Archive for June, 2015

Wat zit ik heerlijk gerieflijk in die Toyota Landcruiser. Beenruimte te over, prima airco, Tadzjieks muziekje op de achtergrond en wanneer ik naar buiten kijk, zie ik de buitenwijken van Dushanbe aan mij voorbijglijden. Zelfs de weg is in goede staat. Althans, op dit moment. Maar dat het wilde oosten van Tadzjikistan al meteen buiten Dushanbe begint, wordt mij alras duidelijk. Nauwelijks zijn we de stad uit of de weg verwordt tot een soort van zandpad, her en der opgevuld met restanten asfalt en puntige stenen. Een voortdurende slalom is het gevolg. De chauffeur is een en al concentratie. En niet alleen vanwege de staat van de weg. Vooral omdat hij, zoals ik inmiddels heb begrepen, deze auto pas gisteravond heeft gekocht. En natuurlijk wil hij zijn nieuwe aanwinst ongeschonden aan zijn familieleden in Khorog laten zien.

Na een uurtje of twee stoppen we voor een lunch, al hebben we die eerder vandaag ook al genuttigd. Allemaal, de chauffeur, de bijrijder, mijn twee medepassagiers en ikzelf slurpen haastig een shurpa – soep met wat groente en een vettig stuk vlees – naar binnen. Alsof we haast hebben. En misschien hebben we dat ook wel, want de eindbestemming Khorog is nog steeds een slordige 600 kilometer verderop. En dat betekent nog minimaal 15 uurtjes slalommen.

Gesterkt door de shurpa, maar waarschijnlijker vanwege die 600 kilometers zet de chauffeur er flink de pas in. En dat nu, had hij beter niet kunnen doen. Want snelheid en puntige stenen, ze gaan niet samen. Dat weet toch iedereen? Het wachten op het onvermijdelijke duurt niet lang. Binnen een half uur staan we weer stil. Dit keer met een lekke achterband. En niet zo’n klein beetje lek ook. De band is volledig aan barrels. De chauffeur kijkt beteuterd en teleurgesteld. Alsof hij had verwacht dat Toyota Landcruiser banden niet kapot kunnen gaan. Hoe vervelend ook, een band is eenvoudig te vervangen. Alleen, de wrede Tadzjiekse werkelijkheid leert mij dat deze nieuwe auto is afgeleverd zonder reserveband. Hoe de chauffeur ook zoekt, hij vindt deze nergens. Nu is het mijn beurt beteuterd en teleurgesteld te kijken. Hoe is het in godesnaam mogelijk een reis als deze aan te vangen zonder reserveband? Dat is niet een klein beetje maar heel erg dom.

De bijrijder bedingt een lift naar ergens om twee uur later terug te komen met een band. Helaas, deze past niet. Modelletje Lada of iets dergelijks en te klein voor de Landcruiser. Auto’s, trucks, bussen worden aangehouden, maar niemand heeft een passende band. Aan een van de chauffeurs die richting Dushanbe rijdt, wordt gevraagd aldaar een band te organiseren. Hij krijgt wat somani in zijn hand gedrukt en belooft plechtig dit bij aankomst meteen te regelen. Alleen, Dushanbe is uren rijden. Dat betekent nog minstens vijf uur wachten. Minimaal. En de avond valt al. Er zit dan ook weinig anders op om asiel aan te vragen bij een van de huizen die iets verderop staan. Met ons vijven wandelen we naar het grote en armoedige huis. In Nederland, zo denk ik, lijkt zoiets een kansloze exercitie. Zelfs als er plaats zou zijn in herberg of stal, zou het antwoord vermoedelijk een negatieve zijn. Alleen, we zijn niet in Nederland, we zijn in Tadzjikistan. De heer des huizes opent de deur als antwoord op ons geklop. Hij kijkt niet eens verbaasd en geleidt ons, zonder enige twijfel, naar binnen. Schoenen uit en dan mogen we plaatsnemen in de woonkamer. In een ommezien staat er dampende thee voor onze neus, en niet veel later happen we in brood, vlees, groente, rijst en aardappel. Alsof we vrienden zijn die na een jarenlang verblijf in het buitenland onverwacht op bezoek komen. Alsof ze blij zijn dat ze hun, ongetwijfeld tamelijk beperkte, voedselvoorraad mogen delen met volkomen onbekenden. Ik heb honger maar niet heel veel trek. Ik kan toch niet hun voorraad aardappels en rijst plunderen? Alleen, de heer des huizes gebiedt mij te eten. Schept zelf mijn bord vol. Wijst dat er nog meer vlees is. Weigeren kan niet en mag niet. Ik zal eten tot ik omval.

Maar voordat ik kan omvallen lig ik al in een bed. En als ik zo om me heen kijk, zou het best eens het bed van de gastheer en –vrouw kunnen zijn. Natuurlijk, ik protesteerde en sprak dat ik best op de grond kan slapen. Natuurlijk, ik stribbelde tegen en zei dat ik niet op de beste plek in het huis wil slapen . Maar wederom was ik kansloos. De gastheer glimlachte lichtjes, wees slechts naar het bed en vertrok. Verdere discussie was overbodig. Die lange Nederlander slaapt vannacht in het ouderlijke bed.

Wat een nacht! Geslapen in een Tadzjieks dorp waarvan ik de naam niet eens ken. In een huis waarvan ik de bewoners niet ken. In een bed dat normaliter beslapen wordt door de heer en vrouw des huizes. Ben net gewekt door een stem die iets zei over thee en hoogste tijd. Ik schiet mijn broek aan, een shirtje en schoenen. De kans op een douche alhier lijkt me uitgesloten. Sowieso, ik kan toch niet half naakt door een vreemd Tadzjieks huis lopen?

Eerst maar eens naar het toilet, dat ergens achter in de tuin staat. Niets meer dan een diepe kuil, een houten vlondertje met een mooi rond gat, bedoeld om de behoefte door te mikken, en een krakkemikkig houten huisje. Ik stap voorzichtig naar binnen, mezelf afvragend of die planken wel berekend zijn op mijn 100 kilo. Per slot van rekening, de gemiddelde Tadzjiek zal niet veel meer wegen dan de helft hiervan. De planken kraken inderdaad vervaarlijk. Willen ze me waarschuwen? Ik blijf toch staan, doe wat ik moet doen, knijp halverwege af en haal opgelucht adem wanneer ik weer buiten sta. Volgende keer toch maar tegen een boom, zo neem ik me voor.

Wanneer ik na het ontbijt naar de auto loop, zie ik dat deze nog steeds op drie wielen staat. Vertrekken is voorlopig dus een illusie. Sterker nog, de geruchten gaan dat een lawine de weg tussen Dushanbe en alhier onbegaanbaar heeft gemaakt. Het zou dan ook best kunnen, zo wordt me verteld, dat de komende uren, wie weet zelfs dagen, geen nieuwe band zal worden gevonden. Ik knik begrijpend en vraag me af wat nu te doen. Veel vertier is er zeker en vast niet in dit dorp.

Advertisements

Drie dagen loop ik inmiddels door Dushanbe, de bepaald niet bruisende hoofdstad van Tadzjikistan. Ik wacht op het moment dat mijn GBAO (beter bekend als Gorno Badakshan Autonomous Oblast) permit gereed is. Want zonder deze permit mag ik, zoveel is zeker, het oostelijke deel van Tadzjikistan niet in. Ik dood de tijd met trolleybusritjes, het bezoeken van marktjes en markten, een ritje in een reuzenrad, het verorberen van flinke hoeveelheden kebab en het consumeren van een aanzienlijk aantal biertjes in de bar van Hotel Dushanbe.

                     DSC04032

Aan het einde van dag drie komt het verlossende telefoontje. De permit is klaar en ik mag deze terstond komen ophalen. De dame van dienst wappert vrolijk met mijn paspoort wanneer ik een uurtje later haar kantoor binnenstap. Tegen betaling van $ 50, in plaats van de afgesproken $ 30 ben ik weer de trotse eigenaar van mijn eigen paspoort. Ik kan praten als brugman, de reactie is en blijft hetzelfde. Een glimlach met een schouderophalen en een blik van ‘het-is-graag-of-niet’. En dus betaal ik, enigszins grommend, het niet afgesproken bedrag. Niettemin, ik ben blij en opgetogen. Morgen kan ik vertrekken richting de Pamirs.

Voor dag en dauw ben ik wakker. Deels omdat ik opgewonden ben over de reis, deels omdat het broodnodig is. Want Khorog, het doel van mijn reis is niet bepaald om de hoek. Sterker, het is een klereneind verderop. En dus sta ik al voor zes uur op het busstation. Alhoewel, busstation? Er valt geen enkele bus te bekennen, louter wat vrachtauto’s en wat jeeps. Evengoed, word ik belaagd door bijna alle mannetjes die hier op het station rondlopen. En allemaal bieden ze mij een plek aan in hun voertuig. Volop keuze, zo lijkt het. Alleen, een korte inspectie leert me dat er twee probleempjes zijn. Het eerste is dat er nog geen andere passagiers zijn, wat kan betekenen dat ik uren en uren moet wachten. Het tweede is dat de meeste voertuigen zo krakkemikkig zijn dat ik mij serieus afvraag of ze de barre tocht naar Khorog ooit zullen vervolmaken. Niet goed wetend wat te doen, bestel ik maar een thee. Vertrekken doen we de komende tijd toch niet.

Plotsklaps staat er een mannetje voor mijn neus. Hij ziet er anders uit. Netjes gekleed, gepoetste schoenen, een mooi rood sjaaltje om zijn nek gedrapeerd. Hij wijst naar zijn auto, die net buiten het station staat geparkeerd. Een fris gewassen Toyota Landcruiser nota bene. Hij is op weg naar Khorog en biedt mij een zitplaats aan. Ik kijk hem blij verrast aan, laat mijn thee voor wat het is en stap in. ‘Lucky bastard’ glimlach ik in mezelf. Niks geen krakkemikkigheid deze reis, maar pure luxe.

We vertrekken meteen, om binnen tien minuten alweer stil te staan. Gestopt door de verkeerspolitie. En verder rijden, zo is mij al snel duidelijk, is uitgesloten. Want de aan de agent overhandigde autopapieren blijken niet van deze auto. En dus volgt een heleboel getelefoneer, met een heleboel mensen. Geen idee eigenlijk wat er allemaal gebeurt. Tot er opeens een breedgeschouderde militair voor mijn neus staat. ‘Kolonel Rostam’, zo stelt hij zich voor, onderwijl mijn hand zeer krachtig schuddend. En meteen is hij het middelpunt van alle aandacht. Hij wil met me op de foto, beantwoordt drie telefoontjes per minuut, praat met de chauffeur, met de agenten en vertelt mij bij voortduring dat hij heel ‘happy’ is mij te ontmoeten. Ook deelt hij tussendoor nog even mee dat hij, van 1979 tot 1985, in Afghanistan heeft gevochten. Niettemin, de juiste autopapieren zijn er ook binnen een kwartier.

Niet dat we nu kunnen vertrekken. Zo is het ook weer niet. Want kolonel Rostam heeft honger gekregen en nodigt ons allen uit voor een vroege lunch. En het mag duidelijk zijn, niemand die het in zijn hoofd haalt dit te weigeren. In een colonne rijden we naar het favoriete restaurant van de kolonel. Ergens aan de andere kant van Dushanbe, zo lijkt het. Maar niemand die het in zijn hoofd haalt te klagen. Dat is al even vanzelfsprekend. Ook bij het restaurant neemt de kolonel de touwtjes meteen stevig in handen. Hij commandeert het personeel, regelt een fles wodka, zorgt ervoor dat ik naast hem kan zitten, beantwoordt nog steeds drie telefoontjes per minuut en praat tegelijkertijd met iedereen. Wanneer hij hoort van mijn maagproblemen, speelt hij spontaan ook de rol van dokter. Hij fabriceert zijn eigen medicijn dat, ik kan het nu al verklappen, fantastisch werkt. Daarom, mocht je ooit maagproblemen hebben, dan raad ik het recept van kolonel Rostam van harte aan.

Gooi wat zout in een kopje, voeg wodka toe en vervolgens nog wat meer zout. Roer. Proef. Voeg dan nog wat zout toe. Roer opnieuw. Giet het in een ander kopje en voeg dan nog een flinke scheut wodka toe. In één teug achterover slaan. Vervolgens twee dagen zonder wodka en zonder vlees. Succes gegarandeerd.

DSC04099                   DSC04097

Net als iedereen, ik luister braaf naar hem. En voer al even braaf uit wat hij mij opdraagt. Hij slaat me dan ook, bulderend lachend, tevreden op mijn schouder. Tijd om te eten. Terwijl de rest van de gasten zich laaft aan hompen vlees, eet ik slechts een groentensoepje, met een homp brood. Rostam kijkt vaderlijk toe en ziet dat het allemaal goed is. Toch komt hij rap terug op zijn eigen adviezen. Want na een half soepje te hebben gegeten, schenkt hij mij toch een wodkaatje in. Tijd voor een toost. Op Nederland en Tadzjikistan. Op Afghanistan. En op onze vriendschap.

Uiteindelijk, het is inmiddels na twaalven en ruim zes uur na mijn aankomst op het station, vertrekken we. Rostam zoent me uitbundig op mijn wangen en dan zijn we op weg. Op naar de GBAO, een slordige 600 kilometer verderop.

Verrassend. De marshrutka naar Gori is bomvol. Moet ik nog een uur wachten ook alvorens de volgende komt. Maar de chauffeur zegt mij dat er nog wel een plek is. En hij knikt naar het gangpad, waar op ingenieuze wijze wat klapstoeltjes zijn gemonteerd. Met een rugleuning van maximaal twintig centimeter. Heel comfortabel zal het niet worden. Maar wat geeft het, een reisje van niet veel meer dan een uur behoeft niet heel veel gerief. Bovendien, de chaos van het station hier in Tbilisi, is niet meteen een aantrekkelijk alternatief. En dus stap ik in. Klap het stoeltje op zitstand. Glimlach naar mijn medepassagiers, bij wie ik bijkans op schoot zit en wacht rustig af. De chauffeur ouwehoert nog wat met zijn collega’s. Lurkt nog een laatste keer aan zijn peuk. En stapt dan ook in.

Ook de chauffeur heeft wel zin in Gori, zo blijkt. Want met gezwinde spoed gaan we op weg. Goede, strak geasfalteerde weg trouwens. Zal de EU dit grotendeels of helemaal hebben gefinancierd? Gewoon om de Georgische bevolking te paaien? Of ter meerdere eer en glorie van de EU zelf? Gisteren liep ik, in Tbilisi, nog op een EU-propaganda markt. Alle lidstaten waren daar vertegenwoordigd. Om zichzelf en de EU als geheel te promoten. Eerlijk gezegd, het was een nogal armetierige toestand. De Nederlandse stand blonk uit door kleffe blokjes Goudse kaas weg te geven. De Engelsen hadden een paar oude auto’s opgescharreld waar een ieder naar mocht kijken en mee op de foto mocht. En de EU-stand medewerkers deden niets anders dan ballonnen opblazen (van die blauwe met twaalf sterren) en vlaggetjes uitdelen (met aan de ene kant de EU-vlag en aan de andere de Georgische). Beschamende propaganda van een tamelijk knullig niveau. Een beetje vergelijkbaar met die goede oude Sovjet-Unie. Maar dan met schamele middelen vanwege de schamele EU-begroting. Toch, mocht de weg van Tbilisi naar Gori inderdaad met EU-geld zijn gebouwd dan is van een armoedige toestand zeker geen sprake. Vierbaans met glimmend, zwart asfalt. Die 80 kilometer leggen we dan ook ruim binnen het uur af.

Gori, de naam doet inderdaad al niet veel goeds vermoeden, is de geboorteplaats van Iosif Vissarionovitsj Dzjoegasjvili, beter bekend als Stalin (de man van staal). Wanneer ik uitstap, valt me op dat het hier niet bepaald warm is. Eerder koud eigenlijk. Bovendien, het regent lichtjes en het waait hard. Onplezierig weer. Alsof God een vervelend microklimaatje heeft geschapen voor Gori. Als straf voor het grootbrengen van Stalin.

Stalin mag dan nog steeds begraven liggen op het Rode Plein in Moskou, net achter het mausoleum van Lenin, de meeste Russen hebben toch in ieder geval hun bedenkingen bij hem. Maar aan bedenkingen hebben ze hier in Gori, zo schijnt, totaal geen boodschap. Hier overheerst trots. Trots op de beroemde plaatsgenoot. Die het toch maar heeft geschopt van een aftands huisje alhier tot het Kremlin in Moskou. Hardop ‘very bad motherfucker’ zeggen, iets wat mij spontaan te binnenschiet, is dan ook not done. Al vraag ik me af of dit überhaupt begrepen wordt.

Nu is het, ik moet het eerlijk toegeven, ook geen geringe prestatie. Van dit onooglijk oord naar het pluche van het Kremlin. Het is niet alleen in kilometers een enorme reis. Wellicht, wakkerde het provinciale en ver weggelegen Gori zijn drang naar macht aan? Bovendien, zijn jeugdjaren kunnen niet bepaald onbezorgd worden genoemd. Zijn vader, een schoenmakersknecht, dronk veel en vaak. En in zijn dronken buien tuigde hij zijn zoon Iosef met flinke regelmaat af.  Wellicht wakkerden deze vernederingen zijn drang naar macht aan?

                           64

In het plaatselijke museum riekt alles naar verheerlijking. Het begint al met het standbeeld van Stalin voor de ingang. In heel Rusland zijn er geen Stalin standbeelden meer te vinden (op een enkel minuscuul beeldje in Vladikavkaz na) maar hier pronkt Stalin parmantig op zijn sokkel. Binnen in het museum is het van Josef en van Stalin. Foto’s uit zijn jongste jaren, met paps en mams, samen met Lenin, als volksmenner, als leider, samen met kinderen. Tapijten met zijn afbeelding. Wijze spreuken ooit door hem gebezigd. En meer van dit soort pracht. Ook zijn er vitrines met geschenken van de grote mogendheden. De bijdrage vanuit Nederland is, hoe genereus, een paar houten klompen, maat baby.

Hoezeer de museummedewerkers hun best hebben gedaan Stalins imago tot hemelse proporties op te vijzelen. Hoezeer ze ook tijdens mijn bezoek hun best doen louter goed over hem te spreken. Mijn mening blijft onveranderd: ‘a very bad motherfucker’. In de museumwinkel laat ik de t-shirts met zijn afbeelding, flessen Stalinwijn of koffiemokken met zijn portret dan ook moeiteloos aan mij voorbijgaan.