Posts Tagged ‘Oorlog’

Het is weer begonnen, het miljardenbal der Champions League. De eerste oprolpartijtjes zijn inmiddels een feit. Het ooit roemruchte Celtic werd van het kastje naar de muur gespeeld door het wel erg valsspelende Paris Saint Germain. Feyenoord, ook al zo’n roemruchte club uit een grijs verleden, werd kansloos van de mat geveegd door het nieuwe kapitaal uit Manchester. Commentatoren spraken jubelend over de passeerbewegingen van Neymar of de dribbels van Messi. Analisten bazelden en stamelden over buitenspel en binnenkant dekken. Het heeft allemaal een blabla gehalte van jewelste. Alsof de onderste steen al niet langgeleden is opgegraven en uitbundig geanalyseerd.

Die groepswedstrijden zijn veelal een karikatuur op wat sport echt interessant maakt: strijd en spanning. Neem Chelsea, die patserige club van die nog patserige Abramovic. Met zes tegen nul deden zij evenzeer een duit in het korte-metten-maken-met-zakje. Het, letterlijk en figuurlijk, arme FK Qarabag uit Azerbeidzjan was het slachtoffer. Ook hier kwam de commentator niet verder dan het uitbundig bewieroken van de doelpuntenmakers. En sprak hij vol passie over fluwelen linkerbenen en splijtende passes. Van de Chelsea spelers uiteraard. Over de FK repte hij met geen woord. Behalve dan in zinnen met woorden als kanonnenvoer, speelbal of lelijk eendje. 

FK Qarabag

En dat nu, is jammer. FK Qarabag mag dan slechts een figurant zijn in een groep met ook nog Atletico Madrid en AS Roma. De geschiedenis van de club is wel degelijk roemrucht. Daar kan Chelsea, en vele andere clubs uit die protserige Premier League, bepaald niet tegenop.

Ooit, toen de Sovjetunie nog niet was uiteengevallen, speelde FK Qarabag een bescheiden rolletje in een der competities. De thuisbasis was Agdam, een stadje van ongeveer 30.000 inwoners op de grens van Azerbeidzjan en Nagorno-Karabach. Niemand, zeker grote clubs niet als CSKA Moskou of Dinamo Tiflis, maakte zich destijds druk om het bestaan van dit clubje. Niemand, zeker de communistische kopstukken in Moskou niet, bekommerde zich om dit stadje. Maar toen, op een dag in 1990, de Armenen in opstand kwamen tegen het Sovjetregime veranderde dit. Van een nietszeggend oord in de periferie van het machtige Sovjetrijk verwerd Agdam tot één van de speerpunten in de onafhankelijkheidsstrijd van Armenië, Azerbeidzjan en Nagorno-Karabach.

Nagorno-Karabach, het mag een onbekend stukje aarde zijn, maar de oorlog die hier woedde in de negentiger jaren van de vorige eeuw, was evengoed woedend. Ten tijde van de Sovjetunie was dit een etnisch Armeense autonome regio in de Azerbeidzjaanse SSR. Met andere woorden, de bevolking was overwegend Armeens en christelijk, maar de leiders Azerbeidzjaans en moslim. Destijds was dit nauwelijks problematisch, vooral omdat de werkelijke macht bij het Politburo in Moskou lag. Maar de verschillen kwamen razendsnel aan de oppervlakte op het moment dat het centrale gezag haar invloed verloor en verkrampt reageerde op de nieuw ontstane situatie.

Zowel Azerbeidzjan als Armenië maakten aanspraak op Nagorno-Karabach. En het landje zelf eiste, al in 1991, zelfstandigheid op. Kansloos als het was tegen de strijdkrachten van Azerbeidzjan, werkten de Karabachse vrijheidsstrijders nauw samen met de Armeniërs. Terwijl FK Qarabag haar wedstrijdjes speelde in het stadionnetje van Agdam gebruikten Azerbeidzjaanse strijders de stad om hun raketten richting andere delen van Karabach af te vuren. Dit zeer tegen het zere been van de Armenen en de Karabachen. Op een kwade dag in 1993 begonnen deze laatsten een offensief met als doel Agdam eens en voor altijd te veroveren. Zware gevechten maakten dat de gehele bevolking, bijna allemaal met Azerbeidzjaanse roots, naar het oosten vluchtte. Naar Bakoe met name. Om te voorkomen dat zij ooit zouden terugkeren, verwoestten de overwinnaars de stad grotendeels. Inclusief het stadionnetje van FK Qarabag.

Tegenwoordig is Agdam een spookstad. Nooit is een poging ondernomen de stad te herbouwen. Nooit heeft iemand de stoute schoenen aangetrokken en intrek genomen in zijn of haar oude woning. Volkomen logisch overigens, aangezien de Armeense strijdkrachten de stad nog steeds zien als een buffer tegen de agressieve Azerbeidzjanen. Tegelijkertijd dreigen de Azerbeidzjanen iedereen neer te schieten die zich in Agdam ophoudt.

Aghdam

Met de inwoners verdwenen ook de spelers, het bestuur, de terreinknecht en alle bij FK Qarabag betrokkenen uit Agdam. Verbannen uit hun stad. Gedwongen om te vertrekken naar Bakoe. Gedoemd om te spelen in hetzelfde stadion als de grote rivaal Neftci Bakoe. Te gronde gericht door een oorlog, nauwelijks meer dan twintig jaar geleden. Het is dan ook weinig verrassend dat de club voortdurend in grote financiële problemen verkeerde. Na jarenlang gefrustreerd in de luwte van de grote rivaal te hebben bestaan, besloot het terug te keren naar Karabach. Natuurlijk niet naar Agdam, dat ligt immers nog in puin, maar naar Quzanli, een stadje zo’n 50 kilometer van de frontlinie.

Azersun Holding, één van de grootste bedrijven in Azerbeidzjan, besloot in 2001 zijn naam aan de club te verbinden. Plotsklaps waren de geldelijke problemen verdwenen. In plaats daarvan brak een gouden periode aan, met alleraardigste successen. Vijf keer landskampioen en zes keer bekerwinst. En dus het bereiken van de groepsfase van de Champions League. Het Olympisch Stadion van Quzanli, met een capaciteit van 2.000 toeschouwers, blijkt al ruim een decennium een onneembare vesting.

Maar Chelsea, Atletico en AS Roma kunnen opgelucht ademhalen. Zij hoeven niet helemaal naar Quzanli. Want voor haar Europese wedstrijden wijkt FK Qarabag uit naar het Tofikh Bakhramovstadion in Bakoe, met een capaciteit van bijna 30.000 toeschouwers. Vast en zeker is het goed voor de inkomsten van de club. Maar het ware toch mooi geweest, indien die verwende profs een wedstrijd hadden moeten spelen in het kabouterstadionnetje in Quzanli.

Advertisements

In de bus op weg naar Srebrenica. Waarom doe ik dit in godesnaam? Bosnië-Herzegovina biedt de toerist zoveel interessants. Mostar, Sarajevo of, voor de katholieke toerist, Medjugorje. Maar Srebrenica? Nee, het hoort niet in dit rijtje thuis. Mijn reisgids beschrijft Srebrenica als een tragisch oord. En eerlijk gezegd, zonder er geweest te zijn, voel ik dat het waar is. Naarmate ik dichterbij kom, wordt het onbestendige gevoel in mij groter en sterker. Nog steeds kan ik omkeren en Srebrenica laten voor wat het is. Wat heb ik er eigenlijk te zoeken? Waarom nu juist naar daar? Toch blijf ik zitten. De drang om het zelf te zien, zelf te voelen en zelf waar te nemen is blijkbaar te sterk.

Het busstation is leeg. Geen enkele andere bus op deze zondagochtend. In het kantoortje zit één medewerker niets te doen. Op mijn vraag waar het centrum is, wijst hij naar omhoog. Een minuutje of vijf lopen. Ik stap in de aangegeven richting. Huizen getekend door de oorlog wisselen af met gloednieuwe woningen. Voor het overige lijkt het een stadje als alle andere op een zondag. Het is vooral rustig en stil. Als ik op het centrale plein aankom is het drukker. Tekenen van leven vooral bij de supermarkt. Jong geliefden lopen hand in hand door een park. Kinderen spelen er hun spel. Het valt me op dat er evenveel mannen als vrouwen zijn. Vooraf had ik bedacht dat ik mogelijk in een manloze omgeving zou belanden. Een niet onlogische gedachte maar de realiteit blijkt anders.

Een winkelier in ijzerwaren veegt zijn stoepje schoon. Ik vraag hem of hij wellicht een hotel weet waar ik de nacht kan bivakkeren. In vloeiend Duits antwoordt hij dat net buiten het centrum een nieuw hotel is verrezen. Daar kan ik prima slapen, het is er luxe en comfortabel. Ik reageer blijkbaar zuinigjes, want nog in dezelfde adem vertelt hij dat het evengoed mogelijk is bij iemand thuis te overnachten. Hij kent wel een dame die hij met graagte voor mij belt. Ik knik verheugd. Terwijl we wachten, vertelt hij me dat velen hier, voor kortere of langere tijd, in Duitsland hebben gewoond. Allemaal teruggekeerd naar Srebrenica om de stad weer op te bouwen. Ook mijn gastvrouw was ooit in Duitsland. Tegenwoordig werkt ze voor een organisatie die micro-kredieten verstrekt aan de vele weduwen in en rond Srebrenica. Vol vuur en passie praat ze over haar werk. Ze gelooft er heilig in en de energie die ze uitstraalt, maakt dat ik het ook geloof.

Wanneer ik weer buiten sta, valt mij wederom de stilte op. Een volkomen rust heerst hier. Het lijkt wel alsof er alleen op het centrale plein geluid mag worden gemaakt. Als vanzelf loop ik weer in die richting. Op zoek naar een restaurant. Plotseling valt mijn oog op twee gammele, witte, plastic stoelen en een tafel. Ergens geparkeerd op een trottoir. Een restaurant wellicht? Ik stap naar binnen en zie drie mannen, starend naar zondagmiddagvoetbal op TV, onderwijl aan een fles bier lurkend. Op mijn vraag of ik hier kan eten, knikt de waard me vriendelijk toe. Vanzelfsprekend. Hij leidt me naar zijn koelkast, showt de inhoud ervan en vraagt wat ik wens. Ik wijs wat worst, groente en brood aan en zet me vervolgens met een fles bier op het terras. Iets verderop zie ik vijf jongens van een jaar of 18. Destijds net jong genoeg om gespaard te blijven, schiet me te binnen. Twee zitten op het dak van een kapotgeschoten schuur, één zit op een stoel midden op straat en twee liggen languit op een muurtje langs de straat. Ze drinken bier, in hoog tempo. Roken sigaretten in een hoger tempo. Het doet me denken aan een pose van een rockgroep voor een hoes van hun CD. Stoer en macho lijken ze. Maar het is geen pose, het is een dagelijks terugkerend ritueel. De hoeveelheid lege bierflessen rondom ze is hiervan het bewijs. Elke dag zitten ze hier. Niet omdat het stoer is, maar omdat hier niets anders te doen is dan niets.

      

Een taxi brengt mij naar Potocari. De zon schijnt. De lucht is blauw. Het is warm. Toch, bij het betreden van de begraafplaats lopen de koude rillingen over mijn rug. 8.372 witte grafstenen staan hier, zo vertelt een bord bij de ingang. Er is niemand. Ik ben helemaal alleen. Ook Bosniërs zelf komen hier, hoor ik later, niet graag. Simpelweg omdat ze niet herinnerd willen worden aan de gruwelheden hier gepleegd. Op het monument zie ik, in één lange opsomming, de namen staan van alle gesneuvelden. Het stopt nooit. Net als de begraafplaats alsmaar doorgaat. Ik loop tussen al die stenen. Verdoofd. Verdwaasd. Verdrietig. Maar ook vol vragen en onbegrip. Aan de overkant van de weg zie ik de vervallen verblijfplaats van Dutchbat. Spontaan dwalen mijn gedachten af naar de ontmoeting Mladic en Karremans. De uitspraak van een rechter, dat de Verenigde Naties niet kunnen worden vervolgd voor hetgeen hier is gebeurd, schiet me te binnen. Onbegrip maakt plaats voor boosheid. Het kan toch niet zo zijn dat beschermers hun taak zo verzaken? Het kan toch niet zo zijn dat zulke inschattingsfouten ongestraft kunnen blijven? Het kan eenvoudigweg niet waar zijn. Onwillekeurig bal ik mijn vuisten naar Dutchbat en de VN. En heel goed kan ik me voorstellen dat de overlevenden hier hetzelfde doen.

Mijn reisgids heeft gelijk, net als mijn voorgevoel. Dit is een tragische plek. Het gevoel dat mij bekroop op het moment dat ik in de bus richting Srebrenica zat, is aan het eind van de dag alleen maar sterker geworden. Srebrenica bedrukt, beklemd en is, vooral hierdoor, ook voor mij, onuitwisbaar.

  

‘Jongens, wat een mooie stad’, deze zinsnede spookt met enige regelmaat door mijn hoofd. Eerder dit jaar las ik in De Volkskrant een artikel over Sarajevo dat op deze manier begon. Nu ik zelf door de oude stad wandel, kan ik het slechts beamen. Op het Sebilj plein waan ik me in Turkije terwijl luttele honderden meters verderop Wenen aan mijn voeten ligt. Als ik links kijk, zie ik een moskee, rechts een kerk en als ik recht vooruit kijk zie ik beide. Dan is er de zon, die alles verblijdt en mij doet geloven dat hier in Sarajevo de zomer nog lang zal voortduren. Het is allemaal zo vredig en lieflijk. Verder niet nadenken, het verleden vergeten en het is een perfect vakantieoord. Ook nog omdat het prijspeil zo laag is. Een biertje kost amper iets, een koffie bijna niks en een goed gevuld bord met een Bosnisch maal doet ook al twee keer heel weinig.

Maar een paar stappen uit dit toeristisch centrum en het beeld is volkomen anders. De schoonheid, netheid en rust is meteen verdwenen. Grauwe flats zonder ramen en vol kogelgaten in het straatbeeld. Spontaan komen de beelden van de oorlog, zo kort geleden nog, weer op mijn netvlies. Voor de jonge lezer, en voor ieder andere die niet meer precies weet hoe de Bosnische vork in de Servische steel zit, een korte update.

Nadat in 1992 de onafhankelijkheid van Bosnië-Herzegovina was uitgeroepen, werd Sarajevo langdurig omsingeld door de Bosnische-Serviërs. Zij zagen de stad als onlosmakelijk deel van het grote Servische rijk en wilden ten koste van alles voorkomen dat de, in hun ogen, rebellen het hier voor het zeggen zouden hebben. De stad moest daarom worden heroverd. Omdat de Serviërs over te weinig manschappen beschikten om de strijd echt aan te gaan, werd gekozen voor een beleg. Zij verschansten zich in de bergen rondom Sarajevo en sloten alle toegangswegen tot de stad af. Vervolgens werd de stad bij voortduring beschoten, waarbij in een periode van ongeveer 4 jaar 11.000 mensen de dood vonden.

Hier op een figuurlijke steenworp van Nederland. Natuurlijk, ik weet het nog. Maar ik weet ook, dat ik na verloop van tijd, deze oorlog de rug toedraaide. En nu, hier, op dit moment, zie ik het recht in de ogen. Ik voel de waanzin, de angst en de wreedheid. Nog extra gevoed door een korte documentaire die ik zie bij de ‘Tunnel of Life’. Deze tunnel, gegraven in zes maanden, verbond Sarajevo met het niet-bezette deel der natie. Aan het andere uiteinde van de tunnel, 800 meter verderop, lag (en ligt) de berg Igamn, de enige berg die niet in Servische handen was. Gedurende de belegering van Sarajevo konden duizenden gewonden de stad via deze tunnel verlaten, terwijl tienduizenden kilo’s aan voedsel de stad kon binnenkomen. Deze tunnel werd de halsslagader van de stad en redde het leven van velen.

   

Heftiger nog, hier in Sarajevo, is een wandeling over de begraafplaatsen. Vanzelfsprekend, er zijn talrijke. Overal in de stad zie ik witte graven met duizenden grafstenen. Een rondwandeling is een schokkend, een verbijsterend schouwspel. Zelf geboren in 1969 zie ik honderden graven van mannen, geboren in datzelfde jaar. Allemaal gestorven in 1993 of 1994. Vijfentwintig jaar en het leven voorbij door geweervuur. Gedood door een kogel afgevuurd door een scherpschutter. Een granaat. Of op wat voor manier dan ook. Wat maakt het bovendien uit? Terwijl ik rustig studeerde, teveel biertjes dronk en me druk maakte over een 6- of een 6+ vochten zij zich te pletter. Ik ben stil, ben in gedachten verzonken en realiseer me dat die spreuk over ‘jongens’ en ‘een mooie stad’ maar een heel klein deel van de lading dekt.