de Achmat Kadyrov Moskee in Grozny City, grandioos verlicht in vele kleuren, doen denken aan Las Vegas of Macau. Hoe ik ook speur naar overblijfselen uit de oorlog, ik vind er geen.

6d   6f

Dankzij miljarden roebels uit Moskou is Grozny uit het stof herrezen. In een razend tempo zijn alle herinneringen aan de oorlog weggepoetst. Als argeloos toeschouwer ben ik onder de indruk van de oppervlakkige schoonheid van de stad. Ze is als een prachtige blondine die mij inpalmt met haar innemende glimlach.

Maar, zo vraag ik me af, kun je jarenlang ongestraft verwoestende bommen gooien op een stad en haar inwoners? Kun je mensen die verschrikkelijke oorlog, nog maar zo heel kort geleden beëindigd, doen vergeten door pracht en praal uit de grond te stampen? De vrolijkheid rondom wekt de indruk van wel. Toch, net als bij blondines met innemende glimlachen, lijkt het mij beter haar niet meteen de liefde te verklaren.

In mijn hotelletje, dat zelf niet meteen onder de categorie luxe valt, loop ik niet geheel toevallig de beheerster tegen het lijf. Ze zit altijd maar in haar kamertje, karig gemeubileerd met een bankstel, een stoel en een TV, vanwaar ze een uitzicht heeft op de voordeur. En een ieder die binnenkomt, glimlacht zij een hartelijk welkom. Wanneer ik haar vraag wat zij van het nieuwe Grozny vindt, barst ze los. Volgens haar is de ziel uit de stad verdwenen. Veel inwoners voelen zich niet thuis tussen het in allerijl gefabriceerde kitsch. Het is potsierlijk, misplaatst en past niet bij de aard van de mensen. Het was veel beter geweest indien de stad op de oorspronkelijke wijze zou zijn herbouwd.

Ook het Colosseum, de indoor sporthal, is in een ommezien uit de grond gestampt. Milana, de communicatiemanager, verwelkomt me hier op innemende wijze. Trots als ze is op deze nieuwerwetse constructie, neemt ze me bijkans bij de hand opdat ik niets zal missen. Het eerste dat opvalt, is het enorme portret van Ramzan Kadyrov waarop hij poseert als bokser. Ook zie ik Ramzan terwijl hij touwtrekt. En een foto, samen met notabene, Badr Hari. Ik mag plaatsnemen op de stoel van Ramzan vanwaar, weinig verrassend, het zicht op de boksring uitmuntend is. Aan het eind van de rondleiding staat Milana me toe de sporthal te verlaten als ware ik Kadyrov zelve. Zoals het een ware leider betaamt, bemoeit hij zich niet al te veel met het gepeupel. Derhalve heeft hij een privé-toegang tot zijn beschikking. Hij kan zich met zijn gepantserde SUV moeiteloos naar binnen en buiten laten rijden. Tot op enkele meters van zijn zitplaats.

Bij het voetbalstadion zie ik Kadyrov junior opnieuw, nu showt hij zijn voetbalkunsten. Op zoveel andere plaatsen in de stad zie ik hem, in allerlei gedaantes. Hij is de held. De alleskunner. Zonder hem is Tsjetsjenië reddeloos verloren. Soms wordt hij geflankeerd door zijn beschermheer Poetin of door zijn vader Achmat Kadyrov, die in 2004 bij een bomaanslag om het leven kwam. Toch, hoe Ramzan ook zijn best doet, de bevolking is ontevreden en kritisch. Hij is een slechtopgeleide boef die uitsluitend mensen uit zijn eigen clan bevoorrecht. Een dictator, in een republiek die al decennia strijdt tegen de machthebbers in Moskou, die in het zadel wordt gehouden door die zelfde machthebbers. Als dat maar goed blijft gaan.

9a

Hier zit ik dan op het dakterras van het Palmyra Palace. Een alleraardigst hotel in Jalta. Van die Kalasjnikovs, lynchpartijen en treurnis is voorlopig niets te merken. Eerder het tegenovergestelde. De zon schijnt uitbundig, de Zwarte Zee glinstert uitnodigend, de palmbomen wuiven zachtjes in de wind. De maaltijd van verse steak en een nogal zoetig lokaal wijntje maken het vakantiegevoel compleet.  

Ben net terug van een wandeling door het centrum van Jalta. Eerlijk gezegd, op het eerste gezicht leek het nogal op een Mediterrane badplaats. Ook hier een boulevard met winkels vol prullaria. Kermisachtige attracties. Terrassen, cafés, bars. Onder het toeziend oog van Lenin, dat dan weer wel. Zoals altijd en overal in Russische steden, kijkt hij stoer en streng vanaf zijn sokkel toe op het kapitalisme rondom. Om hem te treiteren hebben de lokale autoriteiten besloten recht voor zijn neus een McDonald’s te bouwen. Wellicht de reden dat hij behalve stoer en streng ook wat sikkeneurig kijkt. Overigens, de karakteristieke McDonald’s ‘M’ siert dan wel het straatbeeld, hier een Big Mac bestellen zit er niet in. De tent is gesloten. Als onderdeel van de Westerse sancties. Niet dat McDonald’s alle restaurants in heel Rusland heeft gesloten. Nee, natuurlijk niet. Dat zou te veel impact op het bedrijfsresultaat hebben. Alleen dit ene restaurant is gesloten. Dus moet ik de Krim zien te overleven zonder de consumptie van die ranzige burgertjes. Moet welhaast lukken. Lastiger zijn de consequenties van een soortgelijk, en even dubieus besluit, van Mastercard. Hier op de Krim kan ik mijn creditcard niet gebruiken. Niet om te pinnen. Niet om te betalen in restaurant of hotel. Geblokkeerd vanwege de Westerse sancties. Ik loop dan ook rond met een flinke stapel vers knisperende bankbiljetten. Met diezelfde creditcard uit een Moskous pinautomaat getrokken. Toch, ik kan me maar moeilijk voorstellen dat Poetin en de zijnen echt onder de indruk zijn van zulke maatregelen. Het lijkt meer een manier om de Krimse bevolking te straffen. En de sporadische Westerse toerist te pesten.

41f

Volgens de Russische propagandamachine stemde maar liefst 96,6% van de bevolking voor aansluiting bij Rusland. Eerlijk gezegd, zo’n meerderheid lijkt zeer onwaarschijnlijk. Vooral omdat ook nog wordt geclaimd dat ruim 80% van de bevolking heeft gestemd. Terwijl het percentage Russen op de Krim rond de 60 ligt, de rest bestaat vooral uit Krim-Tartaren en Oekraïners. En die laatste twee groepen staan niet meteen te springen op aansluiting bij Rusland. Tegelijkertijd, volgens Westerse media is het op het schiereiland kommer en kwel. Is de annexatie een schande voor de wereldvrede in het algemeen en de Krimse bevolking in het bijzonder.

Wat is waar? Wie heeft gelijk? Ik heb alvast geen idee. Maar wil het evengoed wel weten. Dus heb ik besloten mijn eigen, niet-representatieve, steekproef te organiseren. Hoe? Ik combineer het bestellen van een kopje koffie met de vraag wat de verkoper vindt van de aansluiting van de Krim bij Rusland. Hetzelfde wanneer ik een ijsje koop. Een fles bier bestel. Een taxi neem. Een museum bezoek.

Op deze manier heb ik de afgelopen dagen heel wat mensen naar hun mening gevraagd. En ik mag alvast verklappen, de reacties waren niet bepaald divers. Slechts één iemand mopperde een ‘nee’; niet geheel toevallig een Krim-tartaar die bij het paleis van de Khan in Bakhchisaray op een bankje zat te zonnen. Alle anderen mompelden iets positiefs of staken uitgebreid de loftrompet over Poetin en de annexatie. Een aantal souvenirverkopers wees trots naar de afbeeldingen op de T-shirts die zij verkochten. Een man gekleed in een Russische vlag die een man gekleed in de Amerikaanse vlag van achteren neemt. Met als begeleidende tekst op het T-shirt ‘dit is wat wij met jullie sancties doen’. Anderen praatten over investeringen en dat Rusland haar uiterste best doet en zal blijven doen van de Krim opnieuw een Russisch paradijs te maken. Van de Oekraïne moet niemand iets weten trouwens. Corrupt land met corrupte leiders. Dat Chroesjtsjov, in 1954, het schiereiland cadeau deed aan de Oekraïne werd afgedaan als een dronkemansactie. Dommigheid van een zuiplap. Ook het  plan dat de Oekraïense regering ooit lanceerde om het Oekraïens als nationale taal in te stellen, werd door menigeen flink verketterd. Het Russisch was, is en blijft hier de voertaal.

324

Mijn niet-representatieve conclusie op basis van mijn niet-representatieve enquête is dat Rusland ongetwijfeld met de cijfers heeft gesjoemeld. Al is dit, eerlijk gezegd, geen conclusie die ik mag trekken op basis van mijn onderzoek. Het is gebaseerd op mijn eigen vooringenomenheid en mijn oprechte twijfel over percentages van boven de 96 procent. Wel durf ik te stellen dat de Oekraïne niets te zoeken heeft hier op de Krim. Niet geliefd en niet gewenst. Eerder gehaat zelfs. De Krim is Russisch, zestig jaar Oekraïense invloeden hebben daarop totaal geen invloed gehad. Het is zoals de billboards, waarop Poetin pronkt, zeggen: Россия. Крымь. Навсегда. (Rusland. Krim. Voor altijd.).

 

Vrijdagavond. Half negen. Wat een dolle en vrolijke boel is het in de metro. Vrouwen, van jong tot ouder, zitten of staan met fleurige boeketten bloemen in hun handen geklemd. Een enkeling loopt rond met kleurige ballonnen. Ze glimlachen gelukzalig. Het duurt even voordat ik me realiseer dat dit al ter gelegenheid is van internationale vrouwendag. Het is weliswaar pas 4 maart. Maar vandaag was de laatste werkdag voor de achtste. Omdat Rusland wederom gaat genieten van een lang weekend. Ter ere van vrouwendag. Dit lange weekend is zojuist ingeluid met een feestje. Alle vrouwelijke medewerkers zijn uitgebreid gefêteerd door de baas. In het zonnetje gezet. Luidkeels geprezen. Bedankt voor bewezen diensten. Overgoten met bloemen en met drankjes. En nu zitten ze hier in de metro. Enigszins dronken vermoedelijk. Overduidelijk nog na te genieten van de hoffelijkheid en alle mooie woorden. Te dagdromen over hoe mooi het leven zou zijn wanneer het elke dag vrouwendag zou zijn.

Behalve vrouwendag is er ook een mannendag in Rusland. Op 23 februari. Maar overeenkomsten tussen deze twee dagen zijn er niet of nauwelijks. Waar vrouwen op vrouwendag van bijna alle mannen in hun (nabije) omgeving een felicitatie, bloemen, aandacht, een geurtje of een echt cadeau verwachten, krijgen mannen niet meer dan een paar sokken of een lollige onderbroek. Op één voorwaarde, dat je als man in het Russische leger hebt gediend of nog dient. Alle andere mannen hebben het nakijken.

Blijkbaar is de gedachte dat het leven als man in het Russische leger even schrijnend is als het leven van een vrouw in de Russische maatschappij. Daarom ook doet iedere weldenkende man zijn uiterste best uit dat vermaledijde Russische leger te blijven. Uitstel middels (spook)studie, een stapel roebels, babbelen met invloedrijke hoogwaardigheidsbekleders. Alle middelen zijn geoorloofd. In vroeger tijden liep je de kans in Tsjetsjenië te belanden. Tegenwoordig kom je wellicht in Syrië terecht. Of ergens in een uithoek van dit immense land. Maar altijd ben je overgeleverd aan de grillen van je meerderen. Ook in vredestijd. Kort samengevat zijn die grillen te definiëren als fysieke en mentale mishandeling, minachting, verachting en vernedering. De ontgroening is berucht en regelmatig laten jonge rekruten het leven. Het is dan ook weinig provocerend te concluderen dat het erger is twee jaar man te zijn in het Russische leger dan een leven lang vrouw.

Sowieso, alle vrouwen die ik ken in Moskou, en dat zijn er best veel, leven alsof het het hele jaar vrouwendag is. Ze lopen parmantig rond op hoge hakken en in opzichtige jurkjes. Ze zijn druk bezig met hun maatschappelijke carrière. Drinken fruitthee in hippe cafés. Babbelen met vriendinnen onderwijl nippend van een glas champagne. Spenderen uren in schoonheidssalons voor nog rodere nagels en nog haarlozere lichamen. Tuchtigen zichzelf in dure sportscholen. Doen aan yoga om de Moskouse stress het hoofd te kunnen bieden. Pikken links en rechts een theater of een tentoonstelling mee.

Tegelijkertijd verlangen zij niets anders van een man dan hoffelijkheid. Eén die de deur openhoudt. Haar jas aanneemt. Haar voor laat gaan. Tenzij het potentieel gevaarlijk is. Dan mag hij als eerste. Haar bij voortduring vraagt of ze zich prettig en behaaglijk voelt. Haar met regelmaat vertelt dat ze mooi is en steeds mooier wordt. Haar bij voortduring pleziert met een klein, of beter nog, een groot cadeau. En natuurlijk verwacht zij dat een man de rekening betaalt in restaurant, theater of waar dan ook.

En dus heb ik besloten dit jaar vrouwendag te boycotten. Geen bloemen of lieve woorden. Geen speciale aandacht of een nieuw geurtje. Mocht er een dame zijn die zich hierdoor benadeeld voelde, dan bied ik haar mijn oprechte verontschuldigingen aan. Volgend jaar ben ik weer van de partij. Mits ik een paar sokken of een lollig onderbroekje ontvang op mannendag. En mits ik het komende jaar, wanneer ik op bezoek kom, standaard word verblijd met een gekoeld biertje, voorverwarmde pantoffeltjes en een met liefde gekookt feestmaal.

Nieuws, het komt en gaat. Wat horen we tegenwoordig eigenlijk nog over de Krim? Bitter weinig. Verdrongen door belangrijker zaken als de vluchtelingencrisis en de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar een paar maanden geleden domineerde de Krim, en zeker oostelijk Oekraïne, het nieuws. Toen was het er gevaarlijk. De mensen waren er ontstemd over de annexatie. De bevolking was verheugd over de Westerse reactie en de sancties opgelegd aan Rusland. Alles ademde treurnis. De Kalasjnikovs regeerden. Toen was de Krim een plek om te mijden. Als de pest. Zo ongeveer kan ik de berichtgeving in de westerse media samenvatten. En zo reageert mijn omgeving ook wanneer ik vertel dat ik met eigen ogen wil zien wat er gebeurt op de Krim. Vragende blikken. Enig hoofdschudden. Soms ronduit afwijzend. Zelfs een ‘wil-je-dood-vraag’ is mijn deel.

Op mijn beurt schud ik mijn hoofd. Geenszins ben ik zoiets van plan. Maar dat deze reacties mij overtuigen thuis te blijven is evengoed een illusie. Natuurlijk niet. Ik ben het namelijk zat te moeten horen dat de media overal ter wereld propaganda verkondigen. Behalve de onze. Ik erger me aan de eenzijdige berichtgeving van de Nederlandse media. Ik ben het beu te moeten luisteren naar bestuurders en leiders met bekrompen wereldse denkbeelden. Naar mannetjes en vrouwtjes die meningen ten gehore brengen over oorden waar ze nog nooit zijn geweest. Alsof zij het allemaal snappen. Alsof zij precies weten hoe de bevolking op de Krim denkt. Ik irriteer me aan het voortdurende prediken dat wij goed zijn en die anderen slecht. Of in ieder geval minder goed.

En dus ben ik op weg. Op naar die levensgevaarlijke Krim. Onderweg fantaseer ik over Kalasjnikovs. Over kogelregens. Over lynchpartijen. Ik denk na over Poetin; volgens velen de duivel in hoogsteigen persoon als het gaat over de Oekraïne en de Krim. Terwijl anderen in hem juist de verlosser zien. Ik mijmer over Jalta. Over Roosevelt en Churchill. Over de tsarenfamilie en hun liefde voor het schiereiland. Over de oorspronkelijke Tartaarse bevolking, die een wel heel roerige recente geschiedenis kent. Over Stalin, die woedend en achterdochtig als altijd, alle Tartaren, nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, liet deporteren naar Oezbekistan, Kazachstan en Siberië. Op verdenking van collaboratie met nazi-Duitsland. Naar slecht Sovjetgebruik duurde de deportatie van een kwart miljoen mensen slechts enkele dagen. Over diezelfde Tartaren, die zo’n 50 jaar later, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, terugkeerden naar hun moederland. Waar ze heden ten dage letterlijk en figuurlijk knokken voor hun rechten. Ik droom van de bergen, de stranden, de zon en de lokale wijnen. En opeens besef ik me dat ik opgewonden ben. Nieuwsgierig. Ongeduldig. Ik wil de tegenstrijdigheid, die uit alle hoeken en gaten druipt, zelf ontdekken.

Toegegeven, ik ben lichtelijk nerveus wanneer ik aankom op het vliegveld van Simferopol. Hangt er hier een zekere spanning in de lucht? Of is het mijn eigen verbeelding? Die twee Russische gevechtsvliegtuigen die ik tijdens het taxiën aan mij voorbij zie gaan, dragen in ieder geval niet meteen bij aan de rust in mijn hoofd. Wanneer ik om me heen kijk, realiseer ik me dat mijn medepassagiers bepaald anders reageren. Ze kijken blij en verheugd. Voeren geanimeerde gesprekken. Want de Krim is voor de Russen als het beloofde land. Eén van de weinige plekken in dit enorme land waar de zon bijna altijd schijnt en waar het klimaat niet wreed en vijandig is. Logisch dus, dat een gevechtsvliegtuigje links of rechts geen impact heeft op de stemming en het blije gevoel.

Buiten gekomen hoef ik niet op zoek naar een taxi. Er staan tientallen voor de deur geparkeerd. En alle chauffeurs willen die buitenlander wel naar Jalta brengen. De vraagprijs is 3000 roebels, zeg maar 40 euro, voor een ritje van zo’n 80 kilometer. Niet meteen erg duur, maar na wat handjeklap heb ik de prijs al snel teruggebracht naar 2000 roebels. De chauffeur heeft haast. In een razende vaart scheren we over de bochtige weg. Het lijkt wel alsof er geen recht stukje weg bestaat hier op de Krim. Met regelmaat staat er een enorm billboard aan de kant van de weg, met een al even enorm portret van Poetin. Hij glimlacht zelfverzekerd naar de Krimse bevolking. Alsof hij ze wil vertellen dat het goed is, en goed zal blijven. Voor altijd. En mocht dit niet voor een ieder duidelijk zijn, het staat er voor de zekerheid ook nog geschreven: De Krim is van ons. Voor altijd.

Ik heb me voorgenomen een niet-representatieve steekproef te organiseren onder de lokale bevolking. Zoveel mogelijk mensen alhier vragen naar hun mening over de Russische annexatie en over Poetin. En mijn eerste slachtoffer is de taxichauffeur. Ik knik naar een van die borden en vraag naar zijn mening. Die is kort en zeer duidelijk. Poetin is een held en de annexatie is een zegen. En hij is niet de enige met zo’n mening. Daar ga ik de komende dagen wel achter komen.

 

Wat zit ik heerlijk gerieflijk in die Toyota Landcruiser. Beenruimte te over, prima airco, Tadzjieks muziekje op de achtergrond en wanneer ik naar buiten kijk, zie ik de buitenwijken van Dushanbe aan mij voorbijglijden. Zelfs de weg is in goede staat. Althans, op dit moment. Maar dat het wilde oosten van Tadzjikistan al meteen buiten Dushanbe begint, wordt mij alras duidelijk. Nauwelijks zijn we de stad uit of de weg verwordt tot een soort van zandpad, her en der opgevuld met restanten asfalt en puntige stenen. Een voortdurende slalom is het gevolg. De chauffeur is een en al concentratie. En niet alleen vanwege de staat van de weg. Vooral omdat hij, zoals ik inmiddels heb begrepen, deze auto pas gisteravond heeft gekocht. En natuurlijk wil hij zijn nieuwe aanwinst ongeschonden aan zijn familieleden in Khorog laten zien.

Na een uurtje of twee stoppen we voor een lunch, al hebben we die eerder vandaag ook al genuttigd. Allemaal, de chauffeur, de bijrijder, mijn twee medepassagiers en ikzelf slurpen haastig een shurpa – soep met wat groente en een vettig stuk vlees – naar binnen. Alsof we haast hebben. En misschien hebben we dat ook wel, want de eindbestemming Khorog is nog steeds een slordige 600 kilometer verderop. En dat betekent nog minimaal 15 uurtjes slalommen.

Gesterkt door de shurpa, maar waarschijnlijker vanwege die 600 kilometers zet de chauffeur er flink de pas in. En dat nu, had hij beter niet kunnen doen. Want snelheid en puntige stenen, ze gaan niet samen. Dat weet toch iedereen? Het wachten op het onvermijdelijke duurt niet lang. Binnen een half uur staan we weer stil. Dit keer met een lekke achterband. En niet zo’n klein beetje lek ook. De band is volledig aan barrels. De chauffeur kijkt beteuterd en teleurgesteld. Alsof hij had verwacht dat Toyota Landcruiser banden niet kapot kunnen gaan. Hoe vervelend ook, een band is eenvoudig te vervangen. Alleen, de wrede Tadzjiekse werkelijkheid leert mij dat deze nieuwe auto is afgeleverd zonder reserveband. Hoe de chauffeur ook zoekt, hij vindt deze nergens. Nu is het mijn beurt beteuterd en teleurgesteld te kijken. Hoe is het in godesnaam mogelijk een reis als deze aan te vangen zonder reserveband? Dat is niet een klein beetje maar heel erg dom.

De bijrijder bedingt een lift naar ergens om twee uur later terug te komen met een band. Helaas, deze past niet. Modelletje Lada of iets dergelijks en te klein voor de Landcruiser. Auto’s, trucks, bussen worden aangehouden, maar niemand heeft een passende band. Aan een van de chauffeurs die richting Dushanbe rijdt, wordt gevraagd aldaar een band te organiseren. Hij krijgt wat somani in zijn hand gedrukt en belooft plechtig dit bij aankomst meteen te regelen. Alleen, Dushanbe is uren rijden. Dat betekent nog minstens vijf uur wachten. Minimaal. En de avond valt al. Er zit dan ook weinig anders op om asiel aan te vragen bij een van de huizen die iets verderop staan. Met ons vijven wandelen we naar het grote en armoedige huis. In Nederland, zo denk ik, lijkt zoiets een kansloze exercitie. Zelfs als er plaats zou zijn in herberg of stal, zou het antwoord vermoedelijk een negatieve zijn. Alleen, we zijn niet in Nederland, we zijn in Tadzjikistan. De heer des huizes opent de deur als antwoord op ons geklop. Hij kijkt niet eens verbaasd en geleidt ons, zonder enige twijfel, naar binnen. Schoenen uit en dan mogen we plaatsnemen in de woonkamer. In een ommezien staat er dampende thee voor onze neus, en niet veel later happen we in brood, vlees, groente, rijst en aardappel. Alsof we vrienden zijn die na een jarenlang verblijf in het buitenland onverwacht op bezoek komen. Alsof ze blij zijn dat ze hun, ongetwijfeld tamelijk beperkte, voedselvoorraad mogen delen met volkomen onbekenden. Ik heb honger maar niet heel veel trek. Ik kan toch niet hun voorraad aardappels en rijst plunderen? Alleen, de heer des huizes gebiedt mij te eten. Schept zelf mijn bord vol. Wijst dat er nog meer vlees is. Weigeren kan niet en mag niet. Ik zal eten tot ik omval.

Maar voordat ik kan omvallen lig ik al in een bed. En als ik zo om me heen kijk, zou het best eens het bed van de gastheer en –vrouw kunnen zijn. Natuurlijk, ik protesteerde en sprak dat ik best op de grond kan slapen. Natuurlijk, ik stribbelde tegen en zei dat ik niet op de beste plek in het huis wil slapen . Maar wederom was ik kansloos. De gastheer glimlachte lichtjes, wees slechts naar het bed en vertrok. Verdere discussie was overbodig. Die lange Nederlander slaapt vannacht in het ouderlijke bed.

Wat een nacht! Geslapen in een Tadzjieks dorp waarvan ik de naam niet eens ken. In een huis waarvan ik de bewoners niet ken. In een bed dat normaliter beslapen wordt door de heer en vrouw des huizes. Ben net gewekt door een stem die iets zei over thee en hoogste tijd. Ik schiet mijn broek aan, een shirtje en schoenen. De kans op een douche alhier lijkt me uitgesloten. Sowieso, ik kan toch niet half naakt door een vreemd Tadzjieks huis lopen?

Eerst maar eens naar het toilet, dat ergens achter in de tuin staat. Niets meer dan een diepe kuil, een houten vlondertje met een mooi rond gat, bedoeld om de behoefte door te mikken, en een krakkemikkig houten huisje. Ik stap voorzichtig naar binnen, mezelf afvragend of die planken wel berekend zijn op mijn 100 kilo. Per slot van rekening, de gemiddelde Tadzjiek zal niet veel meer wegen dan de helft hiervan. De planken kraken inderdaad vervaarlijk. Willen ze me waarschuwen? Ik blijf toch staan, doe wat ik moet doen, knijp halverwege af en haal opgelucht adem wanneer ik weer buiten sta. Volgende keer toch maar tegen een boom, zo neem ik me voor.

Wanneer ik na het ontbijt naar de auto loop, zie ik dat deze nog steeds op drie wielen staat. Vertrekken is voorlopig dus een illusie. Sterker nog, de geruchten gaan dat een lawine de weg tussen Dushanbe en alhier onbegaanbaar heeft gemaakt. Het zou dan ook best kunnen, zo wordt me verteld, dat de komende uren, wie weet zelfs dagen, geen nieuwe band zal worden gevonden. Ik knik begrijpend en vraag me af wat nu te doen. Veel vertier is er zeker en vast niet in dit dorp.

Zittend in mijn taxi zag ik de Kaukasus de afgelopen uren langzaam veranderen; van kaal en vijandig tot groener en vriendelijker. En dan is daar plotseling Dadivank. Een juweel van een gehucht. Exact 27 huizen met daarboven, hoog op een klif, een eeuwenoud klooster annex kerk. Oorspronkelijk gebouwd in de vierde eeuw, en sindsdien talloze keren gerestaureerd. Maar al zo’n 1600 jaar staat het daar. Welk een fenomenale locatie. Ik mag dan vaak zeggen dat het niet meer hoeft. Het aanschouwen van nog meer kerken. Gewoon, omdat ik er al zo heel veel heb gezien in mijn leven. Maar ik moet mezelf ongelijk geven. Want deze moet wel. Te mooi om te laten lopen. Ik loop rond. Geniet van het uitzicht. Zie niemand. Hoor alleen het prachtige gezang van een vrouw.

De kerk en het gezang maken dat ik hier wil blijven. In dit gehucht. De vraag is alleen waar en hoe? Mijn taxichauffeur is alvast overtuigd dat overnachten hier een utopie is. ‘Arme, primitieve mensen en een Europese toerist gaan niet samen’ zo vertelt hij mij. Alleen, zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Schoonheid heeft immers een prijs. Bovendien, vroeger op de boerderij in Pekela, was er ook geen verwarming en was de douche ook niet altijd heet. Dus ik ben wel wat gewend.

Bij een winkeltje, aan de hoofdweg, zie ik een aantal mensen staan. Ik spreek een oude dame aan en vraag haar of ik hier ergens kan slapen. Ze knikt verheugd. Zeker kan dat. Bij haar thuis is plek genoeg. Ze wijst naar het eerste huis in het dorp. Ik ben meteen overtuigd. Daar ga ik slapen, dat wordt mijn thuis. De taxichauffeur haalt hoofdschuddend mijn bagage uit de kofferbak, neemt weifelend mijn geld aan, maar scheurt vervolgens evengoed met hoge snelheid weg.

En zo beland ik in een soort van Hans en Grietje huis. Oud, vervallen met in de logeerkamer zes roestige en krakkemikkige bedden. Ik ben de enige gast. Hoe verrassend. Meteen voel ik me thuis. Het doet me denken aan het huis van mijn grootouders. In de keuken braakt een karaokespeler – dat dan weer wel – Russische pop. Loeihard. Sonja, zoals mijn gastvrouw heet, trekt meteen een fles huisgemaakte kefir uit de koelkast, haalt een homp zelfgemaakt brood tevoorschijn en trakteert me op een glas wijn. Ook al zelfgemaakt. Het smaakt fantastisch.
Onderwijl vertelt Sonja over zichzelf. Voordat de oorlog begon, woonde ze met haar familie in Bakoe. Vredig en rustig. Maar die oorlog veranderde haar leven voorgoed. Haar man en één van haar zonen lieten het leven, en zij besloot met haar andere zonen en haar dochter te vluchten. Net als zoveel andere Armenen. Eerst naar Jerevan en vervolgens naar hier. Naar Dadivank. Om een nieuw bestaan op te bouwen. Dit huis heeft zij, natuurlijk zonder vergunning, zelf gebouwd.

Dat het leven zwaar is en flinke sporen nalaat, is duidelijk aan haar te zien. Ik laat me dan ook niet verleiden tot het schatten van haar leeftijd. Zoals ze me herhaaldelijk vraagt. Uiteindelijk geeft ze het op en vertelt ze dat ze 52 is. Gelukkig, denk ik, heb ik me niet laten ompraten. Want, eerlijk gezegd, ik had haar minimaal 65 jaar gegeven. En dat had ze vast niet heel leuk gevonden. Ze praat maar door. Over de angst voor een nieuwe oorlog. Over weer een gedwongen verhuizing. Over Azerbeidzjan. Over het geweld.
Opeens besluit Sonja dat het tijd is voor wat vrolijkheid. Per slot van rekening, ze heeft een gast. Op haar mobiel speelt ze muziek, Russische liedjes die ze uit volle borst meezingt en waarop ze voorzichtig heupwiegend danst. ‘Er is geen tijd voor meer verdriet want we leven maar één keer’, zegt ze. Maar even abrupt als het begon, stopt de muziek ook weer. Omdat Sonja zich realiseert dat haar gast nog ongewassen is. Na een lange en stoffige reisdag.

Ze verontschuldigt zich, ook voor het feit dat hier geen douche is. De rivier is de enige optie. Poedeltjenaakt, verscholen achter wat struiken en struikjes, was ik het zweet en het stof van me af. Maar wat geeft het? Toch helemaal niets? Shampoo voor het haar, een stukje zeep voor het lichaam en rondom de Kaukasus. Grootse pret. Dat is het. Een topdouche. Dat is het.
Aan de oever van de rivier is een soort van openlucht restaurant, bestierd door de dochter van Sonja. In tegenstelling tot haar moeder is dochterlief wat knorrig en kortaf. Alsof ze boos is op de wereld. Of op zichzelf. Of op mij. Ik heb geen idee. En ik vraag haar ook niet wat er is. Gewoon omdat ik er geen zin in heb. Ik bestel een sjasliek, met van die sublieme Karabachse tomaten en komkommers, brood en bier. Welk een maal. En rondom weer de Kaukasus.

Bij thuiskomst is de zoon van Sonja op bezoek. Hij gaat morgen naar Jerevan, naar de grote stad. Voor zaken en zaakjes. En daarom moet hij er piekfijn uitzien. Moeder strijkt zijn shirt en poetst zijn schoenen. Hijzelf scheert zijn baard, zonder schuim. Wanneer ik hem mijn scheerschuim geef, lacht hij vrolijk. En mijn aftershave maakt hem nog vrolijker.

Wanneer ik later op de avond wil gaan slapen, zegt Sonja dat het nog te vroeg is. Eerst moet ik meer van die huisgemaakte wijn proeven. Ze bedoelt dat ze meer met mij wil praten. Blij met het gezelschap, blijft ze mijn glas vullen. Het smaakt nog steeds uitstekend. Ik drink zo een half litertje van dat spul, zonder moeite. Totdat ik vrolijk ben. Van de wijn en van de Kaukasus.
Na de wijn mag ik slapen. Maar Sonja komt me, als een echte moeder, nog wel een goede nacht wensen. Zij besluit dat slapen onder een laken niet warm genoeg is en legt heel voorzichtig een deken over me heen. Bijna heb ik het idee dat ze me een zoen op mijn voorhoofd gaat geven. Maar ze doet het niet. En dat vind ik jammer!

Zondagochtend half zeven is het wanneer mijn trein uit Krasnoyarsk aankomst in Abakan. Ietwat dizzy van een rusteloze treinnacht stap ik uit. En met mij flink veel anderen zo merk ik want op het perron is het een drukte van belang. Mensen met slaperige hoofden slepen zware koffers en tassen richting taxi. Anderen worden hartelijk welkom geheten door vrienden of familie en verdwijnen eveneens alras richting thuis. Zo sta ik in een ommezien bijkans alleen op het station. Moederziel alleen in Siberië is de gedachte die bij mij opkomt. Maar treurig maakt het me geenszins. Eerder het tegenovergestelde. Ergens duikel ik een nog achtergebleven taxichauffeur op, geef hem het adres waarheen ik wil, onderhandel over de prijs en vertrek eveneens. In een knotsgekke, oude, oranje Lada.

In de stad is het rustig. Bijzonder rustig zelfs. Maar het is dan ook zondagochtend. In Siberië. Dus dit lijkt me vrij logisch. Kilometers lang rijden we door een verlaten centrum. Brede wegen, zoals altijd in Rusland. Maar zonder auto’s of andere weggebruikers. De zee aan asfalt geeft de taxichauffeur prima de gelegenheid zijn Lada eens flink te laten knallen. En hij maakt hiervan dankbaar gebruik. Die brede wegen worden omzoomd door bomen, wat de vriendelijke en rustige indruk alleen maar versterkt. Daarachter zie ik vooral laagbouw. Gebouwen van één, maximaal twee verdiepingen. Waarom ook, in dit onmetelijke Siberië, hoogbouw laten verschijnen?

Het eerste hoge gebouw dat ik zie, zo luidde de instructie van mijn huurbaas, is ook meteen de plek waar ik moet zijn. En het blijkt uitstekend te kloppen want op het moment dat ik een hoog gebouw zie, wijst de chauffeur deze aan als onze bestemming.

Ik druk ergens op een bel en, na lang wachten, klinkt vanuit de intercom een slaperige stem van de ‘administrator’, de Russische variant op onze conciërge. Ik mompel een verontschuldiging voor mijn vroege aankomst maar ze wuift dit vriendelijke doch resoluut weg. Vroeg aankomende of laat vertrekkende gasten deren haar blijkbaar niet. ‘Met de lift naar de zevende verdieping’, luidt haar instructie, ‘en pas op voor de muren want deze zijn net geverfd’. Aangekomen op de zevende verdieping staat de deur wagenwijd open en heet de administrator mij met een brede glimlach welkom. Bewonderenswaardig. Ik heb haar toch net wreed uit haar zondagochtendrust gewekt. En dan nu al zo’n glimlach.

Abakan, voor de duidelijkheid, is niet zomaar een nietszeggend stadje in Siberië. Het is de hoofdstad  van de Russische deelstaat Chakassië en daarmee het centrum van een gebied dat ongeveer even groot is als Nederland en België samen.  Weinig verrassend, per slot van rekening is Siberië niet meteen dichtbevolkt, is het aantal inwoners aanzienlijk lager. In de hele deelstaat wonen er ongeveer een half miljoen en in Abakan zelf zo’n 150.000. Dit verklaart ook meteen waarom ik, wanneer ik later op de zondag naar het centrum wil, vooral oude stadsbussen zonder passagiers voorbij zie rijden. Van bedrijvigheid is geen sprake. Stilte en rust heersen. Ervan uitgaande dat alle bussen naar het centrum rijden, stap ik in de leegste. De conductrice heet me hartelijk welkom, vraagt me een handjevol roebels en laat me een minuut of tien later, bij een standbeeld van Lenin uitstappen.

Ik ben in het centrum. Niet dat het hier drukker is overigens. Ik wandel door de Leninstraat en door de Karl Marxstraat, de winkelsteden van Abakan. Tot mijn verrassing zie ik Tommy Hilfiger, MEXX en een Baskin-Robbins IJssalon. Plotselinge moderniteit. Voor het overige is het vooral niets. Stilte voor een Siberische storm? Of de alledaagse gang van zaken?

3, Lenin 2, Spasko-Preobrazhenskoy Cathedral

De façade van restaurant Kaukasië trekt mijn aandacht. Plotseling luxe? Het lijkt er verdraaid veel op. Ik treed binnen in een compleet leeg restaurant. Alles is wit hier. De stoelen, de tafels, de muren, de vloer en ook de piano. Twee medewerkers, in witte tenues, staan werkeloos bij de eveneens witte bar. Een uitdrukking van teleurstelling op hun gezicht. Misschien omdat aan het nietsdoen een einde lijkt te zijn gekomen? Ik bestel, ondanks het nog steeds vroege uur, een sjasliek en 100 gram wodka. Een Siberisch ontbijt om in de juiste stemming te geraken. Beide smaken me uitstekend. En van beide zou ik best meer willen. Maar ik bedapper me. Te vroeg en te ongezond. Kan later vandaag nog wel. Nu eerst verder, de rest van de stad ontdekken.

Ik slenter door parken en door straten. Bewonder het onvermijdelijke oorlogsmonument 1941 – 1945. Bezoek het museum waar ik vooral opgezette Chakassische dieren zie. Wandel een kerk binnen. Raak de weg kwijt en beland uiteindelijk op een zondagsmarkt. En plotseling zijn de rust en de stilte verdwenen. Alsof heel Chakassië is samengekomen op deze ene plek. Verkopers van fruit, groente, kleding, schoenen, tassen, speelgoed, gereedschap, taarten, sanitair, toiletartikelen en wat al niet meer, bieden hun waar aan. En ze doen goede zaken, volgens mij. In ieder geval het aantal potentiële kopers is indrukwekkend. En velen lopen al flink bepakt en bezakt langs de talrijke kramen. Hier is het dan. Hier is het centrum van dit deel van Siberië. Maar echt opgewonden geraak ik er niet van. Te veel herrie. Te veel gedoe. En dus vertrek ik. Terug naar de stilte van het centrum. Terug naar hoe ik vind dat Siberië moet zijn.

 

 

Hoeveel kilometer ben ik eigenlijk van huis, zo vraag ik me af. Toch wel een duizendje of zeven, dunkt me. Dagen ben ik onderweg geweest om die enorme afstand te overbruggen. Nu zit ik hier in een fauteuil, bij de Oudgelovigen ergens diep in Siberië. Maar meer en meer krijg ik het idee tegenover mijn eigen ouders te zitten. Ik luister en kijk nu al een klein uurtje naar Pavel en Ekaterina en meer en meer bekruipt me het gevoel dat ik naar Antoon en Alie luister en kijk.

Qua uiterlijk zijn de overeenkomsten overigens ver te zoeken. Pavel heeft een woeste baard, terwijl mijn vader iedere ochtend zijn scheermes ter hand neemt om zijn eendagsbaard te lijf te gaan. En Ekaterina is gekleed in een lange jurk, terwijl ik mijn moeder de laatste 10 jaar alleen maar in een lange broek heb gezien. Maar de verhalen die ik hoor doen mij terugkeren naar de boerderij in Oude Pekela. Terug naar 1978, zeg maar.

Ekaterina vertelt honderduit en Pavel luistert aandachtig. Hij plukt de hele tijd ietwat nerveus aan zijn baard. Alsof hij bang is dat zijn vrouw iets verkeerds zal zeggen. Alsof hij bang is dat zijn vrouw kwaad over hem en de andere Oudgelovigen zal spreken. Ondanks zijn nerveuze gedrag is het mij allang duidelijk dat Pavel de touwtjes hier stevig in handen heeft. Ekaterina mag dan praten als brugman vandaag, als het puntje bij het paaltje komt, heeft zij niets te melden. Dan is Pavels wil wet. Af en toe bromt hij enkele woorden. Alsof hij zijn echtgenote dient te behoeden voor al te opruiende of liberale opvattingen. Want ook dit is mij allang duidelijk. Ekaterina is een moderne, eigentijdse dame die openstaat voor nieuwe ontwikkelingen en die zich met regelmaat afvraagt waarom zij in godesnaam met Oudgelovige Pavel in het huwelijksbootje is gestapt.

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, zo luidt het cliché. En hier in Erzje wordt aan deze waarheid nog minder getwijfeld dan in gereformeerd Oude Pekela in de zeventiger jaren. Pavels wil mag dan wet lijken, feitelijk is het God die regeert. Een traditionele God die woedend reageert op elke verandering. Hoe pietluttig ook. Meteen ook de reden waarom ik zo’n lange reis heb moeten maken. Want Oudgelovigen wonen doelbewust op plaatsen die moeilijk of niet te bereiken zijn. Ooit, lang geleden, toen de patriarch van de Russisch Orthodoxe kerk besloot de Russisch Orthodoxe kerk op één lijn te krijgen met de Grieks Orthodoxe waren veel gelovigen tegen dit voornemen. Zij vonden elke aanpassing of verandering een zonde en in strijd met de absolute waarheid. Maar de patriarch luisterde niet naar ze. Integendeel, als vertegenwoordiger van God op aarde vond hij dat hij het alleenrecht had op de waarheid. En dus liet hij deze opstandelingen vervolgen, onderdrukken en doden. En zo bedachten zij, tamelijk verstandig, dat het beter was te vertrekken naar verre oorden. Tegenwoordig zijn dan ook overal in Siberië Oudgelovigen te vinden.

Ekaterina ratelt maar door. Ik krijg zelfs het idee dat zij als vertegenwoordiger van de Oudgelovigen naar voren is geschoven. Uitsluitend voor de beeldvorming. Zo antwoordt zij dat zij geen probleem heeft een Russisch Orthodoxe kerk te bezoeken. Zij best een broek zou willen dragen. Jarenlang voor het gebruik van een mobiele telefoon heeft geijverd. Zou willen reizen naar onbekende bestemmingen. Zelf wel eens in Volgograd is geweest. Zo zegt ze zelfs dat ze had gehoopt dat haar man zou willen vertrekken uit dit dorp om in een meer ontwikkelde omgeving een interessanter leven te leiden. Zoiets als mijn eigen moeder, diep van binnen, ook voelt. Zoiets als mijn eigen moeder ook ooit heeft gedroomd. Al moet ik eerlijk toegeven dat ik haar dit nooit hardop heb horen zeggen. Pavel, ondertussen, zwijgt vooral. Kijkt inmiddels ook wat nors en denkt, zoveel is me wel duidelijk, bepaald niet hetzelfde. Maar ook Ekaterina is bij vlagen oerconservatief. Een van hun zonen verkettert zij zelfs omdat hij het heeft gewaagd met een ongelovig burgermeisje te trouwen en in de grote boze stad te gaan wonen. Een schande voor de familie noemt zij het en voor hun zoon is het een ticket naar de hel.

Old Believers, Cross P and E

Maar Ekaterina kan communicatief vaardig zijn, ze is en blijft kansloos tegen Pavel en de andere mannen in het dorp. Want net als Pavel regeren de buurmannen over de buurvrouwen. En uit hun midden kiezen de mannen de dorpsoudste, de wijste man van het dorp. Gekozen vanwege zijn levenservaring maar toch vooral vanwege zijn opvattingen. Traditioneel en conservatief. Hij is de baas en samen met de andere mannen zorgt hij ervoor dat de tijd zo stil mogelijk blijft staan. Helemaal buitensluiten lukt zelfs hier niet. Want de mobiele telefoon ligt ook hier op tafel. Ik zie zelfs Pavel met regelmaat op het schermpje loeren. Maar op deze geïsoleerde plek gaat het langzaam en is het relatief eenvoudig de grote, boze buitenwereld buiten te sluiten. Een Oude Pekela in het kwadraat, zeg maar. En zo vangt Ekaterina bot. Vist zij bij voortduring achter het net. Waarom Ekaterina plotsklaps, tot het chagrijn van Pavel, uitkraamt dat vrouwen nu eenmaal sterker zijn dan mannen, is mij dan ook niet helemaal duidelijk.

Als het om zaken gaat, zijn de Oudgelovigen overigens een stuk minder conservatief. Tractoren staan her en der in het dorp geparkeerd. En voor vele huizen pronkt een jeep. ‘Onmisbaar’, zo zegt Ekaterina, ‘in deze contreien.’ De wegen zijn het hele jaar onbegaanbaar vanwege overvloedige regenval, sneeuw of ijs. En het land bewerken zonder tractoren en andere moderne machinerie is evengoed onbespreekbaar. Opnieuw doet het mij denken aan de boerderij in Pekela. Ook daar was het verdomd moeilijk mijn ouders te overtuigen een fatsoenlijke TV met afstandsbediening aan te schaffen. Tegelijkertijd werden wel kostbare machines aangeschaft om het bedrijf te laten floreren.

Maar tegelijkertijd zijn de Oudgelovigen blijven hangen in een ver verleden. Want tussen alle wetenswaardigheden over het geloof, de tradities en de man/vrouw verhouding praat Ekaterina toch vooral over champignons. Echt het gesprek van de dag. Nu is de tijd deze te plukken in de bossen rondom, schoon te maken, te koken en te wecken voor de komende winter. Binnenkort geldt hetzelfde voor de aardappelen, de wortelen en de bonen. Arbeidsintensief werkje, zoveel is me wel duidelijk waar met vrouw en macht aan wordt gewerkt. Alles wordt geprepareerd zodat ook in de winter kan worden genoten van deze heerlijkheden. Net als vroeger, toen ook ik verplicht werd bonen te doppen en wortelen te schrapen. Voor de nakende winter.

Ekaterina vertelt dat zij drie keer per dag snoepen van al dit heerlijks. Ook het ontbijt bestaat uit aardappelen, fantastische volle koemelk, room en fikse hoeveelheden vlees. Wat de gevolgen zijn op lange termijn is duidelijk te zien. Overgewicht. Als een soort van Pino waggelt zij in haar keuken en rond haar huis. Het voedsel is eenvoudig te calorierijk om alles te verbranden. Ik heb het zelf gemerkt de afgelopen 48 uur. Na elke maaltijd voel ik me alsof ik zal ontploffen.

En als dan die lange winter aanbreekt, vertrekken de mannen naar de taiga. Maandenlang leven zij daar in houten hutten. Overdag jagend op alle dieren waarvan de vacht gebruikt kan worden voor een bontmantel. ‘s Avonds etend van het geprepareerde voedsel, bereid door moeder de vrouw natuurlijk. En ‘s nachts slapend in de blokhut. Thuis in het dorp wacht de vrouw getrouw op haar echtgenoot. Wellicht stiekem hopend op een bontjas, maar in werkelijkheid wetend dat de Pavels van deze wereld niet aan dergelijke luxe cadeaus doen.

 

Alle waarschuwingen ten spijt ben ik er toch. In Tuva. Vol verwachting klopt dan ook mijn hart wanneer ik Kyzyl, de hoofdstad, binnenrijd. Hoe ik ook mijn best doe, ik kan maar niet geloven dat ik nog steeds in Rusland ben. Daarvoor zien de inwoners er te verschillend uit. Ik blijf denken dat ik ergens onderweg een grens ben overgestoken. Heb het gevoel in Mongolië te zijn beland. Niet alleen vanwege het uiterlijk van de mensen alhier. Ook vanwege de natuur. Op weg naar hier heb ik urenlang uitgekeken over groene, glooiende heuvels. Het deed mij dagdromen over nomadische stammen, jaks en yurts.

Tuva, map

Hier in Kyzyl is van dit alles weinig tot niets te merken. De Sovjets hebben ook in dit deel van hun rijk hun uiterste best gedaan de stad een Russisch karakter te geven. En dat is ze opperbest gelukt. Brede wegen. Lada’s. Een standbeeld van Lenin. Orthodoxe kerken her en der. Cyrillische teksten. Het ademt allemaal Rusland. Alleen, die vermaledijde inwoners met hun Mongools uiterlijk maken elke poging tot Russificatie een vruchteloze.

Ik slenter door het centrum, op zoek naar vermaak en vertier. Maar eerlijk gezegd, al te indrukwekkend is het allemaal niet. De lucht is grijs en het regent voorzichtig. Met enige regelmaat rijdt zigzaggend een Lada voorbij. De talrijke kuilen en gaten ontwijkend. Op de hoek van de Lenin- en de Karl Marxstraat (inderdaad, ook de straatnamen zijn hier identiek aan die in andere Russische steden) heeft die enorme regenbui van eerder vandaag voor flink wat overlast gezorgd. De straat staat hier blank. Een vijftal mannen probeert het water in een aftandse tankauto te pompen. Veel meer gebeurt er niet. Alsof de 100.000 inwoners van Kyzyl massaal hebben besloten zich vandaag niet te laten zien. Na een uurtje slenteren oordeel ik voorzichtig dat het hier nogal armetierig is. Op zich een weinig verrassende conclusie. Want van alle 83 deelstaten in Rusland is Tuva het meest afhankelijk van steun van de centrale overheid in Moskou. Bij gebrek aan natuurlijke hulpbronnen, industrie of handel komt maar liefst 98% van het budget van de deelstaat Tuva rechtstreeks van Poetin en consorten.

Enig commercieel inzicht is de lokale autoriteiten toch niet vreemd. Bij gebrek aan bezienswaardigheden hebben zij namelijk een ietwat kunstmatige toeristische attractie ontwikkeld. Een creatieve, of wellicht verveelde, medewerker van het stadhuis van Kyzyl besloot op een goede dag de kaart van Azië uit de Russische Bosatlas te knippen en deze vervolgens op zijn middelvinger te laten balanceren. Volgens mij niet meteen een teken van extreem hoge werkdruk. Maar wat bleek? Inderdaad, Kyzyl is het middelpunt van Azië! Enthousiast deelde hij zijn vondst met zijn superieuren. En ook zij zagen wel brood in deze ontdekking. Sindsdien is er, op zo’n 500 meter vanwaar Lenin op zijn sokkel staat, het ‘ Centrum van Azië Monument’. Als toerist natuurlijk een niet te missen attractie. En zo sta ik dan ook al vrij snel oog in oog met het monument. Het doet me aan Manneken Pis denken. Niet omdat het daarop lijkt, maar omdat het bij mij dezelfde vraag doet opkomen: ‘Is dit het nou?’ Ik maak een paar foto’s en maak vervolgens rechtsomkeert. Overigens, Kyzyl is niet de enige plek die claimt het centrum van Azië te zijn. Ergens in de omgeving van Urumqi, in Chinees Xinjiang, staat een soortgelijk monument.

Centre of Asia Monument           National Museum, Kyzyl

Op weg naar het Nationaal Museum word ik uitgenodigd aan een boeddhistisch gebedswiel te draaien. De allereerste keer dat ik zo’n uitnodiging ontvang hier in Rusland. Ik sla het dan ook niet af en draai hartstochtelijk. Nu maar hopen op een goed karma voor alle inwoners hier. Eenmaal in het museum word ik hartelijk welkom geheten door een dame die fantastisch Engels spreekt. Ze vraagt of ze mij een rondleiding mag geven. Blij te zijn verlost van de eeuwige tweestrijd die ik voer met het Russisch, stem ik maar wat graag in. Verheugd veert ze op. Zich meteen verontschuldigend voor haar beperkte kennis van het Engels. Iets waarin ze het komende uur zal blijven volharden. Daar kan mijn voortdurende opmerking dat haar Engels vloeiend is, niets aan veranderen.

Mijn gids is een kostbaar geschenk uit de grijze Tuvaanse hemel. Ze vertelt honderduit over Tuva, de geschiedenis, de mensen, de cultuur, Kyzyl, de Russen. En vooral over Arzjan 2 (ook wel bekend als de Vallei der Koningen), een archeologische vindplaats, zo’n 60 kilometer ten noordwesten van Kyzyl, uit de vroeg Scythische periode. In het museum is aan Arzjan 2 een permanente tentoonstelling gewijd. ‘De trots van Kyzyl’, zo zegt mijn gids. Deze zaal binnentreden kan dan ook niet zomaar. Daarvoor zijn de Scythische schatten te waardevol. Eerst moet een bewaker allerlei grendels en sloten van een zware, ijzeren deur losmaken. Zoveel voorzorgsmaatregelen en beveiliging in Kyzyl? Het moet welhaast een voorbode zijn tot iets bijzonders.

Eenmaal binnen bevind ik me in een vrij donkere en koele ruimte. Een tiental vitrinekasten, subtiel verlicht, trekken dan ook logischerwijs mijn aandacht. En in één oogopslag zie ik dat hier pracht en praal wordt tentoongesteld. De archeologen van dienst in Arzjan 2 hebben een echte schat gevonden. Meer dan 20 kilo aan gouden voorwerpen in allerlei vormen. Opgegraven tussen 2000 en 2003, maar stammend uit de zevende eeuw voor Christus! Duizenden jaren lang slaagde geen enkele plunderaar erin, ondanks talloze verwoede pogingen, de centrale grafkamer te vinden. Om de tuin geleid door de architecten van de Scythische heersers. Inderdaad, er is ook een Arzjan 1. Alleen hierover heeft de gids niets te melden. Simpelweg omdat plunderaars het heilige der heilige van dit graf wel hebben leeggeroofd.

De gouden halsketting van de koning is het stralende middelpunt van heel veel glorie. Op mijn wellicht ietwat knullige vraag hoeveel zo’n ketting kost, antwoordt mijn gids, licht spottend, dat deze van onschatbare waarde is. Historisch erfgoed is onbetaalbaar. Zelfs niet met een gouden credit card. Maar niet alleen de heerser werd met een overdaad aan schatten begraven. Met hem werden ook zijn vrouwen, zijn concubines, zijn adviseurs en zijn paarden gedood en overladen met schatten bijgezet. Allen waren zij nodig om de heerser te assisteren in zijn volgend leven.

Het is toch wel heel bijzonder, blijf ik maar denken, dat in het arme Tuva, naar alle waarschijnlijkheid, nog steeds enorme hoeveelheden rijkdom ondergronds te vinden zijn. Misschien her en der toch maar eens wat kuiltjes graven de komende dagen.