Posts Tagged ‘Rusland’

Bij de kapper. Tijdens de lunchpauzes. Bij de tandarts. Overal ontmoet ik dezelfde vragende blik wanneer ik over Tuva begin. Tuva? Of vaker nog Tuva??? Nooit volgt een spontane opsomming van de geneugten van dit stukje Rusland: joerts, boeddhisme, wildernis, sjamanen, Russisch Mongolië, postzegels, keelzingen. Niets van dit alles is bekend. Bij niemand niet.

Op weg naar onontdekt Tuva maak ik een tussenstop in Moskou. En ook hier is Tuva het gespreksonderwerp van de dag. Vooral omdat bijna elke Moskoviet mij de vraag stelt, waarom ik precies in Rusland ben. Op mijn antwoord dat ik op weg ben naar Tuva, worden hier vooral wenkbrauwen gefronst. En ook hier zie ik regelmatig vraagtekens in ogen. Tuva mag dan een slordige vijf vlieguurtjes van Moskou verwijderd zijn, iedereen kent het. En iedereen komt met eenzelfde reactie. De Tuva mannen zijn wild, onderontwikkeld, gevaarlijk. Ik ga mijn eigen ondergang tegemoet. Niet dat iemand ooit in Tuva is geweest. Natuurlijk niet. Een Moskoviet vliegt niet naar Tuva. Daar is immers geen zee. En ook de zon schijnt er lang niet zo vrolijk als in zuidelijk Europa. Maar evengoed weet iedereen hier dat Tuva ten koste van alles dient te worden vermeden. Een boos stukje aarde. Als ik vraag waarom Tuva dan zo wild en gevaarlijk is, is het antwoord nogal onbevredigend. Want eigenlijk weet niemand ook maar iets van Tuva. Een enkeling noemt keelzingen of sjamanisme. Voor het overige is het vooral niets.

Gelukkig zorgde Poetin zelf het afgelopen jaar voor wat Tuva-ophef. Hij besloot namelijk, samen met ‘vriend’ Medvedev, daar eens te gaan vissen. En niet zonder succes. In de Russische kranten pronkte namelijk een foto met daarop Poetin en een net door hem gevangen snoek van maar liefst 21 kilo. Althans, dit stond als tekst onder de foto vermeld. Op internet werd dit overigens meteen in twijfel getrokken. Volgens experts (ik vermoed verwoede vissers) zou de snoek op die foto nooit en te nimmer 21 kilo kunnen wegen. Maximaal 12 was de inschatting. Een kleine overdrijving van de PR-machine van het Kremlin. Misschien omdat het de hoogste tijd was het macho imago van Poetin nieuw leven in te blazen? Andere criticasters beweerden zelfs dat Poetin helemaal niet in Tuva was geweest. Zijn stoere visbroek en het horloge om zijn pols leken namelijk verdacht veel op de visbroek en het horloge uit 2007. Ook toen was Poetin in Tuva om het Russische volk zijn avontuurlijke instincten te tonen. En een president loopt toch geen zeven jaar in dezelfde visbroek? Overigens, over de vissen gevangen door Medvedev werd in de Russische pers met geen woord gerept.

Poetin Tuva                     Tuva

Het mag dan zo zijn dat Poetin zijn tripje vooral voor het opkrikken van zijn eigen populariteit en imago maakte. Het had evengoed een positieve uitstraling op Tuva gehad kunnen hebben. Per slot van rekening, iedere Rus is, diep van binnen, nog steeds een natuurmens. Niet voor niets verruilen de Moskovieten, iedere zomerse vrijdag, in grote getale de stad voor hun datsja. Met enorme files tot gevolg. Op zondag volgt dan de omgekeerde exodus met identieke gevolgen. Toch, in Moskou, zo merk ik, is niet opeens iedereen laaiend enthousiast over Tuva. In feite hebben Poetin’s tripjes niets veranderd aan het imago van wildemannen en koppensnellers.

Krasnoyarsk is een forse stad in Siberië met ruim één miljoen inwoners. Slechts op zo’n 15 treinuren van de hoofdstad van Tuva, Kyzyl. Hier, zo denk ik althans, zal de Rus toch wel iets genuanceerder denken over mijn bestemming. Maar het tegengestelde blijkt waar. De mening van de lokale bewoners is hier nog angstaanjagender. ‘Ze zullen je vermoorden en je lichaam achterlaten ergens in de bossen. En niemand zal je ooit meer terugvinden’. Dat is nog eens een mening die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat. Het doet me zelfs lichtelijk huiveren. Maar ook de mevrouw, die deze mening etaleert, is nog nooit in Tuva geweest. Want ook deze mevrouw vliegt bij voorkeur naar een zonnige bestemming aan zee. En dus, concludeer ik, kan ik de Russische meningen over Tuva met een fikse korrel zout nemen.

En dan is daar plotseling Andrei, eigenaar van een reisbureau gespecialiseerd in extreme bestemmingen. Wanneer ik hem vertel dat ik naar Tuva ga, omhelst hij mij bijna. Tuva is wild, spannend, fantastisch, prachtig, onontdekt en sensationeel. Tuva is gemaakt om te ontdekken. Dat zegt Andrei. En zijn ogen glimmen van opwinding. Precies wat ik wil horen en zien. En laat Andrei nu al dertien keer in Tuva zijn geweest. Dertien keer vaker dan alle andere Russen die ik de afgelopen dagen heb gesproken.

Advertisements

Eindeloze rijen kolossale betonblokken doen dienst als flat. Het verkeer staat vast in oneindig lange files, 24 uur per etmaal. De mensen haasten zich van hot naar her. Zonder glimlach en zonder blijdschap. In de winter is het donker, guur en stervenskoud. In de zomer is het verstikkend heet. Niet alleen vanwege de temperatuur maar vooral door de uitlaatgassen van al die oude Lada’s, die nieuwe SUV’s en de walmende fabrieken. Welkom in Moskou!

De resultaten van de jaarlijkse ‘City Trip Enquête’ van Trip Advisor, enkele weken geleden gepubliceerd, waren ook al niet bepaald positief voor Moskou. Ongeveer 54.000 respondenten plaatsten Moskou op de allerlaatste plaats vanwege, onder andere, het hoge prijspeil, de moeilijke taal, de slechte service en de vervelende taxichauffeurs. Welkom in Moskou!

Het mag allemaal waar zijn. Het zal allemaal kloppen. Maar het is slechts een deel van de gehele werkelijkheid. Volgens de statistieken is Moskou, bijvoorbeeld, een veel groenere stad dan Londen of Parijs. En als ik op een aangenaam zonnige zondagmiddag door de Moskouse buitenwijken slenter, begrijp ik al snel waarom. Al die flats worden omringd door bomen, parkjes, en bosschages. Vaak met een speeltuintje waar de kinderen kunnen wippen, glijden en schommelen. Overal staan schaduwrijke bankjes waarop de moeders, en een sporadische vader, hun nageslacht in alle rust kunnen gadeslaan. Waar de gepensioneerden hun laatste roddels kunnen uitwisselen. In hetzelfde parkje bespreken groepen mannen de week, de politiek, het weer en het leven. Onderwijl lurkend aan een fles bier of toostend met een glas wodka. Plak al deze parkjes aan elkaar en zou het een groot park maken. Een heel groot park.

Maar behalve deze lapjes groen heeft Moskou ook echte parken. En zoals alles hier zijn ze dan ook meteen groot. Kuzminki Park, Komsomolskaya, Botanische Tuinen, om een aantal te noemen, zijn allemaal de moeite waard. En op zonnige en minder zonnige dagen bevolken de Moskovieten al deze parken dan ook massaal.

En dan is daar Tsaritsyno (Russisch voor tsarina’s). Mijn persoonlijke favoriet. Ooit in 1775, op doorreis van A naar B, passeerde Catharina de Grote hier. Ze viel meteen voor de schoonheid van het landschap en besloot spontaan het landgoed te kopen. Vanzelfsprekend besloot ze ook maar direct tot de bouw van een paleis. Toen ze, op een latere doorreis, het paleis kwam aanschouwen, vond ze de kamers te donker en te klein en verklaarde ze het gebouw absoluut ongeschikt om in te wonen. Ze gaf dan ook de opdracht het gehele gebouw maar weer af te breken. Vasili Bazhenov, de architect, had mazzel. Hij werd slechts ontslagen. Ander onheil bleef hem bespaard. Catharina stelde een nieuwe architect aan die de opdracht kreeg wel iets smaakvols neer te zetten. Hij ging driftig en vol ijver aan de slag maar voordat het gebouw kon worden voltooid, overleed Catharina.

Toch, de nieuwe, niet complete versie is het pronkstuk van het park. Trots en statig gesitueerd op een heuvel is het vanuit alle hoeken van het park te bewonderen. Ieder weekend weer poseren tientallen jonggehuwden glimlachend en gelukkig voor de poorten van het paleis. En als de avond valt dan maakt de verlichting het paleis nog trotser en majesteitelijker.

Tsaritsyno, paleis               Tsaritsyno, paleis1

Het park zelf is al even trots en majesteitelijk. Netjes aangeharkte bloembedjes, kort gemaaide grasperkjes, elegante fonteinen en strak betegelde wandelpaden. In andere parken, zoals in Kuzminki park, is het vaak nogal een rommeltje. Overal zijn daar Russen en Russinnen aan de barbecue, zwemmen ze in ‘verboden te zwemmen water’, en laten ze met regelmaat flessen bier of wodka, afgekloven botten of plastic tassen achter op de plek van hun vermaak. Maar hier in Tsaritsyno is van dit alles niets. Hier heerst rust, orde en regelmaat. Zelfs bierdrinken is verboden. En om te voorkomen dat de Russen toch massaal hun geliefde barbecue aansteken in dit park, wordt er streng gecontroleerd.

Veel bezoekers liggen languit op het gras, likkend aan een Sovjetijsje of peuzelend aan zonnebloempitten. Anderen slenteren hand in hand rondom de vijver. Mensen glimlachen vriendelijk naar elkaar. De lucht is schoon en zuurstofrijk. Zelfs de eenden lijken blijer te kwaken.

Middenin de vijver, bereikbaar via een boogbrug, danst een fontein op knuffelende rock, Sovjetdeuntjes, klassieke muziek en romantische wijsjes. De muziek en het water, samen  zijn ze een echte publiekstrekker. Terwijl uit de speakers ‘The lady in red’ of ‘Careless whisper’ of Vertinski klinkt, danst de fontein op het ritme. De kleuren zijn prachtig. De sfeer is romantisch. De rozenverkopers doen goede zaken. En de Russische jonggeliefden staren elkaar liefdevol in de ogen. Haast en gejaagdheid? Het mag op een luttele aantal meters van hier de boventoon voeren. In Tsaritsyno is er slechts plaats voor rust en liefde.

Tsaritsyno

Slenteren en liefdevol staren maken hongerig. Maar, gelukkig, ook hiervoor is het niet nodig het park te verlaten. Er zijn genoeg restaurants waar een sappige shaslick wordt geserveerd en koele Baltika wordt geschonken. Allemaal bieden ze uitzicht op het paleis en op een enorme hoeveelheid appelbomen. Welk een idyllische afsluiting van een onthaastende dag. Op het gras lopen twee jonge vrouwen in hagelwitte jurken. De lichte wind doet de jurken lichtjes opwaaien terwijl de zon goudgeel door de appelbomen straalt. Vreemd toch, dat die hippe lounge bars hier in Moskou als paddenstoelen uit de grond schieten. Er is immers al Tsaritsyno.

Overal in Rusland zitten ze. De toiletdames. In de parken in het centrum van Moskou. Bij de ingang van een metrostation. Her en der in een Moskouse buitenwijk. Op een pleintje ergens in een stad ergens in de Kaukasus of in Siberië. Voor een kleine en een grote boodschap kan iedere Rus altijd bij ze terecht.

Ook nu, terwijl ik van een biertje hap en uitkijk over de Yenize rivier, zie ik zo’n dame zitten. Zoals bijna altijd, ook deze is zwaarlijvig. Vanonder haar karakteristieke outfit, een oude te ruim zittende bloemetjesjurk, steken haar dikkige benen en haar opgezwollen voeten. Witte sokken en kleurige pantoffels zorgen ervoor dat deze nooit koud zullen zijn. Haar moede hoofd ondersteunt ze met haar forse handen. Blijkbaar is de dag lang en zwaar geweest. Heb haar al een tijdje in de gaten en het is duidelijk dat het niet bepaald storm loopt bij haar toiletten. Het is dan ook al tegen elven in de avond, en met uitzondering van wat jong geliefden is het stil op de kade. Bovendien, de concurrentie is hevig want een aantal honderden meters verderop zie ik een andere dame, hetzelfde identieke product aanbieden.

Zo’n Russisch toilet valt het best te vergelijken met toiletten die in Nederland vaak op bouwplaatsen staan of bij drukbezochte evenementen worden geplaatst. Een plastic hok, meestal fel blauw gekleurd, met daarin een soort van imitatietoilet. Even groot als thuis, met een identieke toiletbril ook. Alleen doortrekken behoort niet tot de mogelijkheden. Daarom is het aan te bevelen niet in de pot te kijken. Want daar ligt een kubieke meter menselijke ontlasting. Maar iedere keer dat ik gebruik maak van zo’n toilet kijk ik evengoed. En iedere keer vraag ik mezelf weer af waarom? Op gevoel mik ik immers het meeste ook wel door het gat. Maar als aangetrokken door een magneet blijft mijn blik omlaag gericht. Is dit obscure zelfkastijding? Of een ziekelijke drang naar ranzigheid? Of gewoon standaard menselijke reflexen?

In Rusland staan er vaak drie of vier van deze toiletten netjes naast elkaar. En vaak dient een ervan als kantoor voor de toiletdame. ‘s Winters zit ze daar, dik ingepakt, urenlang. Bij haar voeten brandt een kacheltje. De deur heeft ze op een kier om te voorkomen dat klanten onbetaald gebruik maken van haar diensten. Maar vanavond is dit alles niet aan de orde. Deze toiletdame zit in jurk en met pantoffels op een witte tuinstoel in de zwoele Siberische zomeravond.

Om haar uit haar dagdroom te helpen, besluit ik haar toilet eens te gebruiken. Hoe raar het ook mag zijn dat overal in Rusland toiletdames op straten en pleinen zitten, hun aanwezigheid bij de toiletten is wel degelijk een godsgeschenk. Eerder vandaag namelijk, toen ik per bus op weg was van Abakhan naar Krasnoyarsk, moest ik noodgedwongen gebruikmaken van een toilet zonder toezichthoudster. Ergens aan de kant van de weg, achter wat winkeltjes en kebab tentjes. Nog voor het binnentreden, wist ik al dat de ranzigheid hier grandioos zou zijn. De walmende geur die me tegemoet kwam, vertelde me dit. Maar ik had geen andere keuze. Want na drie uur hobbelen achter in een bus, was de roep der natuur dusdanig dat ik wel moest toegeven. Met mijn neus en oren dicht, betrad ik de ruimte. Mijn ogen moest ik wel openhouden, om te voorkomen dat ik in een gat zou vallen of in een drol zou stappen. Helaas, de geur bleek slechts een karige indicatie van de werkelijke toestand. Zelfs aan de muren zag ik stront! En een boel ook! Hoe doen mensen toch zoiets? En vooral waarom? Dat de coördinatie niet altijd dusdanig is dat de gehele behoefte precies in het daarvoor bestemde gat belandt, kan ik nog wel begrijpen. Maar tegen de muur poepen? Of is het een zaak van tegen de muur gooien? Hoe dan ook, het is je reinste zwijnerij.

En zo nam ik me vanmiddag voor het werk van de toiletdame naar behoren te waarderen. Voor een luttel aantal roebels zorgt zij er immers voor dat ik in een alleszins redelijk schoon toilet mijn behoefte mag deponeren. En mocht ik eindelijk eens leren niet naar beneden te kijken dan zou ik zelfs de illusie kunnen hebben thuis te zijn.

Toiletdame

Een uurtje zit ik hier op een bankje, nabij de kathedraal, en ik heb al minstens tien jonge bruiden voorbij zien komen. Sommigen gekleed in prachtige bruidsjurken. Anderen in iets minder geslaagde exemplaren. Maar altijd met aan hun zijde bruidegommen in glimmende pakken. De mannelijke trouwmode deze zomer, zo lijkt het. Eerlijk gezegd, het idee dat in Rusland louter mooie vrouwen wonen, wordt hier vandaag niet bevestigd. Toegegeven, af en toe vraag ik me af waarom de bruid haar oog heeft laten vallen op die slungelige Rus met zijn pokdalig gezicht. Maar even vaak realiseer ik me dat zij haar handen mag dichtknijpen met die knakker aan haar zijde.

Het bruidspaar wordt immer gevolgd door meer mannen in meer glimmende pakken. En door meer vrouwen in hippe of minder hippe jurkjes. En op hoge en nog hogere hakjes. De mannen roken vooral. Ontkurken flessen champagne. Vullen meegebrachte plastic glazen. En offreren ze, met schalkse blikken, aan de dames. Dat van een bruiloft een andere bruiloft komt, is ongetwijfeld ook de Russische realiteit. De vrouwen kijken vooral blij verheugd de wereld in. Blij omdat hun vriendin er toch nog in is geslaagd die man van haar dromen definitief de hare te maken. Blij ook wellicht omdat er schalks naar ze gekeken wordt.

Terwijl de genodigden drinken, roken en flirten, worden de bruidsparen gedwongen te poseren voor de camera van de immer aanwezige fotograaf. Breed glimlachend staan ze voor het mausoleum van Immanuel Kant. In een bloemenperk. Achter een boom. Liggen ze uitgestrekt op een grasveld. Streng geeft de fotograaf opdrachten. Vooral aan de bruidegom, valt me op. Alsof hij nu al moeite heeft zijn plichten te vervullen. Des te langer de fotosessie duurt, des te minder spontaan de glimlach is. Vooral van de bruidegom, valt me op.

Love locks      

Het sluitstuk van de ceremonie is het bevestigen van een hangslot op de Honey bridge. De oudste van alle bruggen hier in Kaliningrad. Het zijn er inmiddels honderden. Sasha is met Elena. Boris doet het met Olga. Sommige zijn beschilderd met hartjes of helemaal roze. Onder luid gejoel van de genodigden kiepert het nieuwbakken echtpaar de sleutel in de rivier. Ten teken van de eeuwigdurende verbintenis.

Als ik later op een zonovergoten terras aan de oever van de Pregolya rivier zit, maken de jonggeliefden plaats voor jonge moeders met jonge kindertjes. Velen schuiven een kinderwagen van Russische makelij voor zich uit. Anderen lopen hand in hand voorbij met zoon- of dochterlief. Ook zij schrijden in hippe of minder hippe jurkjes, op hoge of nog hogere hakjes aan mij voorbij. Er is niets veranderd, zo lijkt het. Plotseling realiseer ik me dat de bruidegom van weleer in geen velden of wegen te bekennen is. Is de liefde van vroeger inmiddels bekoeld? Is de verbintenis voor het leven al verbroken? Of heeft vaderlief intussen andere en meer interessantere bezigheden?

 

Vanaf het zuidstation is het misschien een kwartiertje wandelen naar het centrum van Kaliningrad. Een peulenschil natuurlijk. Op de plattegrond van Kaliningrad zie ik bovendien dat het voornamelijk rechtdoor is. Door de Leninstraat.  Van de weg kwijt raken of verdwalen kan dan ook geen sprake zijn.

Maar mijn wandelplan schuif ik spontaan opzij wanneer ik op het stationsplein een tram ontwaar. Eenzaam wachtend op passagiers. Het lijkt wel alsof iemand de tram hier achteloos heeft neergekwakt. Alsof een woedende storm haar heeft opgetild en haar hier heeft neergesmeten. Maar wanneer ik dichterbij ben, merk ik op dat er wel degelijk tramrails liggen. Bovendien lees ik op een aan de tram bevestigd bordje dat tram 3 via het centrum naar haar bestemming rijdt.

Image

Er zit nog niemand in de tram wanneer ik instap. Behalve dan de chauffeur en de conducteur. Opvallend trouwens dat bijna alle tramchauffeurs in Rusland chauffeuses zijn. En conducteurs bijna altijd conductrices. In metro of taxi, bijvoorbeeld, is dit eigenlijk bijna nooit het geval. Leuk aan chauffeuses is toch wel dat ze hun best doen de tram een wat huiselijker aanzien te geven. Deze dame van dienst heeft bijvoorbeeld wat foto’s van haar kinderen (of kleinkinderen) in haar chauffeurshokje geplaatst. Samen met een boeket kunstbloemen. Het maakt de onthutsend oude en gammele tram in ieder geval een stukje fleuriger. De conductrice, gekleed in een outfit die qua ouderdom wedijvert met die van de tram, draagt hier ook aan flink aan bij. Met haar rood, roze, oranje gekleurde haren. Is dit een voorwaarde om te worden aangenomen als conductrice? Op haar eigen zitplaats, waar niemand van de passagiers ooit zal plaatsnemen, leest ze rustig een boek. Een Russische boeketreeks gelet op de voorkant.

Mijn binnenkomst maakt dat ze enigszins verstoord opkijkt. Verdwenen is haar droomwereld van Russische prinsen en witte paarden. In plaats hiervan knikt ze me vriendelijk toe. Ik knik vriendelijk terug en ga zitten. Half en half verwachtend een poos te moeten wachten alvorens we zullen vertrekken. Maar niets is minder waar. Binnen een minuut sluit de chauffeuse de deuren. Meteen stapt de conductrice op me af. Zonder een woord te zeggen, wacht ze op haar geld. Maar omdat ik nieuw ben in Kaliningrad en ik nergens een ritprijs aangeduid zie, kijk ik haar vragend aan. Vijftien roebel antwoordt ze op mijn blik. Zelfs met iets van een glimlach merk ik op. Ik glimlach terug. Slechts veertig eurocentjes. Voor een heus tramavontuur.

Knarsend, schokkend en met een slakkengang zijn we op weg. Veel sneller dan de wandelaar op het trottoir gaan we niet. Althans, na vijf minuten zie ik hem nog steeds naast de tram lopen. De tramrails, nog ouder dan de tram zelf, zijn zo versleten, krom en moeilijk berijdbaar dat van hoge snelheden echt geen sprake kan zijn. Ik denk zelfs dat de tram dan ogenblikkelijk zal ontsporen. En dus rijdt de chauffeuse uiterst behoedzaam verder. Af en toe staat een auto hinderlijk op de rails. Te wachten voor een stoplicht. Of anderszins. Een schril belletje, dat vooral irritatie uitspreekt, klinkt dan waarschuwend. Want hoe traag we ook mogen rijden, ook hier heeft de tram altijd voorrang.

En zo kruipen we voort. Nog steeds met slechts 1 passagier aan boord. Tot we plotseling helemaal stilstaan. Ergens midden op de weg. Zal het dan nu al gebeurd zijn? Een ontsporing? Maar nee, het blijkt een halte. Op het trottoir staan enkele passagiers. De auto’s stoppen gedwee en laten de dames, want het zijn alleen maar dames, voorgaan. Bepakt en bezakt beklimmen ze zwoegend en puffend de treden van de tram. Ze zweten van de inspanning. Verbaasd merk ik op dat ze identiek gekleed zijn aan de conductrice. Gebreid truitje, aftands rokje, korte witte sokjes en iets van zomerschoenen. Alleen het rood, roze, oranje haar ontbreekt. Dat voorrecht is vermoedelijk voorbehouden aan de conductrice. De meesten laten trots hun abonnement zien. Ten teken dat de conductrice niet op hun geld hoeft te rekenen. Zij hebben al betaald.

De chauffeuse van de tegemoetkomende tram heeft pech. Dikke pech. Staand voor haar tram, prikt ze met een stok verwoed op enkele stenen in. Door onverlaten op de tramrails gelegd? Door voorbijrijdende auto’s losgeweekt uit het niet al te beste wegdek? Wie het weet, mag het zeggen. Al vermoed ik dat er weinig baldadigheid aan te pas is gekomen. Hiervoor is de staat van de straat eenvoudigweg te erbarmelijk. Het lijkt me dan ook waarschijnlijk dat de chauffeuses met flinke regelmaat uit hun hokje moeten om losliggende stenen of andere obstakels uit de weg te ruimen. Naast de roestige staat van de rails meteen een tweede verklaring voor het stapvoets rijden.

En zo kruipen we voort. Langs flatgebouwen. Over pleinen. Door straten. Overal stappen oude dametjes in en uit. Overal laat de chauffeuse haar snerpende bel klinken. En altijd staat de conductrice op wacht om de nieuw binnengekomenen een ticket te verkopen. De wandelaar van het eerste uur ben ik inmiddels uit het oog verloren. Vermoedelijk is hij ons vooruitgesneld.

Lang geleden, toen ik nog jong was, kende oudejaarsavond altijd hetzelfde ritueel. Veel bier om het oude jaar uit te luiden en nog veel meer bier om het nieuwe jaar in stijl aan te vangen. Simpel, doeltreffend en aangenaam. Vooral als ik tussendoor nog ergens een leuk meisje kon opscharrelen. Kon er een betere manier zijn om het nieuwe jaar beginnen? Nee, natuurlijk niet. Twintig jaar is dit geleden. Minimaal. Toch, vanavond dwalen mijn gedachten onwillekeurig af naar destijds.

Het is inmiddels kwart voor twaalf en voorzichtig nip ik aan mijn eerste alcoholische versnapering van de avond. Een, godbetert nog aan toe, cognacje. Van Oezbeekse makelij. Dronken of aangeschoten, het mag duidelijk zijn, ben ik in de verste verte niet. Destijds wilde en kon ik, op dit tijdstip van het jaar, niet meer nadenken. En nu? Nu zit ik aan een tafel, rijkelijk gevuld met tal van Russische, Oezbeekse en Koreaanse heerlijkheden, gezellig te keuvelen met grijsharige tantes. Tantes van mijn vriendin. Ze praten over familieleden die ik nog nooit heb gezien. Van wie ik zelfs nog nooit heb gehoord. Opeens realiseer ik me dat ik mijn wilde haren, letterlijk en figuurlijk, definitief ben kwijtgeraakt. Ik vermaak me namelijk prima. Ik glimlach om hun verhalen. Moedig ze aan meer te vertellen. En vertel zelf, tot groot genoegen van mijn tafeldames, in mijn roestig Russisch, soortgelijke verhaaltjes over mijn familie.

Om tien voor twaalf verstomd het gesprek. De TV, tot nu slechts figurerend op de achtergrond, geniet opeens alle aandacht. Een boodschapper van Karimov, de Oezbeekse president, leest een nieuwjaarsboodschap voor. Gekleed in een donker pak en een strenge stropdas presenteert hij de boodschap van Karimov aan de Oezbeekse burgers. Geen idee wat hij zegt, althans ik versta geen woord van hetgeen hij verkondigt. Maar zijn monotone stem en zijn strenge gezichtsuitdrukking maken mij duidelijk dat het hier een serieuze boodschap betreft. De laatste tien minuten van 2012 luistert het ganse Oezbeekse volk naar deze sombere man. Wat een manier het oude jaar uit te luiden. Mijn tafelgenoten zijn weliswaar stil, toch heb ik het idee dat ze niet luisteren. Alsof ze al weten wat er gezegd zal worden. Alsof ze al weten dat het allemaal loze woorden zijn.

Om klokslag twaalf uur klinkt het Oezbeekse volkslied, vergezeld van beelden van glimmende combines, goudgele graanvelden, prachtig verlichte straten, een stralende Karimov te midden van enorme katoenvelden en moderne fabrieken. Oezbekistan, zo lijkt het, is de parel van Centraal-Azië. Oezbekistan, zo schijnt, ontwikkelt zich in rasse schreden tot een modelstaat waar een ieder met plezier woont.

Eerder vandaag maakte ikzelf kennis met Chirchik, een stad met ongeveer 200.000 inwoners op zo’n 40 kilometer van de hoofdstad Tasjkent. En ik realiseer me nu dat de beelden die ik op TV zie in volledige tegenspraak zijn met de realiteit van alledag alhier. Hier glimt helemaal niets. Hier is alles grauw, grijs, smoezelig en oud. Vervallen flatgebouwen, schreeuwend om een nieuwe verflaag bepalen het uitzicht. De wegen, weliswaar bedekt onder een fiks pak sneeuw, zijn niet onderhouden en vol met kuilen en gaten. Roestige klimrekjes en glijbaantjes op het plein bij de kleuterschool zijn ook niet bepaald uitnodigend. In het onverwarmde café, waar ik voor vijftien eurocent een pot thee bestelde, zat ik op een gammele stoel te midden van rokende en drinkende Oezbeken. Ook zij glommen niet. Ook zij geloofden niet in die veelbelovende toekomst van Oezbekistan. Dit kon ik eenvoudigweg lezen op hun gezichten.

De propagandamachine van Karimov. Het maakt me misselijk. Hoe kan een president zo zijn land verloochenen? In het Museum van de Oezbeekse Geschiedenis in Tasjkent las ik deze uitspraak van Karimov: ‘The World is vast, there are many countries, but our Uzbekistan is unique. This wonderful and sacred land was created for us. This thought should inspire all our hearts and provide the reason for our lives.’ Hoe kan een president zoiets zeggen? Terwijl hij zichzelf verrijkt, voor zichzelf een paleis heeft laat bouwen in Bukhara, verpauperd het land en straalt het treurnis uit. Boos maakt het mij. Maar ik ben de enige. Want ik merk dat mijn tafelgenoten al lang niet meer kijken.

En dan denk ik opeens weer aan die biertjes van vroeger. Aan het feestje dat ik samen met mijn vrienden bouwde. Aan de onbevangen sfeer en de grappen en grollen. Zou het niet fantastisch zijn wanneer de bevolking van Chirchik op eenzelfde manier het oude jaar zou kunnen uitluiden? Maar het mag niet. En het kan niet. Want de plaatselijke disco’s blijven dicht. Op last van de autoriteiten.

Zondagavond rond een uur of zeven. Ik loop over de boulevard. Een digitale buitenthermometer geeft 30 graden aan. En zo voelt het ook. Het is warm, klam en zweterig. Een heel licht briesje van zee zorgt voor een heel klein beetje verkoeling. Maar echt helpen doet het niet. Ik zweet me in ieder geval nog steeds het ongans. Vertwijfeld vraag ik me af hoe ik die hitte te lijf moet gaan? Misschien dan toch maar in die Zwarte Zee zwemmen? Helaas, dit gaat niet. Ik heb namelijk mijn uitgaanspakje aan. En die leent zich niet voor een zwempartij.

En dus slenter ik, net als honderden Russen, langs winkeltjes vol snuisterijen en prullaria. T-shirts, mokken, magneten, badkleding. Dat soort zaken. Na twee etalages laat het me al volkomen koud. En met mij lijken ook de Russen, schreeuwende verkopers ten spijt, niet bepaald geïnteresseerd. Misschien is dit niet het juiste moment om te shoppen? Misschien is het tijd voor drank en spijzen? Want de desinteresse in de winkels staat in scherpe tegenstelling tot de aandacht voor de talrijke  restaurants en bars. Alle terrassen zitten vol. Een leeg tafeltje is een unicum. En zoals overal in Rusland zijn het vooral Italiaanse restaurants. Pasta of pizza, een Rus kan er niet genoeg van krijgen.

En zo slenter ik voort. Op zoek naar die ene plek waar ik nog wel kan zitten. Ondanks de drukte en de herrie – van alle kanten klinkt muziek, van Russische meezingers tot westerse rap – is het best vermakelijk en bijzonder verrassend. Sotjsi doet me denken aan Lloret de Mar of een soortgelijke Spaanse kustplaats. Zon, zee, strand, disco en drank spelen de eerste viool. Precies wat de jeugd begeert. Dat  Lloret de Mar op dit gebied hoog scoort, was me wel bekend. Maar van Sotsji wist ik dit niet. Rustig een Zwarte Zee vis verorberen is dan ook een illusie. Rondom mij joelen jeugdige Russen, driftig drinkend en rokend, naar voorbij wandelende meisjes. Ooit, in een vorig millennium, kon ik hiervan zelf geen genoeg krijgen. Maar tegenwoordig, zo merk ik, heb ik deze hormonenkermis na een uurtje wel gezien.

De volgende ochtend, terwijl de jeugd de roes uitslaapt, verken ik het centrum van de stad. Het is aangenaam rustig en stil. Een groot verschil met gisteren. Ik wandel rond in de haven, bezoek het Sotsji Museum en bewonder het enorme theater. Maar wat me toch vooral opvalt, zijn de palmbomen. Vooral omdat Sotsji in 2014 de Olympische Winterspelen zal organiseren. Hoe ik ook mijn best doe, ik kan me dit niet voorstellen. De stad ademt zon, zee en strand en doet in werkelijk niets denken aan ijzige temperaturen of sneeuwstormen. Toch, over ruim een jaar zullen Kramer en Tuitert hier hun Olympische schaatstitels moeten verdedigen.

Als ik later op een zonovergoten terras van een Russisch biertje nip, raak ik in gesprek met een local. Hij vertelt me dat de Olympische Winterspelen feitelijk helemaal niet in Sochi worden gehouden. Sotsji is, zo vertelt hij, de merknaam die gebruikt wordt om de grote sportevenementen in dit deel van Rusland te promoten. Maar Kramer en de zijnen komen in actie in Adler, een stadje op zo’n 20 kilometer van Sotsji. Terwijl de skiërs en de bobsleeërs hun kunsten in de bergen rondom Krasnaya Polyana zullen vertonen. Maar dit zijn dorpjes met slechts enkele hotels, zonder noemenswaardig nachtleven, zonder actie. Ik knik begrijpend en gerustgesteld. Inmiddels heb ik weliswaar ondervonden dat veel mogelijk is in Rusland. Maar skiën onder de palmbomen? Dat krijgt zelfs Poetin niet voor elkaar.

       

 

 

 

 

 

 

Ik besluit de dag te besluiten met een duik in de Zwarte Zee. Heb ik eigenlijk wel eens eerder in die zee gezwommen? Ik geloof eigenlijk van niet. Een primeur dus ! Op het strand liggen honderden dikkige Russen en Russinnen met karnemelkwitte lichamen te bakken. Geroosterd door de meedogenloze zon en gekastijd door de onbarmhartige stenen op het strand. Zelfs de korte wandeling naar de zee doet pijn aan mijn voeten. En ik vraag me dan ook verwonderd af hoe die Russen, vredig kijkend nota bene, hier plat op hun ruggen kunnen liggen.

 

Vladikavkaz, de hoofdstad van Noord-Ossetië, roept waarschijnlijk niet meteen beelden van massatoerisme op. Waarschijnlijker roept het helemaal geen beelden op. Wellicht dat de echte voetbalkenner nog weet heeft van Alania Vladikavkaz, de plaatselijke voetbalclub? In 1995 kampioen van Rusland. Maar dat het de grootste stad in de noordelijke Kaukasus is en het economisch, wetenschappelijk en cultureel centrum zal voor velen onbekend zijn.

Een jaar of tien geleden, hoorde ik voor het eerst van deze stad. Toen namelijk, stond ik aan de andere kant van de grens, ergens in Zuid-Ossetië (toen nog Georgië). En daar zag ik op een bord: Vladikavkaz 100 kilometer. Pin me niet meteen vast op het aantal kilometers. Misschien stond er wel 20 of misschien wel 200. Ik weet het echt niet meer. Maar dat er Vladikavkaz stond, daarvan ben ik al tien jaar zeker. En geef toe, zo’n naam maakt nieuwsgierig. Vooral als je weet dat Vladikavkaz ‘Heerser van de Kaukasus’ betekent.

Op het busstation is het druk. Bussen met bestemming Grozny en Makhachkala (inderdaad de stad van Anchi, de voetbalclub waar Guus Hiddink tegenwoordig een dubieus salaris opstrijkt). Minibussen naar Beslan en Nalchik. Ze associëren allemaal met oorlog, terreur, gevaar. Hetzelfde geldt overigens voor Vladikavkaz. Want tijdens de Tsjetsjeense  oorlogen ontplofte hier op de markt  met enige regelmaat een bom. Gelukkig voor de bewoners is het hier nu een stuk rustiger en veiliger. Hopelijk dat dit zo blijft, want de regio blijft natuurlijk wel explosief.

Ik besluit het station te laten voor wat het is en een taxi te nemen. Een dikkige man met een vlekkerig gezicht, gekleed in een kapotte spijkerbroek en een smoezelig t-shirt, rijdt me maar wat graag voor een paar roebels naar het centrum. Zijn Lada is in erbarmelijke staat. De passagiersstoel ontbreekt zelfs helemaal. Ramen kunnen niet open. De snelheidsmeter werkt niet. Gordels zijn er, uiteraard, niet. En tijdens het rijden hoor ik allerlei vreemde geluiden. Daarbij de weg is slecht, vol gaten. Maar dit alles belet de chauffeur niet in hoog tempo door de stad te slalommen. Vanzelfsprekend niet.

Ik laat me afzetten bij de moskee. Het meest opvallende en misplaatste gebouw hier. Opvallend omdat het prachtig kleurrijk is. Misplaatst omdat de bevolking hier in overgrote meerderheid christelijk is. De beheerder wuift me vriendelijk naar binnen. Ik hoef zelfs mijn schoenen niet uit te doen. Het is er koel, rustig en stil. Een grotere tegenstelling met die gewelddadige wereld van weleer is haast niet denkbaar.

          

 

 

 

 

 

 

De omgeving van de moskee geeft eenzelfde indruk. Rustig en stil dus. Een permanente kermis aan de oevers van de Terek rivier, met een reuzenrad, suikerspinnen, een draaimolen en meer van dit soort pret, voelt helemaal lieflijk aan. Ik bestel een koffie op een zonovergoten terras en kijk naar de sloom ronddraaiende apparaten. Er gebeurt niets en toch is het vermakelijk.

Ook de hoofdstraat, Prospekt Mira, ademt dezelfde sfeer. Vooral ook dankzij het feit dat hier geen auto’s rijden. Oude huizen afgewisseld met wat winkels en restaurants. Bomen zorgen voor schaduw. Op de talrijke bankjes zitten moeders en vaders. Kinderen hollen onbekommerd rond. En het mooiste is dat overal op straat uit vele luidsprekers muziek schalt. Radio Gorax (Bergen) trakteert haar publiek op La Bamba, Piano Man en Boston’s Amanda. Ik neurie vrolijk mee en kan het zelfs niet laten af en toe mee te zingen. Vladikavkaz zorgt dat ik in een opperbeste stemming geraak.

In het Bavaria restaurant zit ik in een lommerrijke tuin. Onder de bomen staan her en der tafeltjes verdekt opgesteld. Misschien om jong geliefden de kans te geven ongestoord wat aan elkaar te frunniken. Ook hier is muziek, soortgelijk als op straat. Ik bestel een sakharadzhin, een Osseetse variant van een pizza en een lokaal biertje. Het smaakt fantastisch en het maakt dat mijn stemming nog beter wordt. Wat ik ook verwachtte van Vladikavkaz, dit in ieder geval niet.

Na het avondmaal besluit ik terug te gaan naar Nalchik. Terug naar mijn hotel. Op straat stop ik een oude Lada met een nog oudere bestuurder. Hij knikt verheugd als ik hem vertel dat ik naar Nalchik wil. Een mooi ritje, zo lees ik op zijn gezicht. Bij het benzinestation tankt hij en vult de olie en het water bij. Op mijn vraag of zijn auto het nu weer doet, antwoord hij: ‘als een vliegtuig’. Ik glimlach om zijn antwoord. Maar al snel realiseer ik me dat het helemaal geen grap was. Al rokend geeft hij gas. En in vliegende vaart keer ik terug.

Zondagmorgen acht uur en ik sta al op het station. Van Krasnodar. Te wachten op de trein naar Sochi. Ondanks het vroege uur is het al flink warm. Zelfs op slippertjes, in kort broekje en T-shirtje kostte het me nog aardig wat zweetdruppels mijn koffer de trappen op en af te slepen. Verhit en met klotsende oksels probeer ik weer op adem te komen. Nu maar hopen dat de trein modern is en een airco heeft.

Wanneer even later de trein het station binnenrolt, zie ik meteen dat mijn hoop op een airco een ijdele is. Het is een oud gevaarte. En alle ramen die open kunnen, staan dan ook open. Niet dat dit meteen veel helpt overigens. Russische treinen zijn weliswaar uitstekend warm te krijgen. Zelfs midden in de winter is het binnen met gemak dertig graden. Maar frisse en koude lucht in hartje zomer is een utopie. Dat wordt dus een warm dagje vol ontblote bovenlichamen en puffende en steunende mensen rondom. En omdat deze trein ruim 20 uur geleden al is vertrokken uit Moskou, wat betekent dat veel van mijn toekomstige medepassagiers erin hebben gegeten, gedronken, geslapen en wie weet wat nog meer, zullen ook de geuren niet meteen de aangenaamste zijn. Een combinatie van oud zweet, worsten, fruit, bier en slaap, zo vermoed ik.

Ondanks de afstand van 1.200 kilometer tussen Moskou en Krasnodar arriveert de trein stipt op tijd  op het station. Werkelijk op de minuut nauwkeurig. Ooit verbaasde ik me hierover. Inmiddels heb ik me wel gerealiseerd dat de Russische spoorwegen twee fantastische manieren hebben gevonden altijd op tijd te zijn. Allereerst, de gemiddelde snelheid ligt behoorlijk laag. Voor deze trein zo rond de 60 kilometer per uur. Inderdaad niet meteen een voorbeeld van een hogesnelheidstrein. Ten tweede, op belangrijke stations staat de trein zomaar 30 tot 40 minuten stil. Zogenaamd om bij te tanken, eventueel van machinist te verwisselen en dergelijke. Maar het geeft ook mooi de gelegenheid eventuele vertragingen probleemloos goed te maken.

Net als ik op het punt sta mijn wagon en mijn zitplaats op te zoeken, komen drie imposante dames afgedaald van de stationstrap. Ik schat ze in totaal toch op ruim 400 kilo. Twee zijn echt enorm en de derde is hard op weg enorm te worden. Gekleed in ultrastrakke leggings (welke legging zit niet strak om zulke benen?)en in niets verhullende hemdjes. Overduidelijk met de konijnen los in hun hokken. Ik kijk gebiologeerd toe. Uiterst langzaam schrijden zij voort. Op naar hun eigen wagon, zo vermoed ik. Gelukkig voor ze dat die Russische spoorwegen geen haast hebben op stations!

Of het nu mijn starende blik is, mijn opengevallen mond of slechts toeval, ik heb geen idee. Feit is wel dat de dunste van de drie, die ik toch nog steeds op 120 kilo schat, juist aan mij vraagt waar wagon 12 is. Ik antwoord in het Russisch dat ik dit niet weet. Drie woorden slechts. Maar evengoed voldoende om mijn buitenlandse afkomst te verraden. Honderdtwintig kijkt me verrukt aan en mindert langzaam vaart. Een buitenlander! Zo lees ik in haar ogen. Hier in Krasnodar! Langzaam komt ze in mijn richting geschuifeld. Het is duidelijk, ze wil meer weten van die lange. Ook dat lees ik in haar ogen.

Haar twee enorme vriendinnen hebben inmiddels gemerkt dat Honderdtwintig niet meer in de buurt is. Ook zij houden daarom langzaam halt. Ze schreeuwen naar Honderdtwintig dat ze niet moet talmen. Het is aan dovemansoren gezegd. Die trein wacht wel, maar die buitenlander wellicht niet. En zo staat ze voor me. Met iets van een begeerlijke blik. Ik kan natuurlijk makkelijk ontsnappen. Zeker weten dat ze me niet kan bijhouden. Toch blijf ik gewoon staan, het is ook veel te warm om te vluchten. Ik glimlach een beetje schaapachtig, vermoed ik. Niet precies wetend wat te doen. En zo staat zij eigenlijk ook tegenover me. Misschien realiseert ze zich dat er een kans is dat ik haar niet zal begrijpen? Misschien wilde ze mij alleen maar van dichtbij zien? Misschien is ze opeens verlegen?

Inmiddels schreeuwen haar vriendinnen moord en brand. Wat ze precies zeggen, krijg ik niet helemaal mee. Maar de ‘bljads’ en ‘sukas’ zijn niet van de lucht. Grimmigheden alom, zoveel is dus wel duidelijk. En het blijkt dat Honderdtwintig hiervoor niet ongevoelig is. Want opeens draait ze zich om, werpt me in haar draai een raadselachtige glimlach en een kushandje toe en vertrekt.

En weer is het zaterdagavond in Moskou. En dan, ik kan de klok erop gelijk zetten, begint dat gevoel weer de overhand te krijgen. De-drang-om-te-gaan-gevoel. Naar oorden waar de oppervlakkige schoonheid regeert. Waar patserig gedrag de norm is. Waar het uiterlijk leidt en het innerlijk lijdt. God allemachtig, waarom krijg ik dat gevoel niet onder controle? Waarom nog steeds die tintelingen in mijn lichaam? Ik ben, per slot van rekening, de puberjaren al eventjes ontgroeid. Maar hoe ik het ook probeer, het lukt me niet. Mijn ratio is kansloos tegen mijn instinct.

En dus ga ik. Natuurlijk ga ik. Dat wist ik al de hele week. Op naar de GQ Bar, een hip restaurant annex bar waar de rijkere Moskovieten hun roebels met graagte spenderen. De portier opent de deur en glimlacht me naar binnen. Recht in de armen van een alleraardigste dame. De gastvrouw. Ze vraagt me of ik heb gereserveerd. Ik schud ontkennend. Vreemde vraag, denk ik bij mezelf. Want in het restaurant lijkt helemaal niemand te zitten. En in de bar is het, met een mannetje of tien, ook niet bepaald druk. Zonder mijn antwoord af te wachten, leidt ze me naar de bar. Een man alleen in een leeg restaurant laten plaatsnemen, is waarschijnlijk te ongepast. Ik neem plaats op een barkruk, bestel een glas rode wijn en kijk rond. Het wijntje is prima, wat overigens ook wel mag voor 15 euro, maar voor de rest is het niets. Stilte en saaiheid spelen hier de eerste viool. En dus giet ik mijn wijntje achterover en vertrek.

De taxichauffeur vraagt 2.000 roebels (50 euro) voor een ritje naar elders in de stad. Altijd hetzelfde tafereel bij die zogeheten hippe clubs. Daar waar ik normaliter voor 500 roebels de hele stad kan doorkruisen, betaal ik nu vier keer zoveel voor een ritje naar om de hoek. Ik negeer hem dan ook. Ergens verderop vind ik wel een Lada.

Ik besluit naar mijn oude, vertrouwde Soho Rooms te gaan. Weliswaar, een typisch voorbeeld van een club waar iedereen maximale arrogantie uitstraalt en waar iedereen probeert net iets hipper te zijn dan in werkelijkheid. Maar die oppervlakkige nonsens is af en toe wel lollig. In ieder geval, hier zijn op zaterdagavond altijd een heleboel mensen.

Met een niet al te poenerige Lada vlak voor de ingang uitstappen, is doorgaans niet al te slim. Het doet de kansen op het overleven van de face control hoe dan ook aanzienlijk slinken. Daarom wandel ik de laatste 100 meter, langs Range Rovers, een Porsche, een agressieve Jaguar en een luxe Mercedes. Precies. Niets verandert sinds de laatste keer. Ik meld me bij de deur. Zoals altijd staan er wat brede mannetjes in donkere outfits. En zoals altijd kijken ze nors. Ook dit weet ik al. Glimlachen, niet te zelfverzekerd kijken en netjes antwoorden op eventuele vragen. Onderwijl mag ik natuurlijk denken wat ik wil. Poppenkast, dat is het. Maar als het mannelijk oog iets wil deze avond, dan zit er niets anders op dan mee te spelen.

Als ik aan de beurt ben, vraagt Jerommeke of ik een reservering heb. Ik schud mijn hoofd. Dan wordt het stil. Blijkbaar vindt er topoverleg plaats. Want het mannetje hier voor mij beslist niet over mijn toelating tot dit walhalla. Hierover gaat het opperhoofd, dat elders zit. In een kamer vol met camera’s en andere meetapparatuur, zo stel ik me voor. Na enkele minuten (of misschien zijn het maar seconden) komt het antwoord. Ik mag naar binnen als ik stante pede een tafel reserveer. Kosten precies 1000 euro. Het alternatief is vertrekken. Rechtsomkeert maken. Ik doe nog een manmoedige poging hem te overtuigen me toe te laten tot de bar. Maar hij is onvermurwbaar. Duizend euro of vertrekken. Ik vervloek hem grondig. Mijn oude, vertrouwde Soho Rooms probeert me hier duizend euro uit mijn zak te troggelen. Ik schud mijn hoofd opnieuw. En vertrek. Schone schijn op zaterdagavond is best aangenaam. Maar niet tegen zo’n prijskaartje. En zo sta ik nog steeds met lege handen. Een score van nul uit twee. Bepaald ongebruikelijk.

Opnieuw volgt hetzelfde spel. Mannetjes prijzen schreeuwend hun taxi aan. Vanzelfsprekend, 2.000 roebels is de vraagprijs. Ik schud ze opnieuw van me af en stop een Lada. Gipsy zeg ik tegen hem. De volgende club waarop ik mijn oog heb laten vallen. Uit betrouwbare bron heb ik weliswaar vernomen dat Gipsy ietwat nep is. Een plek waar de Luis Vuitton tasjes niet echt zijn en waar Prada nog niet is doorgedrongen. Maar goed, ik weet het even niet meer. Geen zin nogmaals de deur te worden gewezen. Daarvan ben ik zeker.

Gipsy is een club in het zogeheten Krazjni Octjaber (Rood Oktober) district. Een eiland in de Moskva rivier waar een groot deel van jong Moskou de roebels placht uit te geven op zaterdagavond. En dat blijkt ook wel. Ruim na middernacht staat er op de toegangsweg naar hier een heuse file. Ik  besluit uit te stappen en het laatste stukje te lopen. En dan zie ik dat, ondanks het abnormale tijdstip, het toch vooral een normale file is. Met normale auto’s. Een Nederlandse file, zeg maar. En plotseling voel ik me opgewekt. Dat zogenaamde überhippe gedoe van die zogenaamde überhippe mensjes hangt me opeens mijlenver de keel uit. Doe mij vooral zo’n file gevuld met Ford, Opel, Nissan en Volkswagen. Lekker normaal. Met normale jongelui die blij meezingend met een Russische kraker hun uitgaansavond inluiden. Het mag dan zijn dat de Vuitton tasjes nep zijn hier, de mensen zijn een stuk echter dan daar in Soho.