Posts Tagged ‘Bergen’

Na drie dagen stuiteren op de Pamir Highway is het wel eens tijd om wat te onthaasten en te relaxen. Een dagje lui aan de rand van een zwembad met een prettig cocktailtje in de hand en een uitzicht op strakke vrouwen in kleine bikini’s. Bijvoorbeeld. Of een middagje op een zonovergoten terras met een paar frisse Westmalle Triples, een steak en een fikse sorbet. Zoiets.

Murgab, het mag nauwelijks een verrassing heten, is letterlijk en figuurlijk lichtjaren verwijderd van dit soort vertier en plezier. Een zwembad? De warme douche van vanochtend kostte al flink wat hout en water, beide bepaald niet overvloedig aanwezig alhier. Een cocktail of een tripeltje? Pas na lang zoeken vind ik ergens in een gammele winkel een fles lauw bier. Een malse steak of een sorbet? Verder dan een blikje vlees en een waterijsje in dezelfde gammele winkel kom ik niet.

Maar een uurtje rijden richting de Chinese grens, zo vertelde mijn gastheer me vanochtend bij het ontbijt, bevindt er zich wel een natuurlijke hete bron. De Tadzjiekse variant op onze eigen spa. Zoiets althans. Ook al ben ik doorgaans geen spa-ganger, ik heb me evengoed laten overtuigen. Dus stap ik wederom in een Oazis en hotseknots ik andermaal door het prachtige Tadzjiekse hoogland. Vergeleken met gisteren is de weg zelfs nog een stuk slechter. Van de Pamir Highway naar een Pamir B-weg. Zeg maar.

Een prachtige Kirgiziër, getooid met een typische Kirgizische hoed, wacht ons op. Hij schudt mij stevig de hand, terwijl mijn chauffeur me vertelt dat deze beste man de burgemeester is van dit deel van de vallei. Een heuse hotemetoot derhalve. Ben meteen benieuwd naar zijn verhalen. Maar praten, zo gebaart de burgemeester, is voor later. Eerst moet er gebadderd worden. Hij leidt me naar een kleedruimte en wijst me hoe ik in het hete water geraak. Erg schoon is het er niet, vind ik. Eerder wat viezig. Toch ken ik geen twijfels. Het water is overduidelijk heet, bovendien het schijnt goed voor lijf, leden en botten.

Burgemeester

Na een kwartiertje voel ik me al opmerkelijk frisser en fruitiger. Jammer dat ik geen schoon outfitje heb meegenomen, want nu moet ik mijn oude, ietwat ranzige oude kloffie, weer aan. En zo beland ik in de yurt van de burgemeester. De burgemeestersvrouw is druk in de weer met pannen en potten. Vanzelfsprekend, er staat thee op het menu. Maar ook ovenvers brood, huisgemaakte yoghurt en dito jam. Terwijl ik flinke hoeveelheden van dit alles verorber, vertelt de Kirgiziër over zijn leven. Ooit, ten tijde van de Sovjet-Unie, was hij actief als spion in China. Hij spreekt dan ook vloeiend Chinees. Tegenwoordig is hij met pensioen, en ziet hij met lede ogen aan hoe de Chinezen langzaam maar heel zeker aan landjepik doen. Er mag dan een kilometers lang hek staan op de grens China en Tadzjikistan, deze houdt de Chinezen geenszins tegen. Hij vindt het maar niks, want vertrouwen doet hij die Chinezen voor geen cent. Aan de andere kant, zo hoopt hij, zullen de Chinezen voor meer welvaart zorgen. Want de Tadzjiekse overheid doet al jarenlang alsof ‘zijn’ deel van het land niet bestaat.

Een beetje wijzer, flink schoner en behoorlijk verzadigd gaan we weer op weg. Want er is heus nog meer vertier in de omgeving. Wat te denken van het snelste renpaard van de vallei? In het najaar, wanneer de dieren flink verzadigd zijn van het snoepen van het sappige zomergras, vinden hier talrijke paardenraces plaats. En mijn chauffeur kent, toevallig of niet, de jongeman die al een aantal jaren lang al die races naar zijn hand zet. Met zijn superpaard. De Lightfeet van de Pamir. En ik mag, volgens mijn chauffeur, vast een rondje op zijn rug. En zo stuiteren we naar nog afgelegener oorden.

Na een uurtje zie ik een stenen hut met rondom grazende yaks en schapen, wat slaperige honden en het paard. In de deuropening staan een man, een vrouw en twee kleine kinderen. Ons bezoek mag dan volkomen onaangekondigd zijn, het welkom is evengoed allerhartelijkst. Natuurlijk, mag die grote, zware Nederlander een stukje rijden. Lightfeet wordt stante pede gezadeld en zo zit ik, enigszins gespannen, op de rug van deze snelheidsduivel. Maar dat ik geen Arendsoog ben, blijkt alras. Misschien ben ik te zwaar? Misschien ben ik te onbehouwen? Ik heb geen idee. Wat ik wel weet, is dat ik niet veel sneller ga dan uitermate traag. De jongeman ziet het hoofdschuddend aan en na een aantal minuten verlost hij zowel paard als berijder uit hun lijden. Uiteraard, hij laat nog graag even zien hoe het wel moet. Een simpele beweging met zijn voeten en het paard stuift, in razende galop, over de velden.

Vanzelfsprekend, ook nu staat er weer thee op het menu. Net als ovenvers brood, huisgemaakte yoghurt en dito jam. En wederom verorber ik flinke hoeveelheden van dit alles, onderwijl luisterend naar de prachtigste verhalen. Zo leer ik dat vier schapen evenveel waard zijn als één yak, en vijf yaks één paard opleveren. Maar voor Lightfeet gelden deze rekensommen niet. Hij is van een andere orde en is minimaal 100 schapen waard. 70 waren er al eens geboden, maar dit aanbod was vriendelijk doch resoluut geweigerd. Verder weet ik nu ik dat melk van een yak veel voedzamer is dan van een koe of een geit. En ook dat het zomerse gras op sommige plaatsen zo voedzaam is dat de schapen zich letterlijk doodvreten. Vorig jaar stierven zo zes schapen een tragische dood.

DSC04349                           DSC04333

Ik vraag hem of hij wel eens marco polo schapen ziet. Als antwoord loopt hij naar het keukentje en deponeert een stuk vlees op tafel. ‘Marco polo schaap’, zegt hij, ‘zelf geschoten’. Ik kijk hem verrast aan. Bijna wil ik hem vertellen dat het verboden is deze schapen te schieten. Het is namelijk een bedreigde diersoort, en volgens westerse maatstaven mag hierop niet worden gejaagd. Alleen tegen betaling van zo’n 50.000 dollar wordt er af en toe een ‘afknalvergunning’ verleend aan een of andere rijke westerse patser. Maar ik slik mijn opmerking weg met een slok thee. In deze contreien, waar de natuur wreed is en niet bepaald vrijgevig, is zo’n schaap, die wel tot 220 kilo kan wegen, een geschenk uit de hemel. Eén goed gemikt schot en er ligt voor maanden vlees op de plank. Bovendien, het schijnt nog lekker te zijn ook.

Bij vertrek krijg ik het stuk vlees van het marco polo schaap in mijn handen gedrukt. Ik glimlach verrukt. Vanochtend nog droomde ik van een steak en nu al wacht mij een heus feestmaal.

Advertisements

Uren en uren rijden we al over de M41. Nog steeds klimmen we naar grotere hoogten. Nog altijd wordt het landschap ruiger. Het laatste restje water is inmiddels geconsumeerd en ik realiseer me dat het verstandig is geen pech te krijgen. Want een nachtje op deze hoogte, zonder water en voedsel, is zeker en vast geen sinecure. Kale, kille bergen rondom. Bruingekleurd met tinten grijs. Stenen zo ver het oog reikt, slechts af en toe wat gras of zeer laag struikgewas. Een stormachtige wind doet spierwit, rul zand opwaaien. Ik proef het op mijn tong, voel het in mijn ogen. Blijkbaar zitten er nogal wat kieren en gaten in de Oazis, onze Russische jeep. Het lijkt wel een woestijn op grote hoogte.

Pamir    Pamir

Af en toe stoppen we. Om de jeep wat rust te gunnen. En om de motor te koelen. Echt zorgen maak ik me vooralsnog niet, vooral omdat Zarek, de chauffeur, blijft glimlachen en een uitstraling heeft van ultieme controle. Tegelijkertijd, helemaal gerust ben ik toch ook niet. Vooral het gebrek aan water zit me dwars. Dat was toch wat dommig, te weinig water mee. En water vragen aan medeweggebruikers lukt ook niet. Want die zijn er niet. De enige levende wezens die ik, heel af en toe, zie zijn herders met een flinke kudde geiten en schapen. Op zoek naar grazige weiden. Al vraag ik mij af waar die in hemelsnaam te vinden.

We passeren de Khargush Pass, met 4.344 meter het hoogste punt van de dag. De Oazis puft en zucht maar heeft ons evengoed naar hier gebracht. Van louter plezier geef ik Zarek een high five. Wat een plek. Wat een weg. Wat een natuur. Wat een rit. Vanaf nu mogen we dalen, richting de beschaving van het wilde oosten van Tadzjikistan. Alleen die vermaledijde dorst en inmiddels ook honger gooien geringe hoeveelheden roet in het eten.

Maar dan is daar opeens een checkpoint. Plompverloren neergekwakt in absoluut niemandsland. Een treurige soldaat noteert mijn paspoortgegevens. Op mijn vraag hoeveel auto’s hier passeren, antwoordt hij, al even treurig, ‘tussen de vijf en de tien, maar vandaag zijn jullie de tweede’. En het is al ruim na drie uur, nog een paar uurtjes en het is donker. Op mijn belangrijkere vraag over water en voedsel, antwoordt hij door naar een hut te wijzen, iets verderop. Daar is wel iets te eten en te drinken.

Oazis  Checkpoint

Woedend worden we welkom geheten door een grommende hond. Gelukkig reikt zijn ketting niet veel verder dan een paar meter. Bovendien, er staat opeens een mannetje in de deuropening die al even woedend de hond tot stilte maant. Tegelijkertijd schitteren zijn ogen van plezier. Bezoek! Er is bezoek! Dolblij nodigt hij ons uit vooral binnen te komen, alwaar nog twee mannetjes op krakkemikkige stoeltjes zitten. Meteen wordt een ketel met water op een vuur gezet, ergens een brood opgeduikeld en in no-time drinken we thee en eten we zeer oud en droog brood. De drie mannetjes, twee biologen en een ingenieur, zijn in een dolenthousiaste stemming. In eerste instantie denk ik dat het is vanwege het bezoek. Alras begrijp ik dat het toch vooral is omdat ze al behoorlijk van de wodka hebben gesnoept. Natuurlijk, ze willen dat ook ik drink. Maar ik heb geen zin en weiger beleefd en resoluut. Alleen de uitnodiging om samen te dansen kan ik niet weigeren. En zo swing ik, in een aftandse hut op grote hoogte, op een Tadzjieks muziekje met twee Tadzjiekse biologen.

Terwijl we eten en drinken verhalen de biologen. Over de twee zonnepanelen uit China, die ervoor zorgen dat ze naar een radio kunnen luisteren en een gloeilamp kunnen laten branden. Eén van de twee blijft maar herhalen, als ware het een mantra: ‘zonnepanelen uit China zijn de beste ter wereld’. Wanneer hij vervolgens vertelt dat hij hier is om de wilde dieren te tellen, begin ik wel enigszins te twijfelen. Als hij net zo vaak dubbel telt, als dat hij dubbel vertelt… Het verbaast mij dan ook niet dat het goed gaat met het Marco Polo schaap in deze contreien. Toen de Russen het hier nog voor het zeggen hadden, was er van de natuur niet veel meer over. Maar inmiddels gaat het dus een stuk beter. Volgens de bioloog is dit ook te danken aan het feit dat hij een specialist is in Marco Polo schapen.

Met een ferme omhelzing en een voorzichtige zoen nemen we afscheid. Zelfs de hond lijkt opeens een stuk minder woedend. Op naar meer stenen, bergen, zand en woedende natuur. Maar het einde is in zicht zegt Zarek, nog een paar uurtjes en we bereiken het betere gedeelte van de Pamir Highway. En dat dit scheelt, is meteen duidelijk. Nog steeds verre van een strak geasfalteerde snelweg rijdt het inderdaad een heel stuk florissanter dan voorheen. En zo rijden we plotseling met gezwinde spoed richting Murgab, naar het wilde oosten van Tadzjikistan.

Wat zit ik heerlijk gerieflijk in die Toyota Landcruiser. Beenruimte te over, prima airco, Tadzjieks muziekje op de achtergrond en wanneer ik naar buiten kijk, zie ik de buitenwijken van Dushanbe aan mij voorbijglijden. Zelfs de weg is in goede staat. Althans, op dit moment. Maar dat het wilde oosten van Tadzjikistan al meteen buiten Dushanbe begint, wordt mij alras duidelijk. Nauwelijks zijn we de stad uit of de weg verwordt tot een soort van zandpad, her en der opgevuld met restanten asfalt en puntige stenen. Een voortdurende slalom is het gevolg. De chauffeur is een en al concentratie. En niet alleen vanwege de staat van de weg. Vooral omdat hij, zoals ik inmiddels heb begrepen, deze auto pas gisteravond heeft gekocht. En natuurlijk wil hij zijn nieuwe aanwinst ongeschonden aan zijn familieleden in Khorog laten zien.

Na een uurtje of twee stoppen we voor een lunch, al hebben we die eerder vandaag ook al genuttigd. Allemaal, de chauffeur, de bijrijder, mijn twee medepassagiers en ikzelf slurpen haastig een shurpa – soep met wat groente en een vettig stuk vlees – naar binnen. Alsof we haast hebben. En misschien hebben we dat ook wel, want de eindbestemming Khorog is nog steeds een slordige 600 kilometer verderop. En dat betekent nog minimaal 15 uurtjes slalommen.

Gesterkt door de shurpa, maar waarschijnlijker vanwege die 600 kilometers zet de chauffeur er flink de pas in. En dat nu, had hij beter niet kunnen doen. Want snelheid en puntige stenen, ze gaan niet samen. Dat weet toch iedereen? Het wachten op het onvermijdelijke duurt niet lang. Binnen een half uur staan we weer stil. Dit keer met een lekke achterband. En niet zo’n klein beetje lek ook. De band is volledig aan barrels. De chauffeur kijkt beteuterd en teleurgesteld. Alsof hij had verwacht dat Toyota Landcruiser banden niet kapot kunnen gaan. Hoe vervelend ook, een band is eenvoudig te vervangen. Alleen, de wrede Tadzjiekse werkelijkheid leert mij dat deze nieuwe auto is afgeleverd zonder reserveband. Hoe de chauffeur ook zoekt, hij vindt deze nergens. Nu is het mijn beurt beteuterd en teleurgesteld te kijken. Hoe is het in godesnaam mogelijk een reis als deze aan te vangen zonder reserveband? Dat is niet een klein beetje maar heel erg dom.

De bijrijder bedingt een lift naar ergens om twee uur later terug te komen met een band. Helaas, deze past niet. Modelletje Lada of iets dergelijks en te klein voor de Landcruiser. Auto’s, trucks, bussen worden aangehouden, maar niemand heeft een passende band. Aan een van de chauffeurs die richting Dushanbe rijdt, wordt gevraagd aldaar een band te organiseren. Hij krijgt wat somani in zijn hand gedrukt en belooft plechtig dit bij aankomst meteen te regelen. Alleen, Dushanbe is uren rijden. Dat betekent nog minstens vijf uur wachten. Minimaal. En de avond valt al. Er zit dan ook weinig anders op om asiel aan te vragen bij een van de huizen die iets verderop staan. Met ons vijven wandelen we naar het grote en armoedige huis. In Nederland, zo denk ik, lijkt zoiets een kansloze exercitie. Zelfs als er plaats zou zijn in herberg of stal, zou het antwoord vermoedelijk een negatieve zijn. Alleen, we zijn niet in Nederland, we zijn in Tadzjikistan. De heer des huizes opent de deur als antwoord op ons geklop. Hij kijkt niet eens verbaasd en geleidt ons, zonder enige twijfel, naar binnen. Schoenen uit en dan mogen we plaatsnemen in de woonkamer. In een ommezien staat er dampende thee voor onze neus, en niet veel later happen we in brood, vlees, groente, rijst en aardappel. Alsof we vrienden zijn die na een jarenlang verblijf in het buitenland onverwacht op bezoek komen. Alsof ze blij zijn dat ze hun, ongetwijfeld tamelijk beperkte, voedselvoorraad mogen delen met volkomen onbekenden. Ik heb honger maar niet heel veel trek. Ik kan toch niet hun voorraad aardappels en rijst plunderen? Alleen, de heer des huizes gebiedt mij te eten. Schept zelf mijn bord vol. Wijst dat er nog meer vlees is. Weigeren kan niet en mag niet. Ik zal eten tot ik omval.

Maar voordat ik kan omvallen lig ik al in een bed. En als ik zo om me heen kijk, zou het best eens het bed van de gastheer en –vrouw kunnen zijn. Natuurlijk, ik protesteerde en sprak dat ik best op de grond kan slapen. Natuurlijk, ik stribbelde tegen en zei dat ik niet op de beste plek in het huis wil slapen . Maar wederom was ik kansloos. De gastheer glimlachte lichtjes, wees slechts naar het bed en vertrok. Verdere discussie was overbodig. Die lange Nederlander slaapt vannacht in het ouderlijke bed.

Wat een nacht! Geslapen in een Tadzjieks dorp waarvan ik de naam niet eens ken. In een huis waarvan ik de bewoners niet ken. In een bed dat normaliter beslapen wordt door de heer en vrouw des huizes. Ben net gewekt door een stem die iets zei over thee en hoogste tijd. Ik schiet mijn broek aan, een shirtje en schoenen. De kans op een douche alhier lijkt me uitgesloten. Sowieso, ik kan toch niet half naakt door een vreemd Tadzjieks huis lopen?

Eerst maar eens naar het toilet, dat ergens achter in de tuin staat. Niets meer dan een diepe kuil, een houten vlondertje met een mooi rond gat, bedoeld om de behoefte door te mikken, en een krakkemikkig houten huisje. Ik stap voorzichtig naar binnen, mezelf afvragend of die planken wel berekend zijn op mijn 100 kilo. Per slot van rekening, de gemiddelde Tadzjiek zal niet veel meer wegen dan de helft hiervan. De planken kraken inderdaad vervaarlijk. Willen ze me waarschuwen? Ik blijf toch staan, doe wat ik moet doen, knijp halverwege af en haal opgelucht adem wanneer ik weer buiten sta. Volgende keer toch maar tegen een boom, zo neem ik me voor.

Wanneer ik na het ontbijt naar de auto loop, zie ik dat deze nog steeds op drie wielen staat. Vertrekken is voorlopig dus een illusie. Sterker nog, de geruchten gaan dat een lawine de weg tussen Dushanbe en alhier onbegaanbaar heeft gemaakt. Het zou dan ook best kunnen, zo wordt me verteld, dat de komende uren, wie weet zelfs dagen, geen nieuwe band zal worden gevonden. Ik knik begrijpend en vraag me af wat nu te doen. Veel vertier is er zeker en vast niet in dit dorp.

Drie dagen loop ik inmiddels door Dushanbe, de bepaald niet bruisende hoofdstad van Tadzjikistan. Ik wacht op het moment dat mijn GBAO (beter bekend als Gorno Badakshan Autonomous Oblast) permit gereed is. Want zonder deze permit mag ik, zoveel is zeker, het oostelijke deel van Tadzjikistan niet in. Ik dood de tijd met trolleybusritjes, het bezoeken van marktjes en markten, een ritje in een reuzenrad, het verorberen van flinke hoeveelheden kebab en het consumeren van een aanzienlijk aantal biertjes in de bar van Hotel Dushanbe.

                     DSC04032

Aan het einde van dag drie komt het verlossende telefoontje. De permit is klaar en ik mag deze terstond komen ophalen. De dame van dienst wappert vrolijk met mijn paspoort wanneer ik een uurtje later haar kantoor binnenstap. Tegen betaling van $ 50, in plaats van de afgesproken $ 30 ben ik weer de trotse eigenaar van mijn eigen paspoort. Ik kan praten als brugman, de reactie is en blijft hetzelfde. Een glimlach met een schouderophalen en een blik van ‘het-is-graag-of-niet’. En dus betaal ik, enigszins grommend, het niet afgesproken bedrag. Niettemin, ik ben blij en opgetogen. Morgen kan ik vertrekken richting de Pamirs.

Voor dag en dauw ben ik wakker. Deels omdat ik opgewonden ben over de reis, deels omdat het broodnodig is. Want Khorog, het doel van mijn reis is niet bepaald om de hoek. Sterker, het is een klereneind verderop. En dus sta ik al voor zes uur op het busstation. Alhoewel, busstation? Er valt geen enkele bus te bekennen, louter wat vrachtauto’s en wat jeeps. Evengoed, word ik belaagd door bijna alle mannetjes die hier op het station rondlopen. En allemaal bieden ze mij een plek aan in hun voertuig. Volop keuze, zo lijkt het. Alleen, een korte inspectie leert me dat er twee probleempjes zijn. Het eerste is dat er nog geen andere passagiers zijn, wat kan betekenen dat ik uren en uren moet wachten. Het tweede is dat de meeste voertuigen zo krakkemikkig zijn dat ik mij serieus afvraag of ze de barre tocht naar Khorog ooit zullen vervolmaken. Niet goed wetend wat te doen, bestel ik maar een thee. Vertrekken doen we de komende tijd toch niet.

Plotsklaps staat er een mannetje voor mijn neus. Hij ziet er anders uit. Netjes gekleed, gepoetste schoenen, een mooi rood sjaaltje om zijn nek gedrapeerd. Hij wijst naar zijn auto, die net buiten het station staat geparkeerd. Een fris gewassen Toyota Landcruiser nota bene. Hij is op weg naar Khorog en biedt mij een zitplaats aan. Ik kijk hem blij verrast aan, laat mijn thee voor wat het is en stap in. ‘Lucky bastard’ glimlach ik in mezelf. Niks geen krakkemikkigheid deze reis, maar pure luxe.

We vertrekken meteen, om binnen tien minuten alweer stil te staan. Gestopt door de verkeerspolitie. En verder rijden, zo is mij al snel duidelijk, is uitgesloten. Want de aan de agent overhandigde autopapieren blijken niet van deze auto. En dus volgt een heleboel getelefoneer, met een heleboel mensen. Geen idee eigenlijk wat er allemaal gebeurt. Tot er opeens een breedgeschouderde militair voor mijn neus staat. ‘Kolonel Rostam’, zo stelt hij zich voor, onderwijl mijn hand zeer krachtig schuddend. En meteen is hij het middelpunt van alle aandacht. Hij wil met me op de foto, beantwoordt drie telefoontjes per minuut, praat met de chauffeur, met de agenten en vertelt mij bij voortduring dat hij heel ‘happy’ is mij te ontmoeten. Ook deelt hij tussendoor nog even mee dat hij, van 1979 tot 1985, in Afghanistan heeft gevochten. Niettemin, de juiste autopapieren zijn er ook binnen een kwartier.

Niet dat we nu kunnen vertrekken. Zo is het ook weer niet. Want kolonel Rostam heeft honger gekregen en nodigt ons allen uit voor een vroege lunch. En het mag duidelijk zijn, niemand die het in zijn hoofd haalt dit te weigeren. In een colonne rijden we naar het favoriete restaurant van de kolonel. Ergens aan de andere kant van Dushanbe, zo lijkt het. Maar niemand die het in zijn hoofd haalt te klagen. Dat is al even vanzelfsprekend. Ook bij het restaurant neemt de kolonel de touwtjes meteen stevig in handen. Hij commandeert het personeel, regelt een fles wodka, zorgt ervoor dat ik naast hem kan zitten, beantwoordt nog steeds drie telefoontjes per minuut en praat tegelijkertijd met iedereen. Wanneer hij hoort van mijn maagproblemen, speelt hij spontaan ook de rol van dokter. Hij fabriceert zijn eigen medicijn dat, ik kan het nu al verklappen, fantastisch werkt. Daarom, mocht je ooit maagproblemen hebben, dan raad ik het recept van kolonel Rostam van harte aan.

Gooi wat zout in een kopje, voeg wodka toe en vervolgens nog wat meer zout. Roer. Proef. Voeg dan nog wat zout toe. Roer opnieuw. Giet het in een ander kopje en voeg dan nog een flinke scheut wodka toe. In één teug achterover slaan. Vervolgens twee dagen zonder wodka en zonder vlees. Succes gegarandeerd.

DSC04099                   DSC04097

Net als iedereen, ik luister braaf naar hem. En voer al even braaf uit wat hij mij opdraagt. Hij slaat me dan ook, bulderend lachend, tevreden op mijn schouder. Tijd om te eten. Terwijl de rest van de gasten zich laaft aan hompen vlees, eet ik slechts een groentensoepje, met een homp brood. Rostam kijkt vaderlijk toe en ziet dat het allemaal goed is. Toch komt hij rap terug op zijn eigen adviezen. Want na een half soepje te hebben gegeten, schenkt hij mij toch een wodkaatje in. Tijd voor een toost. Op Nederland en Tadzjikistan. Op Afghanistan. En op onze vriendschap.

Uiteindelijk, het is inmiddels na twaalven en ruim zes uur na mijn aankomst op het station, vertrekken we. Rostam zoent me uitbundig op mijn wangen en dan zijn we op weg. Op naar de GBAO, een slordige 600 kilometer verderop.

Zittend in mijn taxi zag ik de Kaukasus de afgelopen uren langzaam veranderen; van kaal en vijandig tot groener en vriendelijker. En dan is daar plotseling Dadivank. Een juweel van een gehucht. Exact 27 huizen met daarboven, hoog op een klif, een eeuwenoud klooster annex kerk. Oorspronkelijk gebouwd in de vierde eeuw, en sindsdien talloze keren gerestaureerd. Maar al zo’n 1600 jaar staat het daar. Welk een fenomenale locatie. Ik mag dan vaak zeggen dat het niet meer hoeft. Het aanschouwen van nog meer kerken. Gewoon, omdat ik er al zo heel veel heb gezien in mijn leven. Maar ik moet mezelf ongelijk geven. Want deze moet wel. Te mooi om te laten lopen. Ik loop rond. Geniet van het uitzicht. Zie niemand. Hoor alleen het prachtige gezang van een vrouw.

De kerk en het gezang maken dat ik hier wil blijven. In dit gehucht. De vraag is alleen waar en hoe? Mijn taxichauffeur is alvast overtuigd dat overnachten hier een utopie is. ‘Arme, primitieve mensen en een Europese toerist gaan niet samen’ zo vertelt hij mij. Alleen, zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Schoonheid heeft immers een prijs. Bovendien, vroeger op de boerderij in Pekela, was er ook geen verwarming en was de douche ook niet altijd heet. Dus ik ben wel wat gewend.

Bij een winkeltje, aan de hoofdweg, zie ik een aantal mensen staan. Ik spreek een oude dame aan en vraag haar of ik hier ergens kan slapen. Ze knikt verheugd. Zeker kan dat. Bij haar thuis is plek genoeg. Ze wijst naar het eerste huis in het dorp. Ik ben meteen overtuigd. Daar ga ik slapen, dat wordt mijn thuis. De taxichauffeur haalt hoofdschuddend mijn bagage uit de kofferbak, neemt weifelend mijn geld aan, maar scheurt vervolgens evengoed met hoge snelheid weg.

En zo beland ik in een soort van Hans en Grietje huis. Oud, vervallen met in de logeerkamer zes roestige en krakkemikkige bedden. Ik ben de enige gast. Hoe verrassend. Meteen voel ik me thuis. Het doet me denken aan het huis van mijn grootouders. In de keuken braakt een karaokespeler – dat dan weer wel – Russische pop. Loeihard. Sonja, zoals mijn gastvrouw heet, trekt meteen een fles huisgemaakte kefir uit de koelkast, haalt een homp zelfgemaakt brood tevoorschijn en trakteert me op een glas wijn. Ook al zelfgemaakt. Het smaakt fantastisch.
Onderwijl vertelt Sonja over zichzelf. Voordat de oorlog begon, woonde ze met haar familie in Bakoe. Vredig en rustig. Maar die oorlog veranderde haar leven voorgoed. Haar man en één van haar zonen lieten het leven, en zij besloot met haar andere zonen en haar dochter te vluchten. Net als zoveel andere Armenen. Eerst naar Jerevan en vervolgens naar hier. Naar Dadivank. Om een nieuw bestaan op te bouwen. Dit huis heeft zij, natuurlijk zonder vergunning, zelf gebouwd.

Dat het leven zwaar is en flinke sporen nalaat, is duidelijk aan haar te zien. Ik laat me dan ook niet verleiden tot het schatten van haar leeftijd. Zoals ze me herhaaldelijk vraagt. Uiteindelijk geeft ze het op en vertelt ze dat ze 52 is. Gelukkig, denk ik, heb ik me niet laten ompraten. Want, eerlijk gezegd, ik had haar minimaal 65 jaar gegeven. En dat had ze vast niet heel leuk gevonden. Ze praat maar door. Over de angst voor een nieuwe oorlog. Over weer een gedwongen verhuizing. Over Azerbeidzjan. Over het geweld.
Opeens besluit Sonja dat het tijd is voor wat vrolijkheid. Per slot van rekening, ze heeft een gast. Op haar mobiel speelt ze muziek, Russische liedjes die ze uit volle borst meezingt en waarop ze voorzichtig heupwiegend danst. ‘Er is geen tijd voor meer verdriet want we leven maar één keer’, zegt ze. Maar even abrupt als het begon, stopt de muziek ook weer. Omdat Sonja zich realiseert dat haar gast nog ongewassen is. Na een lange en stoffige reisdag.

Ze verontschuldigt zich, ook voor het feit dat hier geen douche is. De rivier is de enige optie. Poedeltjenaakt, verscholen achter wat struiken en struikjes, was ik het zweet en het stof van me af. Maar wat geeft het? Toch helemaal niets? Shampoo voor het haar, een stukje zeep voor het lichaam en rondom de Kaukasus. Grootse pret. Dat is het. Een topdouche. Dat is het.
Aan de oever van de rivier is een soort van openlucht restaurant, bestierd door de dochter van Sonja. In tegenstelling tot haar moeder is dochterlief wat knorrig en kortaf. Alsof ze boos is op de wereld. Of op zichzelf. Of op mij. Ik heb geen idee. En ik vraag haar ook niet wat er is. Gewoon omdat ik er geen zin in heb. Ik bestel een sjasliek, met van die sublieme Karabachse tomaten en komkommers, brood en bier. Welk een maal. En rondom weer de Kaukasus.

Bij thuiskomst is de zoon van Sonja op bezoek. Hij gaat morgen naar Jerevan, naar de grote stad. Voor zaken en zaakjes. En daarom moet hij er piekfijn uitzien. Moeder strijkt zijn shirt en poetst zijn schoenen. Hijzelf scheert zijn baard, zonder schuim. Wanneer ik hem mijn scheerschuim geef, lacht hij vrolijk. En mijn aftershave maakt hem nog vrolijker.

Wanneer ik later op de avond wil gaan slapen, zegt Sonja dat het nog te vroeg is. Eerst moet ik meer van die huisgemaakte wijn proeven. Ze bedoelt dat ze meer met mij wil praten. Blij met het gezelschap, blijft ze mijn glas vullen. Het smaakt nog steeds uitstekend. Ik drink zo een half litertje van dat spul, zonder moeite. Totdat ik vrolijk ben. Van de wijn en van de Kaukasus.
Na de wijn mag ik slapen. Maar Sonja komt me, als een echte moeder, nog wel een goede nacht wensen. Zij besluit dat slapen onder een laken niet warm genoeg is en legt heel voorzichtig een deken over me heen. Bijna heb ik het idee dat ze me een zoen op mijn voorhoofd gaat geven. Maar ze doet het niet. En dat vind ik jammer!

Sushi in Shushi, als een mantra spookt dit rijmpje door mijn hoofd. Al sinds ik voor de eerste keer las over dit stadje. Niet dat ik er echt in geloof trouwens. Daarvoor heb ik teveel de indruk dat Shushi een te vervallen oord is. Met een te tragische recente geschiedenis. Maar wie weet, per slot van rekening is sushi tegenwoordig overal. Zittend in de ‘marshrutka’, op weg naar Sushi, besluit ik dat ik in ieder geval mijn uiterste best ga doen een sushitent te vinden aldaar.

De marshrutka is zo goed als leeg. Alsof niemand naar Shushi wil. Tergend langzaam ploeteren we over de bergweg omhoog. Alsof ook de marshrutka weinig zin heeft daar te geraken. Achteromkijkend zie ik Stepanakert, vooruitkijkend Sushi. En zo verzink ik in gedachten over toen, een jaartje of twintig geleden.

Shushi was tot 1822 de trotse hoofdstad van Nagorno-Karabach en een van de eerste steden, samen met Bakoe en Tbilisi, die tot ontwikkeling kwam in de Kaukasus. Het was een stad die sterke aantrekkingskracht had op Azerbeidjaanse intellectuelen, dichters, schrijvers en muzikanten. En later, tot de eerste wereldoorlog, werd Shushi ook een cultureel en economisch centrum voor de Armenen. Probleemloos ging die samenvloeiing van deze twee volkeren bepaald niet. In 1920, bijvoorbeeld, werd een groot deel van de Armeense bevolking uitgemoord door de Azerbeidjanen, geholpen door de Turken. Toch, ten tijde van de Sovjet-Unie leefden beide bevolkingsgroepen in vrede naast en met elkaar.

Maar tijdens de oorlog van 1988 tot 1992 ging het pas helemaal mis. In eerste instantie voor de Armenen. Zij hadden de keus tussen vertrekken of te worden vermoord. Door hun eigen buren, met wie zij jarenlang vreedzaam hadden geleefd. Huwelijken liepen op de klippen omdat een van de partners Armeens was en de ander Azerbeidjaans. Er bleef geen Armeen over. Iedereen vertrok naar Stepanakert of verder weg naar Armenië. En zo werd Shushi een Azerbeidjaans bolwerk in een overwegend Armeens Karabach. Erg lang duurde dit niet, want tegen het einde van de oorlog was de positie van Shushi onhoudbaar. De Armenen kwamen terug, met veel manschappen en met veel wapentuig. Zij heroverden Shushi en dwongen, op hun beurt, alle Azerbeidjanen te vertrekken.

Shushi           Shushi

Wanneer ik de stad binnenrijd, valt meteen op dat nieuwbouw en ruïnes hier hand in hand gaan. Nieuwe flats, gebouwd in de jaren na de oorlog worden omzoomd door vervallen en kapot gebombardeerde huizen. Ergens heeft de lokale overheid wat geld gevonden tot wederopbouw. Maar geld om die oude gebouwen af te breken is er blijkbaar niet. En een van de inwoners vraagt zich zelfs hardop af of die investering in nieuwbouw wel verstandig is geweest. Het was misschien beter te investeren in wapentuig. Azerbeidzjan, met een defensiebudget groter dan het totale budget van Armenië en Nagorno-Karabach tezamen, zou elke gelegenheid willen aangrijpen om een nieuwe oorlog te starten. Om het verloren gegane terrein te kunnen heroveren.

De stad ademt chaos en, wellicht nog meer, tragiek. Zelfs het oorlogsmonument, zo vaak de plek waar de schijn bedriegt in Russische steden, is een rommelpot. De jaartallen 1941 – 1945 liggen hopeloos op de grond. Gevallen van hun voetstuk en niemand die zich erom bekommert.

Midden in het stadje staat een kerk. Een gloednieuw exemplaar in uitstekende staat. Hier zijn heel veel euros, en nog veel meer drams, aan besteed. Waarom, zo vraag ik me af? Maar het zal mijn godslasterlijke aard wel zijn die deze vraag stelt. En misschien heb ik wel ongelijk. Want in een oord als deze is troost vinden bij de Almachtige waarschijnlijk de enige wijze te kunnen overleven.

Ik wandel rond. Over onverharde wegen vol kuilen en gaten. Alleen de hoofdstraat is voorzien van een laag asfalt. De gedachte aan sushi is helemaal verdwenen. Ik zie een vervallen en geplunderde moskee, waarbij een bordje staat ‘ protected by the government’. Wat de overheid hier precies beschermt, is mij niet duidelijk. Die moskee is toch al reddeloos verloren.

Vlakbij de moskee zitten twee mannen op een bankje van een niet meer dienstdoende bushalte. Een tragische uitvoering van die twee oudjes bij de Muppets, schiet me te binnen. Ik stap op ze af en begin een praatje. 88 en 86 jaar oud zijn ze, zo vertelt de jongste. En nadat ze hebben begrepen dat ik uit Nederland kom, vraagt de oudste of daar ook een oorlog gaande is. Ik kijk hem aan en schud mijn hoofd. Hoezo ook? Hier is toch geen oorlog meer? Maar de tijd heeft blijkbaar stilgestaan voor hem. Voor hem is het hier nog altijd oorlog. En misschien heeft hij wel gelijk. Iedere dag zitten ze hier. Te wachten op betere tijden. Te wachten tot de tijden van weleer, toen Shushi floreerde, zullen herleven. Maar ze weten vast ook zelf dat dit een illusie is. Een pakketjesdroom. Hun tijd is te kort.

Shushi        Shushi

Verderop zit een man in zijn tuintje. Naast hem een Lada zonder wielen en in verregaande staat van verroesting. Wat een vreemd relikwie in een tuin. Waarom haalt hij dit niet weg? Waarom ruimt hij dit niet op? Maar het zal wel niets uitmaken. Want waar hij ook kijkt, overal is troep. Overal is rommel. Er is teveel van in deze stad. Het kan niet opgeruimd en dus is het beter te doen alsof het niet bestaat.

Toch is het niet alleen kommer en kwel. Er zijn wel degelijk pogingen de oude glorie van Shushi te herstellen. Zo telt de stad vier musea, en om de tragiek van het alledaagse leven te compenseren, besluit ik ze allemaal te bezoeken. Zo beland ik in een galerie waar oude tapijten uit Nagorno-Karabach worden tentoongesteld. Een werkelijk adembenemend mooie Armeense dame heet me welkom. In uitstekend Engels nog wel. Ze vraagt of ze mij mag rondleiden. Vanzelfsprekend stem ik toe. Me figuurlijk voor de kop slaand dat ik vanochtend dat ietwat ranzige shirtje toch weer heb aangetrokken. En dat ik die baard van een dag of vijf niet heb afgeschoren. Ze zal me ongetwijfeld afleiden van de tapijten, maar een kniesoor die daar op let. Een tapijt heb ik al heel vaak gezien. Maar een Armeense schone in Shushi is absoluut nieuw voor me.

In het Geologisch Museum is de privéverzameling van de laatste Minister van Geologie van de Sovjet-Unie tentoongesteld. Een prachtig gebouw aan het eind van een straat waar toch vooral krakkemikkige huizen staan. Wederom vraag ik me af waarom? Een kerk zal dan nog wel nuttig kunnen zijn voor de lokale bevolking. Maar een museum met kristallen en mineralen? Toegegeven, het ziet er prachtig uit. Maar had deze voormalige minister niet veel beter de straat kunnen laten opkalefateren?

In het historisch museum vertelt een gevluchte Armeen uit Bakoe mij honderduit over de geschiedenis van Nagorno-Karabach en Shushi. Vooral over de oorlog, het gevaar van de Azerbeidjanen, de laffe houding van Gorbatsjov tijdens de laatste dagen van de Sovjet-Unie, aangaande de aansluiting van Nagorno-Karabach bij Armenië, de sluwheid van de Armeense troepen. Het mag allemaal flink gekleurd en zeer pro-Armeens zijn. Het verhaal maakt wel indruk. Vooral met de kapotgeschoten gebouwen buiten op het netvlies. Na de rondleiding biedt hij mij een theetje aan. En voor ik het weet, discussiëren we over de vliegramp in de Oekraïne. Voor hem is er geen ruimte voor twijfel. Het is het werk van de Oekraïense regering. Om Rusland in diskrediet te brengen. En ook voor de Europese Unie heeft hij geen goed woord over. Propaganda storten ze uit over de bevolking, als in de hoogtijdagen van de Sovjet-Unie.

Maar sushi vind ik niet. Het is er volgens mij ook niet. En dus stap ik ergens een restaurantje binnen en bestel een shaslick met bier. De eigenaar nodigt me uit samen wodka te drinken. Misschien om de tragiek van de omgeving te vergeten . Maar ik weiger evengoed, het is te warm. En bovendien, het helpt toch niet.

Waarom, in godesnaam, moet ik mijzelf altijd zo tuchtigen? Waarom luister ik altijd maar weer naar dat krankjorume sadomasochistische stemmetje in mijn hoofd? Ik weet inmiddels toch wel dat mijn ouder wordend lichaam niet meer in staat is zulke extreme inspanningen te leveren? Toch, ik ga door en ik blijf die ene moeizame stap na die andere zetten. Langzaam en bepaald niet zeker ben ik op weg naar de top van Mount Kenya. Mijn benen schreeuwen om rust, mijn voeten hebben gisteren al hun roepen gestaakt en de ijle lucht doet mij bij voortduring happen naar adem.

   

De derde dag van de beklimming is een half uur geleden begonnen. Een half uur! Het verhaal van gisteren van mijn gids dreunt als een mantra in mijn hoofd: vier uur steil omhoog tot 5000 meter en vervolgens een uurtje of zeven dalen. ‘A hell of a hiking job’ noemde hij het, maar wel één met een geweldige beloning: het bereiken van de top van de op één na hoogste berg van Afrika en het bijbehorende grandioze uitzicht.

En zoals wel vaker bij bergtoppen is dit uitzicht het grandioost bij zonsopgang. Vandaar ook dat ik al sinds drie uur vannacht mijn eerste stappen richting top zet. In het pikkedonker natuurlijk. Ik zie werkelijk helemaal niets en het enige geluid dat ik hoor, is dat van mijn voetstappen. Af en toe zegt mijn gids iets, al heb ik geen idee wat. Iets opbeurends neem ik aan? Wat kan het anders zijn? Als antwoord glimlach ik mijn flauwste glimlach onderwijl mezelf, mijn gids en die hele hoge berg vervloekend. Nog drie uur en duizenden voetstappen te gaan.

Het is bitterkoud op deze hoogte. Regen, ijzel en sneeuw wisselen elkaar regelmatig af. De wind buldert en teistert mijn gezicht. Ik krijg visioenen van de Zuidpool terwijl ik op steenworpafstand van de evenaar loop. Zorgelijk kijk ik naar de donkere hemel. Geen sterren! Gisteravond was de hemel nog één grote sterrenzee, maar nu, niets. Helemaal niets! Het zal mij toch niet gebeuren dat ik, na een inspanning als deze, niet beloond word met dat beloofde uitzicht? Eén enkel ogenblik maak ik mij hier druk over. Precies lang genoeg om uit te glijden over één van die spiegelgladde stenen. In een reflex zoek ik houvast maar ik vind niets. Logisch ook want ik graai in het luchtledige. Een schreeuw, een val, pijn in mijn knie, een vloek. En dit alles binnen één seconde. Ik sta, de pijn verbijtend, meteen weer op. Als mijn gids bezorgd naar mijn toestand vraagt, produceer ik slechts een nog flauwere glimlach dan voorheen. Nee, echt goed voel ik me niet. Maar tegelijkertijd weet ik wel dat niets of niemand mij deze berg gaat ontnemen. Vandaag zal ik, hoe dan ook, op die top staan.

En verder ga ik. Weliswaar met benen die trachten een eigen leven te leiden. Maar dankzij mijn hernieuwde geestdrift en energie slaag ik er wel in ze de juiste richting op te krijgen. Ik zoek een ritme, een cadans. Tel mijn stappen. Begin het Wilhelmus te zingen. Tel tot tien in het Russisch, telkens weer. Bereken hoeveel centimeter ik per voetstap stijg. Afleiding is wat ik nodig heb. Naar de hemel kijk ik niet meer, die les heb ik wel geleerd. Alleen als we stilstaan, kijk ik even omhoog. Nog steeds niets dan duisternis.

Zo verstrijkt de tijd en wordt de nacht heel langzaam dag. En wat ik natuurlijk allang wist, kan ik nu ook echt zien. Het is bewolkt, zwaar bewolkt. Geen streepje blauwe lucht, alleen maar sombere, grijze wolken die bij voortduring neerslag produceren. Ik realiseer me dat een godswonder nodig is om mij een riant uitzicht te bezorgen. Ik ben nog maar een half uurtje stappen van de top verwijderd en zo’n wolkendek laat zich in zo’n korte tijd niet verdrijven.

Mijn gids, de positieveling, ziet het allemaal anders. Zijn nieuwste mantra is dat het weer hier in de bergen ieder moment van de dag razendsnel kan omslaan. Natuurlijk, ik weet dat hij, in theorie, de waarheid verkondigt. Ik wil hem dan ook maar wat graag geloven. Elke strohalm op dit vlak grijp ik met beide handen aan. Alleen, zijn ogen vertellen een heel ander verhaal.

Hoe dichter we bij de top komen, hoe meer energie ik lijk te ontwikkelen. Ik word blij, opgewekt en verrukt. Mijn benen gaan opeens als vanzelf, zo lijkt het. Mijn knie is als bij toverslag pijnvrij, zo voelt het. De wolken laten mij eenvoudigweg onberoerd. Wat kan mij dat uitzicht ook schelen. Het gaat toch om die top. Deze berg bedwingen in zulke weersomstandigheden is veel meer waard dan welk uitzicht ook. Nog weinige minuten te gaan en ik sta vijfduizend meter boven zeeniveau!

En dan, na nog een laatste bocht naar rechts, ben ik op de top. Ik kijk om me heen. Het uitzicht is maximaal twintig meter. De snoeiharde wind laat zelfs de ijzeren Keniaanse vlag, hier op de top, wapperen. Maar het laat mij allemaal koud, volkomen koud. Het zoet der overwinning op mijn tong doet mij slechts schreeuwen van vreugde.

       

Naar de kerk op een zondagochtend in Nederland, het is lang geleden. Maar wat ik mij er nog van herinner is vooral de saaiheid van het gebouw (protestants inderdaad) en de langdradige preken, met als centrale thema hel en verdoemenis, van de dominee. Een grotere tegenstelling met de kerken in Tigray, een gebied in het noorden van Ethiopie nabij de grens met Eritrea, is werkelijk niet mogelijk. En dan heb ik het niet eens over het feit dat ik de priesters van deze orthodoxe kerken niet kan verstaan. Ik doel vooral op de de waanzinnige lokaties van deze kerken.

                

De, naar alle waarschijnlijkheid, oudste kerk van Ethiopie, Debre Damo, is hiervan een goed voorbeeld. Volgens de legende liep Abuna Aregawi, één van de heilige mannen van de Ethiopische orthodoxe kerk, rond in deze omgeving toen hij een plateau zag dat uitstekend geschikt leek om een kerk te bouwen. Hij bad daarom tot God voor hulp en, genadig als Hij is, liet God een enorme python uit de hemel neerdalen die de heilige zonder enige moeite op het plateau tilde. En zo kon de heilige hier een kerk bouwen. Het probleem is dat iedereen die tegenwoordig deze kerk wil bezoeken natuurlijk vergeefs wacht op een uit de lucht vallende python die vervolgens, zonder noemenswaardige inspanning, de pelgrim of toerist op het plateau tilt. Het willen bezichtigen van deze kerk vereist nu flink wat klimwerk. Met behulp van een touw, dat met heel veel fantasie wel iets op een python gelijkt, en de mankracht van een monnik (of meerdere in mijn geval) kan een bezoeker op het plateau, zo’n 15 meter hoger geraken. Het vereist wat handigheid en lef maar de beloning is niet bepaald protestants te noemen. Want eenmaal op het plateau blijkt dat er niet alleen een kerk is gebouwd maar dat in de loop der eeuwen een heel dorp is ontstaan met woningen voor de 80 monniken, grazige weiden voor de koeien (die letterlijk op het plateau worden getakeld), moestuinen en alles wat meer nodig is om de monniken zelfvoorzienend te laten zijn. Hier hebben ze werkelijk alles wat ze begeren. En dat vrouwen niet tot hun begeerten behoren, mag duidelijk blijken uit het gegeven dat, tot op heden, dit gehele plateau verboden terrein is voor vrouwelijke toeristen en pelgrims incluis.

         

Maar Debre Damo is slechts een opwarmer en valt volkomen in het niet bij de waanzinnigheid van de lokatie van Abuna Yemata Guh. Na een wandeling van zo ongeveer 45 minuten steil bergop zijn vooral de laatste vijf minuten hemeltergend angstaanjagend. Afgronden links en rechts van honderden meters diep en ik balanceer, kruipend moet ik toegeven, op een paadje van minder dan een meter breed richting kerk. Van mijn gids mag ik alleen maar naar boven kijken en vooral niet naar beneden. Hij is bang dat de afgronden mij doen verstijven en ik niet meer voor- en achteruit durf. Ik kijk dan ook niet maar toch voel, ruik, zie en hoor ik de diepte. Mijn knietjes knikken en mijn handen zijn kletsnat, niet bepaald handig op dit moment. Maar moeder natuur regeert en ik kan het niet stoppen. In mijn gedachten roep ik God aan, toch wel een unicum om dit al te doen alvorens een kerk te betreden. Trouwens, Shiva, Allah en boeddha roep ik evengoed om hulp tijdens deze klim. Geen idee of ze me daadwerkelijk helpen maar wat ik wel weet is dat ik zonder mijn gids kansloos ten onder zou gaan. Of zou het allemaal zo bedacht zijn?Eerst een tocht door de hel alvorens de hemelse geneugten van de kerk te mogen proeven? En zouden slechts de slechteriken deze barre tocht niet overleven? Mocht dit het geval zijn dan mag ik mijzelf sindsdien tot de niet-slechten rekenen, een meevaller! Hoe dan ook, zelden, nee nooit, ben ik zo blij geweest een kerk te bereiken!

De preek van de priester (hoe vaak heeft hij deze beklimming overleefd?) laat ik me met graagte welgevallen. Ik ben immers in de hemel! Alleen jammer dat ik, om op aarde terug te kunnen keren, eerst weer door de hel moet.