Archive for the ‘USSR’ Category

Het is weer begonnen, het miljardenbal der Champions League. De eerste oprolpartijtjes zijn inmiddels een feit. Het ooit roemruchte Celtic werd van het kastje naar de muur gespeeld door het wel erg valsspelende Paris Saint Germain. Feyenoord, ook al zo’n roemruchte club uit een grijs verleden, werd kansloos van de mat geveegd door het nieuwe kapitaal uit Manchester. Commentatoren spraken jubelend over de passeerbewegingen van Neymar of de dribbels van Messi. Analisten bazelden en stamelden over buitenspel en binnenkant dekken. Het heeft allemaal een blabla gehalte van jewelste. Alsof de onderste steen al niet langgeleden is opgegraven en uitbundig geanalyseerd.

Die groepswedstrijden zijn veelal een karikatuur op wat sport echt interessant maakt: strijd en spanning. Neem Chelsea, die patserige club van die nog patserige Abramovic. Met zes tegen nul deden zij evenzeer een duit in het korte-metten-maken-met-zakje. Het, letterlijk en figuurlijk, arme FK Qarabag uit Azerbeidzjan was het slachtoffer. Ook hier kwam de commentator niet verder dan het uitbundig bewieroken van de doelpuntenmakers. En sprak hij vol passie over fluwelen linkerbenen en splijtende passes. Van de Chelsea spelers uiteraard. Over de FK repte hij met geen woord. Behalve dan in zinnen met woorden als kanonnenvoer, speelbal of lelijk eendje. 

FK Qarabag

En dat nu, is jammer. FK Qarabag mag dan slechts een figurant zijn in een groep met ook nog Atletico Madrid en AS Roma. De geschiedenis van de club is wel degelijk roemrucht. Daar kan Chelsea, en vele andere clubs uit die protserige Premier League, bepaald niet tegenop.

Ooit, toen de Sovjetunie nog niet was uiteengevallen, speelde FK Qarabag een bescheiden rolletje in een der competities. De thuisbasis was Agdam, een stadje van ongeveer 30.000 inwoners op de grens van Azerbeidzjan en Nagorno-Karabach. Niemand, zeker grote clubs niet als CSKA Moskou of Dinamo Tiflis, maakte zich destijds druk om het bestaan van dit clubje. Niemand, zeker de communistische kopstukken in Moskou niet, bekommerde zich om dit stadje. Maar toen, op een dag in 1990, de Armenen in opstand kwamen tegen het Sovjetregime veranderde dit. Van een nietszeggend oord in de periferie van het machtige Sovjetrijk verwerd Agdam tot één van de speerpunten in de onafhankelijkheidsstrijd van Armenië, Azerbeidzjan en Nagorno-Karabach.

Nagorno-Karabach, het mag een onbekend stukje aarde zijn, maar de oorlog die hier woedde in de negentiger jaren van de vorige eeuw, was evengoed woedend. Ten tijde van de Sovjetunie was dit een etnisch Armeense autonome regio in de Azerbeidzjaanse SSR. Met andere woorden, de bevolking was overwegend Armeens en christelijk, maar de leiders Azerbeidzjaans en moslim. Destijds was dit nauwelijks problematisch, vooral omdat de werkelijke macht bij het Politburo in Moskou lag. Maar de verschillen kwamen razendsnel aan de oppervlakte op het moment dat het centrale gezag haar invloed verloor en verkrampt reageerde op de nieuw ontstane situatie.

Zowel Azerbeidzjan als Armenië maakten aanspraak op Nagorno-Karabach. En het landje zelf eiste, al in 1991, zelfstandigheid op. Kansloos als het was tegen de strijdkrachten van Azerbeidzjan, werkten de Karabachse vrijheidsstrijders nauw samen met de Armeniërs. Terwijl FK Qarabag haar wedstrijdjes speelde in het stadionnetje van Agdam gebruikten Azerbeidzjaanse strijders de stad om hun raketten richting andere delen van Karabach af te vuren. Dit zeer tegen het zere been van de Armenen en de Karabachen. Op een kwade dag in 1993 begonnen deze laatsten een offensief met als doel Agdam eens en voor altijd te veroveren. Zware gevechten maakten dat de gehele bevolking, bijna allemaal met Azerbeidzjaanse roots, naar het oosten vluchtte. Naar Bakoe met name. Om te voorkomen dat zij ooit zouden terugkeren, verwoestten de overwinnaars de stad grotendeels. Inclusief het stadionnetje van FK Qarabag.

Tegenwoordig is Agdam een spookstad. Nooit is een poging ondernomen de stad te herbouwen. Nooit heeft iemand de stoute schoenen aangetrokken en intrek genomen in zijn of haar oude woning. Volkomen logisch overigens, aangezien de Armeense strijdkrachten de stad nog steeds zien als een buffer tegen de agressieve Azerbeidzjanen. Tegelijkertijd dreigen de Azerbeidzjanen iedereen neer te schieten die zich in Agdam ophoudt.

Aghdam

Met de inwoners verdwenen ook de spelers, het bestuur, de terreinknecht en alle bij FK Qarabag betrokkenen uit Agdam. Verbannen uit hun stad. Gedwongen om te vertrekken naar Bakoe. Gedoemd om te spelen in hetzelfde stadion als de grote rivaal Neftci Bakoe. Te gronde gericht door een oorlog, nauwelijks meer dan twintig jaar geleden. Het is dan ook weinig verrassend dat de club voortdurend in grote financiële problemen verkeerde. Na jarenlang gefrustreerd in de luwte van de grote rivaal te hebben bestaan, besloot het terug te keren naar Karabach. Natuurlijk niet naar Agdam, dat ligt immers nog in puin, maar naar Quzanli, een stadje zo’n 50 kilometer van de frontlinie.

Azersun Holding, één van de grootste bedrijven in Azerbeidzjan, besloot in 2001 zijn naam aan de club te verbinden. Plotsklaps waren de geldelijke problemen verdwenen. In plaats daarvan brak een gouden periode aan, met alleraardigste successen. Vijf keer landskampioen en zes keer bekerwinst. En dus het bereiken van de groepsfase van de Champions League. Het Olympisch Stadion van Quzanli, met een capaciteit van 2.000 toeschouwers, blijkt al ruim een decennium een onneembare vesting.

Maar Chelsea, Atletico en AS Roma kunnen opgelucht ademhalen. Zij hoeven niet helemaal naar Quzanli. Want voor haar Europese wedstrijden wijkt FK Qarabag uit naar het Tofikh Bakhramovstadion in Bakoe, met een capaciteit van bijna 30.000 toeschouwers. Vast en zeker is het goed voor de inkomsten van de club. Maar het ware toch mooi geweest, indien die verwende profs een wedstrijd hadden moeten spelen in het kabouterstadionnetje in Quzanli.

Advertisements

Enorme hoeveelheden bommen, gedropt tijdens de tweede Tsjetsjeense oorlog, maakten van Grozny een hel. Het hele centrum veranderde in een ruïne. Honderden mensen verloren het leven en honderdduizenden vluchtten voor de Russische bommen. Dit zijn de beelden die ook nu nog spontaan op ons netvlies verschijnen bij het horen van de naam van de Tsjetsjeense hoofdstad.

Maar de werkelijkheid is een totaal andere. Op deze warme zaterdagavond wandel ik door de V.V. Poetinstraat. En ik ben bepaald niet alleen. Met mij paraderen duizenden inwoners door de straten. Kinderen spelen en rennen. Gehoofddoekte vrouwen houden hun nageslacht nauwlettend in het oog, onderwijl met elkaar babbelend. Stoere mannen, die bijna allemaal uit een worstelarena lijken te zijn ontsnapt, showen hun imposante torso’s in te strakke t-shirts.

Onder het toeziend oog van Kadyrov, papa Kadyrov en Poetin, hun portretten pronken overal, lijkt Grozny een modelstad te zijn geworden. Een stad waar veel andere Russische steden slechts met jaloezie naar kunnen kijken. De straten zijn hier schoon. De parkjes groen en netjes onderhouden. De winkels luxueus en uitnodigend. De imposante wolkenkrabbers en de Achmat Kadyrov Moskee in Grozny City, grandioos verlicht in vele kleuren, doen denken aan Las Vegas of Macau. Hoe ik ook speur naar overblijfselen uit de oorlog, ik vind er geen.

6d   6f

Dankzij miljarden roebels uit Moskou is Grozny uit het stof herrezen. In een razend tempo zijn alle herinneringen aan de oorlog weggepoetst. Als argeloos toeschouwer ben ik onder de indruk van de oppervlakkige schoonheid van de stad. Ze is als een prachtige blondine die mij inpalmt met haar innemende glimlach.

Maar, zo vraag ik me af, kun je jarenlang ongestraft verwoestende bommen gooien op een stad en haar inwoners? Kun je mensen die verschrikkelijke oorlog, nog maar zo heel kort geleden beëindigd, doen vergeten door pracht en praal uit de grond te stampen? De vrolijkheid rondom wekt de indruk van wel. Toch, net als bij blondines met innemende glimlachen, lijkt het mij beter haar niet meteen de liefde te verklaren.

In mijn hotelletje, dat zelf niet meteen onder de categorie luxe valt, loop ik niet geheel toevallig de beheerster tegen het lijf. Ze zit altijd maar in haar kamertje, karig gemeubileerd met een bankstel, een stoel en een TV, vanwaar ze een uitzicht heeft op de voordeur. En een ieder die binnenkomt, glimlacht zij een hartelijk welkom. Wanneer ik haar vraag wat zij van het nieuwe Grozny vindt, barst ze los. Volgens haar is de ziel uit de stad verdwenen. Veel inwoners voelen zich niet thuis tussen het in allerijl gefabriceerde kitsch. Het is potsierlijk, misplaatst en past niet bij de aard van de mensen. Het was veel beter geweest indien de stad op de oorspronkelijke wijze zou zijn herbouwd.

Ook het Colosseum, de indoor sporthal, is in een ommezien uit de grond gestampt. Milana, de communicatiemanager, verwelkomt me hier op innemende wijze. Trots als ze is op deze nieuwerwetse constructie, neemt ze me bijkans bij de hand opdat ik niets zal missen. Het eerste dat opvalt, is het enorme portret van Ramzan Kadyrov waarop hij poseert als bokser. Ook zie ik Ramzan terwijl hij touwtrekt. En een foto, samen met notabene, Badr Hari. Ik mag plaatsnemen op de stoel van Ramzan vanwaar, weinig verrassend, het zicht op de boksring uitmuntend is. Aan het eind van de rondleiding staat Milana me toe de sporthal te verlaten als ware ik Kadyrov zelve. Zoals het een ware leider betaamt, bemoeit hij zich niet al te veel met het gepeupel. Derhalve heeft hij een privé-toegang tot zijn beschikking. Hij kan zich met zijn gepantserde SUV moeiteloos naar binnen en buiten laten rijden. Tot op enkele meters van zijn zitplaats.

Bij het voetbalstadion zie ik Kadyrov junior opnieuw, nu showt hij zijn voetbalkunsten. Op zoveel andere plaatsen in de stad zie ik hem, in allerlei gedaantes. Hij is de held. De alleskunner. Zonder hem is Tsjetsjenië reddeloos verloren. Soms wordt hij geflankeerd door zijn beschermheer Poetin of door zijn vader Achmat Kadyrov, die in 2004 bij een bomaanslag om het leven kwam. Toch, hoe Ramzan ook zijn best doet, de bevolking is ontevreden en kritisch. Hij is een slechtopgeleide boef die uitsluitend mensen uit zijn eigen clan bevoorrecht. Een dictator, in een republiek die al decennia strijdt tegen de machthebbers in Moskou, die in het zadel wordt gehouden door die zelfde machthebbers. Als dat maar goed blijft gaan.

9a

Met de twee flessen wodka als trofeeën op mijn schoot zoeven we met gezwinde snelheid richting Bag-Chonos. Totdat we ergens rechtsaf slaan. Onmiddellijk mindert de chauffeur, noodgedwongen, vaart. We hoeven overduidelijk niet tot ‘Gat-in-de Grond’ te wachten, alvorens te worden geconfronteerd met gaten in de weg. Laverend tussen kuilen, gaten, ontbrekende stukken of juist opgehoopte brokken asfalt blijven we desondanks in een behoorlijk tempo doorrijden. Kalmuks temperament maakt langzaam rijden waarschijnlijk tot een onmogelijkheid.

De steppe links, rechts en recht vooruit is prachtig. Vlak. Vlakker. Vlakst. Als een Noordoostpolder in het kwadraat. De lucht is blauw, alleen hoog aan de hemel zie ik wat wolken. Alle in de vorm van een wollig schaap. Alsof iemand mij wil vertellen dat het schaap, waarvan ik gisteren het doodvonnis heb getekend, in veelvoud naar het hiernamaals is verdwenen.

142

Na een half uurtje hotseknotsen staat daar plotseling een zwaaiende man. Naast een oude Lada Neva. ‘Pech onderweg.’ ‘Die arme kerel.’ ‘En dat in deze contreien.’ ‘Het zal je maar overkomen.’ Mijn gedachten schokken simultaan aan de stuiterende Hyundai. Per slot van rekening, zo’n Neva staat niet meteen bekend als betrouwbaar en solide. Maar mijn zelfbedachte theorieën kloppen geenszins. Want Valeri, zoals de zwaaiende man blijkt te heten, is onze gastheer vanavond en vannacht. Een grimas van oor tot oor verraadt dat hij in een bijzonder goede bui is. Wat nog eens bevestigd wordt wanneer hij mij, van louter plezier, hardhandig op mijn schouder slaat.

Hij stapt in zijn Neva. Gebaart dat we hem moeten volgen. Schakelt naar een niet vermoede versnelling. En stuift op weg. De Hyundai is kansloos tegen zoveel geweld en snelheid. Valeri stuift over de steppe als ware hij een saiga-antilope. In een ommezien worden we op grote achterstand gezet. Maar goed dat het hier vlak is, anders waren we alsnog hopeloos verloren geraakt. Gefrustreerd verzucht onze chauffeur dat, bij gebrek aan een airco, de hitte in die Neva zeer waarschijnlijk ondraaglijk moet zijn.

Een slordige twintig minuten later stappen we uit bij een boerderij. Idyllisch gelegen in absoluut niemandsland. Niets of niemand in de buurt, behalve honderden kalkoenen, kippen en varkens. Ook ontwaar ik één paard. Ze snateren, kakelen en knorren dat het een aard heeft. Alsof de gehele dierenwereld in een staat van paniek verkeert. Wellicht omdat gisteren dat schaap hier het leven liet? Alleen het paard is stil. Het edele en stijlvolle dier verwerkt haar emoties in stilte. Te midden van deze drukte maak ik kennis met Anatoli, de boerenknecht. Een man van geen woorden, zoals ik later vandaag en vanavond zal ondervinden.

Vooraleer het eet- en drinkgelag kan starten, is er nog werk aan de winkel. De koeien, die ergens op de steppe grazen, zijn volgens Valeri veel te ver van huis. Het lijkt met koeien wel hetzelfde als met mensen. Alsof het gras aan de andere kant van de steppe groener en sappiger zou zijn. Ik stap bij Valeri in de Neva, inmiddels voorbereid op de duivelse snelheden die hij hiermee weet te bereiken. We hobbelen over een niet bestaande weg richting zijn kudde. Hier aangekomen manoeuvreert hij zijn Neva als een cowboy van links naar rechts. Onderwijl zijn claxon gebruikend als lasso. De koeien, blijkbaar gewend aan deze show, luisteren gedwee. Valeri glimlacht als een cowboy. Zijn dagtaak is volbracht. Hoogste tijd voor de drank en de spijzen.

144

Valeri duikelt bij thuiskomst twee glazen en één koffiemok ergens uit een kast. In alle drie schenkt hij een fikse scheut wodka. Zijn allereerste buitenlandse gast, Russen niet meegerekend, verdient een speciale behandeling en, bovenal, een heleboel wodka. We proosten. Op de steppe. Schenken een nieuwe ronde. Proosten. Op Nederland. Een derde ronde. Een derde toost. Op de nieuwe vriendschap. Plotsklaps kijkt Valeri nog enthousiaster. Die buitenlander, die moet voorgesteld worden aan zijn familie. Zij wonen niet hier op de boerderij. Maar ergens verderop in ‘Gat-in-de-Grond’. Zo’n bezoekje heeft bovendien als voordeel dat we meer wodka kunnen inslaan. Want die twee meegebrachte flesjes, dat is zeker weten onvoldoende.

Na drie wodkaatjes stuitert die Kalmukse steppe een stuk minder. Bovendien, Valeri rijdt ook niet meer zo snel. Toch zijn we in een ommezien bij hem thuis, waar een vracht familie glimlachend op ons staat te wachten. Aan de keukentafel maak ik kennis met zijn vrouw, zonen, dochters, kleinzonen en kleindochters. Terstond staat er kaas en worst op tafel. En omdat ik er ben, ook een flesje wodka. Weer drinken we drie glazen. Weer toosten we drie keer. Volgens mij op familie, familie en nogmaals familie. Met een nieuwe voorraad wodka op de achterbank vangen we de terugtocht aan. Valeri biedt mij aan te rijden. Maar ik weiger. Mijn hoofd tolt en ik ben zeker dat ik ergens iets zal raken. Ook al is er niets dan leegte.

Terug op de boerderij is er vlees. Vlees van mijn schaap. In allerlei gedaanten en varianten. Gekookt. Gebraden. Maar de ‘gekürde’ versie komt niet op tafel. Twijfel over de juiste manier van bereiding en de komst van een buitenlander maakten Valeri en Anatoli te onzeker. Bang dat het mij niet zou smaken. Ter compensatie krijg ik enorme hoeveelheden wodka geserveerd, terwijl we praten over appels en over varkensrassen. Tussendoor bid ik tot de boeddha dat Valeri en Anatoli, net als zoveel andere Aziaten, niet bestand zijn tegen zoveel alcohol. En mijn gebeden worden verhoord. Want na een wodkaatje of vijftien vallen ze allebei simpelweg om. Letterlijk onder tafel gedronken door die lange Nederlander.

Na twee dagen in Elista, heb ik sterk de indruk dat de Kalmukken zich maar wat graag terugtrekken in hun betonnen huizen. Samenscholen in verouderde winkelcentra. Rondstruinen in het centrale park. Een bezoekje brengen aan hun prachtige boeddhistische tempel. Of een waterpijp roken in het hipste café van de stad. Hun nomadische inborst lijkt definitief plaats te hebben gemaakt voor grootstedelijk vertier. De kuddes schapen en geiten te zijn vervangen door modieuze schoentjes en glimmende iPhones. Gerechten als ‘Semdzin’ (lever gewikkeld in vet) of ‘Dotur’ (soep bereid met de ingewanden van een schaap) allang overvleugeld door het immens populaire sushi.

Toch zie ik de ogen van Elza schitterend oplichten wanneer ik haar vertel heel graag eens kür te willen eten. Ze glimlacht op verrukkelijke wijze wanneer ik zeg nieuwsgierig te zijn naar dit typische Kalmukse gerecht. Terstond belt ze haar moeder om de Kür-voorbereidingen in gang te zetten. Kür, het zal waarschijnlijk geen enkel belletje doen rinkelen, maar een Kalmuks hart klopt hiervan spontaan een heel stuk sneller.

Kür, ik zal het maar verklappen, is een traditioneel gerecht dat oorspronkelijk door herders werd gegeten. Weken-, zo niet maandenlang waren zij van huis. Omringd door niets anders dan de immense steppe, en duizenden schapen en geiten waarover zij hoedden. Altijd kwam er dan een dag waarop zij al het van huis meegebrachte voedsel hadden verorberd. Of dat zij de aanwezigheid van al dat potentiële malse vlees rondom niet langer konden aanzien. Zomaar een schaap of geit slachten en deze op een vuurtje roosteren, was echter geen optie. Plotseling opduikende eigenaren zouden het net gedode dier zonder pardon in beslagnemen. En de daders zeer waarschijnlijk zwaar straffen. Dus bedachten de herders een list. In vijf eenvoudige stappen, maar met een verbluffend resultaat. Eén: ze groeven een kuil. Twee: ze slachtten een schaap. Drie: ze propten al het vlees (en de rest) in de maag van het geslachte dier. Vier: ze plaatsten de maag met inhoud in de kuil en dekten die netjes toe met een laagje zand. Vijf: ze maakten precies op die plek een vuur, zogenaamd om hun koude handen te verwarmen. Daarna was het slechts een kwestie van geduldig wachten. Vierentwintig uren om precies te zijn, zoveel tijd was nodig om het vlees gaar te laten sudderen, alvorens het feest kon losbarsten.

Dit gerecht heb ik dus zojuist besteld bij Elza. Gelet op het bovenstaande stappenplan mag het duidelijk zijn dat ik niet eerder dan morgen van de kür zal kunnen proeven. Elza spreekt inmiddels bijna voortdurend met haar moeder, die overduidelijk enorm enthousiast is over mijn plan. Zo krijg ik te horen dat ik een heel schaap moet kopen. Van een boer uit Bag-chonos – wat zoveel betekent als ‘Kleine Wolven’ of ook wel ‘Gat-in-de-Grond’ – een dorpje zo’n vijftig kilometer van Elista. Een goed Kalmuks schaap van zo’n zeventig kilo, zo leer ik, kost 5000 roebels (rond de € 80). Ik knik dat het prima is en heb daarmee een doodvonnis getekend. Het schaap is van mij en zal morgen op traditioneel Kalmukse wijze aan mij worden geserveerd.

169

Op kür-dag zelf hoor ik rond het middaguur een flinke klop op mijn deur. Elza, haar moeder en een vriendin staan glimlachend en, zo heb ik de indruk, zwaar ongeduldig op mijn stoep. Tijd om te gaan, zo vertellen hun lichamen en hun ogen. Ik stap in een nieuwerwetse Hyundai. Op naar ‘Gat-in-de-Grond’ neem ik aan. Maar dat blijkt toch niet helemaal zo te zijn. Want alvorens de stad te verruilen voor het platteland dienen we eerst nog een overlevingspakket samen te stellen. In de supermarkt kopen we groente, fruit, vruchtensappen, water, thee en toiletpapier. Ik kijk verbaasd. Uiteindelijk is het de bedoeling dat we morgenochtend alweer zullen terugkeren. Maar de ingeslagen voorraden zijn meer dan voldoende om een weeshuis te voeden. En dan te bedenken dat we ook nog een heel schaap mogen verorberen vandaag.   

Alleen met de wodka wil het, tot groot verdriet van een ieder, niet zo vlotten. Vandaag is het hier namelijk de laatste dag van het schooljaar, en om te voorkomen dat de feestvierende scholieren zich zullen bezatten, is Elista volledig drooggelegd. Onzinnige maatregel natuurlijk. Reken er maar op dat die scholieren allang de benodigde drank hebben ingeslagen. De enigen die lijden onder de maatregel zijn wij. Bij elk winkeltje dat wodka zou kunnen verkopen, maant Elza’s moeder de chauffeur te stoppen en stapt zij naar binnen. Maar niet meteen met het gewenste resultaat. Ze is echter vastberaden. Immers, een kür zonder wodka is een bij voorbaat mislukte kür. Uiteindelijk slaagt zij. Natuurlijk. Ergens in een achteraf straatje. Verrukkelijk glimlachend keert zij terug met twee flessen wodka. Het voorspel eindigt met een climax. Benieuwd hoe extatisch de daad zal zijn.

Het stadionnetje van FK Loetsj-Energia Vladivostok, de plaatselijke voetbaltrots, ziet er op deze februaridag troosteloos en rommelig uit. Het speelveld is bedekt onder een flinke laag sneeuw en ijs. De twee tribunes langs de lange zijden van het veld ogen vervallen. Overduidelijk iets te lang verwaarloosd. Een fiks likje verf is wel het minimale waarop ze recht hebben. Ook liggen er her en der planken, stenen en ander bouwmateriaal. Misschien omdat er binnenkort een poging zal worden ondernomen de gehele mikmak hier eens flink op te kalefateren? Of is dit de eerste aanzet tot het bouwen van tribunes achter de doelen? Bij de ingang zie ik een affiche van wat waarschijnlijk de laatste thuiswedstrijd is geweest: FK Loetsj-Energia versus Tjoemen, een stadje ergens in Siberië, zo’n slordige 7000 kilometer westwaarts. Niemand die de moeite heeft genomen alvast een plakkaat op te hangen waarop de eerstkomende thuiswedstrijd staat aangekondigd. Alsof het maar de vraag is of FK Loetsj die enorm lange winterstop überhaupt zal overleven.

Tegenwoordig vertoeft FK Loetsj op het tweede Russische niveau, waar het tamelijk troosteloos in de middenmoot bivakkeert. Maar minder dan tien jaar geleden was dit wel anders. Toen speelde de ploeg op het hoogste niveau. FK Loetsj-Energia was destijds een echte reuzendoder. En dit aftandse stadionnetje waar de kille oceaanwind vrij spel heeft, een onneembare vesting. Dit was de uitwedstrijd waar alle Moskouse ploegen en het Peterburgse Zenit het hele jaar met klotsende oksels over spraken. Niet alleen vanwege het overbruggen van een afstand van zo’n 9000 kilometer en zeven tijdzones. Vooral toch omdat zij wisten dat de spelers van FK Loetsj zich 90 minuten lang als hongerige wolven op hun gejetlagde lichamen en geesten zouden storten.  

De keeper van CSKA verzuchtte ooit, net nadat zijn team met 4-0 was afgedroogd door een ongenaakbaar FK Loetsj, dat wat hem betreft de uitwedstrijd in Vladivostok zou moeten worden geschrapt. ‘Laat ze maar in die Japanse J-league gaan spelen’, was zijn commentaar. Qua logistiek eigenlijk helemaal geen slecht idee, aangezien Japan maar een uurtje vliegen is vanaf Vladivostok.

Die keeper mag natuurlijk klagen, ook in Rusland. Maar eigenlijk heeft hij geen recht van spreken. Het zijn toch vooral de spelers van FK Loetsj zelf die mogen mopperen over vlieguren en tijdzones. Want om de week reizen zij vanuit Vladivostok naar elders in Rusland. Dit seizoen, onder andere, drie keer naar Moskou, twee keer naar Sint Petersburg en één keer naar Kaliningrad, de Russische exclave vlakbij Polen. Zelfs voor de derby van het Oosten, tegen SKA Khabarovsk, moeten zij toch nog 750 kilometers reizen.    

Dat afstand prima overbrugbaar is, bewezen drie doorgewinterde diehard fans van Zenit. Clubliefde en jeugdige gekkigheid maakten dat zij besloten hun team ook in het verre oosten van Rusland te steunen. En zo togen zij op weg. In een oude Honda overbrugden zij de schrikbarende afstand van Sint Petersburg naar Vladivostok. Zo’n 9.500 kilometer over Russische snelwegen, over de Oeral, dwars door Siberië en dan nog een heel stuk rechtdoor. Voor een wedstrijdje van 90 minuten! Gelukkig zagen ze hun team winnen. Dat dan weer wel. Met een blij gemoed begonnen ze dan ook aan de even lange terugreis. Zonder al te veel succes. Al in Vladivostok gaf hun auto er definitief de brui aan. Zoveel kilometers in zo’n korte tijd was te veel voor het Hondaatje. En dus restte ze niets anders dan op de trein te stappen. Een erbarmelijke reis van zeven lange dagen. Ze rolden Sint Petersburg net op tijd binnen om de eerstvolgende thuiswedstrijd van hun helden niet te hoeven missen. Toch kent dit verhaal een happy end. De spelers van Zenit, dusdanig onder de indruk van zoveel clubliefde, schonken deze supporters een nieuwe auto. En die oude Honda? Die staat nu in het museum van Zenit.

FK Loetsj was dus gevreesd en de ambitieuze voorzitter droomde al hardop van Europees voetbal. Tot grote schrik van de UEFA. Vanuit West-Europa is Vladivostok, inclusief een overstap in Moskou, toch snel een uurtje of vijftien verderop. Best kans dat het tijdsverschil en de lange reis FK Loetsj ook in Europa tot een gevaarlijke outsider voor eender welke titel zou kunnen maken. Maar zover zou het nooit komen, want uiteindelijk bleek het team te zwak om te kunnen blijven profiteren van die-einde-van-de-wereld-locatie. Tot groot verdriet van de voorzitter en tot grotere opluchting van de UEFA.

Het is, godbetert, nog geen zes uur. En toch sta ik al naast mijn bed. Net gewekt door het woedende geluid van mijn telefoon. Zo vroeg sta ik thuis bij lange na niet op. Maar vandaag, hier in het bruisende Elista dus wel. Ik slurp een oploskoffie naar binnen. Hap terloops wat van het donkere Russische brood. Tijd voor een uitgebreid ontbijt heb ik niet. Voldoende honger evenmin.

Klokslag zes uur hoor ik een harde klop op mijn voordeur. Tegelijkertijd wenst een luide stem mij ‘goedemorgen’. Alsof mijn vroege bezoeker vreest dat ik nog op één oor lig. Iets te enthousiast, zeker voor de tijd van de dag, ruk ik de deur open en heet Kirsan van harte welkom. Ik ken Kirsan eigenlijk niet. Pas gistermiddag ontmoette ik hem voor de allereerste keer. Op het centrale plein. Ik vroeg hem om een sigaret. We raakten in gesprek en binnen tien minuten nodigde hij me uit vandaag samen een excursie te maken. Ik stemde in, zoals duidelijk mag zijn. En dus is hij deze ochtend mijn gids en chauffeur. Dat we zo vroeg vertrekken, heeft natuurlijk een reden. Zeer ruim voor het middaguur, zeg maar rond een uur of tien, is het buiten namelijk al niet meer te harden. Dan is er maar één optie, ergens in de nabijheid te verblijven van een goedwerkende airconditioning.

Zo’n 25 kilometer buiten Elista staat een boom. En naar deze boom zijn wij vanochtend onderweg. Hier in Kalmukkië zijn de meeste bomen van een mini-formaat. Net als de bewoners trouwens. Maar dit exemplaar is groot, sterk, oud en stamt wellicht zelfs af van de beroemde bodhiboom in Bodghaya (voor de minder ingewijden, dit is de boom waaronder de boeddha verlichting bereikte). Meer dan voldoende redenen om deze boom heilig te verklaren. Onderweg zie ik vooral glooiende mini-heuvels en verdord gras. Het mag dan nog maar juni zijn, de Kalmukse zon schijnt al zo onbarmhartig dat het gras en het overige groen de ongelijke strijd allang hebben opgegeven.

Kirsan vertelt honderduit over zijn volk, de gewoontes, de rijke cultuur, zijn koeien en vooral over de geschiedenis. Ik heb geen idee of er een top tien van volkeren en turbulente geschiedenissen bestaat, maar indien wel, dan vind ik dat de Kalmukken hierin een topklassering verdienen. Langgeleden vertrokken ze uit het zuiden van Siberië. Volgens sommigen omdat er een gebrek was aan grazige weiden voor hun enorme kuddes schapen. Volgens anderen omdat zij  de dominantie van hun buren, de Mongoolse Dzungar stam, meer dan zat waren. Wat ook de waarheid is, in een gespreid bedje kwamen de Kalmukken bepaald niet terecht.

Allereerst, daar waar sappige graslanden zijn, zijn doorgaans ook mensen en kuddes. Evenzo op de steppes ten westen van de Kaspische Zee en ten noorden van de Kaukasus, de plek waarop de Kalmukken hun oog hadden laten vallen. Na een reis van vele duizenden kilometers waren ze echt te moe om nog langer te zoeken naar maagdelijke weides. Ze hadden nog juist genoeg energie om de Nogai, een Turkssprekend volk, met een fikse dosis geweld naar de Krim te verdrijven. Zo verkregen ze het  alleenrecht alhier. Geen irritante en machtswellustige concurrenten en meer dan voldoende voedsel voor mens en dier. Maar helaas voor een ieder die de Kalmukken een warm hart toedraagt, erg lang duurde deze idylle bepaald niet.

Het is wellicht het lot van alle nomaden. Waarheen ze ook gaan, altijd zijn er volkeren die menen recht te hebben op hetzelfde stukje land. Het is om moedeloos van te worden. Helaas voor de Kalmukken, zij moesten wedijveren met het dominante, arrogante tsaristische Rusland. Een ongelijke en kansloze strijd natuurlijk. En zo werden ze, binnen 25 jaar na aankomst, feitelijk opgeslokt door het machtige Russische rijk. Met alle gevolgen van dien.

Zonder de tsaren te kort te willen doen, het is toch Stalin, inderdaad daar is hij weer, die wat betreft agressie en machtsmisbruik, de kroon spant. Terwijl veel Kalmukse mannen in het Rode Leger dienden en hun leven riskeerden om nazi-Duitsland te verslaan, besloot Stalin de achtergeblevenen te deporteren. Omdat hij ze betichtte van verraad en samenzwering met de vijand. Als vee werden ze afgevoerd naar ver weggelegen oorden. Niet, zoals veel andere volkeren, naar één plek maar verspreid over grote delen van Siberië en Centraal-Azië. Pas na de dood van Stalin, twaalf jaar na de deportatie, werd het ze geleidelijk aan weer toegestaan terug te keren.

Langer dan een decennium elders leven, zonder communicatiemiddelen, het mag duidelijk zijn dat dit niet zonder gevolgen is gebleven. Zo spreken tegenwoordig opvallend weinig Kalmukken nog hun eigen taal. Bovendien, terugkeren naar huis was bepaald niet eenvoudig. Want Jozef zou Stalin niet zijn, wanneer hij niet bedacht zou hebben dat de huizen van de gedeporteerde Kalmukken evengoed zouden kunnen worden bewoond door Russen. Geen idee eigenlijk of al die Russen geheel vrijwillig naar hier kwamen. Feit is wel dat ze nooit meer weggingen. Ook niet toen de Kalmukken terugkeerden.

De Kalmukken, bang voor nieuwe problemen, besloten geen heisa te maken over hun verloren bezit. Het zou immers best kunnen dat dit de nieuwe heersers in het verkeerde keelgat zou schieten. Met alle potentiële gevolgen van dien. In plaats van toestanden te creëren, bouwden ze gewoon nieuwe huizen. Niet in de buurt van de Russen maar elders in het land. Aan integratie hadden ze, logischerwijs, weinig behoefte. Bovendien, er was plek genoeg.

En zo komen we aan bij de boom. Inderdaad, een prachtig exemplaar. De stoepa’s rondom, er staan d’r tien in totaal, zijn nog prachtiger. Om elke stoepa loop ik drie rondjes. Onderwijl denk ik louter positief en wens ik iedereen het allerbeste. En dat is nog best hard werken na al die verhalen van daarnet.

Een droge opsomming van feiten, data en cijfers leert dat het Bajkalmeer niet zomaar een meer is. Feitelijk zijn ze dan ook bepaald niet droog, eerder spectaculair en indrukwekkend. Wat te denken van het feit dat meer dan 20 procent van al het zoetwater op aarde zich in dit meer bevindt; veel meer dan in alle grote meren in de USA en Canada tezamen. Ook is uitgerekend dat het meer zoveel zoetwater bevat dat de gehele wereldbevolking er maar liefst 30 jaar van zou kunnen drinken. Qua oppervlakte, een slordige 31.500 vierkante kilometer, is het ongeveer even groot als België. Lengte? Zo’n 600 kilometer. Breedte? Plusminus 81 kilometer. Maximale diepte? Een fikse 1642 meter. Gemiddelde diepte? Nog steeds zo’n 758 meter.

En over dit immense meer rijd ik nu. Hartje winter is het. Buiten is het een graadje of twintig onder nul. In de minibus is het zeker 45 graden warmer. We maken een excursie rondom Olkhon Island, het grootste eiland in het Bajkalmeer. En dat het ietsje groter is dan Terschelling mag duidelijk zijn: zo’n 70 kilometer van noord naar zuid en ongeveer 8 km van oost naar west.

Eind februari is het meer bedekt met een laag ijs, dik genoeg om een tank te dragen. Spanning dat de minibus, waarin ik zit, door het ijs zal zakken voel ik dan ook niet. Alhoewel, het dient gezegd dat de zoon van de voormalige Oekraïense president Janukovich vorig jaar, tijdens een autorace, onder verdachte omstandigheden in dit meer verdronk. Zijn minibusje zakte wel door het Bajkalijs. Om onduidelijke redenen konden de overige vijf inzittenden gered worden, er wordt hier gezegd dat ze zelfs geen natte voeten gehad zouden hebben. Maar voor de zoon kwam alle hulp te laat. Omdat er voorheen al meerdere mensen uit de entourage van Janukovich op dubieuze wijze waren omgekomen, valt zeker niet uit te sluiten dat dit geen toeval is geweest. Aangezien ik op geen enkele wijze aan Oekraïense politici gelinkt ben, zit ik zorgeloos in de bus.

Af en toe stappen we uit en beginnen we een schuifeltocht over het ijs. Op weg naar een grot waar enorme stalactieten van ijs de ingang versperren. Of we schuifelen naar het noordelijkste puntje van het eiland, voor het beste uitzicht over het noordelijker deel van het meer. Daar waar  geen ijswegen meer zijn, simpelweg omdat er geen – of althans bijna geen – mensen wonen. Slechts vissers wagen zich ten noorden van Olkhon Island. Voor de rest regeert hier de natuur.

In het grootste dorp op het eiland, met 1300 zielen niet bepaald meer dan een gehucht, vind ik een onderkomen voor de nacht. De uitbaatster van het etablissement glimlacht verrukt wanneer ze mijn roestig Russisch hoort. Maar goed ook trouwens dat ik enigszins Russisch spreek, want haar Engels beperkt zich tot een ‘thank you’ en een ‘goodbye’.

IMG_8570    IMG_8563

Een kop thee, huisgemaakte koekjes en een flink opgestookte houtkachel zijn mijn welkom. Het is er aangenaam warm. Niet snikheet zoals in veel andere Russische huizen, maar prettig. Na de thee krijg ik een rondleiding door het huis. In de woonkamer zie ik een enorme TV waarop Shrek speelt. Moderniteit in Verweggistan. De gids had eerder al verteld dat pas sinds 2005 elektriciteit gemeengoed is op het eiland. Ook vertelde hij dat de bewoners terstond overgingen tot de aanschaf van TV en schotel. Maar een lampje installeren op het toilet lieten ze achterwege en werd afgedaan als volkomen overbodige luxe. Trouwens, het toilet hier is prachtig. Heerlijk verwarmd middels een kachel. Er is zelfs een speciale wifi aangelegd. Alleen, het bevindt zich ergens diep in de tuin op minimaal 50 meter afstand van het warme huis. Dat wordt een avond zonder bier neem ik mezelf stante pede voor. Stel je voor dat ik vannacht een keer of twee de gang naar het toilet moet maken? In het pikkedonker en met minus 20 graden of meer op de teller. No way. En uit het raam piesen, zoals ik vroeger op de koude boerderij nog wel eens deed, is evenmin een optie. Het raam wil namelijk niet open.

Na de thee loop ik door het dorp. Uitgestrekte straten zonder mensen. Ik slenter rond, geniet van de lucht, de zonsondergang, de kleuren, de stilte, de kou, de besneeuwde straten en het uitzicht over het fantastische meer. In de jachthaven liggen een tiental boten. Totaal vastgevroren. Het is wachten op de lente alvorens zij kunnen uitvaren.

Mannetjes rondom een Oazis (een Russische jeep) wenken naar me. Nieuwsgierig loop ik naar ze toe. Het zijn Boerjatiërs, op Mongolen gelijkende Russen, die vooral in de naburige republiek Boerjatië wonen. Ze hebben overduidelijk al flink van de wodka gesnoept. Dit zie ik niet alleen aan hun ogen en gedrag maar ook aan de twee lege flessen wodka die op de motorkap staan. Ze nodigen me uit voor een glaasje en een ritje. Het glaasje accepteer ik. Geen best spul, concludeer ik. Het smaakt in ieder geval belabberd. Maar het ritje weiger ik. Er is weliswaar weinig kans op ongelukken op het ijs. Daarvoor is er te weinig verkeer of andere obstakels. Maar met een dronken Boerjatiër als chauffeur over het Bajkalijs lijkt me een te slecht plan. Dus loop ik door. Niet veel verderop verstoort een jongeman de stilte met zijn zijspanmotor. Met brullende motor rijdt hij rondjes over het ijs. Telkens een nieuwe passagier verblijdend. Onder hun dikke mutsen en in hun enorme jassen zie ik ze allemaal breeduit glimlachen. Ook hij nodigt mij uit voor een ritje. Maar opnieuw weiger ik. Te weinig kledij om mijn lijf. Ik vrees afgevroren tenen en vingers en zelfs m’n edele delen zouden wel eens ten onder kunnen gaan aan de kou.

IMG_8579 IMG_8585

Heb geloof ik wel vier kilo kledij om mijn lijf en op mijn hoofd. Shirt, nog een shirt, nog één, trui, jas, gebreide sjaal, handschoenen, muts, onderbroek, lange onderbroek, broek, twee paar sokken. En enorme schoenen. Al vijftien minuten sta ik op de afgesproken plek. Op het afgesproken tijdstip. Maar mijn afspraak laat me wachten. In de bijtende kou van Irkoetsk. De kou is al door bijna alle lagen kleding gedrongen en rukt nu aan de laatste laag. Een hemd, godbetert. Zo’n sexy witte. Een ongelijke strijd.

Nog steeds hoopvol maar vooral bibberend kijk ik naar elke passerende auto. Geen enkele stopt. M’n blauwe lipjes mompelen een vloek. Ergens in de berg kledij hoor ik het geluid van mijn telefoon. Met m’n bevroren vingers peuter ik deze tevoorschijn. Het is Boris, mijn afspraak, die spreekt. Hij verontschuldigt zich uitgebreid voor zijn late aankomst. Iets over een auto die niet wilde starten. Twee minuten later staat Boris voor m’n ongetwijfeld rode neus. Hij heet me grijnzend welkom in de voorverwarmde auto. Vraagt of ik koud ben. Schenkt als antwoord gloeiend hete thee in een beker. Maakt tien keer excuses. Ik wil hem woedend antwoorden, maar reageer met een grimas en een ‘valt wel mee’. Zal nog wel vaker kou lijden de komende dagen. Laat ik dit kwartiertje maar beschouwen als een leuke opwarmer en er voor de rest geen woorden aan vuil maken.

Siberië, het mag duidelijk zijn, doet zijn imago eer aan. Het is hier inderdaad bitter koud. Maar leeg, stil en rustig – ook standaard associaties bij Siberië – is het in Irkoetsk bepaald niet. Het is hier best druk en levendig. Met ruim een half miljoen inwoners eigenlijk ook best logisch. Zou je Irkoetsk naar Nederland verplaatsen dan is het zomaar, na Amsterdam en Rotterdam, de derde stad van het land. En dan is Irkoetsk nog niet eens de grootste stad van Siberië. Die eer gaat naar Novosibirsk, dat maar liefst 2,7 miljoen inwoners telt.

Goed, de kou is vergeten en de drukte kan me totaal niet schelen. In rap tempo warm ik op. Boris verhaalt ondertussen over de kou en de invloed op motoren. Over de rit naar het Bajkalmeer, de lunch, de staat van de weg. Terwijl op de achtergrond, godbetert, Modern Talking klinkt! Zal dat hier nog in de top tien staan? Of is het bedoeld om mij op mijn gemak te stellen? Ik laat Boris praten en zing tegelijkertijd in stilte ‘You’re my heart, you’re my soul’. Ik dacht altijd een hekel te hebben aan deze twee Duitsers, maar ik moet nu toch opbiechten dat ik in een opperbeste stemming geraak. Kan ook zijn omdat de verhalen van Boris me bekoren. Of omdat mijn lichaamstemperatuur weer richting normale waarden gaat. Terwijl buiten de stad langzaam plaats maakt voor Siberisch platteland, ontdoe ik mij van jas en sjaal. Terwijl de wegen langzamerhand leger raken, ontdoe ik mij van trui en een shirt. Blijkbaar geldt hetzelfde voor auto’s als voor huizen hier. Des te kouder buiten, des te warmer binnen.

We rijden inmiddels een uurtje of drie over dezelfde lange rechte weg. Volgens mij hebben we precies één keer een afslag genomen. Gelukkig hebben de heren van Modern Talking, op mijn verzoek, plaats moeten maken voor wat Russische krakers. Stukken beter. Al is het thema identiek, ook hier gaat het vooral over ‘harten’, ‘liefde’ en ‘zielen’. Voor het overige is er niet veel veranderd. Binnen is het heet, buiten is het stervenskoud. Net nog ondervonden, toen we een excursietje maakten naar een heuvel waar wat petrogliefen in rotsen waren gekerfd. Best leuk en interessant eigenlijk. Alleen, die wind maakte dat het aanvoelde als minus 40 ofzo. En dus was ik blij dat Boris vrij snel een einde breide aan ons uitje.

IMG_8672   IMG_8610

Dan slaan we plotseling linksaf. En achteloos rijden we het ijs op. Van het Bajkalmeer. Zonder te dralen, zonder af te remmen. Alsof de weg niet ophoudt. Alsof het normaal is in een minibus over het Bajkalmeer te rijden. Ik had half en half verwacht dat we stapvoets over het ijs zouden moeten rijden. Maar blijkbaar hebben Russische winterbanden voldoende grip. Ook op het ongetwijfeld gladde Bajkalijs. De weg is aangegeven middels houten palen die om de honderd meter aan weerszijden in het ijs zijn geslagen, is breder dan een gemiddelde vierbaansweg en heeft een middenberm die minimaal 50 meter meet. Van tegenliggend verkeer zullen we dan ook geen last krijgen. Af en toe staat er zelfs een stopbord, wanneer het ijs te slecht is en er volgens de Bajkalverkeersdienst dient te worden afgeremd. Niet dat de chauffeur stopt overigens. Hij kijkt niet op of om, blijft onverstoorbaar doorgaan.

In de verte zie ik Olkhon Island, onze bestemming, al liggen. Zo’n acht kilometer verderop. Met deze snelheid duurt ons ritje niet veel langer dan tien minuten. Maar tot mijn grote vreugde parkeert de chauffeur, ergens halverwege, de auto aan de kant van de weg. Vriendelijk word ik uitgenodigd uit te stappen en rond te lopen. Ik verwonder me over de enorme scheuren. Over het dikke ijs. Het heldere water. Als een schooljongen ren ik rond. Laat me op mijn rug vallen en glijd als een rodelaar over het ijs. De kou, het is toch rond de minus 20 graden voel ik totaal niet. De wind, het waait toch een windkrachtje 4 tot 5 schat ik, met mijn Jan Pelleboer-instinct, in deert me evenmin. Warm ben ik. Van de opwinding. Van de wandeling over het Bajkalmeer.

IMG_8598  IMG_8622

Hier zit ik dan op het dakterras van het Palmyra Palace. Een alleraardigst hotel in Jalta. Van die Kalasjnikovs, lynchpartijen en treurnis is voorlopig niets te merken. Eerder het tegenovergestelde. De zon schijnt uitbundig, de Zwarte Zee glinstert uitnodigend, de palmbomen wuiven zachtjes in de wind. De maaltijd van verse steak en een nogal zoetig lokaal wijntje maken het vakantiegevoel compleet.  

Ben net terug van een wandeling door het centrum van Jalta. Eerlijk gezegd, op het eerste gezicht leek het nogal op een Mediterrane badplaats. Ook hier een boulevard met winkels vol prullaria. Kermisachtige attracties. Terrassen, cafés, bars. Onder het toeziend oog van Lenin, dat dan weer wel. Zoals altijd en overal in Russische steden, kijkt hij stoer en streng vanaf zijn sokkel toe op het kapitalisme rondom. Om hem te treiteren hebben de lokale autoriteiten besloten recht voor zijn neus een McDonald’s te bouwen. Wellicht de reden dat hij behalve stoer en streng ook wat sikkeneurig kijkt. Overigens, de karakteristieke McDonald’s ‘M’ siert dan wel het straatbeeld, hier een Big Mac bestellen zit er niet in. De tent is gesloten. Als onderdeel van de Westerse sancties. Niet dat McDonald’s alle restaurants in heel Rusland heeft gesloten. Nee, natuurlijk niet. Dat zou te veel impact op het bedrijfsresultaat hebben. Alleen dit ene restaurant is gesloten. Dus moet ik de Krim zien te overleven zonder de consumptie van die ranzige burgertjes. Moet welhaast lukken. Lastiger zijn de consequenties van een soortgelijk, en even dubieus besluit, van Mastercard. Hier op de Krim kan ik mijn creditcard niet gebruiken. Niet om te pinnen. Niet om te betalen in restaurant of hotel. Geblokkeerd vanwege de Westerse sancties. Ik loop dan ook rond met een flinke stapel vers knisperende bankbiljetten. Met diezelfde creditcard uit een Moskous pinautomaat getrokken. Toch, ik kan me maar moeilijk voorstellen dat Poetin en de zijnen echt onder de indruk zijn van zulke maatregelen. Het lijkt meer een manier om de Krimse bevolking te straffen. En de sporadische Westerse toerist te pesten.

41f

Volgens de Russische propagandamachine stemde maar liefst 96,6% van de bevolking voor aansluiting bij Rusland. Eerlijk gezegd, zo’n meerderheid lijkt zeer onwaarschijnlijk. Vooral omdat ook nog wordt geclaimd dat ruim 80% van de bevolking heeft gestemd. Terwijl het percentage Russen op de Krim rond de 60 ligt, de rest bestaat vooral uit Krim-Tartaren en Oekraïners. En die laatste twee groepen staan niet meteen te springen op aansluiting bij Rusland. Tegelijkertijd, volgens Westerse media is het op het schiereiland kommer en kwel. Is de annexatie een schande voor de wereldvrede in het algemeen en de Krimse bevolking in het bijzonder.

Wat is waar? Wie heeft gelijk? Ik heb alvast geen idee. Maar wil het evengoed wel weten. Dus heb ik besloten mijn eigen, niet-representatieve, steekproef te organiseren. Hoe? Ik combineer het bestellen van een kopje koffie met de vraag wat de verkoper vindt van de aansluiting van de Krim bij Rusland. Hetzelfde wanneer ik een ijsje koop. Een fles bier bestel. Een taxi neem. Een museum bezoek.

Op deze manier heb ik de afgelopen dagen heel wat mensen naar hun mening gevraagd. En ik mag alvast verklappen, de reacties waren niet bepaald divers. Slechts één iemand mopperde een ‘nee’; niet geheel toevallig een Krim-tartaar die bij het paleis van de Khan in Bakhchisaray op een bankje zat te zonnen. Alle anderen mompelden iets positiefs of staken uitgebreid de loftrompet over Poetin en de annexatie. Een aantal souvenirverkopers wees trots naar de afbeeldingen op de T-shirts die zij verkochten. Een man gekleed in een Russische vlag die een man gekleed in de Amerikaanse vlag van achteren neemt. Met als begeleidende tekst op het T-shirt ‘dit is wat wij met jullie sancties doen’. Anderen praatten over investeringen en dat Rusland haar uiterste best doet en zal blijven doen van de Krim opnieuw een Russisch paradijs te maken. Van de Oekraïne moet niemand iets weten trouwens. Corrupt land met corrupte leiders. Dat Chroesjtsjov, in 1954, het schiereiland cadeau deed aan de Oekraïne werd afgedaan als een dronkemansactie. Dommigheid van een zuiplap. Ook het  plan dat de Oekraïense regering ooit lanceerde om het Oekraïens als nationale taal in te stellen, werd door menigeen flink verketterd. Het Russisch was, is en blijft hier de voertaal.

324

Mijn niet-representatieve conclusie op basis van mijn niet-representatieve enquête is dat Rusland ongetwijfeld met de cijfers heeft gesjoemeld. Al is dit, eerlijk gezegd, geen conclusie die ik mag trekken op basis van mijn onderzoek. Het is gebaseerd op mijn eigen vooringenomenheid en mijn oprechte twijfel over percentages van boven de 96 procent. Wel durf ik te stellen dat de Oekraïne niets te zoeken heeft hier op de Krim. Niet geliefd en niet gewenst. Eerder gehaat zelfs. De Krim is Russisch, zestig jaar Oekraïense invloeden hebben daarop totaal geen invloed gehad. Het is zoals de billboards, waarop Poetin pronkt, zeggen: Россия. Крымь. Навсегда. (Rusland. Krim. Voor altijd.).

 

Friday evening. Nine thirty. The ambiance in the metro is one of happiness. Almost craziness. Instead of the usual silent- looking-to-each-others-feet pose. Young women and slightly older ones sit or stand with colourful bouquets of flowers in their hands. Occasionally, I see a lady with balloons in various colours. They all smile blissfully. It takes me some time before I realize all this is because of the forthcoming international women’s day. It might be that it is only the fourth of March, but it is the last working day before the 8th. As Russia will yet enjoy another long weekend. Indeed, on the occasion of women’s day. And this long weekend has just been kicked off with a party. One in which all female employees have been feted by their bosses and male colleagues. They were put in the spotlight. They were praised with loud voices. They were thanked extensively for their splendid services. They were buried under flowers and alcoholic consumptions. And now they are all here in the metro. It might be that they are a bit tipsy. More obviously, they still enjoy the courtesy and the beautiful words that were spoken to and about them. Clearly they are daydreaming about how great life could be if it would be women’s day every day.

Except women’s day Russia also has a men’s day. On the 23rd of February. Similarities between these two days are hard to find. Women on women’s day expect, from all the man in their (immediate) surroundings, to be congratulated, flowers, attention or a real present. Men on men’s day can consider themselves lucky when they get a pair of socks or some happy underwear. Actually, only men who have served (or still serve) the Russian army are entitled to receive such gifts. All other men can forget about any attention.

The idea behind this must be that life of a man in the Russian army is as troublesome as life of a woman in Russian society. Naturally, women cannot change their fate and destiny. They will have to cope with reality of the Russian social order. But men have options to escape from the horrendous institution called Russian army. In fact, this is what every reasonable thinking man is doing. His utmost to stay far from the accursed Russian army; postponing or cancelling the service by starting (fake) studies, paying a bunch of rubles, talk with influential officials. Everything is allowed and possible. In earlier days men had the chance to be sent to Chechnya. Nowadays it might be Syria. Or any god forgiven place in this immense country. But whenever or wherever they go, every man is always confronted with the whims of their superiors. Both in war zones as in peaceful areas. These whims can be defined as physical and mental mistreatment, disdain, contempt and humiliation. The maltreatment of young recruits is notorious, and regularly young men simply die.

Therefore, it can hardly be called a provocation when I conclude that two years in the Russian army is worse than being a woman a whole life long. Is this why, if men manage to escape from their army duties, they lose the right to be pleased on men’s day? Is this a fair price to pay? Is this the logic of the female mind?

Anyhow, all women that I know in Moscow, and I have to admit, there are quite a lot of them pretend it is women’s day on any given day in the year. They walk around proudly on high heels and in fancy little dresses. They are busy with their career. Drink fruit teas in hip cafes. Chat with their friends while sipping champagne. Spend hours in beauty salons for even redder nails and less hairy bodies. Torture themselves in expensive gyms. Practice yoga to cope with the stress of daily life in Moscow. Visit theatres and exhibitions as often as they possibly can.

At the same time they do expect nothing but courtesy from a man. He should keep the door open. He should take her coat. He should let her go first, wherever they go. Unless, the place is potentially unsafe, then he should go first. He should keep on asking her if she is well and feels comfortably. Regularly he has to tell her that she is pretty and only gets prettier. Naturally, he should please her continuously with small, or even better, bigger presents. And, of course, she expects him to pay the bill in restaurant, theatre or wherever.

And so I decided to boycott women’s day this year. No flowers or kind words from me. No special attention or a new perfume. In case there is a lady that felt treated badly because of my decision, then I apologize sincerely. Next year I will be there again. At least for those who will offer me a pair of socks or some happy underwear on men’s day. And who will please me with a cold beer, warm slippers and a dinner, prepared with love and care, whenever I visit them.