Archive for the ‘Travel’ Category

Elina, getooid in een traditionele Tsjetsjeense jurk, spreekt vol passie over al het moois dat Tsjetsjenië te bieden heeft. Ze vertelt me dat ze al zeven jaar lang al haar energie spendeert om de schoonheid van haar republiek onder de aandacht te brengen. En zo te horen, is ze niet van plan hier de komende 70 jaar mee op te houden. Begeesterd verhaalt ze over de bergen, de gastvrijheid van de bevolking, de rijke geschiedenis en de cultuur. Het negatieve imago ten spijt is zij er stellig van overtuigd dat binnen een aantal jaren de toeristen massaal zullen toestromen. Daar kunnen Kadyrov, gevangen zittende homo’s en Poetin niets aan veranderen.

Enthousiast vertelt ze verder over de toeristische mogelijkheden in de buurrepublieken Dagestan, Ingoesjetië en Kabardië-Balkarië. Een rondreis door dit deel van de noordelijke Kaukasus is, volgens Elina, het summum. Ik geloof haar op haar woord. Terwijl ze praat over de vele verschillende volkeren en culturen in Dagestan rent haar tweeling, ik schat ze een jaartje of vier, opgewekt en vrolijk door haar kantoor. Elina maant ze tot rust, maar zonder al te veel succes. Ze mompelt, uit beleefdheid, iets van een verontschuldiging. Haar glimlach vertelt me dat zij het prima vindt dat haar twee dochters hier rondrennen en haar het praten proberen onmogelijk te maken.

Plots pakt ze haar mobieltje en pleegt een telefoontje. In rap Tsjetsjeens verhaalt ze over een Nederlander in haar kantoor. Althans, dit vermoed ik. Twee minuten later vertelt ze me dat ze zojuist een hoge ambtenaar van de Tsjetsjeense VVV heeft gesproken. Morgenochtend om half negen zal er een Toyota Landcruiser met chauffeur voor mijn hoteldeur staan. Gratis en voor niets. Gewoon, omdat ze blij is dat een lange Nederlander op eigen houtje probeert Tsjetsjenië te ontdekken.

De volgende ochtend arriveert, stipt op tijd, een hagelwitte, zojuist gewassen, Toyota Landcruiser. De chauffeur, genaamd Ramzan, schudt me hartelijk de hand. In iets van Engels verzoekt hij me plaats te nemen op de passagiersstoel. Zonder verdere poespas zijn we op weg. Naar ergens in Tsjetsjenië. Eerlijk gezegd, ik heb geen flauw benul naar waar. En de chauffeur is niet van plan me veel wijzer te maken, heb ik het idee. Want erg spraakzaam is hij niet. Althans, niet tegen mij. Wel met zijn vriendjes en zakenpartners. Het wordt me al heel snel duidelijk dat Ramzan een zeer innige relatie heeft met zijn mobiel. Desondanks blijft de carkit onaangeroerd. Die is blijkbaar niet stoer. Net als het dragen van een gordel trouwens. Hij lacht me dan ook bijna uit wanneer ik die van mij omgesp.

De rit is opzienbarend. In België, zo realiseer ik me, is het aantal asfaltkilometers van deze kwaliteit op de vingers van twee handen te tellen. De bergen rondom doen me denken aan Zwitserland. Bovendien, de Landcruiser lijkt wel de snelste auto in heel Tsjetsjenië te zijn. Ramzan mag dan continue aan het bellen zijn, op elk recht stukje weg geeft de teller minimaal 170 kilometer aan. Gelukkig voor mij zijn ze niet al te talrijk, die rechte stukken.

Twee uurtjes later gebaart Ramzan dat we niet ver meer zijn. Daar, zo knikt hij met zijn hoofd, is onze bestemming. Ik zie een spiksplinternieuw hotel, aan de oever van een groot bergmeer. Rondom nog steeds de Tsjetsjeense bergen. Ze nodigen ook hier uit om te komen wandelen. Maar blijkbaar nu even niet, aangezien ik linea recta naar de manager van het hotel wordt geleid. Tot mijn grote verrassing spreekt deze vloeiend Nederlands. Hij heeft 13 jaar in Hasselt gewoond, zo vertelt hij me. Maar een hoge Tsjetsjeense partijbons had hem twee jaar geleden benaderd of hij dit hotel wilde bestieren. En zoals het hoort in deze contreien, mannetjes met invloed spreek je niet tegen. Bovendien, het baantje is niet bepaald onplezierig.

De Tsjetsjeense overheid heeft grootse plannen met het hotel en de directe omgeving. Trots wijst de manager naar omhoog, waar druk gebouwd wordt aan een skiresort. De verwachting is dat deze begin 2018 wordt opgeleverd. Daarnaast zullen, aan de nu nog maagdelijke overkant van het meer, meer hotels en bungalows worden gebouwd. Om de inwoners van Grozny te verleiden massaal te komen recreëren, wordt alles uit de kast gehaald de reistijd naar hier te beperken. Onderweg merkte ik al op dat er op veel plekken aan bruggen wordt gebouwd.  Nu begrijp ik waarom. Die haarspeldbochten moeten wijken voor rechte stukken weg. Ik zie het al voor me. Witte Toyota Landcruisers die met een snelheid van 170 kilometer per uur massaal richting het skiresort zoeven.

Maar Tsjetsjenië heeft grotere ambities. Zo roept Kadyrov al een aantal jaren dat ook buitenlandse toeristen meer dan welkom zijn. Met de slogan ‘kom naar hier, want het is veiliger dan Groot-Brittannië’ probeert hij westerlingen hiertoe te verleiden. Een ambitieus streven en een dubieuze claim. Vooral omdat zijn daden niet echt overeenkomen met zijn mooie woorden.

15

Na twee dagen in Elista, heb ik sterk de indruk dat de Kalmukken zich maar wat graag terugtrekken in hun betonnen huizen. Samenscholen in verouderde winkelcentra. Rondstruinen in het centrale park. Een bezoekje brengen aan hun prachtige boeddhistische tempel. Of een waterpijp roken in het hipste café van de stad. Hun nomadische inborst lijkt definitief plaats te hebben gemaakt voor grootstedelijk vertier. De kuddes schapen en geiten te zijn vervangen door modieuze schoentjes en glimmende iPhones. Gerechten als ‘Semdzin’ (lever gewikkeld in vet) of ‘Dotur’ (soep bereid met de ingewanden van een schaap) allang overvleugeld door het immens populaire sushi.

Toch zie ik de ogen van Elza schitterend oplichten wanneer ik haar vertel heel graag eens kür te willen eten. Ze glimlacht op verrukkelijke wijze wanneer ik zeg nieuwsgierig te zijn naar dit typische Kalmukse gerecht. Terstond belt ze haar moeder om de Kür-voorbereidingen in gang te zetten. Kür, het zal waarschijnlijk geen enkel belletje doen rinkelen, maar een Kalmuks hart klopt hiervan spontaan een heel stuk sneller.

Kür, ik zal het maar verklappen, is een traditioneel gerecht dat oorspronkelijk door herders werd gegeten. Weken-, zo niet maandenlang waren zij van huis. Omringd door niets anders dan de immense steppe, en duizenden schapen en geiten waarover zij hoedden. Altijd kwam er dan een dag waarop zij al het van huis meegebrachte voedsel hadden verorberd. Of dat zij de aanwezigheid van al dat potentiële malse vlees rondom niet langer konden aanzien. Zomaar een schaap of geit slachten en deze op een vuurtje roosteren, was echter geen optie. Plotseling opduikende eigenaren zouden het net gedode dier zonder pardon in beslagnemen. En de daders zeer waarschijnlijk zwaar straffen. Dus bedachten de herders een list. In vijf eenvoudige stappen, maar met een verbluffend resultaat. Eén: ze groeven een kuil. Twee: ze slachtten een schaap. Drie: ze propten al het vlees (en de rest) in de maag van het geslachte dier. Vier: ze plaatsten de maag met inhoud in de kuil en dekten die netjes toe met een laagje zand. Vijf: ze maakten precies op die plek een vuur, zogenaamd om hun koude handen te verwarmen. Daarna was het slechts een kwestie van geduldig wachten. Vierentwintig uren om precies te zijn, zoveel tijd was nodig om het vlees gaar te laten sudderen, alvorens het feest kon losbarsten.

Dit gerecht heb ik dus zojuist besteld bij Elza. Gelet op het bovenstaande stappenplan mag het duidelijk zijn dat ik niet eerder dan morgen van de kür zal kunnen proeven. Elza spreekt inmiddels bijna voortdurend met haar moeder, die overduidelijk enorm enthousiast is over mijn plan. Zo krijg ik te horen dat ik een heel schaap moet kopen. Van een boer uit Bag-chonos – wat zoveel betekent als ‘Kleine Wolven’ of ook wel ‘Gat-in-de-Grond’ – een dorpje zo’n vijftig kilometer van Elista. Een goed Kalmuks schaap van zo’n zeventig kilo, zo leer ik, kost 5000 roebels (rond de € 80). Ik knik dat het prima is en heb daarmee een doodvonnis getekend. Het schaap is van mij en zal morgen op traditioneel Kalmukse wijze aan mij worden geserveerd.

169

Op kür-dag zelf hoor ik rond het middaguur een flinke klop op mijn deur. Elza, haar moeder en een vriendin staan glimlachend en, zo heb ik de indruk, zwaar ongeduldig op mijn stoep. Tijd om te gaan, zo vertellen hun lichamen en hun ogen. Ik stap in een nieuwerwetse Hyundai. Op naar ‘Gat-in-de-Grond’ neem ik aan. Maar dat blijkt toch niet helemaal zo te zijn. Want alvorens de stad te verruilen voor het platteland dienen we eerst nog een overlevingspakket samen te stellen. In de supermarkt kopen we groente, fruit, vruchtensappen, water, thee en toiletpapier. Ik kijk verbaasd. Uiteindelijk is het de bedoeling dat we morgenochtend alweer zullen terugkeren. Maar de ingeslagen voorraden zijn meer dan voldoende om een weeshuis te voeden. En dan te bedenken dat we ook nog een heel schaap mogen verorberen vandaag.   

Alleen met de wodka wil het, tot groot verdriet van een ieder, niet zo vlotten. Vandaag is het hier namelijk de laatste dag van het schooljaar, en om te voorkomen dat de feestvierende scholieren zich zullen bezatten, is Elista volledig drooggelegd. Onzinnige maatregel natuurlijk. Reken er maar op dat die scholieren allang de benodigde drank hebben ingeslagen. De enigen die lijden onder de maatregel zijn wij. Bij elk winkeltje dat wodka zou kunnen verkopen, maant Elza’s moeder de chauffeur te stoppen en stapt zij naar binnen. Maar niet meteen met het gewenste resultaat. Ze is echter vastberaden. Immers, een kür zonder wodka is een bij voorbaat mislukte kür. Uiteindelijk slaagt zij. Natuurlijk. Ergens in een achteraf straatje. Verrukkelijk glimlachend keert zij terug met twee flessen wodka. Het voorspel eindigt met een climax. Benieuwd hoe extatisch de daad zal zijn.

Het stadionnetje van FK Loetsj-Energia Vladivostok, de plaatselijke voetbaltrots, ziet er op deze februaridag troosteloos en rommelig uit. Het speelveld is bedekt onder een flinke laag sneeuw en ijs. De twee tribunes langs de lange zijden van het veld ogen vervallen. Overduidelijk iets te lang verwaarloosd. Een fiks likje verf is wel het minimale waarop ze recht hebben. Ook liggen er her en der planken, stenen en ander bouwmateriaal. Misschien omdat er binnenkort een poging zal worden ondernomen de gehele mikmak hier eens flink op te kalefateren? Of is dit de eerste aanzet tot het bouwen van tribunes achter de doelen? Bij de ingang zie ik een affiche van wat waarschijnlijk de laatste thuiswedstrijd is geweest: FK Loetsj-Energia versus Tjoemen, een stadje ergens in Siberië, zo’n slordige 7000 kilometer westwaarts. Niemand die de moeite heeft genomen alvast een plakkaat op te hangen waarop de eerstkomende thuiswedstrijd staat aangekondigd. Alsof het maar de vraag is of FK Loetsj die enorm lange winterstop überhaupt zal overleven.

Tegenwoordig vertoeft FK Loetsj op het tweede Russische niveau, waar het tamelijk troosteloos in de middenmoot bivakkeert. Maar minder dan tien jaar geleden was dit wel anders. Toen speelde de ploeg op het hoogste niveau. FK Loetsj-Energia was destijds een echte reuzendoder. En dit aftandse stadionnetje waar de kille oceaanwind vrij spel heeft, een onneembare vesting. Dit was de uitwedstrijd waar alle Moskouse ploegen en het Peterburgse Zenit het hele jaar met klotsende oksels over spraken. Niet alleen vanwege het overbruggen van een afstand van zo’n 9000 kilometer en zeven tijdzones. Vooral toch omdat zij wisten dat de spelers van FK Loetsj zich 90 minuten lang als hongerige wolven op hun gejetlagde lichamen en geesten zouden storten.  

De keeper van CSKA verzuchtte ooit, net nadat zijn team met 4-0 was afgedroogd door een ongenaakbaar FK Loetsj, dat wat hem betreft de uitwedstrijd in Vladivostok zou moeten worden geschrapt. ‘Laat ze maar in die Japanse J-league gaan spelen’, was zijn commentaar. Qua logistiek eigenlijk helemaal geen slecht idee, aangezien Japan maar een uurtje vliegen is vanaf Vladivostok.

Die keeper mag natuurlijk klagen, ook in Rusland. Maar eigenlijk heeft hij geen recht van spreken. Het zijn toch vooral de spelers van FK Loetsj zelf die mogen mopperen over vlieguren en tijdzones. Want om de week reizen zij vanuit Vladivostok naar elders in Rusland. Dit seizoen, onder andere, drie keer naar Moskou, twee keer naar Sint Petersburg en één keer naar Kaliningrad, de Russische exclave vlakbij Polen. Zelfs voor de derby van het Oosten, tegen SKA Khabarovsk, moeten zij toch nog 750 kilometers reizen.    

Dat afstand prima overbrugbaar is, bewezen drie doorgewinterde diehard fans van Zenit. Clubliefde en jeugdige gekkigheid maakten dat zij besloten hun team ook in het verre oosten van Rusland te steunen. En zo togen zij op weg. In een oude Honda overbrugden zij de schrikbarende afstand van Sint Petersburg naar Vladivostok. Zo’n 9.500 kilometer over Russische snelwegen, over de Oeral, dwars door Siberië en dan nog een heel stuk rechtdoor. Voor een wedstrijdje van 90 minuten! Gelukkig zagen ze hun team winnen. Dat dan weer wel. Met een blij gemoed begonnen ze dan ook aan de even lange terugreis. Zonder al te veel succes. Al in Vladivostok gaf hun auto er definitief de brui aan. Zoveel kilometers in zo’n korte tijd was te veel voor het Hondaatje. En dus restte ze niets anders dan op de trein te stappen. Een erbarmelijke reis van zeven lange dagen. Ze rolden Sint Petersburg net op tijd binnen om de eerstvolgende thuiswedstrijd van hun helden niet te hoeven missen. Toch kent dit verhaal een happy end. De spelers van Zenit, dusdanig onder de indruk van zoveel clubliefde, schonken deze supporters een nieuwe auto. En die oude Honda? Die staat nu in het museum van Zenit.

FK Loetsj was dus gevreesd en de ambitieuze voorzitter droomde al hardop van Europees voetbal. Tot grote schrik van de UEFA. Vanuit West-Europa is Vladivostok, inclusief een overstap in Moskou, toch snel een uurtje of vijftien verderop. Best kans dat het tijdsverschil en de lange reis FK Loetsj ook in Europa tot een gevaarlijke outsider voor eender welke titel zou kunnen maken. Maar zover zou het nooit komen, want uiteindelijk bleek het team te zwak om te kunnen blijven profiteren van die-einde-van-de-wereld-locatie. Tot groot verdriet van de voorzitter en tot grotere opluchting van de UEFA.

Het is hier leeg. En stil. Ik zit in een cafetaria, in een nederzettinkje ergens tussen Volgograd en Elista. Niets verstoort de rust. Zelfs de TV, doorgaans een bron van herrie in dit soort tentjes, houdt zich eerbiedig gedeisd. Andere klanten zijn er niet. En de twee dames van dienst geven ook geen kik. Ze kijken me eerder enigszins schuchter aan. Alsof ze bang zijn dat ik plotseling een enorme herrie zal produceren. Maar waarom zou ik? De stilte past perfect bij de omgeving. Ik drink een theetje en laat onderwijl de afgelopen rit nogmaals de revue passeren.

Drie uurtjes geleden nog maar vertrok ik uit Volgograd, wellicht beter bekend onder de oude naam Stalingrad. Daar was het druk met mensen, met auto’s en met herrie. Het regende er. Keihard. Maar nu? Waar ik ook kijk, ik zie niet anders dan een immense steppe. Hoe ik ook luister. Ik hoor niets dan stilte. De hitte zindert aan de horizon. Ondanks het feit dat ik geen enkele landsgrens heb gezien, heb ik heel erg sterk de indruk in een ander land rond te reizen. En dan vooral nog omdat de mensen er opeens zo heel anders uitzien. Van op Poetin gelijkende mannetjes en potige baboesjka’s naar look-a-likes van Dzjengis Khan. Is dit ook Rusland?

Kalmukkië, want daar ben ik, is groter dan Nederland en België tezamen. Toch wonen er slechts 275.000 mensen, van wie meer dan een derde in de hoofdstad Elista. Ooit in een zeer ver verleden vertrokken de Kalmukken uit het zuiden van Siberië naar hier. Over het waarom woedt nog steeds een discussie. Sommige historici claimen dat zij vertrokken vanwege het gebrek aan grazige weiden voor hun enorme kuddes schapen. Anderen denken dat zij de dominantie van hun buren, de Mongoolse Dzungar stam, meer dan beu waren. Wat ook de reden is geweest, het verklaart wel waarom het niet al te veel verbeeldingskracht behoeft om de Mongoolse horden hier over die uitgebreide steppe te zien stuiven.

Ook verklaart het meteen het toch wel opmerkelijke feit dat Kalmukkië het enige gebied in Europa is waar de meerderheid van de bevolking praktiserend boeddhist is. En dat willen de Kalmukken weten ook. Ten tijde van de Sovjetunie was het ze verboden hun overtuigingen publiekelijk te tonen. Maar tegenwoordig is het allemaal een stuk relaxter op dit vlak. Dankzij de hernieuwd verkregen vrijheid beleeft het boeddhisme een enorme opleving. Onder andere te zien aan de bouw van de ene na de andere boeddhistische tempel. De spiksplinternieuwe tempel in Elista, de grootste in gans Europa, werd bijvoorbeeld binnen één jaar uit de grond gestampt.

Die hernieuwde vrijheid maakte ook de weg vrij voor de Dalai Lama, die hier sinds het uiteenvallen van de Sovjetunie twee keer op bezoek is geweest. Vanzelfsprekend, tot grote vreugde van alle Kalmukken, die voor deze gelegenheden massaal uitrukten. Maar de laatste jaren komt hij niet meer. Niet omdat hij niet wil, maar omdat hij niet mag. Want ook voor Rusland weegt de economische ontwikkeling zwaarder dan religieuze overtuigingen van een minderheid. Zeker in deze barre tijden. En dus paait Rusland de Chinezen door de Dalai Lama te weigeren. Genoeg reden om bozig en verdrietig te zijn, zou ik denken. Maar de Kalmukken halen hun schouders op over zoveel onrecht en gaan onverdroten voort met bouwen.

De tempel in Elista is met afstand het mooiste gebouw van de stad. Ook een buitenstaander voelt hier de liefde en de toewijding voor boeddha. Mede dankzij de betrokkenheid van de vele vrijwilligers. Zij vegen de paden. Wieden het onkruid. Maaien het gras. Zorgen voor de kleurige bloemperkjes. Onderwijl glimlachen ze vriendelijk naar de bezoekers. Ik loop een rondje rondom de tempel, draai aan gebedsmolens en plotsklaps verdwijnen mijn woeste en wrede gedachten. Om plaats te maken voor vredige en blije.

Dat het hier niet louter liefdevol en vredig is, ondervond die ene jongeman uit het naburige Dagestan. Op bezoek in Elista meende hij te kunnen piesen op het centrale plein. Misschien omdat hij hoge nood had. Misschien omdat dit gebruikelijk is in Dagestan. Misschien omdat hij van nature enigszins boers en onbehouwen was. Misschien omdat hij de Kalmukken wilde beledigen. Tot op de dag van vandaag weet niemand de ware reden. Simpelweg omdat er nooit naar is gevraagd. Hoe dan ook, de Kalmukken voelden zich beledigd. Niet vanwege dat piesen overigens. Maar omdat op datzelfde plein een beeld van boeddha staat. En met zijn actie had deze jongeman uit Dagestan het beeld ontheiligd. Op sociale media werd deze schanddaad in no-time een hot topic. Met als gevolg dat velen, met name jongelui, in hun auto stapten en naar Elista togen. Een woedende menigte, geleid door de woestelingen uit Oost-Kalmukkië (!), verzamelde zich voor het hotel waar de jongeman uit Dagestan overnachtte. Zij eisten zijn hoofd. En niets minder dan dat. Pas na bemiddeling van politie, zijn oprechte excuses en de belofte onmiddellijk te vertrekken, kalmeerden de gemoederen.

Maar vandaag heerst er rust. Vandaag is het stil. En ik weet heel zeker dat ik niet degene zal zijn die de boel op stelten zal zetten.  

Een droge opsomming van feiten, data en cijfers leert dat het Bajkalmeer niet zomaar een meer is. Feitelijk zijn ze dan ook bepaald niet droog, eerder spectaculair en indrukwekkend. Wat te denken van het feit dat meer dan 20 procent van al het zoetwater op aarde zich in dit meer bevindt; veel meer dan in alle grote meren in de USA en Canada tezamen. Ook is uitgerekend dat het meer zoveel zoetwater bevat dat de gehele wereldbevolking er maar liefst 30 jaar van zou kunnen drinken. Qua oppervlakte, een slordige 31.500 vierkante kilometer, is het ongeveer even groot als België. Lengte? Zo’n 600 kilometer. Breedte? Plusminus 81 kilometer. Maximale diepte? Een fikse 1642 meter. Gemiddelde diepte? Nog steeds zo’n 758 meter.

En over dit immense meer rijd ik nu. Hartje winter is het. Buiten is het een graadje of twintig onder nul. In de minibus is het zeker 45 graden warmer. We maken een excursie rondom Olkhon Island, het grootste eiland in het Bajkalmeer. En dat het ietsje groter is dan Terschelling mag duidelijk zijn: zo’n 70 kilometer van noord naar zuid en ongeveer 8 km van oost naar west.

Eind februari is het meer bedekt met een laag ijs, dik genoeg om een tank te dragen. Spanning dat de minibus, waarin ik zit, door het ijs zal zakken voel ik dan ook niet. Alhoewel, het dient gezegd dat de zoon van de voormalige Oekraïense president Janukovich vorig jaar, tijdens een autorace, onder verdachte omstandigheden in dit meer verdronk. Zijn minibusje zakte wel door het Bajkalijs. Om onduidelijke redenen konden de overige vijf inzittenden gered worden, er wordt hier gezegd dat ze zelfs geen natte voeten gehad zouden hebben. Maar voor de zoon kwam alle hulp te laat. Omdat er voorheen al meerdere mensen uit de entourage van Janukovich op dubieuze wijze waren omgekomen, valt zeker niet uit te sluiten dat dit geen toeval is geweest. Aangezien ik op geen enkele wijze aan Oekraïense politici gelinkt ben, zit ik zorgeloos in de bus.

Af en toe stappen we uit en beginnen we een schuifeltocht over het ijs. Op weg naar een grot waar enorme stalactieten van ijs de ingang versperren. Of we schuifelen naar het noordelijkste puntje van het eiland, voor het beste uitzicht over het noordelijker deel van het meer. Daar waar  geen ijswegen meer zijn, simpelweg omdat er geen – of althans bijna geen – mensen wonen. Slechts vissers wagen zich ten noorden van Olkhon Island. Voor de rest regeert hier de natuur.

In het grootste dorp op het eiland, met 1300 zielen niet bepaald meer dan een gehucht, vind ik een onderkomen voor de nacht. De uitbaatster van het etablissement glimlacht verrukt wanneer ze mijn roestig Russisch hoort. Maar goed ook trouwens dat ik enigszins Russisch spreek, want haar Engels beperkt zich tot een ‘thank you’ en een ‘goodbye’.

IMG_8570    IMG_8563

Een kop thee, huisgemaakte koekjes en een flink opgestookte houtkachel zijn mijn welkom. Het is er aangenaam warm. Niet snikheet zoals in veel andere Russische huizen, maar prettig. Na de thee krijg ik een rondleiding door het huis. In de woonkamer zie ik een enorme TV waarop Shrek speelt. Moderniteit in Verweggistan. De gids had eerder al verteld dat pas sinds 2005 elektriciteit gemeengoed is op het eiland. Ook vertelde hij dat de bewoners terstond overgingen tot de aanschaf van TV en schotel. Maar een lampje installeren op het toilet lieten ze achterwege en werd afgedaan als volkomen overbodige luxe. Trouwens, het toilet hier is prachtig. Heerlijk verwarmd middels een kachel. Er is zelfs een speciale wifi aangelegd. Alleen, het bevindt zich ergens diep in de tuin op minimaal 50 meter afstand van het warme huis. Dat wordt een avond zonder bier neem ik mezelf stante pede voor. Stel je voor dat ik vannacht een keer of twee de gang naar het toilet moet maken? In het pikkedonker en met minus 20 graden of meer op de teller. No way. En uit het raam piesen, zoals ik vroeger op de koude boerderij nog wel eens deed, is evenmin een optie. Het raam wil namelijk niet open.

Na de thee loop ik door het dorp. Uitgestrekte straten zonder mensen. Ik slenter rond, geniet van de lucht, de zonsondergang, de kleuren, de stilte, de kou, de besneeuwde straten en het uitzicht over het fantastische meer. In de jachthaven liggen een tiental boten. Totaal vastgevroren. Het is wachten op de lente alvorens zij kunnen uitvaren.

Mannetjes rondom een Oazis (een Russische jeep) wenken naar me. Nieuwsgierig loop ik naar ze toe. Het zijn Boerjatiërs, op Mongolen gelijkende Russen, die vooral in de naburige republiek Boerjatië wonen. Ze hebben overduidelijk al flink van de wodka gesnoept. Dit zie ik niet alleen aan hun ogen en gedrag maar ook aan de twee lege flessen wodka die op de motorkap staan. Ze nodigen me uit voor een glaasje en een ritje. Het glaasje accepteer ik. Geen best spul, concludeer ik. Het smaakt in ieder geval belabberd. Maar het ritje weiger ik. Er is weliswaar weinig kans op ongelukken op het ijs. Daarvoor is er te weinig verkeer of andere obstakels. Maar met een dronken Boerjatiër als chauffeur over het Bajkalijs lijkt me een te slecht plan. Dus loop ik door. Niet veel verderop verstoort een jongeman de stilte met zijn zijspanmotor. Met brullende motor rijdt hij rondjes over het ijs. Telkens een nieuwe passagier verblijdend. Onder hun dikke mutsen en in hun enorme jassen zie ik ze allemaal breeduit glimlachen. Ook hij nodigt mij uit voor een ritje. Maar opnieuw weiger ik. Te weinig kledij om mijn lijf. Ik vrees afgevroren tenen en vingers en zelfs m’n edele delen zouden wel eens ten onder kunnen gaan aan de kou.

IMG_8579 IMG_8585

Hier zit ik dan op het dakterras van het Palmyra Palace. Een alleraardigst hotel in Jalta. Van die Kalasjnikovs, lynchpartijen en treurnis is voorlopig niets te merken. Eerder het tegenovergestelde. De zon schijnt uitbundig, de Zwarte Zee glinstert uitnodigend, de palmbomen wuiven zachtjes in de wind. De maaltijd van verse steak en een nogal zoetig lokaal wijntje maken het vakantiegevoel compleet.  

Ben net terug van een wandeling door het centrum van Jalta. Eerlijk gezegd, op het eerste gezicht leek het nogal op een Mediterrane badplaats. Ook hier een boulevard met winkels vol prullaria. Kermisachtige attracties. Terrassen, cafés, bars. Onder het toeziend oog van Lenin, dat dan weer wel. Zoals altijd en overal in Russische steden, kijkt hij stoer en streng vanaf zijn sokkel toe op het kapitalisme rondom. Om hem te treiteren hebben de lokale autoriteiten besloten recht voor zijn neus een McDonald’s te bouwen. Wellicht de reden dat hij behalve stoer en streng ook wat sikkeneurig kijkt. Overigens, de karakteristieke McDonald’s ‘M’ siert dan wel het straatbeeld, hier een Big Mac bestellen zit er niet in. De tent is gesloten. Als onderdeel van de Westerse sancties. Niet dat McDonald’s alle restaurants in heel Rusland heeft gesloten. Nee, natuurlijk niet. Dat zou te veel impact op het bedrijfsresultaat hebben. Alleen dit ene restaurant is gesloten. Dus moet ik de Krim zien te overleven zonder de consumptie van die ranzige burgertjes. Moet welhaast lukken. Lastiger zijn de consequenties van een soortgelijk, en even dubieus besluit, van Mastercard. Hier op de Krim kan ik mijn creditcard niet gebruiken. Niet om te pinnen. Niet om te betalen in restaurant of hotel. Geblokkeerd vanwege de Westerse sancties. Ik loop dan ook rond met een flinke stapel vers knisperende bankbiljetten. Met diezelfde creditcard uit een Moskous pinautomaat getrokken. Toch, ik kan me maar moeilijk voorstellen dat Poetin en de zijnen echt onder de indruk zijn van zulke maatregelen. Het lijkt meer een manier om de Krimse bevolking te straffen. En de sporadische Westerse toerist te pesten.

41f

Volgens de Russische propagandamachine stemde maar liefst 96,6% van de bevolking voor aansluiting bij Rusland. Eerlijk gezegd, zo’n meerderheid lijkt zeer onwaarschijnlijk. Vooral omdat ook nog wordt geclaimd dat ruim 80% van de bevolking heeft gestemd. Terwijl het percentage Russen op de Krim rond de 60 ligt, de rest bestaat vooral uit Krim-Tartaren en Oekraïners. En die laatste twee groepen staan niet meteen te springen op aansluiting bij Rusland. Tegelijkertijd, volgens Westerse media is het op het schiereiland kommer en kwel. Is de annexatie een schande voor de wereldvrede in het algemeen en de Krimse bevolking in het bijzonder.

Wat is waar? Wie heeft gelijk? Ik heb alvast geen idee. Maar wil het evengoed wel weten. Dus heb ik besloten mijn eigen, niet-representatieve, steekproef te organiseren. Hoe? Ik combineer het bestellen van een kopje koffie met de vraag wat de verkoper vindt van de aansluiting van de Krim bij Rusland. Hetzelfde wanneer ik een ijsje koop. Een fles bier bestel. Een taxi neem. Een museum bezoek.

Op deze manier heb ik de afgelopen dagen heel wat mensen naar hun mening gevraagd. En ik mag alvast verklappen, de reacties waren niet bepaald divers. Slechts één iemand mopperde een ‘nee’; niet geheel toevallig een Krim-tartaar die bij het paleis van de Khan in Bakhchisaray op een bankje zat te zonnen. Alle anderen mompelden iets positiefs of staken uitgebreid de loftrompet over Poetin en de annexatie. Een aantal souvenirverkopers wees trots naar de afbeeldingen op de T-shirts die zij verkochten. Een man gekleed in een Russische vlag die een man gekleed in de Amerikaanse vlag van achteren neemt. Met als begeleidende tekst op het T-shirt ‘dit is wat wij met jullie sancties doen’. Anderen praatten over investeringen en dat Rusland haar uiterste best doet en zal blijven doen van de Krim opnieuw een Russisch paradijs te maken. Van de Oekraïne moet niemand iets weten trouwens. Corrupt land met corrupte leiders. Dat Chroesjtsjov, in 1954, het schiereiland cadeau deed aan de Oekraïne werd afgedaan als een dronkemansactie. Dommigheid van een zuiplap. Ook het  plan dat de Oekraïense regering ooit lanceerde om het Oekraïens als nationale taal in te stellen, werd door menigeen flink verketterd. Het Russisch was, is en blijft hier de voertaal.

324

Mijn niet-representatieve conclusie op basis van mijn niet-representatieve enquête is dat Rusland ongetwijfeld met de cijfers heeft gesjoemeld. Al is dit, eerlijk gezegd, geen conclusie die ik mag trekken op basis van mijn onderzoek. Het is gebaseerd op mijn eigen vooringenomenheid en mijn oprechte twijfel over percentages van boven de 96 procent. Wel durf ik te stellen dat de Oekraïne niets te zoeken heeft hier op de Krim. Niet geliefd en niet gewenst. Eerder gehaat zelfs. De Krim is Russisch, zestig jaar Oekraïense invloeden hebben daarop totaal geen invloed gehad. Het is zoals de billboards, waarop Poetin pronkt, zeggen: Россия. Крымь. Навсегда. (Rusland. Krim. Voor altijd.).

 

Vrijdagavond. Half negen. Wat een dolle en vrolijke boel is het in de metro. Vrouwen, van jong tot ouder, zitten of staan met fleurige boeketten bloemen in hun handen geklemd. Een enkeling loopt rond met kleurige ballonnen. Ze glimlachen gelukzalig. Het duurt even voordat ik me realiseer dat dit al ter gelegenheid is van internationale vrouwendag. Het is weliswaar pas 4 maart. Maar vandaag was de laatste werkdag voor de achtste. Omdat Rusland wederom gaat genieten van een lang weekend. Ter ere van vrouwendag. Dit lange weekend is zojuist ingeluid met een feestje. Alle vrouwelijke medewerkers zijn uitgebreid gefêteerd door de baas. In het zonnetje gezet. Luidkeels geprezen. Bedankt voor bewezen diensten. Overgoten met bloemen en met drankjes. En nu zitten ze hier in de metro. Enigszins dronken vermoedelijk. Overduidelijk nog na te genieten van de hoffelijkheid en alle mooie woorden. Te dagdromen over hoe mooi het leven zou zijn wanneer het elke dag vrouwendag zou zijn.

Behalve vrouwendag is er ook een mannendag in Rusland. Op 23 februari. Maar overeenkomsten tussen deze twee dagen zijn er niet of nauwelijks. Waar vrouwen op vrouwendag van bijna alle mannen in hun (nabije) omgeving een felicitatie, bloemen, aandacht, een geurtje of een echt cadeau verwachten, krijgen mannen niet meer dan een paar sokken of een lollige onderbroek. Op één voorwaarde, dat je als man in het Russische leger hebt gediend of nog dient. Alle andere mannen hebben het nakijken.

Blijkbaar is de gedachte dat het leven als man in het Russische leger even schrijnend is als het leven van een vrouw in de Russische maatschappij. Daarom ook doet iedere weldenkende man zijn uiterste best uit dat vermaledijde Russische leger te blijven. Uitstel middels (spook)studie, een stapel roebels, babbelen met invloedrijke hoogwaardigheidsbekleders. Alle middelen zijn geoorloofd. In vroeger tijden liep je de kans in Tsjetsjenië te belanden. Tegenwoordig kom je wellicht in Syrië terecht. Of ergens in een uithoek van dit immense land. Maar altijd ben je overgeleverd aan de grillen van je meerderen. Ook in vredestijd. Kort samengevat zijn die grillen te definiëren als fysieke en mentale mishandeling, minachting, verachting en vernedering. De ontgroening is berucht en regelmatig laten jonge rekruten het leven. Het is dan ook weinig provocerend te concluderen dat het erger is twee jaar man te zijn in het Russische leger dan een leven lang vrouw.

Sowieso, alle vrouwen die ik ken in Moskou, en dat zijn er best veel, leven alsof het het hele jaar vrouwendag is. Ze lopen parmantig rond op hoge hakken en in opzichtige jurkjes. Ze zijn druk bezig met hun maatschappelijke carrière. Drinken fruitthee in hippe cafés. Babbelen met vriendinnen onderwijl nippend van een glas champagne. Spenderen uren in schoonheidssalons voor nog rodere nagels en nog haarlozere lichamen. Tuchtigen zichzelf in dure sportscholen. Doen aan yoga om de Moskouse stress het hoofd te kunnen bieden. Pikken links en rechts een theater of een tentoonstelling mee.

Tegelijkertijd verlangen zij niets anders van een man dan hoffelijkheid. Eén die de deur openhoudt. Haar jas aanneemt. Haar voor laat gaan. Tenzij het potentieel gevaarlijk is. Dan mag hij als eerste. Haar bij voortduring vraagt of ze zich prettig en behaaglijk voelt. Haar met regelmaat vertelt dat ze mooi is en steeds mooier wordt. Haar bij voortduring pleziert met een klein, of beter nog, een groot cadeau. En natuurlijk verwacht zij dat een man de rekening betaalt in restaurant, theater of waar dan ook.

En dus heb ik besloten dit jaar vrouwendag te boycotten. Geen bloemen of lieve woorden. Geen speciale aandacht of een nieuw geurtje. Mocht er een dame zijn die zich hierdoor benadeeld voelde, dan bied ik haar mijn oprechte verontschuldigingen aan. Volgend jaar ben ik weer van de partij. Mits ik een paar sokken of een lollig onderbroekje ontvang op mannendag. En mits ik het komende jaar, wanneer ik op bezoek kom, standaard word verblijd met een gekoeld biertje, voorverwarmde pantoffeltjes en een met liefde gekookt feestmaal.

Nieuws, het komt en gaat. Wat horen we tegenwoordig eigenlijk nog over de Krim? Bitter weinig. Verdrongen door belangrijker zaken als de vluchtelingencrisis en de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar een paar maanden geleden domineerde de Krim, en zeker oostelijk Oekraïne, het nieuws. Toen was het er gevaarlijk. De mensen waren er ontstemd over de annexatie. De bevolking was verheugd over de Westerse reactie en de sancties opgelegd aan Rusland. Alles ademde treurnis. De Kalasjnikovs regeerden. Toen was de Krim een plek om te mijden. Als de pest. Zo ongeveer kan ik de berichtgeving in de westerse media samenvatten. En zo reageert mijn omgeving ook wanneer ik vertel dat ik met eigen ogen wil zien wat er gebeurt op de Krim. Vragende blikken. Enig hoofdschudden. Soms ronduit afwijzend. Zelfs een ‘wil-je-dood-vraag’ is mijn deel.

Op mijn beurt schud ik mijn hoofd. Geenszins ben ik zoiets van plan. Maar dat deze reacties mij overtuigen thuis te blijven is evengoed een illusie. Natuurlijk niet. Ik ben het namelijk zat te moeten horen dat de media overal ter wereld propaganda verkondigen. Behalve de onze. Ik erger me aan de eenzijdige berichtgeving van de Nederlandse media. Ik ben het beu te moeten luisteren naar bestuurders en leiders met bekrompen wereldse denkbeelden. Naar mannetjes en vrouwtjes die meningen ten gehore brengen over oorden waar ze nog nooit zijn geweest. Alsof zij het allemaal snappen. Alsof zij precies weten hoe de bevolking op de Krim denkt. Ik irriteer me aan het voortdurende prediken dat wij goed zijn en die anderen slecht. Of in ieder geval minder goed.

En dus ben ik op weg. Op naar die levensgevaarlijke Krim. Onderweg fantaseer ik over Kalasjnikovs. Over kogelregens. Over lynchpartijen. Ik denk na over Poetin; volgens velen de duivel in hoogsteigen persoon als het gaat over de Oekraïne en de Krim. Terwijl anderen in hem juist de verlosser zien. Ik mijmer over Jalta. Over Roosevelt en Churchill. Over de tsarenfamilie en hun liefde voor het schiereiland. Over de oorspronkelijke Tartaarse bevolking, die een wel heel roerige recente geschiedenis kent. Over Stalin, die woedend en achterdochtig als altijd, alle Tartaren, nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, liet deporteren naar Oezbekistan, Kazachstan en Siberië. Op verdenking van collaboratie met nazi-Duitsland. Naar slecht Sovjetgebruik duurde de deportatie van een kwart miljoen mensen slechts enkele dagen. Over diezelfde Tartaren, die zo’n 50 jaar later, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, terugkeerden naar hun moederland. Waar ze heden ten dage letterlijk en figuurlijk knokken voor hun rechten. Ik droom van de bergen, de stranden, de zon en de lokale wijnen. En opeens besef ik me dat ik opgewonden ben. Nieuwsgierig. Ongeduldig. Ik wil de tegenstrijdigheid, die uit alle hoeken en gaten druipt, zelf ontdekken.

Toegegeven, ik ben lichtelijk nerveus wanneer ik aankom op het vliegveld van Simferopol. Hangt er hier een zekere spanning in de lucht? Of is het mijn eigen verbeelding? Die twee Russische gevechtsvliegtuigen die ik tijdens het taxiën aan mij voorbij zie gaan, dragen in ieder geval niet meteen bij aan de rust in mijn hoofd. Wanneer ik om me heen kijk, realiseer ik me dat mijn medepassagiers bepaald anders reageren. Ze kijken blij en verheugd. Voeren geanimeerde gesprekken. Want de Krim is voor de Russen als het beloofde land. Eén van de weinige plekken in dit enorme land waar de zon bijna altijd schijnt en waar het klimaat niet wreed en vijandig is. Logisch dus, dat een gevechtsvliegtuigje links of rechts geen impact heeft op de stemming en het blije gevoel.

Buiten gekomen hoef ik niet op zoek naar een taxi. Er staan tientallen voor de deur geparkeerd. En alle chauffeurs willen die buitenlander wel naar Jalta brengen. De vraagprijs is 3000 roebels, zeg maar 40 euro, voor een ritje van zo’n 80 kilometer. Niet meteen erg duur, maar na wat handjeklap heb ik de prijs al snel teruggebracht naar 2000 roebels. De chauffeur heeft haast. In een razende vaart scheren we over de bochtige weg. Het lijkt wel alsof er geen recht stukje weg bestaat hier op de Krim. Met regelmaat staat er een enorm billboard aan de kant van de weg, met een al even enorm portret van Poetin. Hij glimlacht zelfverzekerd naar de Krimse bevolking. Alsof hij ze wil vertellen dat het goed is, en goed zal blijven. Voor altijd. En mocht dit niet voor een ieder duidelijk zijn, het staat er voor de zekerheid ook nog geschreven: De Krim is van ons. Voor altijd.

Ik heb me voorgenomen een niet-representatieve steekproef te organiseren onder de lokale bevolking. Zoveel mogelijk mensen alhier vragen naar hun mening over de Russische annexatie en over Poetin. En mijn eerste slachtoffer is de taxichauffeur. Ik knik naar een van die borden en vraag naar zijn mening. Die is kort en zeer duidelijk. Poetin is een held en de annexatie is een zegen. En hij is niet de enige met zo’n mening. Daar ga ik de komende dagen wel achter komen.

 

Zoals ieder jaar op 1 september maakte Beslan, een slaperig en onbeduidend stadje in Noord-Ossetië, zich ook in 2004 op voor het nieuwe schooljaar. En net als overal elders in Rusland werd dit heuglijke feit, door kinderen en hun ouders, op feestelijke wijze gevierd. Gekleed in hun beste outfit togen zij op weg naar hun school. Ook ouders en leerlingen van ‘School Nummer Één’ gingen goedgemutst op weg om ‘De dag van Kennis’ te vieren. Niet vermoedend dat Beslan nog dezelfde dag in de gehele wereld voorpagina nieuws zou zijn en de journaals zou beheersen.

Sjamil Basajev – door de Russen beschouwd als rebel en terrorist en ooit door Poetin getypeerd als de Osama Bin Laden van Tsjetsjenië – en zijn groep van rond de 30 mannen (en vrouwen) vielen op deze dag bewust School Nummer Één binnen. Zij gijzelden in totaal 1100 kinderen en volwassenen. Hun bedoeling? De Russen te dwingen zich terug te trekken uit Tsjetsjenië. Maar het pakte anders uit. Want ook toen al liet Poetin niet met zich sollen. Op de derde dag van de gijzeling bestormden speciale Russische eenheden de gymzaal, de plek waar de gijzelaars werden vastgehouden. Na een urenlange, chaotische strijd, waarbij de gijzelnemers explosieven lieten ontploffen waardoor de gymzaal plus een groot deel van de school werden verwoest, claimden de Russen controle. Maar de prijs die ouders en leerlingen hiervoor moesten betalen was schrikbarend hoog. Maar liefst 334 mensen, onder wie 186 kinderen, hadden het leven gelaten.

De hele dag al slenter ik rond in Vladikavkaz, de hoofdstad van Noord-Ossetië. Beslan is maar 20 kilometer verderop, een taxiritje van maximaal een half uur. Ik moet eerlijk toegeven, ik wilde eigenlijk al vanochtend gaan. Maar ik ging niet. Alsof ik niet durfde. Alsof ik toch niet wilde. Alsof ik voelde dat ik daar niet hoor. Het is inmiddels al tegen drieën en nog steeds laat ik elke taxi aan mij voorbijgaan. Dan zet ik, eindelijk, alle twijfel en schroom opzij en stop er één. ‘School Nummer Één in Beslan’ zeg ik tegen de chauffeur. Hij knikt begrijpend en vertelt me dat hij eerst zijn oude aftandse Lada moet prepareren voor zo’n lange rit. Bij een benzinepomp tankt hij benzine, vult de olie bij en giet flink wat water in de motor. Vervolgens stapt hij weer in, mompelt iets in de trant van ‘kak samolot’ (als een vliegtuig) en we zijn op weg. En hoe! Alsof hij zijn woorden kracht wil bijzetten, vliegen we inderdaad bijkans over de niet al te beste weg. Ondanks de bestemming grinnik ik in mezelf.

In een ommezien zijn we in Beslan. Ook in het stadje zelf mindert de chauffeur nauwelijks vaart. Recht op ons doel af, zo lijkt het. Bij het eerste het beste schoolachtig gebouw parkeert hij zijn auto op het plein. ‘De school’, zo vertelt hij mij. Maar voordat ik kan uitstappen, staat er al een mannetje naast de auto. Voordat ik iets kan vragen, vertelt hij al dat dit niet dé school is. Die is elders. De chauffeur luistert ongeduldig naar de instructies en rijdt vervolgens achteloos achteruit. Ver komen we niet, want opeens voel ik de rechterachterkant van de auto diep wegzakken. Ik stap uit en zie dat we in een soort van put zijn geraakt. De chauffeur moppert wat in zichzelf en instrueert me dat ik moet duwen. Terwijl hij gas geeft. En zo bevrijden we de Lada uit zijn benarde positie. Ondanks de bestemming glimlach ik nu.

Maar wanneer we vijf minuten later aankomen bij School Nummer Één is er van mijn glimlach niets meer over. Onmiddellijk voel ik spanning. Spontaan voel ik me ongemakkelijk. Weifelend stap ik de school binnen. Overal zie ik kogelgaten in de muren. Op de begane grond. Op de eerste verdieping. Het moeten er honderden zijn. Alle klaslokalen zijn zwartgeblakerd. Ik loop verdwaasd rond. In sommige zie ik nog een schoolbord hangen of tafels en stoelen staan. Maar het is allemaal kapot. Ik probeer me voor te stellen wat er hier is gebeurd. Ik probeer me te bedenken wat zich hier heeft afgespeeld. Hoe de gijzelaars zich hebben gevoeld. Maar hoe kan ik? Ik ben misselijk. Wil hier weg. Maar blijf evengoed. Naar de gymzaal, het epicentrum van de gijzeling.

Meteen vallen de verbrande klimrekken op. De teddyberen. De foto’s van de slachtoffers. 334 zijn het er. Zoveel foto’s van jonge kinderen. De kille, grijze muren. In het midden van de zaal staat een houten kruis. Met wat bloemen. Er heerst absolute stilte. Niemand die ook maar iets zegt. Iedereen staart voor zich uit. Is in gedachten. Misschien denken ze, net als ik, aan de ouders en hun kinderen die hier drie dagen lang gevangen werden gehouden door zwaarbewapende gijzelnemers. 1100 mensen opeengepakt in deze kleine ruimte. Met overal rondom hen door de gijzelnemers geplaatste explosieven. En zwaarbewapende mannen en vrouwen. Daadwerkelijk een voorstelling maken van hetgeen hier is gebeurd, het is onmogelijk. Maar toch voel ik nog steeds de angst. De angst van 1100 mensen, vandaag precies 11 jaar geleden.

Beslan1  Beslan

Na drie dagen stuiteren op de Pamir Highway is het wel eens tijd om wat te onthaasten en te relaxen. Een dagje lui aan de rand van een zwembad met een prettig cocktailtje in de hand en een uitzicht op strakke vrouwen in kleine bikini’s. Bijvoorbeeld. Of een middagje op een zonovergoten terras met een paar frisse Westmalle Triples, een steak en een fikse sorbet. Zoiets.

Murgab, het mag nauwelijks een verrassing heten, is letterlijk en figuurlijk lichtjaren verwijderd van dit soort vertier en plezier. Een zwembad? De warme douche van vanochtend kostte al flink wat hout en water, beide bepaald niet overvloedig aanwezig alhier. Een cocktail of een tripeltje? Pas na lang zoeken vind ik ergens in een gammele winkel een fles lauw bier. Een malse steak of een sorbet? Verder dan een blikje vlees en een waterijsje in dezelfde gammele winkel kom ik niet.

Maar een uurtje rijden richting de Chinese grens, zo vertelde mijn gastheer me vanochtend bij het ontbijt, bevindt er zich wel een natuurlijke hete bron. De Tadzjiekse variant op onze eigen spa. Zoiets althans. Ook al ben ik doorgaans geen spa-ganger, ik heb me evengoed laten overtuigen. Dus stap ik wederom in een Oazis en hotseknots ik andermaal door het prachtige Tadzjiekse hoogland. Vergeleken met gisteren is de weg zelfs nog een stuk slechter. Van de Pamir Highway naar een Pamir B-weg. Zeg maar.

Een prachtige Kirgiziër, getooid met een typische Kirgizische hoed, wacht ons op. Hij schudt mij stevig de hand, terwijl mijn chauffeur me vertelt dat deze beste man de burgemeester is van dit deel van de vallei. Een heuse hotemetoot derhalve. Ben meteen benieuwd naar zijn verhalen. Maar praten, zo gebaart de burgemeester, is voor later. Eerst moet er gebadderd worden. Hij leidt me naar een kleedruimte en wijst me hoe ik in het hete water geraak. Erg schoon is het er niet, vind ik. Eerder wat viezig. Toch ken ik geen twijfels. Het water is overduidelijk heet, bovendien het schijnt goed voor lijf, leden en botten.

Burgemeester

Na een kwartiertje voel ik me al opmerkelijk frisser en fruitiger. Jammer dat ik geen schoon outfitje heb meegenomen, want nu moet ik mijn oude, ietwat ranzige oude kloffie, weer aan. En zo beland ik in de yurt van de burgemeester. De burgemeestersvrouw is druk in de weer met pannen en potten. Vanzelfsprekend, er staat thee op het menu. Maar ook ovenvers brood, huisgemaakte yoghurt en dito jam. Terwijl ik flinke hoeveelheden van dit alles verorber, vertelt de Kirgiziër over zijn leven. Ooit, ten tijde van de Sovjet-Unie, was hij actief als spion in China. Hij spreekt dan ook vloeiend Chinees. Tegenwoordig is hij met pensioen, en ziet hij met lede ogen aan hoe de Chinezen langzaam maar heel zeker aan landjepik doen. Er mag dan een kilometers lang hek staan op de grens China en Tadzjikistan, deze houdt de Chinezen geenszins tegen. Hij vindt het maar niks, want vertrouwen doet hij die Chinezen voor geen cent. Aan de andere kant, zo hoopt hij, zullen de Chinezen voor meer welvaart zorgen. Want de Tadzjiekse overheid doet al jarenlang alsof ‘zijn’ deel van het land niet bestaat.

Een beetje wijzer, flink schoner en behoorlijk verzadigd gaan we weer op weg. Want er is heus nog meer vertier in de omgeving. Wat te denken van het snelste renpaard van de vallei? In het najaar, wanneer de dieren flink verzadigd zijn van het snoepen van het sappige zomergras, vinden hier talrijke paardenraces plaats. En mijn chauffeur kent, toevallig of niet, de jongeman die al een aantal jaren lang al die races naar zijn hand zet. Met zijn superpaard. De Lightfeet van de Pamir. En ik mag, volgens mijn chauffeur, vast een rondje op zijn rug. En zo stuiteren we naar nog afgelegener oorden.

Na een uurtje zie ik een stenen hut met rondom grazende yaks en schapen, wat slaperige honden en het paard. In de deuropening staan een man, een vrouw en twee kleine kinderen. Ons bezoek mag dan volkomen onaangekondigd zijn, het welkom is evengoed allerhartelijkst. Natuurlijk, mag die grote, zware Nederlander een stukje rijden. Lightfeet wordt stante pede gezadeld en zo zit ik, enigszins gespannen, op de rug van deze snelheidsduivel. Maar dat ik geen Arendsoog ben, blijkt alras. Misschien ben ik te zwaar? Misschien ben ik te onbehouwen? Ik heb geen idee. Wat ik wel weet, is dat ik niet veel sneller ga dan uitermate traag. De jongeman ziet het hoofdschuddend aan en na een aantal minuten verlost hij zowel paard als berijder uit hun lijden. Uiteraard, hij laat nog graag even zien hoe het wel moet. Een simpele beweging met zijn voeten en het paard stuift, in razende galop, over de velden.

Vanzelfsprekend, ook nu staat er weer thee op het menu. Net als ovenvers brood, huisgemaakte yoghurt en dito jam. En wederom verorber ik flinke hoeveelheden van dit alles, onderwijl luisterend naar de prachtigste verhalen. Zo leer ik dat vier schapen evenveel waard zijn als één yak, en vijf yaks één paard opleveren. Maar voor Lightfeet gelden deze rekensommen niet. Hij is van een andere orde en is minimaal 100 schapen waard. 70 waren er al eens geboden, maar dit aanbod was vriendelijk doch resoluut geweigerd. Verder weet ik nu ik dat melk van een yak veel voedzamer is dan van een koe of een geit. En ook dat het zomerse gras op sommige plaatsen zo voedzaam is dat de schapen zich letterlijk doodvreten. Vorig jaar stierven zo zes schapen een tragische dood.

DSC04349                           DSC04333

Ik vraag hem of hij wel eens marco polo schapen ziet. Als antwoord loopt hij naar het keukentje en deponeert een stuk vlees op tafel. ‘Marco polo schaap’, zegt hij, ‘zelf geschoten’. Ik kijk hem verrast aan. Bijna wil ik hem vertellen dat het verboden is deze schapen te schieten. Het is namelijk een bedreigde diersoort, en volgens westerse maatstaven mag hierop niet worden gejaagd. Alleen tegen betaling van zo’n 50.000 dollar wordt er af en toe een ‘afknalvergunning’ verleend aan een of andere rijke westerse patser. Maar ik slik mijn opmerking weg met een slok thee. In deze contreien, waar de natuur wreed is en niet bepaald vrijgevig, is zo’n schaap, die wel tot 220 kilo kan wegen, een geschenk uit de hemel. Eén goed gemikt schot en er ligt voor maanden vlees op de plank. Bovendien, het schijnt nog lekker te zijn ook.

Bij vertrek krijg ik het stuk vlees van het marco polo schaap in mijn handen gedrukt. Ik glimlach verrukt. Vanochtend nog droomde ik van een steak en nu al wacht mij een heus feestmaal.