Posts Tagged ‘Kaukasus’

Het is weer begonnen, het miljardenbal der Champions League. De eerste oprolpartijtjes zijn inmiddels een feit. Het ooit roemruchte Celtic werd van het kastje naar de muur gespeeld door het wel erg valsspelende Paris Saint Germain. Feyenoord, ook al zo’n roemruchte club uit een grijs verleden, werd kansloos van de mat geveegd door het nieuwe kapitaal uit Manchester. Commentatoren spraken jubelend over de passeerbewegingen van Neymar of de dribbels van Messi. Analisten bazelden en stamelden over buitenspel en binnenkant dekken. Het heeft allemaal een blabla gehalte van jewelste. Alsof de onderste steen al niet langgeleden is opgegraven en uitbundig geanalyseerd.

Die groepswedstrijden zijn veelal een karikatuur op wat sport echt interessant maakt: strijd en spanning. Neem Chelsea, die patserige club van die nog patserige Abramovic. Met zes tegen nul deden zij evenzeer een duit in het korte-metten-maken-met-zakje. Het, letterlijk en figuurlijk, arme FK Qarabag uit Azerbeidzjan was het slachtoffer. Ook hier kwam de commentator niet verder dan het uitbundig bewieroken van de doelpuntenmakers. En sprak hij vol passie over fluwelen linkerbenen en splijtende passes. Van de Chelsea spelers uiteraard. Over de FK repte hij met geen woord. Behalve dan in zinnen met woorden als kanonnenvoer, speelbal of lelijk eendje. 

FK Qarabag

En dat nu, is jammer. FK Qarabag mag dan slechts een figurant zijn in een groep met ook nog Atletico Madrid en AS Roma. De geschiedenis van de club is wel degelijk roemrucht. Daar kan Chelsea, en vele andere clubs uit die protserige Premier League, bepaald niet tegenop.

Ooit, toen de Sovjetunie nog niet was uiteengevallen, speelde FK Qarabag een bescheiden rolletje in een der competities. De thuisbasis was Agdam, een stadje van ongeveer 30.000 inwoners op de grens van Azerbeidzjan en Nagorno-Karabach. Niemand, zeker grote clubs niet als CSKA Moskou of Dinamo Tiflis, maakte zich destijds druk om het bestaan van dit clubje. Niemand, zeker de communistische kopstukken in Moskou niet, bekommerde zich om dit stadje. Maar toen, op een dag in 1990, de Armenen in opstand kwamen tegen het Sovjetregime veranderde dit. Van een nietszeggend oord in de periferie van het machtige Sovjetrijk verwerd Agdam tot één van de speerpunten in de onafhankelijkheidsstrijd van Armenië, Azerbeidzjan en Nagorno-Karabach.

Nagorno-Karabach, het mag een onbekend stukje aarde zijn, maar de oorlog die hier woedde in de negentiger jaren van de vorige eeuw, was evengoed woedend. Ten tijde van de Sovjetunie was dit een etnisch Armeense autonome regio in de Azerbeidzjaanse SSR. Met andere woorden, de bevolking was overwegend Armeens en christelijk, maar de leiders Azerbeidzjaans en moslim. Destijds was dit nauwelijks problematisch, vooral omdat de werkelijke macht bij het Politburo in Moskou lag. Maar de verschillen kwamen razendsnel aan de oppervlakte op het moment dat het centrale gezag haar invloed verloor en verkrampt reageerde op de nieuw ontstane situatie.

Zowel Azerbeidzjan als Armenië maakten aanspraak op Nagorno-Karabach. En het landje zelf eiste, al in 1991, zelfstandigheid op. Kansloos als het was tegen de strijdkrachten van Azerbeidzjan, werkten de Karabachse vrijheidsstrijders nauw samen met de Armeniërs. Terwijl FK Qarabag haar wedstrijdjes speelde in het stadionnetje van Agdam gebruikten Azerbeidzjaanse strijders de stad om hun raketten richting andere delen van Karabach af te vuren. Dit zeer tegen het zere been van de Armenen en de Karabachen. Op een kwade dag in 1993 begonnen deze laatsten een offensief met als doel Agdam eens en voor altijd te veroveren. Zware gevechten maakten dat de gehele bevolking, bijna allemaal met Azerbeidzjaanse roots, naar het oosten vluchtte. Naar Bakoe met name. Om te voorkomen dat zij ooit zouden terugkeren, verwoestten de overwinnaars de stad grotendeels. Inclusief het stadionnetje van FK Qarabag.

Tegenwoordig is Agdam een spookstad. Nooit is een poging ondernomen de stad te herbouwen. Nooit heeft iemand de stoute schoenen aangetrokken en intrek genomen in zijn of haar oude woning. Volkomen logisch overigens, aangezien de Armeense strijdkrachten de stad nog steeds zien als een buffer tegen de agressieve Azerbeidzjanen. Tegelijkertijd dreigen de Azerbeidzjanen iedereen neer te schieten die zich in Agdam ophoudt.

Aghdam

Met de inwoners verdwenen ook de spelers, het bestuur, de terreinknecht en alle bij FK Qarabag betrokkenen uit Agdam. Verbannen uit hun stad. Gedwongen om te vertrekken naar Bakoe. Gedoemd om te spelen in hetzelfde stadion als de grote rivaal Neftci Bakoe. Te gronde gericht door een oorlog, nauwelijks meer dan twintig jaar geleden. Het is dan ook weinig verrassend dat de club voortdurend in grote financiële problemen verkeerde. Na jarenlang gefrustreerd in de luwte van de grote rivaal te hebben bestaan, besloot het terug te keren naar Karabach. Natuurlijk niet naar Agdam, dat ligt immers nog in puin, maar naar Quzanli, een stadje zo’n 50 kilometer van de frontlinie.

Azersun Holding, één van de grootste bedrijven in Azerbeidzjan, besloot in 2001 zijn naam aan de club te verbinden. Plotsklaps waren de geldelijke problemen verdwenen. In plaats daarvan brak een gouden periode aan, met alleraardigste successen. Vijf keer landskampioen en zes keer bekerwinst. En dus het bereiken van de groepsfase van de Champions League. Het Olympisch Stadion van Quzanli, met een capaciteit van 2.000 toeschouwers, blijkt al ruim een decennium een onneembare vesting.

Maar Chelsea, Atletico en AS Roma kunnen opgelucht ademhalen. Zij hoeven niet helemaal naar Quzanli. Want voor haar Europese wedstrijden wijkt FK Qarabag uit naar het Tofikh Bakhramovstadion in Bakoe, met een capaciteit van bijna 30.000 toeschouwers. Vast en zeker is het goed voor de inkomsten van de club. Maar het ware toch mooi geweest, indien die verwende profs een wedstrijd hadden moeten spelen in het kabouterstadionnetje in Quzanli.

Advertisements

Zoals ieder jaar op 1 september maakte Beslan, een slaperig en onbeduidend stadje in Noord-Ossetië, zich ook in 2004 op voor het nieuwe schooljaar. En net als overal elders in Rusland werd dit heuglijke feit, door kinderen en hun ouders, op feestelijke wijze gevierd. Gekleed in hun beste outfit togen zij op weg naar hun school. Ook ouders en leerlingen van ‘School Nummer Één’ gingen goedgemutst op weg om ‘De dag van Kennis’ te vieren. Niet vermoedend dat Beslan nog dezelfde dag in de gehele wereld voorpagina nieuws zou zijn en de journaals zou beheersen.

Sjamil Basajev – door de Russen beschouwd als rebel en terrorist en ooit door Poetin getypeerd als de Osama Bin Laden van Tsjetsjenië – en zijn groep van rond de 30 mannen (en vrouwen) vielen op deze dag bewust School Nummer Één binnen. Zij gijzelden in totaal 1100 kinderen en volwassenen. Hun bedoeling? De Russen te dwingen zich terug te trekken uit Tsjetsjenië. Maar het pakte anders uit. Want ook toen al liet Poetin niet met zich sollen. Op de derde dag van de gijzeling bestormden speciale Russische eenheden de gymzaal, de plek waar de gijzelaars werden vastgehouden. Na een urenlange, chaotische strijd, waarbij de gijzelnemers explosieven lieten ontploffen waardoor de gymzaal plus een groot deel van de school werden verwoest, claimden de Russen controle. Maar de prijs die ouders en leerlingen hiervoor moesten betalen was schrikbarend hoog. Maar liefst 334 mensen, onder wie 186 kinderen, hadden het leven gelaten.

De hele dag al slenter ik rond in Vladikavkaz, de hoofdstad van Noord-Ossetië. Beslan is maar 20 kilometer verderop, een taxiritje van maximaal een half uur. Ik moet eerlijk toegeven, ik wilde eigenlijk al vanochtend gaan. Maar ik ging niet. Alsof ik niet durfde. Alsof ik toch niet wilde. Alsof ik voelde dat ik daar niet hoor. Het is inmiddels al tegen drieën en nog steeds laat ik elke taxi aan mij voorbijgaan. Dan zet ik, eindelijk, alle twijfel en schroom opzij en stop er één. ‘School Nummer Één in Beslan’ zeg ik tegen de chauffeur. Hij knikt begrijpend en vertelt me dat hij eerst zijn oude aftandse Lada moet prepareren voor zo’n lange rit. Bij een benzinepomp tankt hij benzine, vult de olie bij en giet flink wat water in de motor. Vervolgens stapt hij weer in, mompelt iets in de trant van ‘kak samolot’ (als een vliegtuig) en we zijn op weg. En hoe! Alsof hij zijn woorden kracht wil bijzetten, vliegen we inderdaad bijkans over de niet al te beste weg. Ondanks de bestemming grinnik ik in mezelf.

In een ommezien zijn we in Beslan. Ook in het stadje zelf mindert de chauffeur nauwelijks vaart. Recht op ons doel af, zo lijkt het. Bij het eerste het beste schoolachtig gebouw parkeert hij zijn auto op het plein. ‘De school’, zo vertelt hij mij. Maar voordat ik kan uitstappen, staat er al een mannetje naast de auto. Voordat ik iets kan vragen, vertelt hij al dat dit niet dé school is. Die is elders. De chauffeur luistert ongeduldig naar de instructies en rijdt vervolgens achteloos achteruit. Ver komen we niet, want opeens voel ik de rechterachterkant van de auto diep wegzakken. Ik stap uit en zie dat we in een soort van put zijn geraakt. De chauffeur moppert wat in zichzelf en instrueert me dat ik moet duwen. Terwijl hij gas geeft. En zo bevrijden we de Lada uit zijn benarde positie. Ondanks de bestemming glimlach ik nu.

Maar wanneer we vijf minuten later aankomen bij School Nummer Één is er van mijn glimlach niets meer over. Onmiddellijk voel ik spanning. Spontaan voel ik me ongemakkelijk. Weifelend stap ik de school binnen. Overal zie ik kogelgaten in de muren. Op de begane grond. Op de eerste verdieping. Het moeten er honderden zijn. Alle klaslokalen zijn zwartgeblakerd. Ik loop verdwaasd rond. In sommige zie ik nog een schoolbord hangen of tafels en stoelen staan. Maar het is allemaal kapot. Ik probeer me voor te stellen wat er hier is gebeurd. Ik probeer me te bedenken wat zich hier heeft afgespeeld. Hoe de gijzelaars zich hebben gevoeld. Maar hoe kan ik? Ik ben misselijk. Wil hier weg. Maar blijf evengoed. Naar de gymzaal, het epicentrum van de gijzeling.

Meteen vallen de verbrande klimrekken op. De teddyberen. De foto’s van de slachtoffers. 334 zijn het er. Zoveel foto’s van jonge kinderen. De kille, grijze muren. In het midden van de zaal staat een houten kruis. Met wat bloemen. Er heerst absolute stilte. Niemand die ook maar iets zegt. Iedereen staart voor zich uit. Is in gedachten. Misschien denken ze, net als ik, aan de ouders en hun kinderen die hier drie dagen lang gevangen werden gehouden door zwaarbewapende gijzelnemers. 1100 mensen opeengepakt in deze kleine ruimte. Met overal rondom hen door de gijzelnemers geplaatste explosieven. En zwaarbewapende mannen en vrouwen. Daadwerkelijk een voorstelling maken van hetgeen hier is gebeurd, het is onmogelijk. Maar toch voel ik nog steeds de angst. De angst van 1100 mensen, vandaag precies 11 jaar geleden.

Beslan1  Beslan

Verrassend. De marshrutka naar Gori is bomvol. Moet ik nog een uur wachten ook alvorens de volgende komt. Maar de chauffeur zegt mij dat er nog wel een plek is. En hij knikt naar het gangpad, waar op ingenieuze wijze wat klapstoeltjes zijn gemonteerd. Met een rugleuning van maximaal twintig centimeter. Heel comfortabel zal het niet worden. Maar wat geeft het, een reisje van niet veel meer dan een uur behoeft niet heel veel gerief. Bovendien, de chaos van het station hier in Tbilisi, is niet meteen een aantrekkelijk alternatief. En dus stap ik in. Klap het stoeltje op zitstand. Glimlach naar mijn medepassagiers, bij wie ik bijkans op schoot zit en wacht rustig af. De chauffeur ouwehoert nog wat met zijn collega’s. Lurkt nog een laatste keer aan zijn peuk. En stapt dan ook in.

Ook de chauffeur heeft wel zin in Gori, zo blijkt. Want met gezwinde spoed gaan we op weg. Goede, strak geasfalteerde weg trouwens. Zal de EU dit grotendeels of helemaal hebben gefinancierd? Gewoon om de Georgische bevolking te paaien? Of ter meerdere eer en glorie van de EU zelf? Gisteren liep ik, in Tbilisi, nog op een EU-propaganda markt. Alle lidstaten waren daar vertegenwoordigd. Om zichzelf en de EU als geheel te promoten. Eerlijk gezegd, het was een nogal armetierige toestand. De Nederlandse stand blonk uit door kleffe blokjes Goudse kaas weg te geven. De Engelsen hadden een paar oude auto’s opgescharreld waar een ieder naar mocht kijken en mee op de foto mocht. En de EU-stand medewerkers deden niets anders dan ballonnen opblazen (van die blauwe met twaalf sterren) en vlaggetjes uitdelen (met aan de ene kant de EU-vlag en aan de andere de Georgische). Beschamende propaganda van een tamelijk knullig niveau. Een beetje vergelijkbaar met die goede oude Sovjet-Unie. Maar dan met schamele middelen vanwege de schamele EU-begroting. Toch, mocht de weg van Tbilisi naar Gori inderdaad met EU-geld zijn gebouwd dan is van een armoedige toestand zeker geen sprake. Vierbaans met glimmend, zwart asfalt. Die 80 kilometer leggen we dan ook ruim binnen het uur af.

Gori, de naam doet inderdaad al niet veel goeds vermoeden, is de geboorteplaats van Iosif Vissarionovitsj Dzjoegasjvili, beter bekend als Stalin (de man van staal). Wanneer ik uitstap, valt me op dat het hier niet bepaald warm is. Eerder koud eigenlijk. Bovendien, het regent lichtjes en het waait hard. Onplezierig weer. Alsof God een vervelend microklimaatje heeft geschapen voor Gori. Als straf voor het grootbrengen van Stalin.

Stalin mag dan nog steeds begraven liggen op het Rode Plein in Moskou, net achter het mausoleum van Lenin, de meeste Russen hebben toch in ieder geval hun bedenkingen bij hem. Maar aan bedenkingen hebben ze hier in Gori, zo schijnt, totaal geen boodschap. Hier overheerst trots. Trots op de beroemde plaatsgenoot. Die het toch maar heeft geschopt van een aftands huisje alhier tot het Kremlin in Moskou. Hardop ‘very bad motherfucker’ zeggen, iets wat mij spontaan te binnenschiet, is dan ook not done. Al vraag ik me af of dit überhaupt begrepen wordt.

Nu is het, ik moet het eerlijk toegeven, ook geen geringe prestatie. Van dit onooglijk oord naar het pluche van het Kremlin. Het is niet alleen in kilometers een enorme reis. Wellicht, wakkerde het provinciale en ver weggelegen Gori zijn drang naar macht aan? Bovendien, zijn jeugdjaren kunnen niet bepaald onbezorgd worden genoemd. Zijn vader, een schoenmakersknecht, dronk veel en vaak. En in zijn dronken buien tuigde hij zijn zoon Iosef met flinke regelmaat af.  Wellicht wakkerden deze vernederingen zijn drang naar macht aan?

                           64

In het plaatselijke museum riekt alles naar verheerlijking. Het begint al met het standbeeld van Stalin voor de ingang. In heel Rusland zijn er geen Stalin standbeelden meer te vinden (op een enkel minuscuul beeldje in Vladikavkaz na) maar hier pronkt Stalin parmantig op zijn sokkel. Binnen in het museum is het van Josef en van Stalin. Foto’s uit zijn jongste jaren, met paps en mams, samen met Lenin, als volksmenner, als leider, samen met kinderen. Tapijten met zijn afbeelding. Wijze spreuken ooit door hem gebezigd. En meer van dit soort pracht. Ook zijn er vitrines met geschenken van de grote mogendheden. De bijdrage vanuit Nederland is, hoe genereus, een paar houten klompen, maat baby.

Hoezeer de museummedewerkers hun best hebben gedaan Stalins imago tot hemelse proporties op te vijzelen. Hoezeer ze ook tijdens mijn bezoek hun best doen louter goed over hem te spreken. Mijn mening blijft onveranderd: ‘a very bad motherfucker’. In de museumwinkel laat ik de t-shirts met zijn afbeelding, flessen Stalinwijn of koffiemokken met zijn portret dan ook moeiteloos aan mij voorbijgaan.

Een bezoek aan Nagorno-Karabach is volgens het Ministerie van Buitenlandse Zaken af te raden. Te onstabiel en te gevaarlijk. De afgelopen dagen heb ik hierover inderdaad veel gehoord maar hoe dan ook niets gemerkt. En dus vermoed ik dat reizen langs de bestandslijn, de plek waar Armeense en Azerbeidjaanse troepen elkaar beloeren, waarschijnlijk ook minder gevaarlijk is dan de ambtenaren van het Ministerie beweren.

Ik twijfel tussen taxi en marshrutka. De verleiding voor de luxe van een taxi is groot, moet ik eerlijk toegeven. Ook omdat ik de afgelopen hiervan al met flinke regelmaat gebruik heb gemaakt. Gewoon omdat het kan, omdat het mag, omdat het zo heel warm is en omdat ik een klein beetje lui ben. Maar deze ochtend besluit ik dat een avontuurlijke reis als deze niet per taxi kan en mag. En dus wandel ik naar het busstation in Stepanakert waar de marshrutka naar Tigranakert al klaar staat. Helaas is de enige plek met enige beenruimte al bezet en dus rest mij niets anders dan met opgevouwen benen op een te krappe zitplaats plaats te nemen. Die Armenen zijn ook allemaal zo klein van stuk, mopper ik in mezelf.

Nagorno-Karabach, het is een gebied waar bijna niemand in de westerse wereld ook maar enige aandacht aan besteedt. Of dit helemaal terecht is, is nog maar de vraag. In het kruitvat, dat de Kaukasus heet, kan ook de situatie in Nagorno-Karabach zomaar ontploffen. De afgelopen dagen heb ik al meerdere keren gehoord dat de toch al broze vrede tussen Armenië en Azerbeidzjan alsmaar brozer wordt. Ik kan wel stellen dat de mensen hier bang zijn. Bang voor Azerbeidzjan. Bang dat een nieuwe oorlog niet meer lang op zich zal laten wachten. Eigenlijk heeft iedereen zijn of haar hoop op Rusland gevestigd. En op de Russische troepen. Om te helpen de Azerbeidzjanen tegen te houden. Of, beter nog, om te voorkomen dat zij überhaupt in actie durven te komen.

Bovenstaande is het verhaal dat ik de afgelopen dagen talloze keren heb gehoord. Van de Armeense bevolking alhier. Maar, er is ook een andere kant van het verhaal. Want ook de Azerbeidzjanen hebben ontzettend geleden tijdens de oorlog van 1988 tot 1994. En hiervan zie ik vandaag een voorbeeld wanneer ik langs Aghdam rijd. Aghdam is, of beter gezegd was, een stad op zo’n 20 kilometer van Stepanakert. Twintig jaar geleden woonden hier zo’n 40.000 mensen, allemaal Azerbeidjanen. Maar ze zijn gevlucht voor het geweld. En nu woont er niemand meer. Helemaal niemand. Dit kan ook niet, want alle huizen zijn verwoest. Bovendien, de Azerbeidzjaanse sluipschutters, de grens is niet veel verderop, hebben de akelige gewoonte te schieten op alles wat er nog beweegt. Een roestige tank is een stille getuige van een wreed slagveld, niet eens uit een zo grijs verleden.

Terwijl ik naar Aghdam tuur, word ik aangesproken door een medepassagier. Verrast kijk ik op, want hij spreekt alleraardigst Engels. En dat is bepaald ongebruikelijk hier. Hij stelt zich voor als Narek en vertelt me dat hij priester is in Martakert, een stadje verderop. Ik maak van de gelegenheid gebruik hem zijn mening te vragen over Aghdam. Zijn antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over:  ‘Azerbeidzjanen zijn slecht en gevaarlijk. Ze mogen Nagorno-Karabach claimen als zijnde deel van Azerbeidzjan. Maar ze hebben geen enkel recht van spreken. Dit is een onafhankelijke staat, iedereen die hier woont is Armeen. En iedereen huivert van Azerbeidzjan. Het is het kwaad op aarde. De duivel in hoogsteigen persoon’. Narek hoopt dat de rest van de wereld gaat inzien dat er hier gevaar dreigt. Dat een onafhankelijke staat onder de voet gelopen kan worden door een islamitische agressor. Maar hij heeft tegelijkertijd weinig hoop. Azerbeidzjan is te rijk, heeft teveel olie en invloed in de wereld. Het nietige Nagorno-Karabach is kansloos.

Aghdam      Tigranakert

Als hij hoort dat ik later vandaag van plan ben naar Martakert te reizen, nodigt hij me uit vooral bij hem langs te komen. Om verder te praten. Ik neem zijn uitnodiging maar wat graag aan. Hij mag dan, zoals iedereen hier, een nogal eenzijdig beeld schetsen van het conflict, het is hoe dan ook aangenaam eens wat Engels te babbelen.

Plotseling, voor mijn gevoel in de absolute middle of nowhere, stopt de bus. De chauffeur roept dat we in Tigranakert zijn. Hij bedoelt, dit is de plek waar ik moet uitstappen. Verwonderd kijk ik op en rond. Heel even heb ik de neiging te blijven zitten. Maar dan zie ik verderop, op een flinke heuvel, een kerkje. Precies de reden waarom ik meende hier te moeten uitstappen. En dus stap ik uit. Me wel afvragend hoe ik hier in godesnaam weer weg zal geraken. Niets dan kale bergen rondom. Behalve stofwolken van een graafmachine en zandauto’s. En een onbarmhartige zon op mijn hoofd. Daar sta ik dan met mijn koffertje. Bijna op de bestandslijn. Twee meter mens als schietschijf voor de sluipschutters, schiet door me heen. Door de stofwolken heen zie ik, als ware het een fata morgana, een kasteelachtig gebouw liggen. Wanneer ik wat dichterbij ben, zie ik ook mensen rondlopen. Het blijkt, nota bene, het museum van Tigranakert te zijn. Een alleraardigste dame leidt me in een ijltempo rond. Op 100 meter van hier, zo vertelt ze, is een gebouw blootgelegd uit de eerste eeuw. En hier in het museum zijn enkele opgegraven voorwerpen tentoongesteld.

Gewapend met een flesje water beklim ik vervolgens de heuvel. Die met op de top dat kerkje. Uit de zesde eeuw. De woedende zon doet me zweten en de steile heuvel doet mijn benen pijn. Maar ik stap door. Op naar de zesde eeuw. Wanneer ik boven ben, weet ik dat al het zweet en al die voetstappen meer dan de moeite waard zijn geweest. Eenzaam op de top, met rondom niets dan de kale bergen van de Kaukasus. Ik voel mij als een koning. Of, wellicht toepasselijker, als een profeet. Het is hier Bijbels. Er is hier niemand. Het enige geluid komt van de krekels. De kerk zelf mag dan flink gerestaureerd zijn, zoveel is wel duidelijk. Ik vraag me af hoeveel zesde eeuw er nog van over is. Niet al te veel volgens mij. Maar het drukt de pret geenszins. Welk een stilte. Welk een natuur. Welk een pracht.

Weer beneden maak ik vrienden met de medewerkers van het museum en de werklui van de graafmachine en de vrachtwagens. We drinken thee, roken sigaretten als dollemannen en praten, zo goed en zo kwaad als dit gaat, over familie en over Azerbeidzjan. Altijd weer Azerbeidzjan. En altijd weer die woede. En die angst.

Ik wil wel blijven. Zittend onder een boom in de schaduw is een aangename verpozing. Maar ik moet door. Door naar Martakert. Met wat kilootjes lood in mijn benen loop ik terug naar daar waar ik uit de bus ben gestapt. Half en half verwachtend dat ik hier uren moet wachten. Veel verkeer komt hier nu eenmaal niet voorbij. Dat is een zekerheid. Maar binnen drie minuten stopt een prachtige blauwe Lada. Oud en aftands. Net als de chauffeur. Hij vertelt me dat hij naar Martakert gaat. Net als ik dus. Hij nodigt me uit op de passagiersstoel te gaan zitten. Zijn radio staat hard. Ik herken Kylie Minogue, maar dan met een Nagorno-Karabach beat. Behalve de radio gaat er niets hard in deze auto. Bergop tuffen we met een gangetje van maximaal 20 per uur, terwijl we bergaf niet veel sneller gaan. Want bij elke afdaling gaat de motor uit. Om benzine te besparen. Desondanks zijn we binnen het uur in Martakert. Ik betaal hem 2000 dram (zeg maar 4 euro), waarop hij mij blij verrast de hand drukt.

Martakert is een stoffig oord. Een roestig reuzenrad is opvallend aanwezig. Voor de rest is het vooral stof. Toch, ik had bedacht hier vannacht te blijven en van dit plan wijk ik niet af. Dus ga ik op zoek naar een hotel. De soldaat, aan wie ik vraag waar een hotel is, vertelt me dat ik hem kan volgen. Hij wijst me graag de weg. Wanneer ik bij het hotel aankom, vertelt de receptioniste me dat er in haar herberg geen plaats is. Alle kamers zijn bezet.

Ik bestel een lunch van thee met vet schapenvlees en rijst. Ook om te bedenken wat nu te doen. Alleen, die kans krijg ik niet want plotsklaps staat daar Narek, de priester. Met een bedrukt gezicht. Al zegt hij dat hij blij is mij terug te zien. In zijn kielzog lopen vier soldaten. De priester vertelt me dat onze afspraak niet doorgaat omdat hij onmiddellijk naar Jerevan moet. Een collega-soldaat van deze vier is daarnet omgekomen. Omgebracht door een Azerbeidzjaanse sluipschutter. Narek moet de ouders van de omgekomen soldaat bijstaan. En dus vertrekt hij terstond. De vier soldaten schuiven bij me aan. Ze zijn stil, bestellen een Fanta en beginnen te roken. Als bezetenen. Aan tafel met soldaten die net een collega hebben verloren. Op drie kilometer van hier. De wereld mag dan geen weet willen hebben van hetgeen hier gebeurt, hier woedt wel degelijk een oorlog. Iedere maand wordt het broze vredesakkoord tientallen keren geschonden. Met doden en gewonden tot gevolg.

Mijn lunch smaakt me slecht. Niet zozeer omdat ik bang ben maar wel omdat ik eigenlijk niet kan eten. Het past niet. Er past hier alleen maar stilte. En sigaretten. De posters in het restaurant, van cocktails aan het strand, van cognac en sigaren passen ook al niet hier. Stof en een dode soldaat gaan daar niet mee samen.

Martakert           231

Een vol hotel en een dode soldaat doen mij besluiten verder te gaan. Op naar Dadivank. Buiten op straat vind ik een taxichauffeur die me voor 20.000 dram (40 euro) wel wil brengen. Ik vind het veel geld, maar van onderhandelen wil hij niet weten. Het is graag of niet. En het mag duidelijk zijn, een heel goede onderhandelingspositie heb ik bepaald niet. Er zijn weinig alternatieven, want weinig auto’s en bovendien wil ik graag weg. Dus stem ik toe en stap in zijn Opel Astra. De chauffeur waarschuwt me meteen dat de weg slecht zal zijn. En hij krijgt gelijk. Kuilen en gaten in het asfalt. Als er al asfalt is. En verder vooral weer stofhappen. Maar tegelijkertijd, wat een geweldige rit door de Kaukasus. Weer ben ik stil, maar deze keer van de schoonheid. Urenlang rijden we door de bergen. Af en toe doet een tegenligger ons nog meer naar stof happen. Steeds weer herhaalt de chauffeur dat de weg te slecht is voor zijn Astra. Steeds weer verontschuldigt hij zich voor de staat van de weg. In Nederland is het vast beter. In Nederland is vast alles beter. Ik ontken en wijs naar de bergen. Zo mooi hebben wij ze niet in Nederland.

Uiteindelijk is de weg te slecht. Te slecht voor een van de banden van de Astra. De chauffeur verwisselt de band in een recordtijd. Binnen enkele minuten gaan we weer voort. Nu zonder reserveband.

Het is inmiddels al heel wat jaartjes geleden, dat ik het boek ‘Ondergang van een Wereldrijk’ las van de Poolse schrijver, oorlogscorrespondent en avonturier Ryszard Kapuscinski. Maar al die jaren wist ik het zeker, er komt een moment dat ik in zijn voetsporen treed. Natuurlijk, destijds – we spreken over begin jaren negentig – was Nagorno-Karabach een no-go zone waarvoor hij halsbrekende toeren moest uithalen om er te geraken. Terwijl het tegenwoordig vooral een kwestie is van het boeken van een vliegticket, het verkrijgen van de juiste papieren en dan simpelweg te gaan.

Gedurende al die jaren groeiden Nagorno-Karabach en dan vooral de hoofdstad Stepanakert uit tot alsmaar mythischer proporties. Soms is een naam zo mooi: StepaNAkert, zoals ik het al die jaren in mijn gedachten uitsprak. Ik zou er een lied over hebben kunnen schrijven. Maar gelukkig voor mezelf en voor mijn omgeving liet ik dit achterwege. In plaats hiervan ben ik nu op weg. Op weg naar StepanaKERT, zoals de mensen hier zeggen.

Ik ben voorlopig nog in Jerevan, de hoofdstad van Armenië en op weg naar de permanente vertegenwoordiging van Nagorno-Karabach. Want alvorens naar Nagorno-Karabach  te kunnen reizen heb ik een visum nodig. Er mag dan geen enkel land op aarde zijn dat dit land als onafhankelijke staat erkent, zelf hebben zij geen twijfel. Het is weliswaar sterk afhankelijk van Armenië en deelt met dat land, onder andere, een gezamenlijke munt en een gezamenlijk leger. Onafhankelijk zijn ze. Behalve in Jerevan heeft Nagorno-Karabach een permanente vertegenwoordiging in Moskou, Berlijn en Washington. Voor de rest nergens. Toch roept ook hier mijn bestemming vooral vraagtekens op. In ieder geval, mijn taxichauffeur kijkt me niet begrijpend aan wanneer ik hem vertel waarheen ik wil. Ambassade en straatnaam zijn bij hem onbekend. Hij belt met wat vrienden of bekenden om uit te vinden wat ik precies bedoel. En dan zijn we op weg. Al vrij snel bereiken we de bestemming: een aanzienlijk groot gebouw, parmantig en statig zelfs. Omringd door een manshoog hek, in ambassade stijl. Ze weten in ieder geval wel hoe het hoort, denk ik.

Vlag Nagorno-Karabach                           Yerevan; Nagorno Karabach Representation

Ik bel aan maar er is niemand die antwoordt. Ook na een tweede keer bellen, gebeurt er helemaal niets. Ik duw eens tegen het hek. Het piept langzaam open. En dus loop ik het terrein op. Mijn allereerste stappen op Nagorno-Karabachse aarde. Ik hoop maar dat er binnenkort nog vele zullen volgen. De deur van het gebouw zelf staat wagenwijd open. Ik klop aan, netjes als ik ben, alvorens binnen te stappen. Ik sta in een grote hal. Ook hier is niemand. Links staat een bureautje, ik vermoed de plek waar de portier normaliter zit. Maar hij had blijkbaar niemand verwacht en strekt eventjes de benen. Of rookt een sigaretje. Rechts is een keukentje waarin een aftands gasfornuis staat waarop een pan pruttelt. Waarschijnlijk de voorbereidingen voor het middagmaal. Een vleesgeur verspreidt zich door het gebouw. Aan de muur hangt een soort van certificaat waarop ik lees dat Nagorno-Karabach een onafhankelijke staat is met een eigen volkslied, parlement en president. Ergens in een hoek staat de vlag.

Opeens verschijnt de portier. Waarschijnlijk toch gealarmeerd door wat ongebruikelijke geluiden. Hij vraagt me wat ik kom doen. En ook al lijkt me dit redelijk duidelijk, ik antwoord braaf dat ik een visum nodig heb voor Nagorno-Karabach. Hij knikt begrijpend en vertelt me dat ik moet wachten. Ik loop wat door de hal terwijl het mannetje op zoek is naar de verantwoordelijke visa verstrekker. De geur van het voedsel maakt me hongerig en nieuwsgierig en zo slenter ik de keuken binnen. Net voordat ik de deksel van de pan wil tillen, zie ik vanuit mijn ooghoek een dame verschijnen. Met allerlei formulieren in haar hand. Ze kijkt me verwonderd aan, maar of dit is omdat ik voor een visum kom of omdat ik in de keuken sta, is mij niet geheel duidelijk.

Ze geeft me uitgebreid instructies over hoe het formulier in te vullen. Al blijken de vragen vrij standaard en ontstijgen ze het niveau van ‘Naam, Adres, Woonplaats en de te bezoeken plaatsen in  Nagorno-Karabach’ niet. Vervolgens word ik in een kantoortje onderworpen aan een gemoedelijk interviewtje.  Haar belangrijkste doel lijkt wel om mij één of meerdere kaarten van Nagorno-Karabach te verkopen. Waarschijnlijk haar manier om een extra zakcentje te verdienen. Normaliter, zo vertelt ze me, duurt het een halve werkdag alvorens het visum klaar is. Maar omdat het zo warm is in Jerevan, en reizen te vermoeiend is, doet ze het meteen. De warmte doet mensen hier blijkbaar harder werken. De omgekeerde wereld. Wel dien ik eerst een bedrag van 3.000 dram (zeg maar € 6) te betalen. Een schijntje! En met afstand mijn goedkoopste visum ooit. De accountant van dienst, een dame die ergens achterin het kantoortje zit, komt steunend en kreunend tot leven en gebaart me dat ik haar moet volgen. Waggelend loopt ze een trap op naar haar eigen kantoor, waar ze gewichtig een nota uitschrijft, alvorens mijn 3.000 dram in een heuse kluis te deponeren. Toch benieuwd hoeveel drams daarin zitten.

De alleraardigste visadame heeft intussen mijn visum al klaar! Netjes in mijn paspoort geplakt. De enige administratieve hindernis is definitief genomen. Het betekent trouwens wel dat ik de komende jaren Azerbeidzjan als bestemming kan vergeten. Met dit visum in mijn paspoort geraak ik daar niet binnen. Want Azerbeidzjan beschouwt Nagorno-Karabach nog steeds als het hare en is nog steeds woedend over het verloren gebied. Maar goed, dat is van later zorg. Ook daar is zeker en vast, indien nodig, een oplossing voor te vinden.

Onder de indruk van de service en de vriendelijkheid besluit ik een doos chocolade te kopen. De hele sfeer alhier doet mij vermoeden dat zoiets niet vaak bij de koffie wordt geserveerd. Bij een supermarktje om de hoek scoor ik wat chocolade en keer terug. Ik klop op de deur van het kantoortje van de visadame, die verrast opkijkt. Of er iets mis, meen ik te lezen in haar ogen. Als ik haar chocolade aanbied, kijkt ze nog verraster. Ze is overduidelijk blij maar weigert evengoed. Ik dring aan en zeg haar dat ze het verdiend heeft. Kan ze haar collega’s mee fêteren. Vinden ze vast leuk en aardig. En dan hapt ze toe. Met een glimlach. Eveneens glimlachend verlaat ik het pand, met een blij gemoed en vol verwachting. Nagorno-Karabach, ik ben er klaar voor!

Vladikavkaz, de hoofdstad van Noord-Ossetië, roept waarschijnlijk niet meteen beelden van massatoerisme op. Waarschijnlijker roept het helemaal geen beelden op. Wellicht dat de echte voetbalkenner nog weet heeft van Alania Vladikavkaz, de plaatselijke voetbalclub? In 1995 kampioen van Rusland. Maar dat het de grootste stad in de noordelijke Kaukasus is en het economisch, wetenschappelijk en cultureel centrum zal voor velen onbekend zijn.

Een jaar of tien geleden, hoorde ik voor het eerst van deze stad. Toen namelijk, stond ik aan de andere kant van de grens, ergens in Zuid-Ossetië (toen nog Georgië). En daar zag ik op een bord: Vladikavkaz 100 kilometer. Pin me niet meteen vast op het aantal kilometers. Misschien stond er wel 20 of misschien wel 200. Ik weet het echt niet meer. Maar dat er Vladikavkaz stond, daarvan ben ik al tien jaar zeker. En geef toe, zo’n naam maakt nieuwsgierig. Vooral als je weet dat Vladikavkaz ‘Heerser van de Kaukasus’ betekent.

Op het busstation is het druk. Bussen met bestemming Grozny en Makhachkala (inderdaad de stad van Anchi, de voetbalclub waar Guus Hiddink tegenwoordig een dubieus salaris opstrijkt). Minibussen naar Beslan en Nalchik. Ze associëren allemaal met oorlog, terreur, gevaar. Hetzelfde geldt overigens voor Vladikavkaz. Want tijdens de Tsjetsjeense  oorlogen ontplofte hier op de markt  met enige regelmaat een bom. Gelukkig voor de bewoners is het hier nu een stuk rustiger en veiliger. Hopelijk dat dit zo blijft, want de regio blijft natuurlijk wel explosief.

Ik besluit het station te laten voor wat het is en een taxi te nemen. Een dikkige man met een vlekkerig gezicht, gekleed in een kapotte spijkerbroek en een smoezelig t-shirt, rijdt me maar wat graag voor een paar roebels naar het centrum. Zijn Lada is in erbarmelijke staat. De passagiersstoel ontbreekt zelfs helemaal. Ramen kunnen niet open. De snelheidsmeter werkt niet. Gordels zijn er, uiteraard, niet. En tijdens het rijden hoor ik allerlei vreemde geluiden. Daarbij de weg is slecht, vol gaten. Maar dit alles belet de chauffeur niet in hoog tempo door de stad te slalommen. Vanzelfsprekend niet.

Ik laat me afzetten bij de moskee. Het meest opvallende en misplaatste gebouw hier. Opvallend omdat het prachtig kleurrijk is. Misplaatst omdat de bevolking hier in overgrote meerderheid christelijk is. De beheerder wuift me vriendelijk naar binnen. Ik hoef zelfs mijn schoenen niet uit te doen. Het is er koel, rustig en stil. Een grotere tegenstelling met die gewelddadige wereld van weleer is haast niet denkbaar.

          

 

 

 

 

 

 

De omgeving van de moskee geeft eenzelfde indruk. Rustig en stil dus. Een permanente kermis aan de oevers van de Terek rivier, met een reuzenrad, suikerspinnen, een draaimolen en meer van dit soort pret, voelt helemaal lieflijk aan. Ik bestel een koffie op een zonovergoten terras en kijk naar de sloom ronddraaiende apparaten. Er gebeurt niets en toch is het vermakelijk.

Ook de hoofdstraat, Prospekt Mira, ademt dezelfde sfeer. Vooral ook dankzij het feit dat hier geen auto’s rijden. Oude huizen afgewisseld met wat winkels en restaurants. Bomen zorgen voor schaduw. Op de talrijke bankjes zitten moeders en vaders. Kinderen hollen onbekommerd rond. En het mooiste is dat overal op straat uit vele luidsprekers muziek schalt. Radio Gorax (Bergen) trakteert haar publiek op La Bamba, Piano Man en Boston’s Amanda. Ik neurie vrolijk mee en kan het zelfs niet laten af en toe mee te zingen. Vladikavkaz zorgt dat ik in een opperbeste stemming geraak.

In het Bavaria restaurant zit ik in een lommerrijke tuin. Onder de bomen staan her en der tafeltjes verdekt opgesteld. Misschien om jong geliefden de kans te geven ongestoord wat aan elkaar te frunniken. Ook hier is muziek, soortgelijk als op straat. Ik bestel een sakharadzhin, een Osseetse variant van een pizza en een lokaal biertje. Het smaakt fantastisch en het maakt dat mijn stemming nog beter wordt. Wat ik ook verwachtte van Vladikavkaz, dit in ieder geval niet.

Na het avondmaal besluit ik terug te gaan naar Nalchik. Terug naar mijn hotel. Op straat stop ik een oude Lada met een nog oudere bestuurder. Hij knikt verheugd als ik hem vertel dat ik naar Nalchik wil. Een mooi ritje, zo lees ik op zijn gezicht. Bij het benzinestation tankt hij en vult de olie en het water bij. Op mijn vraag of zijn auto het nu weer doet, antwoord hij: ‘als een vliegtuig’. Ik glimlach om zijn antwoord. Maar al snel realiseer ik me dat het helemaal geen grap was. Al rokend geeft hij gas. En in vliegende vaart keer ik terug.