Archive for the ‘USSR’ Category

Met de twee flessen wodka als trofeeën op mijn schoot zoeven we met gezwinde snelheid richting Bag-Chonos. Totdat we ergens rechtsaf slaan. Onmiddellijk mindert de chauffeur, noodgedwongen, vaart. We hoeven overduidelijk niet tot ‘Gat-in-de Grond’ te wachten, alvorens te worden geconfronteerd met gaten in de weg. Laverend tussen kuilen, gaten, ontbrekende stukken of juist opgehoopte brokken asfalt blijven we desondanks in een behoorlijk tempo doorrijden. Kalmuks temperament maakt langzaam rijden waarschijnlijk tot een onmogelijkheid.

De steppe links, rechts en recht vooruit is prachtig. Vlak. Vlakker. Vlakst. Als een Noordoostpolder in het kwadraat. De lucht is blauw, alleen hoog aan de hemel zie ik wat wolken. Alle in de vorm van een wollig schaap. Alsof iemand mij wil vertellen dat het schaap, waarvan ik gisteren het doodvonnis heb getekend, in veelvoud naar het hiernamaals is verdwenen.

142

Na een half uurtje hotseknotsen staat daar plotseling een zwaaiende man. Naast een oude Lada Neva. ‘Pech onderweg.’ ‘Die arme kerel.’ ‘En dat in deze contreien.’ ‘Het zal je maar overkomen.’ Mijn gedachten schokken simultaan aan de stuiterende Hyundai. Per slot van rekening, zo’n Neva staat niet meteen bekend als betrouwbaar en solide. Maar mijn zelfbedachte theorieën kloppen geenszins. Want Valeri, zoals de zwaaiende man blijkt te heten, is onze gastheer vanavond en vannacht. Een grimas van oor tot oor verraadt dat hij in een bijzonder goede bui is. Wat nog eens bevestigd wordt wanneer hij mij, van louter plezier, hardhandig op mijn schouder slaat.

Hij stapt in zijn Neva. Gebaart dat we hem moeten volgen. Schakelt naar een niet vermoede versnelling. En stuift op weg. De Hyundai is kansloos tegen zoveel geweld en snelheid. Valeri stuift over de steppe als ware hij een saiga-antilope. In een ommezien worden we op grote achterstand gezet. Maar goed dat het hier vlak is, anders waren we alsnog hopeloos verloren geraakt. Gefrustreerd verzucht onze chauffeur dat, bij gebrek aan een airco, de hitte in die Neva zeer waarschijnlijk ondraaglijk moet zijn.

Een slordige twintig minuten later stappen we uit bij een boerderij. Idyllisch gelegen in absoluut niemandsland. Niets of niemand in de buurt, behalve honderden kalkoenen, kippen en varkens. Ook ontwaar ik één paard. Ze snateren, kakelen en knorren dat het een aard heeft. Alsof de gehele dierenwereld in een staat van paniek verkeert. Wellicht omdat gisteren dat schaap hier het leven liet? Alleen het paard is stil. Het edele en stijlvolle dier verwerkt haar emoties in stilte. Te midden van deze drukte maak ik kennis met Anatoli, de boerenknecht. Een man van geen woorden, zoals ik later vandaag en vanavond zal ondervinden.

Vooraleer het eet- en drinkgelag kan starten, is er nog werk aan de winkel. De koeien, die ergens op de steppe grazen, zijn volgens Valeri veel te ver van huis. Het lijkt met koeien wel hetzelfde als met mensen. Alsof het gras aan de andere kant van de steppe groener en sappiger zou zijn. Ik stap bij Valeri in de Neva, inmiddels voorbereid op de duivelse snelheden die hij hiermee weet te bereiken. We hobbelen over een niet bestaande weg richting zijn kudde. Hier aangekomen manoeuvreert hij zijn Neva als een cowboy van links naar rechts. Onderwijl zijn claxon gebruikend als lasso. De koeien, blijkbaar gewend aan deze show, luisteren gedwee. Valeri glimlacht als een cowboy. Zijn dagtaak is volbracht. Hoogste tijd voor de drank en de spijzen.

144

Valeri duikelt bij thuiskomst twee glazen en één koffiemok ergens uit een kast. In alle drie schenkt hij een fikse scheut wodka. Zijn allereerste buitenlandse gast, Russen niet meegerekend, verdient een speciale behandeling en, bovenal, een heleboel wodka. We proosten. Op de steppe. Schenken een nieuwe ronde. Proosten. Op Nederland. Een derde ronde. Een derde toost. Op de nieuwe vriendschap. Plotsklaps kijkt Valeri nog enthousiaster. Die buitenlander, die moet voorgesteld worden aan zijn familie. Zij wonen niet hier op de boerderij. Maar ergens verderop in ‘Gat-in-de-Grond’. Zo’n bezoekje heeft bovendien als voordeel dat we meer wodka kunnen inslaan. Want die twee meegebrachte flesjes, dat is zeker weten onvoldoende.

Na drie wodkaatjes stuitert die Kalmukse steppe een stuk minder. Bovendien, Valeri rijdt ook niet meer zo snel. Toch zijn we in een ommezien bij hem thuis, waar een vracht familie glimlachend op ons staat te wachten. Aan de keukentafel maak ik kennis met zijn vrouw, zonen, dochters, kleinzonen en kleindochters. Terstond staat er kaas en worst op tafel. En omdat ik er ben, ook een flesje wodka. Weer drinken we drie glazen. Weer toosten we drie keer. Volgens mij op familie, familie en nogmaals familie. Met een nieuwe voorraad wodka op de achterbank vangen we de terugtocht aan. Valeri biedt mij aan te rijden. Maar ik weiger. Mijn hoofd tolt en ik ben zeker dat ik ergens iets zal raken. Ook al is er niets dan leegte.

Terug op de boerderij is er vlees. Vlees van mijn schaap. In allerlei gedaanten en varianten. Gekookt. Gebraden. Maar de ‘gekürde’ versie komt niet op tafel. Twijfel over de juiste manier van bereiding en de komst van een buitenlander maakten Valeri en Anatoli te onzeker. Bang dat het mij niet zou smaken. Ter compensatie krijg ik enorme hoeveelheden wodka geserveerd, terwijl we praten over appels en over varkensrassen. Tussendoor bid ik tot de boeddha dat Valeri en Anatoli, net als zoveel andere Aziaten, niet bestand zijn tegen zoveel alcohol. En mijn gebeden worden verhoord. Want na een wodkaatje of vijftien vallen ze allebei simpelweg om. Letterlijk onder tafel gedronken door die lange Nederlander.

Na twee dagen in Elista, heb ik sterk de indruk dat de Kalmukken zich maar wat graag terugtrekken in hun betonnen huizen. Samenscholen in verouderde winkelcentra. Rondstruinen in het centrale park. Een bezoekje brengen aan hun prachtige boeddhistische tempel. Of een waterpijp roken in het hipste café van de stad. Hun nomadische inborst lijkt definitief plaats te hebben gemaakt voor grootstedelijk vertier. De kuddes schapen en geiten te zijn vervangen door modieuze schoentjes en glimmende iPhones. Gerechten als ‘Semdzin’ (lever gewikkeld in vet) of ‘Dotur’ (soep bereid met de ingewanden van een schaap) allang overvleugeld door het immens populaire sushi.

Toch zie ik de ogen van Elza schitterend oplichten wanneer ik haar vertel heel graag eens kür te willen eten. Ze glimlacht op verrukkelijke wijze wanneer ik zeg nieuwsgierig te zijn naar dit typische Kalmukse gerecht. Terstond belt ze haar moeder om de Kür-voorbereidingen in gang te zetten. Kür, het zal waarschijnlijk geen enkel belletje doen rinkelen, maar een Kalmuks hart klopt hiervan spontaan een heel stuk sneller.

Kür, ik zal het maar verklappen, is een traditioneel gerecht dat oorspronkelijk door herders werd gegeten. Weken-, zo niet maandenlang waren zij van huis. Omringd door niets anders dan de immense steppe, en duizenden schapen en geiten waarover zij hoedden. Altijd kwam er dan een dag waarop zij al het van huis meegebrachte voedsel hadden verorberd. Of dat zij de aanwezigheid van al dat potentiële malse vlees rondom niet langer konden aanzien. Zomaar een schaap of geit slachten en deze op een vuurtje roosteren, was echter geen optie. Plotseling opduikende eigenaren zouden het net gedode dier zonder pardon in beslagnemen. En de daders zeer waarschijnlijk zwaar straffen. Dus bedachten de herders een list. In vijf eenvoudige stappen, maar met een verbluffend resultaat. Eén: ze groeven een kuil. Twee: ze slachtten een schaap. Drie: ze propten al het vlees (en de rest) in de maag van het geslachte dier. Vier: ze plaatsten de maag met inhoud in de kuil en dekten die netjes toe met een laagje zand. Vijf: ze maakten precies op die plek een vuur, zogenaamd om hun koude handen te verwarmen. Daarna was het slechts een kwestie van geduldig wachten. Vierentwintig uren om precies te zijn, zoveel tijd was nodig om het vlees gaar te laten sudderen, alvorens het feest kon losbarsten.

Dit gerecht heb ik dus zojuist besteld bij Elza. Gelet op het bovenstaande stappenplan mag het duidelijk zijn dat ik niet eerder dan morgen van de kür zal kunnen proeven. Elza spreekt inmiddels bijna voortdurend met haar moeder, die overduidelijk enorm enthousiast is over mijn plan. Zo krijg ik te horen dat ik een heel schaap moet kopen. Van een boer uit Bag-chonos – wat zoveel betekent als ‘Kleine Wolven’ of ook wel ‘Gat-in-de-Grond’ – een dorpje zo’n vijftig kilometer van Elista. Een goed Kalmuks schaap van zo’n zeventig kilo, zo leer ik, kost 5000 roebels (rond de € 80). Ik knik dat het prima is en heb daarmee een doodvonnis getekend. Het schaap is van mij en zal morgen op traditioneel Kalmukse wijze aan mij worden geserveerd.

169

Op kür-dag zelf hoor ik rond het middaguur een flinke klop op mijn deur. Elza, haar moeder en een vriendin staan glimlachend en, zo heb ik de indruk, zwaar ongeduldig op mijn stoep. Tijd om te gaan, zo vertellen hun lichamen en hun ogen. Ik stap in een nieuwerwetse Hyundai. Op naar ‘Gat-in-de-Grond’ neem ik aan. Maar dat blijkt toch niet helemaal zo te zijn. Want alvorens de stad te verruilen voor het platteland dienen we eerst nog een overlevingspakket samen te stellen. In de supermarkt kopen we groente, fruit, vruchtensappen, water, thee en toiletpapier. Ik kijk verbaasd. Uiteindelijk is het de bedoeling dat we morgenochtend alweer zullen terugkeren. Maar de ingeslagen voorraden zijn meer dan voldoende om een weeshuis te voeden. En dan te bedenken dat we ook nog een heel schaap mogen verorberen vandaag.   

Alleen met de wodka wil het, tot groot verdriet van een ieder, niet zo vlotten. Vandaag is het hier namelijk de laatste dag van het schooljaar, en om te voorkomen dat de feestvierende scholieren zich zullen bezatten, is Elista volledig drooggelegd. Onzinnige maatregel natuurlijk. Reken er maar op dat die scholieren allang de benodigde drank hebben ingeslagen. De enigen die lijden onder de maatregel zijn wij. Bij elk winkeltje dat wodka zou kunnen verkopen, maant Elza’s moeder de chauffeur te stoppen en stapt zij naar binnen. Maar niet meteen met het gewenste resultaat. Ze is echter vastberaden. Immers, een kür zonder wodka is een bij voorbaat mislukte kür. Uiteindelijk slaagt zij. Natuurlijk. Ergens in een achteraf straatje. Verrukkelijk glimlachend keert zij terug met twee flessen wodka. Het voorspel eindigt met een climax. Benieuwd hoe extatisch de daad zal zijn.

Het stadionnetje van FK Loetsj-Energia Vladivostok, de plaatselijke voetbaltrots, ziet er op deze februaridag troosteloos en rommelig uit. Het speelveld is bedekt onder een flinke laag sneeuw en ijs. De twee tribunes langs de lange zijden van het veld ogen vervallen. Overduidelijk iets te lang verwaarloosd. Een fiks likje verf is wel het minimale waarop ze recht hebben. Ook liggen er her en der planken, stenen en ander bouwmateriaal. Misschien omdat er binnenkort een poging zal worden ondernomen de gehele mikmak hier eens flink op te kalefateren? Of is dit de eerste aanzet tot het bouwen van tribunes achter de doelen? Bij de ingang zie ik een affiche van wat waarschijnlijk de laatste thuiswedstrijd is geweest: FK Loetsj-Energia versus Tjoemen, een stadje ergens in Siberië, zo’n slordige 7000 kilometer westwaarts. Niemand die de moeite heeft genomen alvast een plakkaat op te hangen waarop de eerstkomende thuiswedstrijd staat aangekondigd. Alsof het maar de vraag is of FK Loetsj die enorm lange winterstop überhaupt zal overleven.

Tegenwoordig vertoeft FK Loetsj op het tweede Russische niveau, waar het tamelijk troosteloos in de middenmoot bivakkeert. Maar minder dan tien jaar geleden was dit wel anders. Toen speelde de ploeg op het hoogste niveau. FK Loetsj-Energia was destijds een echte reuzendoder. En dit aftandse stadionnetje waar de kille oceaanwind vrij spel heeft, een onneembare vesting. Dit was de uitwedstrijd waar alle Moskouse ploegen en het Peterburgse Zenit het hele jaar met klotsende oksels over spraken. Niet alleen vanwege het overbruggen van een afstand van zo’n 9000 kilometer en zeven tijdzones. Vooral toch omdat zij wisten dat de spelers van FK Loetsj zich 90 minuten lang als hongerige wolven op hun gejetlagde lichamen en geesten zouden storten.  

De keeper van CSKA verzuchtte ooit, net nadat zijn team met 4-0 was afgedroogd door een ongenaakbaar FK Loetsj, dat wat hem betreft de uitwedstrijd in Vladivostok zou moeten worden geschrapt. ‘Laat ze maar in die Japanse J-league gaan spelen’, was zijn commentaar. Qua logistiek eigenlijk helemaal geen slecht idee, aangezien Japan maar een uurtje vliegen is vanaf Vladivostok.

Die keeper mag natuurlijk klagen, ook in Rusland. Maar eigenlijk heeft hij geen recht van spreken. Het zijn toch vooral de spelers van FK Loetsj zelf die mogen mopperen over vlieguren en tijdzones. Want om de week reizen zij vanuit Vladivostok naar elders in Rusland. Dit seizoen, onder andere, drie keer naar Moskou, twee keer naar Sint Petersburg en één keer naar Kaliningrad, de Russische exclave vlakbij Polen. Zelfs voor de derby van het Oosten, tegen SKA Khabarovsk, moeten zij toch nog 750 kilometers reizen.    

Dat afstand prima overbrugbaar is, bewezen drie doorgewinterde diehard fans van Zenit. Clubliefde en jeugdige gekkigheid maakten dat zij besloten hun team ook in het verre oosten van Rusland te steunen. En zo togen zij op weg. In een oude Honda overbrugden zij de schrikbarende afstand van Sint Petersburg naar Vladivostok. Zo’n 9.500 kilometer over Russische snelwegen, over de Oeral, dwars door Siberië en dan nog een heel stuk rechtdoor. Voor een wedstrijdje van 90 minuten! Gelukkig zagen ze hun team winnen. Dat dan weer wel. Met een blij gemoed begonnen ze dan ook aan de even lange terugreis. Zonder al te veel succes. Al in Vladivostok gaf hun auto er definitief de brui aan. Zoveel kilometers in zo’n korte tijd was te veel voor het Hondaatje. En dus restte ze niets anders dan op de trein te stappen. Een erbarmelijke reis van zeven lange dagen. Ze rolden Sint Petersburg net op tijd binnen om de eerstvolgende thuiswedstrijd van hun helden niet te hoeven missen. Toch kent dit verhaal een happy end. De spelers van Zenit, dusdanig onder de indruk van zoveel clubliefde, schonken deze supporters een nieuwe auto. En die oude Honda? Die staat nu in het museum van Zenit.

FK Loetsj was dus gevreesd en de ambitieuze voorzitter droomde al hardop van Europees voetbal. Tot grote schrik van de UEFA. Vanuit West-Europa is Vladivostok, inclusief een overstap in Moskou, toch snel een uurtje of vijftien verderop. Best kans dat het tijdsverschil en de lange reis FK Loetsj ook in Europa tot een gevaarlijke outsider voor eender welke titel zou kunnen maken. Maar zover zou het nooit komen, want uiteindelijk bleek het team te zwak om te kunnen blijven profiteren van die-einde-van-de-wereld-locatie. Tot groot verdriet van de voorzitter en tot grotere opluchting van de UEFA.

Het is, godbetert, nog geen zes uur. En toch sta ik al naast mijn bed. Net gewekt door het woedende geluid van mijn telefoon. Zo vroeg sta ik thuis bij lange na niet op. Maar vandaag, hier in het bruisende Elista dus wel. Ik slurp een oploskoffie naar binnen. Hap terloops wat van het donkere Russische brood. Tijd voor een uitgebreid ontbijt heb ik niet. Voldoende honger evenmin.

Klokslag zes uur hoor ik een harde klop op mijn voordeur. Tegelijkertijd wenst een luide stem mij ‘goedemorgen’. Alsof mijn vroege bezoeker vreest dat ik nog op één oor lig. Iets te enthousiast, zeker voor de tijd van de dag, ruk ik de deur open en heet Kirsan van harte welkom. Ik ken Kirsan eigenlijk niet. Pas gistermiddag ontmoette ik hem voor de allereerste keer. Op het centrale plein. Ik vroeg hem om een sigaret. We raakten in gesprek en binnen tien minuten nodigde hij me uit vandaag samen een excursie te maken. Ik stemde in, zoals duidelijk mag zijn. En dus is hij deze ochtend mijn gids en chauffeur. Dat we zo vroeg vertrekken, heeft natuurlijk een reden. Zeer ruim voor het middaguur, zeg maar rond een uur of tien, is het buiten namelijk al niet meer te harden. Dan is er maar één optie, ergens in de nabijheid te verblijven van een goedwerkende airconditioning.

Zo’n 25 kilometer buiten Elista staat een boom. En naar deze boom zijn wij vanochtend onderweg. Hier in Kalmukkië zijn de meeste bomen van een mini-formaat. Net als de bewoners trouwens. Maar dit exemplaar is groot, sterk, oud en stamt wellicht zelfs af van de beroemde bodhiboom in Bodghaya (voor de minder ingewijden, dit is de boom waaronder de boeddha verlichting bereikte). Meer dan voldoende redenen om deze boom heilig te verklaren. Onderweg zie ik vooral glooiende mini-heuvels en verdord gras. Het mag dan nog maar juni zijn, de Kalmukse zon schijnt al zo onbarmhartig dat het gras en het overige groen de ongelijke strijd allang hebben opgegeven.

Kirsan vertelt honderduit over zijn volk, de gewoontes, de rijke cultuur, zijn koeien en vooral over de geschiedenis. Ik heb geen idee of er een top tien van volkeren en turbulente geschiedenissen bestaat, maar indien wel, dan vind ik dat de Kalmukken hierin een topklassering verdienen. Langgeleden vertrokken ze uit het zuiden van Siberië. Volgens sommigen omdat er een gebrek was aan grazige weiden voor hun enorme kuddes schapen. Volgens anderen omdat zij  de dominantie van hun buren, de Mongoolse Dzungar stam, meer dan zat waren. Wat ook de waarheid is, in een gespreid bedje kwamen de Kalmukken bepaald niet terecht.

Allereerst, daar waar sappige graslanden zijn, zijn doorgaans ook mensen en kuddes. Evenzo op de steppes ten westen van de Kaspische Zee en ten noorden van de Kaukasus, de plek waarop de Kalmukken hun oog hadden laten vallen. Na een reis van vele duizenden kilometers waren ze echt te moe om nog langer te zoeken naar maagdelijke weides. Ze hadden nog juist genoeg energie om de Nogai, een Turkssprekend volk, met een fikse dosis geweld naar de Krim te verdrijven. Zo verkregen ze het  alleenrecht alhier. Geen irritante en machtswellustige concurrenten en meer dan voldoende voedsel voor mens en dier. Maar helaas voor een ieder die de Kalmukken een warm hart toedraagt, erg lang duurde deze idylle bepaald niet.

Het is wellicht het lot van alle nomaden. Waarheen ze ook gaan, altijd zijn er volkeren die menen recht te hebben op hetzelfde stukje land. Het is om moedeloos van te worden. Helaas voor de Kalmukken, zij moesten wedijveren met het dominante, arrogante tsaristische Rusland. Een ongelijke en kansloze strijd natuurlijk. En zo werden ze, binnen 25 jaar na aankomst, feitelijk opgeslokt door het machtige Russische rijk. Met alle gevolgen van dien.

Zonder de tsaren te kort te willen doen, het is toch Stalin, inderdaad daar is hij weer, die wat betreft agressie en machtsmisbruik, de kroon spant. Terwijl veel Kalmukse mannen in het Rode Leger dienden en hun leven riskeerden om nazi-Duitsland te verslaan, besloot Stalin de achtergeblevenen te deporteren. Omdat hij ze betichtte van verraad en samenzwering met de vijand. Als vee werden ze afgevoerd naar ver weggelegen oorden. Niet, zoals veel andere volkeren, naar één plek maar verspreid over grote delen van Siberië en Centraal-Azië. Pas na de dood van Stalin, twaalf jaar na de deportatie, werd het ze geleidelijk aan weer toegestaan terug te keren.

Langer dan een decennium elders leven, zonder communicatiemiddelen, het mag duidelijk zijn dat dit niet zonder gevolgen is gebleven. Zo spreken tegenwoordig opvallend weinig Kalmukken nog hun eigen taal. Bovendien, terugkeren naar huis was bepaald niet eenvoudig. Want Jozef zou Stalin niet zijn, wanneer hij niet bedacht zou hebben dat de huizen van de gedeporteerde Kalmukken evengoed zouden kunnen worden bewoond door Russen. Geen idee eigenlijk of al die Russen geheel vrijwillig naar hier kwamen. Feit is wel dat ze nooit meer weggingen. Ook niet toen de Kalmukken terugkeerden.

De Kalmukken, bang voor nieuwe problemen, besloten geen heisa te maken over hun verloren bezit. Het zou immers best kunnen dat dit de nieuwe heersers in het verkeerde keelgat zou schieten. Met alle potentiële gevolgen van dien. In plaats van toestanden te creëren, bouwden ze gewoon nieuwe huizen. Niet in de buurt van de Russen maar elders in het land. Aan integratie hadden ze, logischerwijs, weinig behoefte. Bovendien, er was plek genoeg.

En zo komen we aan bij de boom. Inderdaad, een prachtig exemplaar. De stoepa’s rondom, er staan d’r tien in totaal, zijn nog prachtiger. Om elke stoepa loop ik drie rondjes. Onderwijl denk ik louter positief en wens ik iedereen het allerbeste. En dat is nog best hard werken na al die verhalen van daarnet.

Een droge opsomming van feiten, data en cijfers leert dat het Bajkalmeer niet zomaar een meer is. Feitelijk zijn ze dan ook bepaald niet droog, eerder spectaculair en indrukwekkend. Wat te denken van het feit dat meer dan 20 procent van al het zoetwater op aarde zich in dit meer bevindt; veel meer dan in alle grote meren in de USA en Canada tezamen. Ook is uitgerekend dat het meer zoveel zoetwater bevat dat de gehele wereldbevolking er maar liefst 30 jaar van zou kunnen drinken. Qua oppervlakte, een slordige 31.500 vierkante kilometer, is het ongeveer even groot als België. Lengte? Zo’n 600 kilometer. Breedte? Plusminus 81 kilometer. Maximale diepte? Een fikse 1642 meter. Gemiddelde diepte? Nog steeds zo’n 758 meter.

En over dit immense meer rijd ik nu. Hartje winter is het. Buiten is het een graadje of twintig onder nul. In de minibus is het zeker 45 graden warmer. We maken een excursie rondom Olkhon Island, het grootste eiland in het Bajkalmeer. En dat het ietsje groter is dan Terschelling mag duidelijk zijn: zo’n 70 kilometer van noord naar zuid en ongeveer 8 km van oost naar west.

Eind februari is het meer bedekt met een laag ijs, dik genoeg om een tank te dragen. Spanning dat de minibus, waarin ik zit, door het ijs zal zakken voel ik dan ook niet. Alhoewel, het dient gezegd dat de zoon van de voormalige Oekraïense president Janukovich vorig jaar, tijdens een autorace, onder verdachte omstandigheden in dit meer verdronk. Zijn minibusje zakte wel door het Bajkalijs. Om onduidelijke redenen konden de overige vijf inzittenden gered worden, er wordt hier gezegd dat ze zelfs geen natte voeten gehad zouden hebben. Maar voor de zoon kwam alle hulp te laat. Omdat er voorheen al meerdere mensen uit de entourage van Janukovich op dubieuze wijze waren omgekomen, valt zeker niet uit te sluiten dat dit geen toeval is geweest. Aangezien ik op geen enkele wijze aan Oekraïense politici gelinkt ben, zit ik zorgeloos in de bus.

Af en toe stappen we uit en beginnen we een schuifeltocht over het ijs. Op weg naar een grot waar enorme stalactieten van ijs de ingang versperren. Of we schuifelen naar het noordelijkste puntje van het eiland, voor het beste uitzicht over het noordelijker deel van het meer. Daar waar  geen ijswegen meer zijn, simpelweg omdat er geen – of althans bijna geen – mensen wonen. Slechts vissers wagen zich ten noorden van Olkhon Island. Voor de rest regeert hier de natuur.

In het grootste dorp op het eiland, met 1300 zielen niet bepaald meer dan een gehucht, vind ik een onderkomen voor de nacht. De uitbaatster van het etablissement glimlacht verrukt wanneer ze mijn roestig Russisch hoort. Maar goed ook trouwens dat ik enigszins Russisch spreek, want haar Engels beperkt zich tot een ‘thank you’ en een ‘goodbye’.

IMG_8570    IMG_8563

Een kop thee, huisgemaakte koekjes en een flink opgestookte houtkachel zijn mijn welkom. Het is er aangenaam warm. Niet snikheet zoals in veel andere Russische huizen, maar prettig. Na de thee krijg ik een rondleiding door het huis. In de woonkamer zie ik een enorme TV waarop Shrek speelt. Moderniteit in Verweggistan. De gids had eerder al verteld dat pas sinds 2005 elektriciteit gemeengoed is op het eiland. Ook vertelde hij dat de bewoners terstond overgingen tot de aanschaf van TV en schotel. Maar een lampje installeren op het toilet lieten ze achterwege en werd afgedaan als volkomen overbodige luxe. Trouwens, het toilet hier is prachtig. Heerlijk verwarmd middels een kachel. Er is zelfs een speciale wifi aangelegd. Alleen, het bevindt zich ergens diep in de tuin op minimaal 50 meter afstand van het warme huis. Dat wordt een avond zonder bier neem ik mezelf stante pede voor. Stel je voor dat ik vannacht een keer of twee de gang naar het toilet moet maken? In het pikkedonker en met minus 20 graden of meer op de teller. No way. En uit het raam piesen, zoals ik vroeger op de koude boerderij nog wel eens deed, is evenmin een optie. Het raam wil namelijk niet open.

Na de thee loop ik door het dorp. Uitgestrekte straten zonder mensen. Ik slenter rond, geniet van de lucht, de zonsondergang, de kleuren, de stilte, de kou, de besneeuwde straten en het uitzicht over het fantastische meer. In de jachthaven liggen een tiental boten. Totaal vastgevroren. Het is wachten op de lente alvorens zij kunnen uitvaren.

Mannetjes rondom een Oazis (een Russische jeep) wenken naar me. Nieuwsgierig loop ik naar ze toe. Het zijn Boerjatiërs, op Mongolen gelijkende Russen, die vooral in de naburige republiek Boerjatië wonen. Ze hebben overduidelijk al flink van de wodka gesnoept. Dit zie ik niet alleen aan hun ogen en gedrag maar ook aan de twee lege flessen wodka die op de motorkap staan. Ze nodigen me uit voor een glaasje en een ritje. Het glaasje accepteer ik. Geen best spul, concludeer ik. Het smaakt in ieder geval belabberd. Maar het ritje weiger ik. Er is weliswaar weinig kans op ongelukken op het ijs. Daarvoor is er te weinig verkeer of andere obstakels. Maar met een dronken Boerjatiër als chauffeur over het Bajkalijs lijkt me een te slecht plan. Dus loop ik door. Niet veel verderop verstoort een jongeman de stilte met zijn zijspanmotor. Met brullende motor rijdt hij rondjes over het ijs. Telkens een nieuwe passagier verblijdend. Onder hun dikke mutsen en in hun enorme jassen zie ik ze allemaal breeduit glimlachen. Ook hij nodigt mij uit voor een ritje. Maar opnieuw weiger ik. Te weinig kledij om mijn lijf. Ik vrees afgevroren tenen en vingers en zelfs m’n edele delen zouden wel eens ten onder kunnen gaan aan de kou.

IMG_8579 IMG_8585

Heb geloof ik wel vier kilo kledij om mijn lijf en op mijn hoofd. Shirt, nog een shirt, nog één, trui, jas, gebreide sjaal, handschoenen, muts, onderbroek, lange onderbroek, broek, twee paar sokken. En enorme schoenen. Al vijftien minuten sta ik op de afgesproken plek. Op het afgesproken tijdstip. Maar mijn afspraak laat me wachten. In de bijtende kou van Irkoetsk. De kou is al door bijna alle lagen kleding gedrongen en rukt nu aan de laatste laag. Een hemd, godbetert. Zo’n sexy witte. Een ongelijke strijd.

Nog steeds hoopvol maar vooral bibberend kijk ik naar elke passerende auto. Geen enkele stopt. M’n blauwe lipjes mompelen een vloek. Ergens in de berg kledij hoor ik het geluid van mijn telefoon. Met m’n bevroren vingers peuter ik deze tevoorschijn. Het is Boris, mijn afspraak, die spreekt. Hij verontschuldigt zich uitgebreid voor zijn late aankomst. Iets over een auto die niet wilde starten. Twee minuten later staat Boris voor m’n ongetwijfeld rode neus. Hij heet me grijnzend welkom in de voorverwarmde auto. Vraagt of ik koud ben. Schenkt als antwoord gloeiend hete thee in een beker. Maakt tien keer excuses. Ik wil hem woedend antwoorden, maar reageer met een grimas en een ‘valt wel mee’. Zal nog wel vaker kou lijden de komende dagen. Laat ik dit kwartiertje maar beschouwen als een leuke opwarmer en er voor de rest geen woorden aan vuil maken.

Siberië, het mag duidelijk zijn, doet zijn imago eer aan. Het is hier inderdaad bitter koud. Maar leeg, stil en rustig – ook standaard associaties bij Siberië – is het in Irkoetsk bepaald niet. Het is hier best druk en levendig. Met ruim een half miljoen inwoners eigenlijk ook best logisch. Zou je Irkoetsk naar Nederland verplaatsen dan is het zomaar, na Amsterdam en Rotterdam, de derde stad van het land. En dan is Irkoetsk nog niet eens de grootste stad van Siberië. Die eer gaat naar Novosibirsk, dat maar liefst 2,7 miljoen inwoners telt.

Goed, de kou is vergeten en de drukte kan me totaal niet schelen. In rap tempo warm ik op. Boris verhaalt ondertussen over de kou en de invloed op motoren. Over de rit naar het Bajkalmeer, de lunch, de staat van de weg. Terwijl op de achtergrond, godbetert, Modern Talking klinkt! Zal dat hier nog in de top tien staan? Of is het bedoeld om mij op mijn gemak te stellen? Ik laat Boris praten en zing tegelijkertijd in stilte ‘You’re my heart, you’re my soul’. Ik dacht altijd een hekel te hebben aan deze twee Duitsers, maar ik moet nu toch opbiechten dat ik in een opperbeste stemming geraak. Kan ook zijn omdat de verhalen van Boris me bekoren. Of omdat mijn lichaamstemperatuur weer richting normale waarden gaat. Terwijl buiten de stad langzaam plaats maakt voor Siberisch platteland, ontdoe ik mij van jas en sjaal. Terwijl de wegen langzamerhand leger raken, ontdoe ik mij van trui en een shirt. Blijkbaar geldt hetzelfde voor auto’s als voor huizen hier. Des te kouder buiten, des te warmer binnen.

We rijden inmiddels een uurtje of drie over dezelfde lange rechte weg. Volgens mij hebben we precies één keer een afslag genomen. Gelukkig hebben de heren van Modern Talking, op mijn verzoek, plaats moeten maken voor wat Russische krakers. Stukken beter. Al is het thema identiek, ook hier gaat het vooral over ‘harten’, ‘liefde’ en ‘zielen’. Voor het overige is er niet veel veranderd. Binnen is het heet, buiten is het stervenskoud. Net nog ondervonden, toen we een excursietje maakten naar een heuvel waar wat petrogliefen in rotsen waren gekerfd. Best leuk en interessant eigenlijk. Alleen, die wind maakte dat het aanvoelde als minus 40 ofzo. En dus was ik blij dat Boris vrij snel een einde breide aan ons uitje.

IMG_8672   IMG_8610

Dan slaan we plotseling linksaf. En achteloos rijden we het ijs op. Van het Bajkalmeer. Zonder te dralen, zonder af te remmen. Alsof de weg niet ophoudt. Alsof het normaal is in een minibus over het Bajkalmeer te rijden. Ik had half en half verwacht dat we stapvoets over het ijs zouden moeten rijden. Maar blijkbaar hebben Russische winterbanden voldoende grip. Ook op het ongetwijfeld gladde Bajkalijs. De weg is aangegeven middels houten palen die om de honderd meter aan weerszijden in het ijs zijn geslagen, is breder dan een gemiddelde vierbaansweg en heeft een middenberm die minimaal 50 meter meet. Van tegenliggend verkeer zullen we dan ook geen last krijgen. Af en toe staat er zelfs een stopbord, wanneer het ijs te slecht is en er volgens de Bajkalverkeersdienst dient te worden afgeremd. Niet dat de chauffeur stopt overigens. Hij kijkt niet op of om, blijft onverstoorbaar doorgaan.

In de verte zie ik Olkhon Island, onze bestemming, al liggen. Zo’n acht kilometer verderop. Met deze snelheid duurt ons ritje niet veel langer dan tien minuten. Maar tot mijn grote vreugde parkeert de chauffeur, ergens halverwege, de auto aan de kant van de weg. Vriendelijk word ik uitgenodigd uit te stappen en rond te lopen. Ik verwonder me over de enorme scheuren. Over het dikke ijs. Het heldere water. Als een schooljongen ren ik rond. Laat me op mijn rug vallen en glijd als een rodelaar over het ijs. De kou, het is toch rond de minus 20 graden voel ik totaal niet. De wind, het waait toch een windkrachtje 4 tot 5 schat ik, met mijn Jan Pelleboer-instinct, in deert me evenmin. Warm ben ik. Van de opwinding. Van de wandeling over het Bajkalmeer.

IMG_8598  IMG_8622

Hier zit ik dan op het dakterras van het Palmyra Palace. Een alleraardigst hotel in Jalta. Van die Kalasjnikovs, lynchpartijen en treurnis is voorlopig niets te merken. Eerder het tegenovergestelde. De zon schijnt uitbundig, de Zwarte Zee glinstert uitnodigend, de palmbomen wuiven zachtjes in de wind. De maaltijd van verse steak en een nogal zoetig lokaal wijntje maken het vakantiegevoel compleet.  

Ben net terug van een wandeling door het centrum van Jalta. Eerlijk gezegd, op het eerste gezicht leek het nogal op een Mediterrane badplaats. Ook hier een boulevard met winkels vol prullaria. Kermisachtige attracties. Terrassen, cafés, bars. Onder het toeziend oog van Lenin, dat dan weer wel. Zoals altijd en overal in Russische steden, kijkt hij stoer en streng vanaf zijn sokkel toe op het kapitalisme rondom. Om hem te treiteren hebben de lokale autoriteiten besloten recht voor zijn neus een McDonald’s te bouwen. Wellicht de reden dat hij behalve stoer en streng ook wat sikkeneurig kijkt. Overigens, de karakteristieke McDonald’s ‘M’ siert dan wel het straatbeeld, hier een Big Mac bestellen zit er niet in. De tent is gesloten. Als onderdeel van de Westerse sancties. Niet dat McDonald’s alle restaurants in heel Rusland heeft gesloten. Nee, natuurlijk niet. Dat zou te veel impact op het bedrijfsresultaat hebben. Alleen dit ene restaurant is gesloten. Dus moet ik de Krim zien te overleven zonder de consumptie van die ranzige burgertjes. Moet welhaast lukken. Lastiger zijn de consequenties van een soortgelijk, en even dubieus besluit, van Mastercard. Hier op de Krim kan ik mijn creditcard niet gebruiken. Niet om te pinnen. Niet om te betalen in restaurant of hotel. Geblokkeerd vanwege de Westerse sancties. Ik loop dan ook rond met een flinke stapel vers knisperende bankbiljetten. Met diezelfde creditcard uit een Moskous pinautomaat getrokken. Toch, ik kan me maar moeilijk voorstellen dat Poetin en de zijnen echt onder de indruk zijn van zulke maatregelen. Het lijkt meer een manier om de Krimse bevolking te straffen. En de sporadische Westerse toerist te pesten.

41f

Volgens de Russische propagandamachine stemde maar liefst 96,6% van de bevolking voor aansluiting bij Rusland. Eerlijk gezegd, zo’n meerderheid lijkt zeer onwaarschijnlijk. Vooral omdat ook nog wordt geclaimd dat ruim 80% van de bevolking heeft gestemd. Terwijl het percentage Russen op de Krim rond de 60 ligt, de rest bestaat vooral uit Krim-Tartaren en Oekraïners. En die laatste twee groepen staan niet meteen te springen op aansluiting bij Rusland. Tegelijkertijd, volgens Westerse media is het op het schiereiland kommer en kwel. Is de annexatie een schande voor de wereldvrede in het algemeen en de Krimse bevolking in het bijzonder.

Wat is waar? Wie heeft gelijk? Ik heb alvast geen idee. Maar wil het evengoed wel weten. Dus heb ik besloten mijn eigen, niet-representatieve, steekproef te organiseren. Hoe? Ik combineer het bestellen van een kopje koffie met de vraag wat de verkoper vindt van de aansluiting van de Krim bij Rusland. Hetzelfde wanneer ik een ijsje koop. Een fles bier bestel. Een taxi neem. Een museum bezoek.

Op deze manier heb ik de afgelopen dagen heel wat mensen naar hun mening gevraagd. En ik mag alvast verklappen, de reacties waren niet bepaald divers. Slechts één iemand mopperde een ‘nee’; niet geheel toevallig een Krim-tartaar die bij het paleis van de Khan in Bakhchisaray op een bankje zat te zonnen. Alle anderen mompelden iets positiefs of staken uitgebreid de loftrompet over Poetin en de annexatie. Een aantal souvenirverkopers wees trots naar de afbeeldingen op de T-shirts die zij verkochten. Een man gekleed in een Russische vlag die een man gekleed in de Amerikaanse vlag van achteren neemt. Met als begeleidende tekst op het T-shirt ‘dit is wat wij met jullie sancties doen’. Anderen praatten over investeringen en dat Rusland haar uiterste best doet en zal blijven doen van de Krim opnieuw een Russisch paradijs te maken. Van de Oekraïne moet niemand iets weten trouwens. Corrupt land met corrupte leiders. Dat Chroesjtsjov, in 1954, het schiereiland cadeau deed aan de Oekraïne werd afgedaan als een dronkemansactie. Dommigheid van een zuiplap. Ook het  plan dat de Oekraïense regering ooit lanceerde om het Oekraïens als nationale taal in te stellen, werd door menigeen flink verketterd. Het Russisch was, is en blijft hier de voertaal.

324

Mijn niet-representatieve conclusie op basis van mijn niet-representatieve enquête is dat Rusland ongetwijfeld met de cijfers heeft gesjoemeld. Al is dit, eerlijk gezegd, geen conclusie die ik mag trekken op basis van mijn onderzoek. Het is gebaseerd op mijn eigen vooringenomenheid en mijn oprechte twijfel over percentages van boven de 96 procent. Wel durf ik te stellen dat de Oekraïne niets te zoeken heeft hier op de Krim. Niet geliefd en niet gewenst. Eerder gehaat zelfs. De Krim is Russisch, zestig jaar Oekraïense invloeden hebben daarop totaal geen invloed gehad. Het is zoals de billboards, waarop Poetin pronkt, zeggen: Россия. Крымь. Навсегда. (Rusland. Krim. Voor altijd.).

 

Friday evening. Nine thirty. The ambiance in the metro is one of happiness. Almost craziness. Instead of the usual silent- looking-to-each-others-feet pose. Young women and slightly older ones sit or stand with colourful bouquets of flowers in their hands. Occasionally, I see a lady with balloons in various colours. They all smile blissfully. It takes me some time before I realize all this is because of the forthcoming international women’s day. It might be that it is only the fourth of March, but it is the last working day before the 8th. As Russia will yet enjoy another long weekend. Indeed, on the occasion of women’s day. And this long weekend has just been kicked off with a party. One in which all female employees have been feted by their bosses and male colleagues. They were put in the spotlight. They were praised with loud voices. They were thanked extensively for their splendid services. They were buried under flowers and alcoholic consumptions. And now they are all here in the metro. It might be that they are a bit tipsy. More obviously, they still enjoy the courtesy and the beautiful words that were spoken to and about them. Clearly they are daydreaming about how great life could be if it would be women’s day every day.

Except women’s day Russia also has a men’s day. On the 23rd of February. Similarities between these two days are hard to find. Women on women’s day expect, from all the man in their (immediate) surroundings, to be congratulated, flowers, attention or a real present. Men on men’s day can consider themselves lucky when they get a pair of socks or some happy underwear. Actually, only men who have served (or still serve) the Russian army are entitled to receive such gifts. All other men can forget about any attention.

The idea behind this must be that life of a man in the Russian army is as troublesome as life of a woman in Russian society. Naturally, women cannot change their fate and destiny. They will have to cope with reality of the Russian social order. But men have options to escape from the horrendous institution called Russian army. In fact, this is what every reasonable thinking man is doing. His utmost to stay far from the accursed Russian army; postponing or cancelling the service by starting (fake) studies, paying a bunch of rubles, talk with influential officials. Everything is allowed and possible. In earlier days men had the chance to be sent to Chechnya. Nowadays it might be Syria. Or any god forgiven place in this immense country. But whenever or wherever they go, every man is always confronted with the whims of their superiors. Both in war zones as in peaceful areas. These whims can be defined as physical and mental mistreatment, disdain, contempt and humiliation. The maltreatment of young recruits is notorious, and regularly young men simply die.

Therefore, it can hardly be called a provocation when I conclude that two years in the Russian army is worse than being a woman a whole life long. Is this why, if men manage to escape from their army duties, they lose the right to be pleased on men’s day? Is this a fair price to pay? Is this the logic of the female mind?

Anyhow, all women that I know in Moscow, and I have to admit, there are quite a lot of them pretend it is women’s day on any given day in the year. They walk around proudly on high heels and in fancy little dresses. They are busy with their career. Drink fruit teas in hip cafes. Chat with their friends while sipping champagne. Spend hours in beauty salons for even redder nails and less hairy bodies. Torture themselves in expensive gyms. Practice yoga to cope with the stress of daily life in Moscow. Visit theatres and exhibitions as often as they possibly can.

At the same time they do expect nothing but courtesy from a man. He should keep the door open. He should take her coat. He should let her go first, wherever they go. Unless, the place is potentially unsafe, then he should go first. He should keep on asking her if she is well and feels comfortably. Regularly he has to tell her that she is pretty and only gets prettier. Naturally, he should please her continuously with small, or even better, bigger presents. And, of course, she expects him to pay the bill in restaurant, theatre or wherever.

And so I decided to boycott women’s day this year. No flowers or kind words from me. No special attention or a new perfume. In case there is a lady that felt treated badly because of my decision, then I apologize sincerely. Next year I will be there again. At least for those who will offer me a pair of socks or some happy underwear on men’s day. And who will please me with a cold beer, warm slippers and a dinner, prepared with love and care, whenever I visit them.

Na drie dagen stuiteren op de Pamir Highway is het wel eens tijd om wat te onthaasten en te relaxen. Een dagje lui aan de rand van een zwembad met een prettig cocktailtje in de hand en een uitzicht op strakke vrouwen in kleine bikini’s. Bijvoorbeeld. Of een middagje op een zonovergoten terras met een paar frisse Westmalle Triples, een steak en een fikse sorbet. Zoiets.

Murgab, het mag nauwelijks een verrassing heten, is letterlijk en figuurlijk lichtjaren verwijderd van dit soort vertier en plezier. Een zwembad? De warme douche van vanochtend kostte al flink wat hout en water, beide bepaald niet overvloedig aanwezig alhier. Een cocktail of een tripeltje? Pas na lang zoeken vind ik ergens in een gammele winkel een fles lauw bier. Een malse steak of een sorbet? Verder dan een blikje vlees en een waterijsje in dezelfde gammele winkel kom ik niet.

Maar een uurtje rijden richting de Chinese grens, zo vertelde mijn gastheer me vanochtend bij het ontbijt, bevindt er zich wel een natuurlijke hete bron. De Tadzjiekse variant op onze eigen spa. Zoiets althans. Ook al ben ik doorgaans geen spa-ganger, ik heb me evengoed laten overtuigen. Dus stap ik wederom in een Oazis en hotseknots ik andermaal door het prachtige Tadzjiekse hoogland. Vergeleken met gisteren is de weg zelfs nog een stuk slechter. Van de Pamir Highway naar een Pamir B-weg. Zeg maar.

Een prachtige Kirgiziër, getooid met een typische Kirgizische hoed, wacht ons op. Hij schudt mij stevig de hand, terwijl mijn chauffeur me vertelt dat deze beste man de burgemeester is van dit deel van de vallei. Een heuse hotemetoot derhalve. Ben meteen benieuwd naar zijn verhalen. Maar praten, zo gebaart de burgemeester, is voor later. Eerst moet er gebadderd worden. Hij leidt me naar een kleedruimte en wijst me hoe ik in het hete water geraak. Erg schoon is het er niet, vind ik. Eerder wat viezig. Toch ken ik geen twijfels. Het water is overduidelijk heet, bovendien het schijnt goed voor lijf, leden en botten.

Burgemeester

Na een kwartiertje voel ik me al opmerkelijk frisser en fruitiger. Jammer dat ik geen schoon outfitje heb meegenomen, want nu moet ik mijn oude, ietwat ranzige oude kloffie, weer aan. En zo beland ik in de yurt van de burgemeester. De burgemeestersvrouw is druk in de weer met pannen en potten. Vanzelfsprekend, er staat thee op het menu. Maar ook ovenvers brood, huisgemaakte yoghurt en dito jam. Terwijl ik flinke hoeveelheden van dit alles verorber, vertelt de Kirgiziër over zijn leven. Ooit, ten tijde van de Sovjet-Unie, was hij actief als spion in China. Hij spreekt dan ook vloeiend Chinees. Tegenwoordig is hij met pensioen, en ziet hij met lede ogen aan hoe de Chinezen langzaam maar heel zeker aan landjepik doen. Er mag dan een kilometers lang hek staan op de grens China en Tadzjikistan, deze houdt de Chinezen geenszins tegen. Hij vindt het maar niks, want vertrouwen doet hij die Chinezen voor geen cent. Aan de andere kant, zo hoopt hij, zullen de Chinezen voor meer welvaart zorgen. Want de Tadzjiekse overheid doet al jarenlang alsof ‘zijn’ deel van het land niet bestaat.

Een beetje wijzer, flink schoner en behoorlijk verzadigd gaan we weer op weg. Want er is heus nog meer vertier in de omgeving. Wat te denken van het snelste renpaard van de vallei? In het najaar, wanneer de dieren flink verzadigd zijn van het snoepen van het sappige zomergras, vinden hier talrijke paardenraces plaats. En mijn chauffeur kent, toevallig of niet, de jongeman die al een aantal jaren lang al die races naar zijn hand zet. Met zijn superpaard. De Lightfeet van de Pamir. En ik mag, volgens mijn chauffeur, vast een rondje op zijn rug. En zo stuiteren we naar nog afgelegener oorden.

Na een uurtje zie ik een stenen hut met rondom grazende yaks en schapen, wat slaperige honden en het paard. In de deuropening staan een man, een vrouw en twee kleine kinderen. Ons bezoek mag dan volkomen onaangekondigd zijn, het welkom is evengoed allerhartelijkst. Natuurlijk, mag die grote, zware Nederlander een stukje rijden. Lightfeet wordt stante pede gezadeld en zo zit ik, enigszins gespannen, op de rug van deze snelheidsduivel. Maar dat ik geen Arendsoog ben, blijkt alras. Misschien ben ik te zwaar? Misschien ben ik te onbehouwen? Ik heb geen idee. Wat ik wel weet, is dat ik niet veel sneller ga dan uitermate traag. De jongeman ziet het hoofdschuddend aan en na een aantal minuten verlost hij zowel paard als berijder uit hun lijden. Uiteraard, hij laat nog graag even zien hoe het wel moet. Een simpele beweging met zijn voeten en het paard stuift, in razende galop, over de velden.

Vanzelfsprekend, ook nu staat er weer thee op het menu. Net als ovenvers brood, huisgemaakte yoghurt en dito jam. En wederom verorber ik flinke hoeveelheden van dit alles, onderwijl luisterend naar de prachtigste verhalen. Zo leer ik dat vier schapen evenveel waard zijn als één yak, en vijf yaks één paard opleveren. Maar voor Lightfeet gelden deze rekensommen niet. Hij is van een andere orde en is minimaal 100 schapen waard. 70 waren er al eens geboden, maar dit aanbod was vriendelijk doch resoluut geweigerd. Verder weet ik nu ik dat melk van een yak veel voedzamer is dan van een koe of een geit. En ook dat het zomerse gras op sommige plaatsen zo voedzaam is dat de schapen zich letterlijk doodvreten. Vorig jaar stierven zo zes schapen een tragische dood.

DSC04349                           DSC04333

Ik vraag hem of hij wel eens marco polo schapen ziet. Als antwoord loopt hij naar het keukentje en deponeert een stuk vlees op tafel. ‘Marco polo schaap’, zegt hij, ‘zelf geschoten’. Ik kijk hem verrast aan. Bijna wil ik hem vertellen dat het verboden is deze schapen te schieten. Het is namelijk een bedreigde diersoort, en volgens westerse maatstaven mag hierop niet worden gejaagd. Alleen tegen betaling van zo’n 50.000 dollar wordt er af en toe een ‘afknalvergunning’ verleend aan een of andere rijke westerse patser. Maar ik slik mijn opmerking weg met een slok thee. In deze contreien, waar de natuur wreed is en niet bepaald vrijgevig, is zo’n schaap, die wel tot 220 kilo kan wegen, een geschenk uit de hemel. Eén goed gemikt schot en er ligt voor maanden vlees op de plank. Bovendien, het schijnt nog lekker te zijn ook.

Bij vertrek krijg ik het stuk vlees van het marco polo schaap in mijn handen gedrukt. Ik glimlach verrukt. Vanochtend nog droomde ik van een steak en nu al wacht mij een heus feestmaal.

Uren en uren rijden we al over de M41. Nog steeds klimmen we naar grotere hoogten. Nog altijd wordt het landschap ruiger. Het laatste restje water is inmiddels geconsumeerd en ik realiseer me dat het verstandig is geen pech te krijgen. Want een nachtje op deze hoogte, zonder water en voedsel, is zeker en vast geen sinecure. Kale, kille bergen rondom. Bruingekleurd met tinten grijs. Stenen zo ver het oog reikt, slechts af en toe wat gras of zeer laag struikgewas. Een stormachtige wind doet spierwit, rul zand opwaaien. Ik proef het op mijn tong, voel het in mijn ogen. Blijkbaar zitten er nogal wat kieren en gaten in de Oazis, onze Russische jeep. Het lijkt wel een woestijn op grote hoogte.

Pamir    Pamir

Af en toe stoppen we. Om de jeep wat rust te gunnen. En om de motor te koelen. Echt zorgen maak ik me vooralsnog niet, vooral omdat Zarek, de chauffeur, blijft glimlachen en een uitstraling heeft van ultieme controle. Tegelijkertijd, helemaal gerust ben ik toch ook niet. Vooral het gebrek aan water zit me dwars. Dat was toch wat dommig, te weinig water mee. En water vragen aan medeweggebruikers lukt ook niet. Want die zijn er niet. De enige levende wezens die ik, heel af en toe, zie zijn herders met een flinke kudde geiten en schapen. Op zoek naar grazige weiden. Al vraag ik mij af waar die in hemelsnaam te vinden.

We passeren de Khargush Pass, met 4.344 meter het hoogste punt van de dag. De Oazis puft en zucht maar heeft ons evengoed naar hier gebracht. Van louter plezier geef ik Zarek een high five. Wat een plek. Wat een weg. Wat een natuur. Wat een rit. Vanaf nu mogen we dalen, richting de beschaving van het wilde oosten van Tadzjikistan. Alleen die vermaledijde dorst en inmiddels ook honger gooien geringe hoeveelheden roet in het eten.

Maar dan is daar opeens een checkpoint. Plompverloren neergekwakt in absoluut niemandsland. Een treurige soldaat noteert mijn paspoortgegevens. Op mijn vraag hoeveel auto’s hier passeren, antwoordt hij, al even treurig, ‘tussen de vijf en de tien, maar vandaag zijn jullie de tweede’. En het is al ruim na drie uur, nog een paar uurtjes en het is donker. Op mijn belangrijkere vraag over water en voedsel, antwoordt hij door naar een hut te wijzen, iets verderop. Daar is wel iets te eten en te drinken.

Oazis  Checkpoint

Woedend worden we welkom geheten door een grommende hond. Gelukkig reikt zijn ketting niet veel verder dan een paar meter. Bovendien, er staat opeens een mannetje in de deuropening die al even woedend de hond tot stilte maant. Tegelijkertijd schitteren zijn ogen van plezier. Bezoek! Er is bezoek! Dolblij nodigt hij ons uit vooral binnen te komen, alwaar nog twee mannetjes op krakkemikkige stoeltjes zitten. Meteen wordt een ketel met water op een vuur gezet, ergens een brood opgeduikeld en in no-time drinken we thee en eten we zeer oud en droog brood. De drie mannetjes, twee biologen en een ingenieur, zijn in een dolenthousiaste stemming. In eerste instantie denk ik dat het is vanwege het bezoek. Alras begrijp ik dat het toch vooral is omdat ze al behoorlijk van de wodka hebben gesnoept. Natuurlijk, ze willen dat ook ik drink. Maar ik heb geen zin en weiger beleefd en resoluut. Alleen de uitnodiging om samen te dansen kan ik niet weigeren. En zo swing ik, in een aftandse hut op grote hoogte, op een Tadzjieks muziekje met twee Tadzjiekse biologen.

Terwijl we eten en drinken verhalen de biologen. Over de twee zonnepanelen uit China, die ervoor zorgen dat ze naar een radio kunnen luisteren en een gloeilamp kunnen laten branden. Eén van de twee blijft maar herhalen, als ware het een mantra: ‘zonnepanelen uit China zijn de beste ter wereld’. Wanneer hij vervolgens vertelt dat hij hier is om de wilde dieren te tellen, begin ik wel enigszins te twijfelen. Als hij net zo vaak dubbel telt, als dat hij dubbel vertelt… Het verbaast mij dan ook niet dat het goed gaat met het Marco Polo schaap in deze contreien. Toen de Russen het hier nog voor het zeggen hadden, was er van de natuur niet veel meer over. Maar inmiddels gaat het dus een stuk beter. Volgens de bioloog is dit ook te danken aan het feit dat hij een specialist is in Marco Polo schapen.

Met een ferme omhelzing en een voorzichtige zoen nemen we afscheid. Zelfs de hond lijkt opeens een stuk minder woedend. Op naar meer stenen, bergen, zand en woedende natuur. Maar het einde is in zicht zegt Zarek, nog een paar uurtjes en we bereiken het betere gedeelte van de Pamir Highway. En dat dit scheelt, is meteen duidelijk. Nog steeds verre van een strak geasfalteerde snelweg rijdt het inderdaad een heel stuk florissanter dan voorheen. En zo rijden we plotseling met gezwinde spoed richting Murgab, naar het wilde oosten van Tadzjikistan.