Archive for March, 2011

Mumbai is, zoals ze hier zeggen, het Indiase antwoord op New York. Werelds, hard, kans(rijk), uitdagend en vol zelfvertrouwen. Iedereen die ik spreek, claimt dat ook het uitgaansleven alhier zeker niet onderdoet voor dat in the Big Apple. En het kloppend hart van dit uitgaansleven is de wijk Bandra. Dit is the place to be. De plek waar de rijken der natie hun roepees spenderen aan luxueuze outfits, dure cocktails en dito vrouwen. Eerlijk gezegd, ik ben razend nieuwsgierig en wil zelf ervaren of al deze verhalen kloppen. Dus het is tijd te gaan!

Met twee Indiase vrienden stap ik in de Suzuki Maruti. Eerlijk gezegd, niet meteen een auto om het vrouwelijk schoon mee te imponeren. Klein, vol deuken en bovendien rijden er duizenden soortgelijke exemplaren in de straten. Uit de luidsprekers schalt loeiharde Bollywood muziek. Praten is in ieder geval niet de bedoeling vanavond, zoveel is wel duidelijk. Voor de deur van de Hawaiian Bar, een tent populair bij hippe studenten en net afgestudeerden parkeren we. Op de TV-schermen voetballen twee Premier League teams hun wedstrijd, zonder dat er ook maar iemand is die hier aandacht aan schenkt. Rijen mannen spenderen hun roepees liever aan een Kingfisher biertje of een cocktail. De vrouwen zijn overigens bepaald afwezig. De landelijke Indiase verhouding van 1000 vrouwen voor iedere 1058 mannen wordt hier bij lange na niet gehaald. Mannelijkheid troef derhalve. En misschien is dit wel de reden dat het me niet meteen meevalt hier? Toch gaan die biertjes en die B-52’s in een heel hoog tempo. Indrinken, zo blijkt, want als de maat vol is, vertrekken we. Op naar een hippe tent, zo wordt mij beloofd!

In de auto, hoe verrassend, klinkt de Bollywood muziek nog net iets luider. Op topsnelheid rijden we richting de nightclub. Logisch, zo bedenk ik me, overdag zijn de wegen hier in Mumbai overvol en is het uitsluitend file rijden. Nu zijn de wegen leeg en mogen alle registers van de Suzuki motor open. En dus gaan ze ook open. Mij maakt het niet uit, de alcohol heeft mij sowieso überrelaxed gemaakt. Ik kan de lol er dan ook wel van inzien. De raampjes open, loeiharde muziek en als een stel doorgedraaide pubers op weg naar meer alcoholisch en vrouwelijk vertier. Eigenlijk zijn we dan ook veel te snel in de Chinese Garden. We rijden de auto voor, geven de sleutels af aan één van de uitsmijters en lopen zelf de club annex het hotel binnen.

Zware basgeluiden wijzen ons de weg naar het muzikale walhalla. Vrouwen in modieuze jurken scheren links en rechts aan mij voorbij. Ik vermoed gasten van het hotel die hun duurbetaalde bed nog even negeren en in plaats hiervan de dansvloer willen teisteren. Opvallend is wel dat hoge hakken tamelijk schaars zijn. Velen lopen op slippers. Weliswaar chique uitziende exemplaren maar het blijven slippers. Jammer, vind ik, vooral omdat de dames op deze manier klein blijven en soms kabouterachtige proporties hebben. Deze ene keer beland ik in Mumbai op een plek waar ruimte is. De dansvloer is bijkans leeg zodat ik mijn armen woest en ledig kan bewegen. Prachtig en heerlijk gevoel. Vooral ook omdat de airco op de hoogste stand lijkt te staan zodat het hier binnen bijna koud is.

           

Een dag later, woensdag, beland ik, hoe verrassend na de aangename ervaringen van gisteren, wederom in het nachtleven van Bandra. De Kingfishers en de B-52’s van gisteren zijn, op miraculeuze wijze, probleemloos verwerkt. Zelfs het feit dat ik maar twee uurtjes geslapen heb de afgelopen nacht, drukt geen negatieve stempel op mijn energie en mijn gemoed. En zo begint deze avond zoals de vorige is geëindigd: in de minuscule auto met luide Bollywood muziek. Vanavond, zo vertellen mijn Indiase vrienden, is een populaire stapavond. Eén van die avonden waarop gans jong en hip Mumbai eens flink uit de ban springt. En mijn vrienden weten, als geen ander durf ik te stellen, de meest trendy tenten. Door hun uitbundig gedrag en dito alcoholconsumptie zijn ze overal graag gezien en tamelijk bekend. We belanden in Escobar (inderdaad vernoemd naar Pablo) als opwarmer voor de lange nacht die voor ons ligt. Maar wat voor een opwarmer! Gelegen op de achtste en bovenste verdieping van een kantorencomplex is het uitzicht over de stad prachtig. De combinatie van straatverlichting en smog zorgt bijna voor een idyllische sfeer. Ik bestel maar weer een Kingfisher. Makkelijk, smakelijk en zonder negatieve effecten de volgende dag en kijk eens rustig rond. Jonge meisjes in hippe jurkjes en dito sandaaltjes nippen aan hun cocktailtje. Onderwijl druk pratend met vriendinnetjes over de laatste Bollywood hit, de mannen in hun leven en in deze tent.

Als we het uitzicht voldoende hebben bewonderd, vertrekken we. Het hoeft geen betoog dat de Suzuki nog steeds paraat staat en dat de geluidsinstallatie opnieuw geteisterd wordt. Op naar Trinity in het Sea Princess Hotel, de hipste club van Mumbai op dit moment. Als we aankomen, staat er al een flink aantal opdondertjes te wachten om te mogen binnentreden. Maar de dame van dienst is onverbiddelijk. Niemand komt zomaar binnen. Eerst moet kleding en uiterlijk worden gecheckt. Voor ons valt dit allemaal reuze mee want, zoals gezegd, mijn vrienden zijn wereldberoemd in Bandra. Twee zoenen op haar twee wangen maken dat we probleemloos binnen geraken. De jas in de garderobe hangen hoeft alvast niet. Die hebben we natuurlijk niet mee want ook ’s nachts is de buitentemperatuur dusdanig plezant dat deze volkomen overbodig is.

De muziek leidt ons de weg. Dit wordt weinig praten vanavond. Dat is, zelfs nu ik nog niet de club helemaal binnen ben, al duidelijk. Zoals met zoveel zaken in India, het is altijd alleen het maximum dat goed genoeg is. Een airconditioning in het restaurant? Dan is het er ook meteen stervenskoud. Trots eigenaar van een auto of een scooter? Dan wordt er ook meteen mee geracet. Een muziekinstallatie in een hippe club? Zien maar vooral horen vergaat het publiek. Maar het drukt de pret niet. Voor mij niet en voor de vele anderen ook niet. Mijn Indiase vrienden hebben gelijk. Vandaag is een populaire stapavond en Triniti is een populaire tent. Op de dansvloer ziet het zwart van de kleine mensjes. In de drukte sta ik, geheel onschuldig, met mijn grote voeten, op een schoenloos teentje van een heel klein mevrouwtje. Ze blijkt over onvermoede krachten te beschikken want ik krijg een fikse opdoffer. Niet begrijpend kijk ik haar aan. Haar teen was zo klein dat ik het hobbeltje niet eens heb gevoeld. Maar met een grimas en een woeste blik maakt ze me duidelijk wat er aan de hand is. Ik glimlach verontschuldigend. Dat wordt uitkijken vanavond. Er zijn hier namelijk heel veel schoenloze teentjes. En doorgaans wordt mijn motoriek niet beter na het nuttigen van talrijke Kingfishers.

Advertisements

Indian Highways

Posted: March 25, 2011 in India, Reisverslag, Reizen, Travel
Tags: , ,

Al enkele uren probeer ik mij te verschuilen achter die niet al te brede rug van die hele kleine chauffeur. Tevergeefs natuurlijk. Ik baal dat die man niet wat groter en breder is. Het had me namelijk heel wat kopzorgen en angstige momenten kunnen besparen. Zoveel is zeker. Hoe vaak ik mezelf ook voorneem vooral een willekeurige andere kant op te kijken, het lukt eenvoudigweg niet. Als een magneet werkt het tegemoetkomend verkeer. Figuurlijk in dit geval maar met flinke regelmaat lijkt het ook letterlijk zo te zijn.

 Op de snelweg Nasik Aurangabad, in de Indiase deelstaat Maharashtra, is de vergelijking met zijn Nederlandse equivalent onmogelijk te maken. Prachtig ZOAB? Belijning? Ik kan ernaar fluiten. Een breed uitgevallen B-weg, dat komt veel meer in de buurt. Alhoewel de kwaliteit van het wegdek ook dan nog met speels gemak in Nederlands voordeel uitvalt. Wat wel overeenkomt is dat, net als op een Nederlandse B-weg, iedereen hier mag rijden, lopen, fietsen of gewoon zijn. En dat doen ze dan ook. Het is een gekkenhuis.

 

Ik blijf me afvragen, na al die uren, wat zijn eigenlijk de regels? Ja, regel één is wel duidelijk: het recht van de sterkste. Dit doorzag ik al na een minuutje. Vrachtauto’s, geschilderd in vrolijke kleuren en huizenhoog beladen met suikerriet, zijn de king-of-the-road. Zij nemen althans altijd voorrang. Logisch, want zij brengen de meeste kilo’s mee en zullen daardoor, bij een eventuele botsing, het minste lijden. Een goede tweede zijn de bussen. Die doen nauwelijks onder voor hun sterkere broer, de vrachtauto’s. Ook bussen nemen voorrang naar believen en drukken zwakkere broeders en zusters van de weg. Alleen een op volle snelheid inhalende vrachtauto is ze te machtig. Daarvoor bieden zij eerbiedig hun hoofd.

Dan zijn er ook nog minibusjes, auto’s, mini-vrachtautootjes, fietsen, riksja’s, motoren, scooters, koeien, karren voortgetrokken door ossen, voetgangers, overstekende voetgangers, een sporadische ezel of een kameel en honderden honden. Zelfs als iedereen zich aan de regels zou houden, zou het al een chaos zijn. Maar op regelgebied kom ik dus niet veel verder dan het recht van de sterkste. Af en toe meen ik te ontdekken dat het langzame verkeer helemaal links rijdt en het iets snellere rechts. Maar dat blijkt dan toch al snel vooral niet waar. Plotseling rijdt er bijvoorbeeld een ultiem langzame tractor op de rechterweghelft. Of een vrachtauto, die als een zwaarlijvige koning, tergend langzaam een heuvel oprijdt.

En dan de honden. Logischerwijs begrijpen zij ook niets van de regels en volgen hun eigen logica. Vaak met dramatische gevolgen aangezien met grote regelmaat een dood exemplaar, omringd door kraaien en andere aaseters, op of net naast de weg ligt. Koeien lijken eenzelfde soort hondenlogica te hebben. Alleen zij zijn te heilig, of waarschijnlijker, te groot. Daarom worden ze ontweken. Dit doet me opeens inzien dat eigenlijk de koe de heerser van de Indiase snelweg is. Zelfs vrachtauto’s remmen namelijk af, claxonneren slechts beschaafd en verlenen voorrang.

Bij het naderen van een dorp of stad neemt het verkeer flink toe, behoorlijke opstoppingen tot gevolg hebbend. Heel langzaam rijdt een ieder richting het beoogde doel. Iedere centimeter wordt benut in een voortdurend gevecht zo ver mogelijk voorin de file te belanden. Vanzelfsprekend gebruikt iedereen de claxon om alle frustraties af te reageren. Een kakofonie van geluid veroorzakend. Vreemd gedrag eigenlijk, dat getoeter. Alsof de chauffeur hoopt dat de file zich, als destijds de Rode Zee voor Mozes, in tweeën splijt. Het zou natuurlijk kunnen dat Rama of Lakshmi hetzelfde kunstje kent maar mij lijkt het sterk. Bovendien, het lijkt me ondoenlijk voor een hindoegod een keuze te maken. In elk vervoermiddel hangt namelijk wel iets religieus, staat een beeldje of een spreuk. Iedereen, lijkt mij, heeft hetzelfde recht op die opening.

Achterop elke vrachtauto staat ‘Blow horn please’. Als een soort van uitnodiging zoveel mogelijk lawaai te produceren op de snelweg. Het verklaart natuurlijk voor een deel waarom iedereen als een waanzinnige op die claxon drukt. Om ook maar enige kans te hebben die vrachtauto in te halen, is het dus noodzakelijk je eigen claxon te teisteren. Ik vraag me dan af waarom die Indiërs tijdens hun rijexamen niet gewezen worden op het bestaan van spiegels. Ik ben er ooit nog op gezakt in Nederland. Maar hier in India was me dat zeker niet overkomen. Bij het inhalen speelt zich trouwens nog iets bijzonders af. Een wapperend handje van chauffeur of bijrijder, afhankelijk van aan welke kant de inhaalmanoeuvre plaatsvindt, geeft aan dat dit kan of juist niet. Een plotselinge blijk van vriendelijkheid, van vriendschap zelfs. Prachtig.

Toch overheerst de vijandschap, met gemak. In de strijd om de centimeters is iedereen bij voortduring bezig die andere de stuipen op het lijf te jagen. Jammer genoeg zijn al die Indiërs zo gewend aan hun eigen rijgedrag dat niemand zelfs maar met de ogen knippert. Alleen onschuldige buitenlanders zweten zich het apezuur of produceren anderszins ongewenst vocht. Het is een soort van botsautogevoel, met dit verschil dat het uiteindelijk de bedoeling is elkaar net niet te raken. Best grappig hoor, op de kermis, maar hier is het toch iets minder lollig.

 

Zaterdagavond in Moskou. Van pure vreugde en opwinding liepen we de hele dag al met onze zielen onder onze armen. Lenin op het Rode Plein? Poeshkin museum? Arbat? Kremlin? Natuurlijk, het is allemaal interessant, prachtig, mooi, leuk en aardig maar pas vanavond kloppen onze harten echt snel! Nu we op het punt staan het roemruchte nachtleven van Moskou te ontdekken.

Ondanks het feit dat de enorme hoeveelheden rondgierend testosteron ons bijkans al voor negen uur naar de superclubs schreeuwen, beheersen we onszelf en besluiten bescheiden te beginnen in Club Vysotskiy. Genoemd naar één van de beroemdste en roemruchtste zangers uit de voormalige Sovjet-Unie. De sfeer is, logischerwijs, Sovjet. Vooral gecreëerd door de band die nostalgische liederen uit vroegere tijden ten gehore brengt, allemaal hartstochtelijk meegezongen door de clientèle. Maar helaas, onze hormonenhuishouding blijkt te onrustig om al hier te kunnen worden gekalmeerd. Om dit klaar te spelen moeten we verder, naar oorden waar hip zijn schoon is en waar schoonheid geen grenzen kent. Met andere woorden, we moeten door naar Soho Rooms.

In een stad waar clubs als paddenstoelen uit herfstige gronden tevoorschijn schieten en vervolgens even snel definitief verdwijnen, is Soho Rooms een blijvertje. Al jarenlang staat deze club in de top van de ‘clubbing top 10’. En dus moet dit wel een gerechtvaardige keuze zijn, daarvan zijn wij overtuigd. Als we aankomen bij Soho Rooms gebaart de parkeerwacht dat we voor de deur kunnen parkeren. Een verleidelijk aanbod omdat de regen op het dak van de auto klettert en wij, zeker weten, op ons paasbest willen binnenstappen. Echter, op het moment dat we willen inparkeren, maakt de parkeerwacht ons duidelijk dat wij voor dit voorrecht wel het lieve sommetje van 1000 roebels (25 euro) mogen neertellen. Iets te gortig zo oordelen we, paasbest mag dan ons streven zijn maar financieel zijn de grenzen Nederlands. Daarom laten we de beste man voor wat hij is en zoeken een andere plek voor onze auto. Een fluitje van een cent, zo blijkt, want binnen 100 meter is er volop gratis parkeergelegenheid.

Gewapend met een paraplu melden we ons vervolgens bij de ingang van club Soho Rooms. Het belangrijkste moment van de avond, in feite. Want binnenkomen in een club als deze is bepaald geen sinecure. De zogeheten face-control is hier alarmerend streng en binnenkomen is simpelweg afhankelijk van het hebben van de juiste contacten of de juiste genen. En ondanks het feit dat wij helemaal niets te klagen hebben over dit laatste schijnt de genenlat hier dusdanig hoog te liggen dat wij kansloos zijn. Blijft over, de contacten. Helaas zijn deze hier ook schaars, bijzonder schaars zelfs. De enige persoon die we kennen is een medewerker van de keuken van deze club en het is hoogst dubieus of een dergelijk contact toereikend is. Hoe dan ook, we spreken de uitsmijter met de juiste hoeveelheid bravoure aan, noemen de naam van onze contactpersoon, glimlachen lichtjes en kijken zelfverzekerd rond zonder dit te overdrijven. De uitsmijter murmelt zachtjes in zijn portofoon, vermoedelijk om het hoofd der face-control te verwittigen wie wij zijn. De bodyguard is namelijk slechts uitvoerder, de feitelijke beslisser zetelt elders. Een tergend langzame minuut later vindt de verlossende handeling plaats: de ketting wordt losgemaakt en we worden binnengelaten. Vanzelfsprekend blijft onze blik stoer maar inwendig jubelen we van vreugde: Het feest kan beginnen!

Bij de bar bestellen we een whisky, wodka en bier is uiteraard not done in een dergelijke tent, en kijken we eens rustig rond. Alhoewel? Rustig? Zowel links, rechts, voor en achter staan de meest fantastische vrouwen die God ooit gemaakt heeft. Oké, we realiseren ons meteen dat het inderdaad sterk de vraag is of dit alles uitsluitend het werk van God is, maar een hele grote kniesoor die hier oplet! Hier passen slechts twee reacties: een automatisch openvallende mond en een hartgrondig ‘Jezus nog aan toe’. Ooit waren we in de Skybar in Kiev waar de vrouwen onovertrefbaar mooi waren. Althans, we dachten onovertrefbaar. Hier in Soho Rooms aanschouwen we toch nog de overtreffende trap. Recht voor ons staan zes dames in fantastische kledij, cocktailtje in de ene en mobieltje in de andere hand, te pronken met alles wat ze hebben. Spontaan denk ik aan een uitspraak van een vriend: ‘Lelijke vrouwen bestaan niet, alleen te weinig bier’. Vaak klopt dit wel maar hier is het tweede gedeelte van dit gezegde overbodig. Het credo van Soho Rooms is: ‘Lelijke vrouwen bestaan niet’.

Op de dansvloer van precies hetzelfde laken een enorm dik pak. De vrouwen pronken, pretenderen onbenaderbaarheid en nippen aan hun drankjes, onderwijl de dunste sigaretjes oprokend. Dansen doen ze niet, dat schaadt het imago, zo lijkt het. Heel voorzichtig wordt wel het ene voetje voor het andere voetje gezet maar voor Nederlandse standaarden is dit geen dansen. Bepaald niet zelfs. En het frappante is dat wij, na nog een aantal whisky’s, besluiten de vrouwen te laten voor wat ze zijn en ons te verpozen op de dansvloer met wildkomische Nederlandse danspassen. Een aantal minuten lang zijn wij het middelpunt en voelen wij tientallen prachtige ogen op ons gericht. Reden genoeg om nog een extra stap te zetten. Maar alras verwatert de aandacht en speelt een ieder weer haar eigen spel.

Eind december in de Oeral en ik besluit Nevyansk, de plaatselijke variant op Pisa te bezoeken. Het hoeft geen betoog dat ook in dit deel van de wereld de dagen, zo midden in de winter, kort en koud zijn. Voor negen uur in de ochtend is er niets dan duisternis en 24 uur per dag is er niets anders dan bittere kou. Op het busstation van Jekaterinburg geeft de thermometer een schrikbarende minus 32 aan! Terwijl ik wacht op mijn bus rijgen aankondigingen van uitgevallen of vertraagde bussen zich aaneen. Opmerkelijk vind ik want dergelijke temperaturen zijn hier in de winter toch eerder regel dan uitzondering?

Hoe dan ook, de bus naar Nevyansk is keurig op tijd en vol goede moed verlaat ik de warme wachtruimte om deze in te ruilen voor een iets minder warme bus. Voor, achter en naast mij zitten dik ingepakte Russen met enorme hoeveelheden dode dieren rondom hun lichaam en op hun hoofd. Ondanks mijn principes begin ook ik sterk te neigen naar de aanschaf van een dergelijk kledingstuk. Al mijn reisgenoten lijken in ieder geval zonder noemenswaardige problemen warm te blijven, vooral te merken omdat ik her en der een paar handschoenen of een muts van handen of hoofd zie verdwijnen. Tussen deze ervaringsdeskundigen bikkel ikzelf flink om ook die aangenamere temperaturen te behouden. Zeker geen eenvoudige opgave, vooral ook omdat de ijsbloemen op de ramen mij de koude rillingen blijven bezorgen.

Na 86 kilometer en zo’n anderhalf uur later bereik ik Nevyansk. Het bus- annex treinstation, waar ik word gedropt,  lijkt hier ooit zonder enige bedoeling te zijn gebouwd. De bewoonde wereld beperkt zich tot een verdwaalde fabriek, een verlaten huis en een rondzwervende hond. Als dit het voorland is van het Pisa van de Oeral dan moet ik wellicht mijn verwachtingen bijstellen. Gelukkig staat er wel een mashroetka (minibus) met ronkende motor die mij voor een paar roebels naar het dorpscentrum wil brengen. Ik stap in en bemerk meteen dat mijn medepassagiers allemaal ontzettend fors, vettig en vooral toch ook lelijk zijn. Bovendien, ze lijken allemaal op elkaar! Zou het dan toch waar zijn dat die Russen in de lange, koude winters niet alleen wodka drinken…

Als ik uitstap in het centrum verdwijnen al mijn (voor)oordelen. In plaats hiervan bewonder ik de kathedraal en de scheve toren van Nevyansk. Vooral vanaf de bevroren rivier is heel goed te zien hoeveel graden deze toren uit het lood staat. Al geloof ik niet dat Pisa hier wordt overtroffen. Maar de Siberische koude, het besneeuwde land, de strakblauwe hemel en de volkomen afwezigheid van andere toeristen maken het tot een geweldige ervaring. Ook het aanpalende mini-museumpje, net een paar maandjes geleden geopend, is de dertig roebel meer dan waard. Eerlijk gezegd, het tentoongestelde is van een tamelijk erbarmelijk niveau maar de sfeer, vooral gecreëerd door de talrijke baboeska’s, is fantastisch. Alleen al mijn jas afgeven aan een norsige oude dame gekleed in een hyperouderwetse jurk en niet passende sloffen is veel meer waard dan dat. Het Russische platteland is zo fantastisch! Onontdekt en misschien daarom wel zo vol schoonheid en elke moeizame en koude stap veel meer dan waard.

   

Hoe klein en nietszeggend dit dorp ook mag zijn, er is wel een restaurant/bar/café te vinden. Als ik, vanaf de kathedraal, over mijn rechterschouder kijk, aanschouw ik deze in volle glorie. Verkleumd van een half uurtje buiten zijn, zoek ik hier met graagte mijn toevlucht. Als ik de deur opendoe, komen een heerlijke warmte samen met klanken van hippe westerse muziek mij tegemoet. In een hoek zie ik drie sterk gelijkende mannen, ondanks het tamelijk vroege uur, in rap tempo biertjes naar binnen gieten, ondertussen de ene pizza na de andere verorberend. Meteen vermoed ik dat hun gelijkenis is ontstaan omdat deze activiteit van bier en pizza een dagelijks terugkerende is. De gastvrouw in het museum vertelde mij namelijk daarnet dat de werkloosheid hier schrikbarend hoog is en dat vele mannen hun toevlucht zoeken tot andere vormen van genot. En eerlijk gezegd, ik begin het nog te begrijpen ook. Wat anders te doen in dit barre klimaat? Met behulp van de kachel en het nuttigen van een enkel glaasje wodka, ruime hoeveelheden thee en een kippetje van eigen makelij ben ik binnen het uur op een aangename temperatuur en weer in staat de kou opnieuw te trotseren.

Een rondje door het centrum levert een Lenin standbeeld, een iconenwinkel annex museum en een prachtige schoenenzaak op. Voor een habbekrats schaf ik mij hier een paar valenki aan, een Russische laars, gemaakt van wol, die ook bij temperaturen van minus 30 voeten en tenen warm kan houden. Ik waan mij een Eskimo als ik de winkel verlaat en op zoek ga naar een mashroetka die mij kan terugbrengen naar het station en de bewoonde wereld.

Britse eenheidsworst in de Oeral, zo schiet door mijn hoofd, terwijl ik wacht op mijn gastheer en -dames. Maar al snel begin ik aan mijzelf te twijfelen. Want op deze vrijdagavond lijkt Gordon’s, een Schotse pub in hartje Jekaterinenburg, een behoorlijk hippe tent te zijn. Althans af te lezen aan de aanzienlijke hoeveelheid mensen voor de ingang. Duidelijk allemaal met de bedoeling hier naar binnen te gaan. Typisch, vind ik. Een ordinaire Schotse pub en de Russen staan letterlijk in de rij.

Goed dat wij hebben gereserveerd. Zo kunnen we de rij links laten liggen en zonder te wachten naar binnen. Een alleraardigste dame glimlacht ons welkom en wijst ons met dezelfde glimlach een tafel. Welk een vriendelijkheid! Welk een gemak! Wel, vraag ik mij meteen af of deze tent überhaupt een bezoekje waard is. Een muur van geluid komt op mij af. Geproduceerd door een Russische coverband die snoeihard Abba, Beatles en Police speelt. Twee zangers gillen met overslaande stem boven de eigen herrie uit. Wat is dit in godesnaam? Ik kijk vertwijfeld rond en zie dat ook de rest van de aanwezigen slechts gedoogd, de meesten met gebogen hoofden. Alleen de eigenaar schijnt het prachtig te vinden. Althans, hij springt vreugdevol rond achter zijn toog en stemt woest gebarend in met de muziek. Maar hij is toch echt de enige. Eén van mijn metgezellen schreeuwt in mijn oor dat dit spektakel doorgaans om 10 uur is afgelopen. Ik kijk op mijn horloge en zie dat het pas kwart over negen is. Nog 45 minuten te gaan. Dus kan ik ook beter beginnen dit te gedogen. Ondertussen tel ik wel de minuten af. Duw wat vingers in mijn oren. Schud mijn hoofd over zoveel herrie. En applaudisseer van louter vreugde als de laatste noot is gespeeld.

Te vroeg!

Gordon, eigenaar en DJ, zet meteen een Schots volkslied in. Nog net iets luider dan de band! Horen en zien vergaan me. Ramen trillen in sponningen. Praten is een utopie. Iemand verstaan nog veel meer. Maar de DJ geniet. Zwaait woester met zijn armen dan tevoren. Glimlacht in zichzelf en grimast naar de menigte. Probeert hij zijn klanten te kastijden? Hun trommelvliezen te scheuren? Als ik mijn zicht hervind zie ik, tot mijn grote verbazing, talrijke Russen springen op de muziek. Tegelijkertijd heffen ze de armen in de lucht en zingen ze zelfs naar elkaar. Althans, ik zie lippen bewegen. Zal zulke herrie dan standaard Russisch vermaak zijn? Dat kan toch welhaast niet? Maar als ik beter kijk, realiseer ik me dat de overgrote meerderheid, net als ik, stilletjes voor zich uit staart. Dan valt mijn kwartje. De beschonkenen genieten en de nog sobere meerderheid kijkt lijdzaam toe. Inmiddels is dit vertier overigens voltooid verleden tijd. Gordon’s is namelijk in vlammen opgegaan.

          

Na het nuttigen van een aantal, door Gordon zelf gebrouwen, biertjes is het de hoogste tijd verder te gaan. Weg van deze waanzin. Op zoek naar andere. In de zwoele Oeralse nacht wandelen we naar Havana. Een latinoclub die ook al tamelijk hot moet zijn. Eerlijk gezegd, mijn verwachtingen zijn laaggespannen. Per slot van rekening, het is hier geen Moskou en latinomuziek is ook al niet meteen mijn ding. Maar ik vergis me! De toelatingsprocedure, inclusief face-control en een kort interview met de gastvrouw, is al veelbelovend. En meteen bij binnenkomst zie ik dat deze club wel degelijk hip is. Prachtige vrouwen in prachtige gewaden en met dito schoenen scheren links en rechts aan mij voorbij. Op stoelen en in sofa’s zitten pafferige, vettige, rokende Russen en Armenen. Een fles whisky of gin op tafel en voor hun dames een exotische cocktail. De muziek, overigens geen salsa of ander ongerief maar stampende house, beukt uit de speakers. Van praten komt dus wederom niets. En dan is het extra prettig dat het oog aangenaam verpoosd wordt. Met één oog lees ik het menu terwijl ik met het andere oog de omgeving nauwlettend in de gaten houd. Ik zie nog net dat het hippe Heineken biertje even duur is als elke willekeurige cocktail. En dus drink ik Cuba-Libres. Rijg ze aaneen tot een niet onaanzienlijke ketting. Zie daardoor de vrouwen nog aantrekkelijker worden. Waag zelfs een houterig dansje op de vloer. En concludeer uiteindelijk dat dit een toptent is!

Vanaf Jekaterinburg brengt de trein mij in twaalf uurtjes in Tobolsk. Voor Nederlandse begrippen een fikse trip natuurlijk. Maar voor Russische standaarden, even natuurlijk, helemaal niet. Op de enorme kaart van het enorme Rusland, die in de stationshal van Tobolsk hangt, zie ik de minuscule afstand die ik heb overbrugd. Toch ben ik een grens overgegaan, en niet zo maar eentje. Van de Oeral ben ik aangekomen in Siberië. En dat nu, doet mij deugd.

Vanuit de bus, die mij van het station naar het centrum brengt, neem ik de stad in mij op. Weinig verrassend, de stad is uitgestrekt en hoogbouw is er niet of nauwelijks. Lijkt me logisch want er is hier genoeg ruimte, vanzelfsprekend. Voor de rest valt vooral op dat deze stad bepaald lijkt op vele andere Russische plattelandssteden. Hele brede straten. Vele Lada’s. Oude vrouwen gekleed in nog oudere rokken en getooid met een weinig fleurige hoofddoek. Rokende mannen met bleke gezichten. Kortom, hier lijkt op het eerste gezicht niets bijzonder te zijn of bijzonders te gebeuren.

Hotel Novy Tobol probeert evengoed niet op te vallen. Een naambord of anderszins een indicatie dat dit een hotel is, is niet te vinden. Pas na aanwijzingen van vele bewoners loop ik dan ook het juiste gebouw binnen. De ‘administrator’ knikt enigszins vriendelijk terwijl ze me naast de prijs voor mijn kamer nog eens 285 roebels (7 euro) afhandig maakt. Extra kosten omdat ik vooraf heb gereserveerd. Geldklopperij denk ik. Toch betaal ik. Wat kan ik ook anders?

   

Het Kremlin bekijk ik vol verwondering. Mooi, zo’n ommuurde kerk en klooster. Prachtig ook, die witte kleur. Recent is het verkozen tot mooiste Kremlin van de regio. Een ietwat nietszeggende titel lijkt me. Per slot van rekening, hoeveel Kremlins kunnen er zijn in deze regio? Het oude gedeelte van de stad, vol houten huizen, bekoort mij evenzeer. Vraag me wel af of deze bewoonbaar zijn in de winter als een buitentemperatuur van minus 35 bepaald geen uitzondering is. Vooral die kieren tussen die planken baren me wat dit betreft zorgen.

In de avond die hier zo midden juni eeuwig voortduurt, loop ik verder door het stadje. Zonder te betalen mag ik, van de caissière van het theater, de laatste 20 minuten van het toneelstuk dat hier gespeeld wordt meemaken. Mijn zeer beperkte kennis van het Russisch maakt helaas dat ik er nauwelijks iets van meekrijg. Toch gaat het niet helemaal langs me heen.

Dochter Olga, een hippe dame, met haar groene haar en dito lippen, loopt de hele tijd dollend en provocerend over het podium. Haar moeder, een nette mevrouw, trekt dit nogal slecht. Zij doet dan ook verwoede pogingen dochterlief enigszins in het gareel te houden. Tevergeefs, zo blijkt, want niemand kan haar stoppen. Ook niet de in volkomen wit geklede invalide man die niets zegt en slechts naar de muur staart. Om hem tot leven te wekken, scheurt Olga met hem over het podium. Zonder noemenswaardig succes overigens want hij blijft levenloos in zijn, ook al witte, rolstoel. Dan verschijnt Olga’s vader ten tonele, een glansrol van de lokale look-a-like van Jan Marijnissen. Qua uiterlijk althans weinig verschillen, qua principes op het eerste gezicht een flink aantal. Waar onze Jan pal staat voor SP-principes, loopt deze lokale Jan in een duur maatpak vooral patserig en protserig te doen. Maar ook zijn pogingen zijn dochter te kalmeren zijn kansloos. Dit lukt pas als de postbode komt met een pakketje uit Nederland (!). In het pakketje zit een houten been voor de kreupele man. Reden genoeg voor Olga eindelijk tot rust te komen. In tegenstelling tot haar moeder die haar lang bewaard geheim, na het zien van het been, spontaan prijsgeeft. In tranen vertelt ze dat niet Jan maar de witte man in de witte rolstoel de vader is van Olga. Welk een apotheose!

Na zoveel cultuur en vooral na zoveel luisterinspanning heb ik honger. Daarom besluit ik maar eens een flinke hap te gaan eten in één van de twee restaurants in het viersterren hotel Slavyanskaya. Bij aankomst blijkt het eerste helemaal leeg! En in het tweede zit ook al helemaal niemand! Verder zoeken naar een voller restaurant lijkt me zinloos. Bovendien, ik heb echt trek. Daarom besluit ik, na een lichte aarzeling, gewoon het grootste restaurant binnen te gaan. Aan de muur hangen foto’s van Karpov en Medvedev. Ooit aten zij hier. Maar dus niet vanavond. Want vanavond ben ik de enige gast. Tot mijn grote verbazing word ik, nadat ik heb plaatsgenomen op één van de 150 lege stoelen, spontaan onthaald op livemuziek. Een alleszins zuiver zingende dame brengt vanaf het podium een Russisch lied ten gehore. Twee obers, ongetwijfeld blij met een teken van leven, snellen op mij toe. De één brengt het menu en de ander de indrukwekkende wijnkaart. Omzichtig bepaal ik mijn voorkeuren. Normaliter ben ik niet zo dol op volkomen lege restaurants. Maar hier past het uitstekend bij de omgeving. Althans bij mijn ideeën over deze omgeving. Alleen in een restaurant ergens in Siberië. Kan het passender? Het heerlijke voedsel, het prachtige flesje wijn en het repertoire aan Russische liederen maken dat mijn stemming naar grote hoogten stijgt.

      

Na het tafelen is mijn stemming van een dusdanig hosanna gehalte dat ik besluit eens de plaatselijke nachtclubs te bezoeken. Harlekijn en Atrium, beide om de hoek van dit restaurant, zijn echter gesloten. Deze doen het alleen op vrijdag en op zaterdag. Raspoetin, de nachtclub van dit hotel, is wel open. Op het program staat een striptease. Niet meteen mijn ding, moet ik zeggen. Vooral niet omdat ik vermoed dat ik ook hier de enige gast zal zijn.

Ze groeien dan niet tot in de hemel maar wel tot voorbij het oog reikt. Onafzienbaar. Slechts af en toe onderbroken door een rivier, een huis, een dorp. Maar telkens van hele korte duur. Nee, dat ze hier geen behoefte hebben aan een nationale boomplantdag is duidelijk. Pas als de zon ondergaat, laat ik de bomen voor wat ze zijn. Ik vermoed dat ik, morgenochtend bij het wakker worden, min of meer hetzelfde plaatje aan mij voorbij zal zien trekken. Weliswaar zal de trein, ergens vannacht, Siberië binnenrijden maar ik kan me niet voorstellen dat daarmee de bomen zullen verdwijnen.

  

Ik richt mijn aandacht op mijn medepassagiers. En daarvan zijn er een heleboel. Bij het kopen van het ticket had ik de keus tussen kupé (met vier personen in een afgesloten ruimte) of platskart (met vele anderen in een grote ruimte). Ik koos voor het laatste. En heus niet omdat het goedkoper was. Toch vooral omdat het me een betere manier leek de Russische trein te voelen en te proeven. Meer kans bovendien op een interessante ontmoeting. Daarvoor geef ik graag wat comfort en privacy op. Een hele goede keus, zo zal blijken.

Vice zit naast mij een Tadzjiek uitziend manspersoon. Als ik hem vraag, in mijn gebroken Russisch, waar hij vandaan komt, bevestigt hij dit. Zijn thuisbasis is Dushanbe, maar reeds lang geleden heeft hij dit verruild voor een werkend bestaan in Nojabrsk, een oliestad in het noorden van Rusland. Hij vertelt mij dat zijn leven aldaar bepaald plezierig is. Zelfs in de winter. Met temperaturen van minus 50 lijkt mij dit toch geen pretje. Maar ook dan gaat hij fluitend naar zijn werk! Een aangenaam warme muts, dito handschoenen en een gevoerde overall maken dat de kou geen enkele grip op hem heeft. En als hij niet werkt, is er het culturele leven. Volgens mijn Tadzjiek zelfs vergelijkbaar met dat van Moskou. Theaters spelen. Bars zijn, iets minder verrassend, altijd open. De bioscopen draaien de laatste films. Daarbij biedt werken in de noordelijke oliegebieden fikse voordelen. Een beter salaris dan menigeen of een vervroegd pensioen om eens iets te noemen. Het zijn lokkertjes om een Tadzjiek (of een Rus natuurlijk) zijn huis te doen verlaten en de ijzige kou van Siberië te laten trotseren.

Versa ontmoet ik een Oekraïense jongeman die al zijn hele leven in Tobolsk woont, een stadje in het uiterste westen van Siberië. Tot mijn grote verbazing spreekt hij mij aan in het Engels. Dat gebeurt niet al te vaak in deze contreien. Hij vertelt me dat hij op weg is naar Jekaterinenburg om bij het Amerikaans consulaat zijn visum voor de Verenigde Staten te halen. Vanaf augustus gaat hij drie maanden ergens in een stadje in North Carolina werken, als bordenwasser en klusjesman. Van de ene uithoek op deze aarde naar de andere dus. Maar zo ziet hij dit niet meteen. Hij is werkelijk dolenthousiast dat hij zeer binnenkort naar de USA mag vertrekken. En als hij niet over zijn nieuwe bestemming praat, ratelt hij wel over Armin van Buuren, Odessa of zijn rappende vriendin. Tussendoor vraagt hij zich af wanneer ik ga trouwen. Want met mijn wijkende haarlijn zou ik mij binnenkort wel eens definitief uit de markt kunnen prijzen. Ik verbaas me ten zeerste over zoveel wereldse kennis bij deze jongeman. Per slot van rekening, hij komt uit Tobolsk, net als ik. Het enige verschil is dat ik er twee dagen ben geweest en hij zijn hele leven. En na twee dagen is de conclusie dat Tobolsk niet werelds is bepaald geen voorbarige.

Ik nodig hem uit voor een fles bier in de restauratiewagon. Naast de platskart een tweede attractie van de Russische trein. Het restaurant ziet er prachtig uit. Groene stoelen, een tafelkleedje, bloemetje erop en een gordijntje voor het raam. Heerlijke kneuterigheid. Aan enkele tafels zitten wat mannetjes, ieder met een kruikje, met daarin een paar honderd gram wodka, voor zich. Als ik die mannen wat beter in mij opneem, realiseer ik me dat ze al flink meer dan een paar honderd gram van dit vocht hebben geconsumeerd. Misschien zelfs wel een kilo! Als ze dan niet dronken zijn, zijn ze toch in ieder geval ladderzat. Ik ga aan een tafel zitten, samen met mijn nieuw verworven vriend. Nuttig een biertje. Praat over zijn koetjes en mijn kalfjes. Terwijl wij daar rustig keuvelen word ik op mijn schouder getikt door één van de drinkebroeders. Of ik een rondje wodka wil meedrinken. In eerste instantie wil ik hem wegwuiven maar zijn grote, vriendelijke en onschuldige ogen maken dat ik van mening verander. Bovendien, wegwuiven is kansloos en zeer onbeleefd. En dus stem ik toe.

De beste man is zelf bepaald stomdronken en raffelt in rap Russisch allerlei. Ik antwoord naar beste weten. Niet dat het er toe doet overigens. De man praat toch gewoon door. Voor mij is het meer een kwestie van blijven zitten, af en toe een begripvolle knik, een toost uitbrengen en vooral die wodka consumeren. Gelukkig voor mij is de fles Bajkal wodka zo goed als leeg. En nog gelukkiger voor mij, de volgende stop, zo’n twintig minuten verderop, is het eindstation voor mijn gastheer. Toch slagen wij erin per persoon drie wodkaatjes uit de nagenoeg lege fles te persen en deze bijkans achteloos te consumeren. De aangeboden bruinige stukjes appel, om de smaak van de wodka te camoufleren, sla ik vriendelijk doch beslist af. Grappig genoeg, hierover wordt door mijn gastheer een stuk minder ophef gemaakt. Een wodka afslaan is not done maar een stukje appel kan probleemloos geweigerd.

                 

Beide nachten maak ik deel uit van één grote, ronkende, Russische massa. Een ieder nestelt zich tussen de schone lakens op een alleszins acceptabel bed. Veel van mijn medepassagiers zijn gekleed in kleurige pyjama’s met bijkleurende slippers of slofjes. Ze voelen zich thuis in deze trein. Althans die indruk heb ik. En met hen, heb ik hetzelfde gevoel.

De beroemde Oeral. Ik weet nog dat ik hiervan al droomde op de lagere school. Op de topografische kaart stond het wel aangegeven maar het was zo ver weg van alles. De bewoonde wereld hield toch al voorzichtig op bij Berlijn en alles verder oostwaarts was onduidelijk, onveilig, gevaarlijk, te mijden. Een stipje in dit oostelijke niemandsland gaf Moskou aan en dan nog een heel stuk verder de Oeral. En toch, ik wist toen al, dat er een dag zou komen dat ik dit gebergte in levende lijve zou aanschouwen.

     

Alhoewel, ik ben er dan wel maar ik zie het nergens. Geen bergtop in de verste verte, althans niet waarneembaar vanuit mijn taxi. Ik zie niets dan vervuilende industrieën, hoge flatgebouwen volgestopt met mensen en roestige vrachtwagens die langzaam hun weg vinden richting elders. Jekaterinenburg, op de grens van Europa en Azië en toegangspoort tot Siberië heet mij welkom. Siberië! Nog zo’n droom. Siberië, het begin van het einde. Duizenden kilometers van niemandsland, onontdekt bijkans liggen aan mijn voeten.

De taxichauffeur onderbreekt ruw mijn dromen door aan te kondigen dat we zijn aangekomen bij mijn hotel, het Bolsjoj Ural Hotel (Grote Oeral hotel). Ongetwijfeld, toen Rusland nog Sovjet-Unie heette, het pronkstuk van het lokale toerisme. Nu is het vooral groot en enigszins verpauperd. Maar het maakt me evengoed uitermate gelukkig. Dankzij de heuse Sovjetdames die op elke verdieping de wacht houden, omgeven door bloemetjes, een strijkplank, een brits om op te slapen en een waterkoker. En in die gesloten kast naast ze zitten vast nog veel meer attributen die de gast op tal van andere manieren kunnen behagen. Ook al is mijn kamer klein, op het minuscule af eigenlijk, is het toilet tientallen meters verderop in de gang en de douche al helemaal onvindbaar, een ander hotel wil ik niet. Deze dames maken dat ik mij thuis voel en ik moet mij beheersen ze niet te verleiden met mijn verleidelijkste glimlach.

Maar daarvoor heb ik helemaal geen tijd! Want wat weet ik eigenlijk van deze stad? Om eerlijk te zijn, bijna niets. Eigenlijk is het enige, die eerder genoemde grens en het feit dat de tsarenfamilie Romanov hier is vermoord. Jekaterinenburg, op het eerste gezicht lijkt het een stad als vele andere in Rusland. Grauwig, morsig, enorm brede straten, trolleybussen, bejaarde trams en een Lenin op zijn sokkel. Echt kleurig zijn uitsluitend de reclamezuilen waarop dure merkkleding wordt gepromoot. Maar als ik om me heen kijk, zie ik dat het overgrote deel van het winkelend en wandelend publiek niet in staat is tot de aanschaf van een Vuitton, een Armani of een Ermenigildo Zegna. Hier heerst de lokale Zeeman met een sporadische uitschieter tot het niveau C&A. Maar daarmee houdt het op. Natuurlijk, de vrouwen doen pogingen in opzichtige schoenen met hoge hakken, met strak geblondeerde kapsels en gelakte nagels de sfeer van het centrum van Moskou te imiteren. Maar het lukt niet. Daarvoor ontbreekt het geld, daarvoor ontbreekt ook de arrogante houding en dito blik. Ik voel meteen dat ik, ondanks de grootte van de stad, op het platteland ben aanbeland. Alleen jammer dat de bussen en de oude auto’s enorme wolken diesel en benzine uitstoten en de fabrieken in de omgeving er nog een flinke schep bovenop doen zodat van een gezonde plattelandslucht bepaald geen sprake is.

Tot mijn groot genoegen schijnt de zon op deze middag uitbundig. De hele stad haalt opgelucht adem lijkt het wel. Eindelijk! De tweede helft van mei is al begonnen, en eindelijk lijkt het dat de lente het definitief gaat winnen van de eeuwigdurende winter. De parken zitten vol met mensen die stralend doch ook enigszins weifelend de zon op hun gezicht laten schijnen. Ik zie een buschauffeur met ontbloot bovenlijf zijn bus besturen. Ik hoor de vogels wel heel uitzinnig zingen. Ik geloof dat ik zelfs kan zien dat de bladeren aan de bomen per uur groter groeien. Voorwaar, het is lente!

Op de een of andere manier maken de sfeer in de stad en de zon op mijn gezicht dat ik moeite heb het heden om te ruilen voor het verleden. De vermoorde tsarenfamilie Romanov en de enorme kathedraal, gebouwd op de plek waar de familie in 1918, is vermoord, en daarom bekend onder de naam ‘de kerk van het bloed’, hebben simpelweg minder aantrekkingskracht. Toch ga ik. Ook al omdat ik hiervoor niet eens het centrum hoef te verlaten. Eerlijk gezegd, ik vind de kathedraal niet meteen het beste voorbeeld van goede smaak. Het is, zoals gezegd, vooral groot en waarschijnlijk ook duur. Onder andere omdat de duurste icoon van Rusland zich hier zou bevinden. Ganana Yama, de plek waar de uitgemoorde familie, pas in 1976 overigens, werd teruggevonden, is eigenlijk van hetzelfde laken een pak. Nieuw, modern en opzichtig religieus. Waarom zo vraag ik me af? Per slot van rekening gedroegen die Romanovs zich gedurende hun leven niet bepaald als heiligen.

     

In de avond, die maar niet wil overgaan in de nacht, zie ik honderden jeugdigen in de vele parken zitten. Een Baltika of een Russische Hoegaarden in de linkerhand, een sigaret in de andere en elkaar in beide. Dit moet toch ook voor hen een verademing zijn. Na vele, vele maanden van koude en duisternis nu eindelijk zonder loopneus naar de potentiële nieuwe vriendin te kunnen lonken. Want ik ben zeker dat de Russische jeugd ook in de donkerste wintermaanden niet anders kan dan een fles bier bij de lokale kiosk te kopen en deze weg te tikken in de parken of op straat. Een fles bier in een café, laat staan in een restaurant, is simpelweg te duur. Dat deze stad mijn Russische genen activeert blijkt wel uit het feit dat ook ik besluit café of restaurant links te laten liggen. In plaats hiervan koop ik twee flessen Baltika om ze te consumeren op een bank in het park.