Archive for the ‘Tajikistan’ Category

Na drie dagen stuiteren op de Pamir Highway is het wel eens tijd om wat te onthaasten en te relaxen. Een dagje lui aan de rand van een zwembad met een prettig cocktailtje in de hand en een uitzicht op strakke vrouwen in kleine bikini’s. Bijvoorbeeld. Of een middagje op een zonovergoten terras met een paar frisse Westmalle Triples, een steak en een fikse sorbet. Zoiets.

Murgab, het mag nauwelijks een verrassing heten, is letterlijk en figuurlijk lichtjaren verwijderd van dit soort vertier en plezier. Een zwembad? De warme douche van vanochtend kostte al flink wat hout en water, beide bepaald niet overvloedig aanwezig alhier. Een cocktail of een tripeltje? Pas na lang zoeken vind ik ergens in een gammele winkel een fles lauw bier. Een malse steak of een sorbet? Verder dan een blikje vlees en een waterijsje in dezelfde gammele winkel kom ik niet.

Maar een uurtje rijden richting de Chinese grens, zo vertelde mijn gastheer me vanochtend bij het ontbijt, bevindt er zich wel een natuurlijke hete bron. De Tadzjiekse variant op onze eigen spa. Zoiets althans. Ook al ben ik doorgaans geen spa-ganger, ik heb me evengoed laten overtuigen. Dus stap ik wederom in een Oazis en hotseknots ik andermaal door het prachtige Tadzjiekse hoogland. Vergeleken met gisteren is de weg zelfs nog een stuk slechter. Van de Pamir Highway naar een Pamir B-weg. Zeg maar.

Een prachtige Kirgiziër, getooid met een typische Kirgizische hoed, wacht ons op. Hij schudt mij stevig de hand, terwijl mijn chauffeur me vertelt dat deze beste man de burgemeester is van dit deel van de vallei. Een heuse hotemetoot derhalve. Ben meteen benieuwd naar zijn verhalen. Maar praten, zo gebaart de burgemeester, is voor later. Eerst moet er gebadderd worden. Hij leidt me naar een kleedruimte en wijst me hoe ik in het hete water geraak. Erg schoon is het er niet, vind ik. Eerder wat viezig. Toch ken ik geen twijfels. Het water is overduidelijk heet, bovendien het schijnt goed voor lijf, leden en botten.

Burgemeester

Na een kwartiertje voel ik me al opmerkelijk frisser en fruitiger. Jammer dat ik geen schoon outfitje heb meegenomen, want nu moet ik mijn oude, ietwat ranzige oude kloffie, weer aan. En zo beland ik in de yurt van de burgemeester. De burgemeestersvrouw is druk in de weer met pannen en potten. Vanzelfsprekend, er staat thee op het menu. Maar ook ovenvers brood, huisgemaakte yoghurt en dito jam. Terwijl ik flinke hoeveelheden van dit alles verorber, vertelt de Kirgiziër over zijn leven. Ooit, ten tijde van de Sovjet-Unie, was hij actief als spion in China. Hij spreekt dan ook vloeiend Chinees. Tegenwoordig is hij met pensioen, en ziet hij met lede ogen aan hoe de Chinezen langzaam maar heel zeker aan landjepik doen. Er mag dan een kilometers lang hek staan op de grens China en Tadzjikistan, deze houdt de Chinezen geenszins tegen. Hij vindt het maar niks, want vertrouwen doet hij die Chinezen voor geen cent. Aan de andere kant, zo hoopt hij, zullen de Chinezen voor meer welvaart zorgen. Want de Tadzjiekse overheid doet al jarenlang alsof ‘zijn’ deel van het land niet bestaat.

Een beetje wijzer, flink schoner en behoorlijk verzadigd gaan we weer op weg. Want er is heus nog meer vertier in de omgeving. Wat te denken van het snelste renpaard van de vallei? In het najaar, wanneer de dieren flink verzadigd zijn van het snoepen van het sappige zomergras, vinden hier talrijke paardenraces plaats. En mijn chauffeur kent, toevallig of niet, de jongeman die al een aantal jaren lang al die races naar zijn hand zet. Met zijn superpaard. De Lightfeet van de Pamir. En ik mag, volgens mijn chauffeur, vast een rondje op zijn rug. En zo stuiteren we naar nog afgelegener oorden.

Na een uurtje zie ik een stenen hut met rondom grazende yaks en schapen, wat slaperige honden en het paard. In de deuropening staan een man, een vrouw en twee kleine kinderen. Ons bezoek mag dan volkomen onaangekondigd zijn, het welkom is evengoed allerhartelijkst. Natuurlijk, mag die grote, zware Nederlander een stukje rijden. Lightfeet wordt stante pede gezadeld en zo zit ik, enigszins gespannen, op de rug van deze snelheidsduivel. Maar dat ik geen Arendsoog ben, blijkt alras. Misschien ben ik te zwaar? Misschien ben ik te onbehouwen? Ik heb geen idee. Wat ik wel weet, is dat ik niet veel sneller ga dan uitermate traag. De jongeman ziet het hoofdschuddend aan en na een aantal minuten verlost hij zowel paard als berijder uit hun lijden. Uiteraard, hij laat nog graag even zien hoe het wel moet. Een simpele beweging met zijn voeten en het paard stuift, in razende galop, over de velden.

Vanzelfsprekend, ook nu staat er weer thee op het menu. Net als ovenvers brood, huisgemaakte yoghurt en dito jam. En wederom verorber ik flinke hoeveelheden van dit alles, onderwijl luisterend naar de prachtigste verhalen. Zo leer ik dat vier schapen evenveel waard zijn als één yak, en vijf yaks één paard opleveren. Maar voor Lightfeet gelden deze rekensommen niet. Hij is van een andere orde en is minimaal 100 schapen waard. 70 waren er al eens geboden, maar dit aanbod was vriendelijk doch resoluut geweigerd. Verder weet ik nu ik dat melk van een yak veel voedzamer is dan van een koe of een geit. En ook dat het zomerse gras op sommige plaatsen zo voedzaam is dat de schapen zich letterlijk doodvreten. Vorig jaar stierven zo zes schapen een tragische dood.

DSC04349                           DSC04333

Ik vraag hem of hij wel eens marco polo schapen ziet. Als antwoord loopt hij naar het keukentje en deponeert een stuk vlees op tafel. ‘Marco polo schaap’, zegt hij, ‘zelf geschoten’. Ik kijk hem verrast aan. Bijna wil ik hem vertellen dat het verboden is deze schapen te schieten. Het is namelijk een bedreigde diersoort, en volgens westerse maatstaven mag hierop niet worden gejaagd. Alleen tegen betaling van zo’n 50.000 dollar wordt er af en toe een ‘afknalvergunning’ verleend aan een of andere rijke westerse patser. Maar ik slik mijn opmerking weg met een slok thee. In deze contreien, waar de natuur wreed is en niet bepaald vrijgevig, is zo’n schaap, die wel tot 220 kilo kan wegen, een geschenk uit de hemel. Eén goed gemikt schot en er ligt voor maanden vlees op de plank. Bovendien, het schijnt nog lekker te zijn ook.

Bij vertrek krijg ik het stuk vlees van het marco polo schaap in mijn handen gedrukt. Ik glimlach verrukt. Vanochtend nog droomde ik van een steak en nu al wacht mij een heus feestmaal.

Advertisements

Uren en uren rijden we al over de M41. Nog steeds klimmen we naar grotere hoogten. Nog altijd wordt het landschap ruiger. Het laatste restje water is inmiddels geconsumeerd en ik realiseer me dat het verstandig is geen pech te krijgen. Want een nachtje op deze hoogte, zonder water en voedsel, is zeker en vast geen sinecure. Kale, kille bergen rondom. Bruingekleurd met tinten grijs. Stenen zo ver het oog reikt, slechts af en toe wat gras of zeer laag struikgewas. Een stormachtige wind doet spierwit, rul zand opwaaien. Ik proef het op mijn tong, voel het in mijn ogen. Blijkbaar zitten er nogal wat kieren en gaten in de Oazis, onze Russische jeep. Het lijkt wel een woestijn op grote hoogte.

Pamir    Pamir

Af en toe stoppen we. Om de jeep wat rust te gunnen. En om de motor te koelen. Echt zorgen maak ik me vooralsnog niet, vooral omdat Zarek, de chauffeur, blijft glimlachen en een uitstraling heeft van ultieme controle. Tegelijkertijd, helemaal gerust ben ik toch ook niet. Vooral het gebrek aan water zit me dwars. Dat was toch wat dommig, te weinig water mee. En water vragen aan medeweggebruikers lukt ook niet. Want die zijn er niet. De enige levende wezens die ik, heel af en toe, zie zijn herders met een flinke kudde geiten en schapen. Op zoek naar grazige weiden. Al vraag ik mij af waar die in hemelsnaam te vinden.

We passeren de Khargush Pass, met 4.344 meter het hoogste punt van de dag. De Oazis puft en zucht maar heeft ons evengoed naar hier gebracht. Van louter plezier geef ik Zarek een high five. Wat een plek. Wat een weg. Wat een natuur. Wat een rit. Vanaf nu mogen we dalen, richting de beschaving van het wilde oosten van Tadzjikistan. Alleen die vermaledijde dorst en inmiddels ook honger gooien geringe hoeveelheden roet in het eten.

Maar dan is daar opeens een checkpoint. Plompverloren neergekwakt in absoluut niemandsland. Een treurige soldaat noteert mijn paspoortgegevens. Op mijn vraag hoeveel auto’s hier passeren, antwoordt hij, al even treurig, ‘tussen de vijf en de tien, maar vandaag zijn jullie de tweede’. En het is al ruim na drie uur, nog een paar uurtjes en het is donker. Op mijn belangrijkere vraag over water en voedsel, antwoordt hij door naar een hut te wijzen, iets verderop. Daar is wel iets te eten en te drinken.

Oazis  Checkpoint

Woedend worden we welkom geheten door een grommende hond. Gelukkig reikt zijn ketting niet veel verder dan een paar meter. Bovendien, er staat opeens een mannetje in de deuropening die al even woedend de hond tot stilte maant. Tegelijkertijd schitteren zijn ogen van plezier. Bezoek! Er is bezoek! Dolblij nodigt hij ons uit vooral binnen te komen, alwaar nog twee mannetjes op krakkemikkige stoeltjes zitten. Meteen wordt een ketel met water op een vuur gezet, ergens een brood opgeduikeld en in no-time drinken we thee en eten we zeer oud en droog brood. De drie mannetjes, twee biologen en een ingenieur, zijn in een dolenthousiaste stemming. In eerste instantie denk ik dat het is vanwege het bezoek. Alras begrijp ik dat het toch vooral is omdat ze al behoorlijk van de wodka hebben gesnoept. Natuurlijk, ze willen dat ook ik drink. Maar ik heb geen zin en weiger beleefd en resoluut. Alleen de uitnodiging om samen te dansen kan ik niet weigeren. En zo swing ik, in een aftandse hut op grote hoogte, op een Tadzjieks muziekje met twee Tadzjiekse biologen.

Terwijl we eten en drinken verhalen de biologen. Over de twee zonnepanelen uit China, die ervoor zorgen dat ze naar een radio kunnen luisteren en een gloeilamp kunnen laten branden. Eén van de twee blijft maar herhalen, als ware het een mantra: ‘zonnepanelen uit China zijn de beste ter wereld’. Wanneer hij vervolgens vertelt dat hij hier is om de wilde dieren te tellen, begin ik wel enigszins te twijfelen. Als hij net zo vaak dubbel telt, als dat hij dubbel vertelt… Het verbaast mij dan ook niet dat het goed gaat met het Marco Polo schaap in deze contreien. Toen de Russen het hier nog voor het zeggen hadden, was er van de natuur niet veel meer over. Maar inmiddels gaat het dus een stuk beter. Volgens de bioloog is dit ook te danken aan het feit dat hij een specialist is in Marco Polo schapen.

Met een ferme omhelzing en een voorzichtige zoen nemen we afscheid. Zelfs de hond lijkt opeens een stuk minder woedend. Op naar meer stenen, bergen, zand en woedende natuur. Maar het einde is in zicht zegt Zarek, nog een paar uurtjes en we bereiken het betere gedeelte van de Pamir Highway. En dat dit scheelt, is meteen duidelijk. Nog steeds verre van een strak geasfalteerde snelweg rijdt het inderdaad een heel stuk florissanter dan voorheen. En zo rijden we plotseling met gezwinde spoed richting Murgab, naar het wilde oosten van Tadzjikistan.

Wat zit ik heerlijk gerieflijk in die Toyota Landcruiser. Beenruimte te over, prima airco, Tadzjieks muziekje op de achtergrond en wanneer ik naar buiten kijk, zie ik de buitenwijken van Dushanbe aan mij voorbijglijden. Zelfs de weg is in goede staat. Althans, op dit moment. Maar dat het wilde oosten van Tadzjikistan al meteen buiten Dushanbe begint, wordt mij alras duidelijk. Nauwelijks zijn we de stad uit of de weg verwordt tot een soort van zandpad, her en der opgevuld met restanten asfalt en puntige stenen. Een voortdurende slalom is het gevolg. De chauffeur is een en al concentratie. En niet alleen vanwege de staat van de weg. Vooral omdat hij, zoals ik inmiddels heb begrepen, deze auto pas gisteravond heeft gekocht. En natuurlijk wil hij zijn nieuwe aanwinst ongeschonden aan zijn familieleden in Khorog laten zien.

Na een uurtje of twee stoppen we voor een lunch, al hebben we die eerder vandaag ook al genuttigd. Allemaal, de chauffeur, de bijrijder, mijn twee medepassagiers en ikzelf slurpen haastig een shurpa – soep met wat groente en een vettig stuk vlees – naar binnen. Alsof we haast hebben. En misschien hebben we dat ook wel, want de eindbestemming Khorog is nog steeds een slordige 600 kilometer verderop. En dat betekent nog minimaal 15 uurtjes slalommen.

Gesterkt door de shurpa, maar waarschijnlijker vanwege die 600 kilometers zet de chauffeur er flink de pas in. En dat nu, had hij beter niet kunnen doen. Want snelheid en puntige stenen, ze gaan niet samen. Dat weet toch iedereen? Het wachten op het onvermijdelijke duurt niet lang. Binnen een half uur staan we weer stil. Dit keer met een lekke achterband. En niet zo’n klein beetje lek ook. De band is volledig aan barrels. De chauffeur kijkt beteuterd en teleurgesteld. Alsof hij had verwacht dat Toyota Landcruiser banden niet kapot kunnen gaan. Hoe vervelend ook, een band is eenvoudig te vervangen. Alleen, de wrede Tadzjiekse werkelijkheid leert mij dat deze nieuwe auto is afgeleverd zonder reserveband. Hoe de chauffeur ook zoekt, hij vindt deze nergens. Nu is het mijn beurt beteuterd en teleurgesteld te kijken. Hoe is het in godesnaam mogelijk een reis als deze aan te vangen zonder reserveband? Dat is niet een klein beetje maar heel erg dom.

De bijrijder bedingt een lift naar ergens om twee uur later terug te komen met een band. Helaas, deze past niet. Modelletje Lada of iets dergelijks en te klein voor de Landcruiser. Auto’s, trucks, bussen worden aangehouden, maar niemand heeft een passende band. Aan een van de chauffeurs die richting Dushanbe rijdt, wordt gevraagd aldaar een band te organiseren. Hij krijgt wat somani in zijn hand gedrukt en belooft plechtig dit bij aankomst meteen te regelen. Alleen, Dushanbe is uren rijden. Dat betekent nog minstens vijf uur wachten. Minimaal. En de avond valt al. Er zit dan ook weinig anders op om asiel aan te vragen bij een van de huizen die iets verderop staan. Met ons vijven wandelen we naar het grote en armoedige huis. In Nederland, zo denk ik, lijkt zoiets een kansloze exercitie. Zelfs als er plaats zou zijn in herberg of stal, zou het antwoord vermoedelijk een negatieve zijn. Alleen, we zijn niet in Nederland, we zijn in Tadzjikistan. De heer des huizes opent de deur als antwoord op ons geklop. Hij kijkt niet eens verbaasd en geleidt ons, zonder enige twijfel, naar binnen. Schoenen uit en dan mogen we plaatsnemen in de woonkamer. In een ommezien staat er dampende thee voor onze neus, en niet veel later happen we in brood, vlees, groente, rijst en aardappel. Alsof we vrienden zijn die na een jarenlang verblijf in het buitenland onverwacht op bezoek komen. Alsof ze blij zijn dat ze hun, ongetwijfeld tamelijk beperkte, voedselvoorraad mogen delen met volkomen onbekenden. Ik heb honger maar niet heel veel trek. Ik kan toch niet hun voorraad aardappels en rijst plunderen? Alleen, de heer des huizes gebiedt mij te eten. Schept zelf mijn bord vol. Wijst dat er nog meer vlees is. Weigeren kan niet en mag niet. Ik zal eten tot ik omval.

Maar voordat ik kan omvallen lig ik al in een bed. En als ik zo om me heen kijk, zou het best eens het bed van de gastheer en –vrouw kunnen zijn. Natuurlijk, ik protesteerde en sprak dat ik best op de grond kan slapen. Natuurlijk, ik stribbelde tegen en zei dat ik niet op de beste plek in het huis wil slapen . Maar wederom was ik kansloos. De gastheer glimlachte lichtjes, wees slechts naar het bed en vertrok. Verdere discussie was overbodig. Die lange Nederlander slaapt vannacht in het ouderlijke bed.

Wat een nacht! Geslapen in een Tadzjieks dorp waarvan ik de naam niet eens ken. In een huis waarvan ik de bewoners niet ken. In een bed dat normaliter beslapen wordt door de heer en vrouw des huizes. Ben net gewekt door een stem die iets zei over thee en hoogste tijd. Ik schiet mijn broek aan, een shirtje en schoenen. De kans op een douche alhier lijkt me uitgesloten. Sowieso, ik kan toch niet half naakt door een vreemd Tadzjieks huis lopen?

Eerst maar eens naar het toilet, dat ergens achter in de tuin staat. Niets meer dan een diepe kuil, een houten vlondertje met een mooi rond gat, bedoeld om de behoefte door te mikken, en een krakkemikkig houten huisje. Ik stap voorzichtig naar binnen, mezelf afvragend of die planken wel berekend zijn op mijn 100 kilo. Per slot van rekening, de gemiddelde Tadzjiek zal niet veel meer wegen dan de helft hiervan. De planken kraken inderdaad vervaarlijk. Willen ze me waarschuwen? Ik blijf toch staan, doe wat ik moet doen, knijp halverwege af en haal opgelucht adem wanneer ik weer buiten sta. Volgende keer toch maar tegen een boom, zo neem ik me voor.

Wanneer ik na het ontbijt naar de auto loop, zie ik dat deze nog steeds op drie wielen staat. Vertrekken is voorlopig dus een illusie. Sterker nog, de geruchten gaan dat een lawine de weg tussen Dushanbe en alhier onbegaanbaar heeft gemaakt. Het zou dan ook best kunnen, zo wordt me verteld, dat de komende uren, wie weet zelfs dagen, geen nieuwe band zal worden gevonden. Ik knik begrijpend en vraag me af wat nu te doen. Veel vertier is er zeker en vast niet in dit dorp.

Drie dagen loop ik inmiddels door Dushanbe, de bepaald niet bruisende hoofdstad van Tadzjikistan. Ik wacht op het moment dat mijn GBAO (beter bekend als Gorno Badakshan Autonomous Oblast) permit gereed is. Want zonder deze permit mag ik, zoveel is zeker, het oostelijke deel van Tadzjikistan niet in. Ik dood de tijd met trolleybusritjes, het bezoeken van marktjes en markten, een ritje in een reuzenrad, het verorberen van flinke hoeveelheden kebab en het consumeren van een aanzienlijk aantal biertjes in de bar van Hotel Dushanbe.

                     DSC04032

Aan het einde van dag drie komt het verlossende telefoontje. De permit is klaar en ik mag deze terstond komen ophalen. De dame van dienst wappert vrolijk met mijn paspoort wanneer ik een uurtje later haar kantoor binnenstap. Tegen betaling van $ 50, in plaats van de afgesproken $ 30 ben ik weer de trotse eigenaar van mijn eigen paspoort. Ik kan praten als brugman, de reactie is en blijft hetzelfde. Een glimlach met een schouderophalen en een blik van ‘het-is-graag-of-niet’. En dus betaal ik, enigszins grommend, het niet afgesproken bedrag. Niettemin, ik ben blij en opgetogen. Morgen kan ik vertrekken richting de Pamirs.

Voor dag en dauw ben ik wakker. Deels omdat ik opgewonden ben over de reis, deels omdat het broodnodig is. Want Khorog, het doel van mijn reis is niet bepaald om de hoek. Sterker, het is een klereneind verderop. En dus sta ik al voor zes uur op het busstation. Alhoewel, busstation? Er valt geen enkele bus te bekennen, louter wat vrachtauto’s en wat jeeps. Evengoed, word ik belaagd door bijna alle mannetjes die hier op het station rondlopen. En allemaal bieden ze mij een plek aan in hun voertuig. Volop keuze, zo lijkt het. Alleen, een korte inspectie leert me dat er twee probleempjes zijn. Het eerste is dat er nog geen andere passagiers zijn, wat kan betekenen dat ik uren en uren moet wachten. Het tweede is dat de meeste voertuigen zo krakkemikkig zijn dat ik mij serieus afvraag of ze de barre tocht naar Khorog ooit zullen vervolmaken. Niet goed wetend wat te doen, bestel ik maar een thee. Vertrekken doen we de komende tijd toch niet.

Plotsklaps staat er een mannetje voor mijn neus. Hij ziet er anders uit. Netjes gekleed, gepoetste schoenen, een mooi rood sjaaltje om zijn nek gedrapeerd. Hij wijst naar zijn auto, die net buiten het station staat geparkeerd. Een fris gewassen Toyota Landcruiser nota bene. Hij is op weg naar Khorog en biedt mij een zitplaats aan. Ik kijk hem blij verrast aan, laat mijn thee voor wat het is en stap in. ‘Lucky bastard’ glimlach ik in mezelf. Niks geen krakkemikkigheid deze reis, maar pure luxe.

We vertrekken meteen, om binnen tien minuten alweer stil te staan. Gestopt door de verkeerspolitie. En verder rijden, zo is mij al snel duidelijk, is uitgesloten. Want de aan de agent overhandigde autopapieren blijken niet van deze auto. En dus volgt een heleboel getelefoneer, met een heleboel mensen. Geen idee eigenlijk wat er allemaal gebeurt. Tot er opeens een breedgeschouderde militair voor mijn neus staat. ‘Kolonel Rostam’, zo stelt hij zich voor, onderwijl mijn hand zeer krachtig schuddend. En meteen is hij het middelpunt van alle aandacht. Hij wil met me op de foto, beantwoordt drie telefoontjes per minuut, praat met de chauffeur, met de agenten en vertelt mij bij voortduring dat hij heel ‘happy’ is mij te ontmoeten. Ook deelt hij tussendoor nog even mee dat hij, van 1979 tot 1985, in Afghanistan heeft gevochten. Niettemin, de juiste autopapieren zijn er ook binnen een kwartier.

Niet dat we nu kunnen vertrekken. Zo is het ook weer niet. Want kolonel Rostam heeft honger gekregen en nodigt ons allen uit voor een vroege lunch. En het mag duidelijk zijn, niemand die het in zijn hoofd haalt dit te weigeren. In een colonne rijden we naar het favoriete restaurant van de kolonel. Ergens aan de andere kant van Dushanbe, zo lijkt het. Maar niemand die het in zijn hoofd haalt te klagen. Dat is al even vanzelfsprekend. Ook bij het restaurant neemt de kolonel de touwtjes meteen stevig in handen. Hij commandeert het personeel, regelt een fles wodka, zorgt ervoor dat ik naast hem kan zitten, beantwoordt nog steeds drie telefoontjes per minuut en praat tegelijkertijd met iedereen. Wanneer hij hoort van mijn maagproblemen, speelt hij spontaan ook de rol van dokter. Hij fabriceert zijn eigen medicijn dat, ik kan het nu al verklappen, fantastisch werkt. Daarom, mocht je ooit maagproblemen hebben, dan raad ik het recept van kolonel Rostam van harte aan.

Gooi wat zout in een kopje, voeg wodka toe en vervolgens nog wat meer zout. Roer. Proef. Voeg dan nog wat zout toe. Roer opnieuw. Giet het in een ander kopje en voeg dan nog een flinke scheut wodka toe. In één teug achterover slaan. Vervolgens twee dagen zonder wodka en zonder vlees. Succes gegarandeerd.

DSC04099                   DSC04097

Net als iedereen, ik luister braaf naar hem. En voer al even braaf uit wat hij mij opdraagt. Hij slaat me dan ook, bulderend lachend, tevreden op mijn schouder. Tijd om te eten. Terwijl de rest van de gasten zich laaft aan hompen vlees, eet ik slechts een groentensoepje, met een homp brood. Rostam kijkt vaderlijk toe en ziet dat het allemaal goed is. Toch komt hij rap terug op zijn eigen adviezen. Want na een half soepje te hebben gegeten, schenkt hij mij toch een wodkaatje in. Tijd voor een toost. Op Nederland en Tadzjikistan. Op Afghanistan. En op onze vriendschap.

Uiteindelijk, het is inmiddels na twaalven en ruim zes uur na mijn aankomst op het station, vertrekken we. Rostam zoent me uitbundig op mijn wangen en dan zijn we op weg. Op naar de GBAO, een slordige 600 kilometer verderop.