Een droge opsomming van feiten, data en cijfers leert dat het Bajkalmeer niet zomaar een meer is. Feitelijk zijn ze dan ook bepaald niet droog, eerder spectaculair en indrukwekkend. Wat te denken van het feit dat meer dan 20 procent van al het zoetwater op aarde zich in dit meer bevindt; veel meer dan in alle grote meren in de USA en Canada tezamen. Ook is uitgerekend dat het meer zoveel zoetwater bevat dat de gehele wereldbevolking er maar liefst 30 jaar van zou kunnen drinken. Qua oppervlakte, een slordige 31.500 vierkante kilometer, is het ongeveer even groot als België. Lengte? Zo’n 600 kilometer. Breedte? Plusminus 81 kilometer. Maximale diepte? Een fikse 1642 meter. Gemiddelde diepte? Nog steeds zo’n 758 meter.

En over dit immense meer rijd ik nu. Hartje winter is het. Buiten is het een graadje of twintig onder nul. In de minibus is het zeker 45 graden warmer. We maken een excursie rondom Olkhon Island, het grootste eiland in het Bajkalmeer. En dat het ietsje groter is dan Terschelling mag duidelijk zijn: zo’n 70 kilometer van noord naar zuid en ongeveer 8 km van oost naar west.

Eind februari is het meer bedekt met een laag ijs, dik genoeg om een tank te dragen. Spanning dat de minibus, waarin ik zit, door het ijs zal zakken voel ik dan ook niet. Alhoewel, het dient gezegd dat de zoon van de voormalige Oekraïense president Janukovich vorig jaar, tijdens een autorace, onder verdachte omstandigheden in dit meer verdronk. Zijn minibusje zakte wel door het Bajkalijs. Om onduidelijke redenen konden de overige vijf inzittenden gered worden, er wordt hier gezegd dat ze zelfs geen natte voeten gehad zouden hebben. Maar voor de zoon kwam alle hulp te laat. Omdat er voorheen al meerdere mensen uit de entourage van Janukovich op dubieuze wijze waren omgekomen, valt zeker niet uit te sluiten dat dit geen toeval is geweest. Aangezien ik op geen enkele wijze aan Oekraïense politici gelinkt ben, zit ik zorgeloos in de bus.

Af en toe stappen we uit en beginnen we een schuifeltocht over het ijs. Op weg naar een grot waar enorme stalactieten van ijs de ingang versperren. Of we schuifelen naar het noordelijkste puntje van het eiland, voor het beste uitzicht over het noordelijker deel van het meer. Daar waar  geen ijswegen meer zijn, simpelweg omdat er geen – of althans bijna geen – mensen wonen. Slechts vissers wagen zich ten noorden van Olkhon Island. Voor de rest regeert hier de natuur.

In het grootste dorp op het eiland, met 1300 zielen niet bepaald meer dan een gehucht, vind ik een onderkomen voor de nacht. De uitbaatster van het etablissement glimlacht verrukt wanneer ze mijn roestig Russisch hoort. Maar goed ook trouwens dat ik enigszins Russisch spreek, want haar Engels beperkt zich tot een ‘thank you’ en een ‘goodbye’.

IMG_8570    IMG_8563

Een kop thee, huisgemaakte koekjes en een flink opgestookte houtkachel zijn mijn welkom. Het is er aangenaam warm. Niet snikheet zoals in veel andere Russische huizen, maar prettig. Na de thee krijg ik een rondleiding door het huis. In de woonkamer zie ik een enorme TV waarop Shrek speelt. Moderniteit in Verweggistan. De gids had eerder al verteld dat pas sinds 2005 elektriciteit gemeengoed is op het eiland. Ook vertelde hij dat de bewoners terstond overgingen tot de aanschaf van TV en schotel. Maar een lampje installeren op het toilet lieten ze achterwege en werd afgedaan als volkomen overbodige luxe. Trouwens, het toilet hier is prachtig. Heerlijk verwarmd middels een kachel. Er is zelfs een speciale wifi aangelegd. Alleen, het bevindt zich ergens diep in de tuin op minimaal 50 meter afstand van het warme huis. Dat wordt een avond zonder bier neem ik mezelf stante pede voor. Stel je voor dat ik vannacht een keer of twee de gang naar het toilet moet maken? In het pikkedonker en met minus 20 graden of meer op de teller. No way. En uit het raam piesen, zoals ik vroeger op de koude boerderij nog wel eens deed, is evenmin een optie. Het raam wil namelijk niet open.

Na de thee loop ik door het dorp. Uitgestrekte straten zonder mensen. Ik slenter rond, geniet van de lucht, de zonsondergang, de kleuren, de stilte, de kou, de besneeuwde straten en het uitzicht over het fantastische meer. In de jachthaven liggen een tiental boten. Totaal vastgevroren. Het is wachten op de lente alvorens zij kunnen uitvaren.

Mannetjes rondom een Oazis (een Russische jeep) wenken naar me. Nieuwsgierig loop ik naar ze toe. Het zijn Boerjatiërs, op Mongolen gelijkende Russen, die vooral in de naburige republiek Boerjatië wonen. Ze hebben overduidelijk al flink van de wodka gesnoept. Dit zie ik niet alleen aan hun ogen en gedrag maar ook aan de twee lege flessen wodka die op de motorkap staan. Ze nodigen me uit voor een glaasje en een ritje. Het glaasje accepteer ik. Geen best spul, concludeer ik. Het smaakt in ieder geval belabberd. Maar het ritje weiger ik. Er is weliswaar weinig kans op ongelukken op het ijs. Daarvoor is er te weinig verkeer of andere obstakels. Maar met een dronken Boerjatiër als chauffeur over het Bajkalijs lijkt me een te slecht plan. Dus loop ik door. Niet veel verderop verstoort een jongeman de stilte met zijn zijspanmotor. Met brullende motor rijdt hij rondjes over het ijs. Telkens een nieuwe passagier verblijdend. Onder hun dikke mutsen en in hun enorme jassen zie ik ze allemaal breeduit glimlachen. Ook hij nodigt mij uit voor een ritje. Maar opnieuw weiger ik. Te weinig kledij om mijn lijf. Ik vrees afgevroren tenen en vingers en zelfs m’n edele delen zouden wel eens ten onder kunnen gaan aan de kou.

IMG_8579 IMG_8585

Heb geloof ik wel vier kilo kledij om mijn lijf en op mijn hoofd. Shirt, nog een shirt, nog één, trui, jas, gebreide sjaal, handschoenen, muts, onderbroek, lange onderbroek, broek, twee paar sokken. En enorme schoenen. Al vijftien minuten sta ik op de afgesproken plek. Op het afgesproken tijdstip. Maar mijn afspraak laat me wachten. In de bijtende kou van Irkoetsk. De kou is al door bijna alle lagen kleding gedrongen en rukt nu aan de laatste laag. Een hemd, godbetert. Zo’n sexy witte. Een ongelijke strijd.

Nog steeds hoopvol maar vooral bibberend kijk ik naar elke passerende auto. Geen enkele stopt. M’n blauwe lipjes mompelen een vloek. Ergens in de berg kledij hoor ik het geluid van mijn telefoon. Met m’n bevroren vingers peuter ik deze tevoorschijn. Het is Boris, mijn afspraak, die spreekt. Hij verontschuldigt zich uitgebreid voor zijn late aankomst. Iets over een auto die niet wilde starten. Twee minuten later staat Boris voor m’n ongetwijfeld rode neus. Hij heet me grijnzend welkom in de voorverwarmde auto. Vraagt of ik koud ben. Schenkt als antwoord gloeiend hete thee in een beker. Maakt tien keer excuses. Ik wil hem woedend antwoorden, maar reageer met een grimas en een ‘valt wel mee’. Zal nog wel vaker kou lijden de komende dagen. Laat ik dit kwartiertje maar beschouwen als een leuke opwarmer en er voor de rest geen woorden aan vuil maken.

Siberië, het mag duidelijk zijn, doet zijn imago eer aan. Het is hier inderdaad bitter koud. Maar leeg, stil en rustig – ook standaard associaties bij Siberië – is het in Irkoetsk bepaald niet. Het is hier best druk en levendig. Met ruim een half miljoen inwoners eigenlijk ook best logisch. Zou je Irkoetsk naar Nederland verplaatsen dan is het zomaar, na Amsterdam en Rotterdam, de derde stad van het land. En dan is Irkoetsk nog niet eens de grootste stad van Siberië. Die eer gaat naar Novosibirsk, dat maar liefst 2,7 miljoen inwoners telt.

Goed, de kou is vergeten en de drukte kan me totaal niet schelen. In rap tempo warm ik op. Boris verhaalt ondertussen over de kou en de invloed op motoren. Over de rit naar het Bajkalmeer, de lunch, de staat van de weg. Terwijl op de achtergrond, godbetert, Modern Talking klinkt! Zal dat hier nog in de top tien staan? Of is het bedoeld om mij op mijn gemak te stellen? Ik laat Boris praten en zing tegelijkertijd in stilte ‘You’re my heart, you’re my soul’. Ik dacht altijd een hekel te hebben aan deze twee Duitsers, maar ik moet nu toch opbiechten dat ik in een opperbeste stemming geraak. Kan ook zijn omdat de verhalen van Boris me bekoren. Of omdat mijn lichaamstemperatuur weer richting normale waarden gaat. Terwijl buiten de stad langzaam plaats maakt voor Siberisch platteland, ontdoe ik mij van jas en sjaal. Terwijl de wegen langzamerhand leger raken, ontdoe ik mij van trui en een shirt. Blijkbaar geldt hetzelfde voor auto’s als voor huizen hier. Des te kouder buiten, des te warmer binnen.

We rijden inmiddels een uurtje of drie over dezelfde lange rechte weg. Volgens mij hebben we precies één keer een afslag genomen. Gelukkig hebben de heren van Modern Talking, op mijn verzoek, plaats moeten maken voor wat Russische krakers. Stukken beter. Al is het thema identiek, ook hier gaat het vooral over ‘harten’, ‘liefde’ en ‘zielen’. Voor het overige is er niet veel veranderd. Binnen is het heet, buiten is het stervenskoud. Net nog ondervonden, toen we een excursietje maakten naar een heuvel waar wat petrogliefen in rotsen waren gekerfd. Best leuk en interessant eigenlijk. Alleen, die wind maakte dat het aanvoelde als minus 40 ofzo. En dus was ik blij dat Boris vrij snel een einde breide aan ons uitje.

IMG_8672   IMG_8610

Dan slaan we plotseling linksaf. En achteloos rijden we het ijs op. Van het Bajkalmeer. Zonder te dralen, zonder af te remmen. Alsof de weg niet ophoudt. Alsof het normaal is in een minibus over het Bajkalmeer te rijden. Ik had half en half verwacht dat we stapvoets over het ijs zouden moeten rijden. Maar blijkbaar hebben Russische winterbanden voldoende grip. Ook op het ongetwijfeld gladde Bajkalijs. De weg is aangegeven middels houten palen die om de honderd meter aan weerszijden in het ijs zijn geslagen, is breder dan een gemiddelde vierbaansweg en heeft een middenberm die minimaal 50 meter meet. Van tegenliggend verkeer zullen we dan ook geen last krijgen. Af en toe staat er zelfs een stopbord, wanneer het ijs te slecht is en er volgens de Bajkalverkeersdienst dient te worden afgeremd. Niet dat de chauffeur stopt overigens. Hij kijkt niet op of om, blijft onverstoorbaar doorgaan.

In de verte zie ik Olkhon Island, onze bestemming, al liggen. Zo’n acht kilometer verderop. Met deze snelheid duurt ons ritje niet veel langer dan tien minuten. Maar tot mijn grote vreugde parkeert de chauffeur, ergens halverwege, de auto aan de kant van de weg. Vriendelijk word ik uitgenodigd uit te stappen en rond te lopen. Ik verwonder me over de enorme scheuren. Over het dikke ijs. Het heldere water. Als een schooljongen ren ik rond. Laat me op mijn rug vallen en glijd als een rodelaar over het ijs. De kou, het is toch rond de minus 20 graden voel ik totaal niet. De wind, het waait toch een windkrachtje 4 tot 5 schat ik, met mijn Jan Pelleboer-instinct, in deert me evenmin. Warm ben ik. Van de opwinding. Van de wandeling over het Bajkalmeer.

IMG_8598  IMG_8622

Bloedheet is het hier binnen. Die Russen verwarmen hun appartementen altijd tot sauna-achtige temperaturen. En ik kan aan verwarmingsknoppen draaien wat ik wil, het helpt geen zier. Het blijft heet. Centrale verwarming wordt hier echt centraal geregeld. Alsof er ergens in Irkoetsk een apparatsjik aan de centrale verwarmingsknop draait. Opgeleid met de logica van, des te kouder buiten des te warmer binnen. En omdat het buiten minus 21 graden is, geeft hij nog een extra zwengel aan zijn verwarmingsknop. Met als gevolg dat ik peentjes zweet.

Er rest mij niets anders dan te ontsnappen. Al was ik dat hoe dan ook van plan. Het is per slot van rekening vrijdagavond. En omdat ik morgenochtend al in het vliegtuig naar Moskou zit, heb ik alleen vandaag de kans het nachtleven alhier te verkennen. Dus strijk ik mijn shirtje. Tover mijn dansschoentjes tevoorschijn uit de koffer. En ben op weg.

Eerst maar iets eten, zo lijkt me. Op naar Kochevnik, een Mongools restaurant. Veel exotischer kan een vrijdagavond toch niet beginnen? Bij binnenkomst zie ik dat de tent vol zit met Boerjaten, een op Mongolen lijkend volk dat vooral rondom het Bajkalmeer woont. Ze hebben iets te vieren. Dit is wel duidelijk. De tafels staan boordevol voedsel, wodka, mors, wijn en dergelijke. Ze hebben dikke pret. Ook dat is wel duidelijk. Ik zet mezelf aan een tafel en vraag de dame van dienst wat ik kan bestellen. Nieuw als de Mongoolse keuken voor me is, heb ik werkelijk geen idee. Ze wijst me een gerecht, getiteld ‘All Mongolia’. Het lijkt mij de juiste keuze. Net als het Mongoolse biertje, dat weinig verrassend Dzjengis Khan heet. Alsof ook de Mongolen zelf geen andere Mongool kennen.

Het voedsel is prima, al is het zware kost. Geprepareerd voor de Mongoolse nomaden die, alvorens hun tochten over de steppe te kunnen aanvangen, voldoende calorieën naar binnen dienen te werken. Om de kou te kunnen verdragen. En omdat een volgend maal wellicht lang op zich laat wachten. Met wat fantasie kan ik mijn tochtje naar het Bajkalmeer, waarvan ik net terug ben, als zo’n woeste tocht beschouwen. Drie dagen pap en een schamel belegd plakje brood voor het ontbijt hebben mij hongerig gemaakt als een nomade. Zo hap ik hordes calorieën naar binnen. Gulp de inhoud van drie flinke Dzjengis Khan flessen bier naar binnen en voel me helemaal het mannetje.

Klaar voor de dancing. Dat is wel duidelijk. En nodig bovendien. Met zoveel voedsel in mijn systeem dient er gedanst te worden. Op naar de Boerjatendisco, een koude kilometer verderop. De portier van dienst neemt zijn taak uitermate serieus. Hij fouilleert mijn voorgangster uitgebreid. Roert met een stok kritisch door haar tas. Kijkt haar snibbig aan. Dan mag ze naar binnen. Vervolgens is het mijn beurt. Fouilleren. Zakken legen. Snibbige blik. En een mompelende vraag over ‘narkotiki’. Ik schud van nee, vertel maar niet dat ik Nederlander ben, en mag doorlopen.

Ik zetel me op een van rood skaileer gemaakte bank. De rugleuning is zo hoog dat twee zoenende Boerjaten er probleemloos achter verdwijnen. Dat is althans de gedachte die bij mij opkomt. Zoenen mag, maar dan wel ongezien. Waarom anders zulke leuningen? Met een Heineken op tafel kijk ik uit over de dansvloer. Die volkomen leeg is. Wellicht omdat het nog te vroeg is? Of omdat het morgen, alhoewel zaterdag, bij uitzondering een normale werkdag is?

De dansvloer mag dan leeg zijn, de DJ doet evengoed zijn best het zestienkoppige publiek te vermaken. Amerikaanse en Russische dansplaten volgen elkaar in rap tempo op. Alleen, niemand danst. Totdat een Russische meezinger uit de speakers schalt. Plotsklaps gaat er een deurtje open aan de achterzijde van de dansvloer. Een hele horde Boerjaten stroomt de dansvloer op. Rechtstreeks vanaf de steppe op de dansvloer? Overduidelijk niet. Wel hebben ze hebben al flink van de wodka en dergelijke gesnoept. Overduidelijk wel. Wild enthousiast springen ze rond. Zingen uit volle borst. Eén dame, gekleed in een gele jurk gemaakt van gordijnenstof, wipt met haar fikse bips spontaan mijn biertje van tafel. Ze merkt niets en ik zeg niets. Wat geeft het ook? Per slot van rekening, ik heb genoeg bier gehad. Het is tijd voor wodka.

Na drie plaatjes verdwijnen de Boerjaten even snel als dat ze kwamen. Door dezelfde deur. Ongetwijfeld om meer te drinken en te eten. Maar de ban is gebroken en het publiek, inmiddels ook wat talrijker, danst volop. Jonge meisjes in hippe outfitjes, in ieder geval voor Irkoetsk standaarden, dansen uitdagend. Gadegeslagen door stoer kijkende en voorzichtig heupwiegende mannetjes. Het doet me denken aan vroeger. Aan Just Fancy. Het doet me denken aan nu. Aan Les Jeux d’Hiver. Eigenlijk is het precies hetzelfde. Ook hier wordt gedanst. Gedronken. Geflirt. Gepronkt met lijf en leden. Bij voortduring op het mobieltje geloerd. Irkoetsk mag dan 6540 kilometer verderop zijn, de verlangens zijn eender. Het publiek mag dan gelijken op Dzjengis Khan, hun wensen zijn identiek.

Na wat danspassen op een andere Russische meezinger, die ik evengoed niet ken, een shotje wodka en een glazige blik naar een Boerjatse schone vertrek ik. Op mijn dansschoentjes de koude, donkere nacht in. Ongetwijfeld staat de thermometer lager dan die minus 21 van eerder vanavond.

 

Hier zit ik dan op het dakterras van het Palmyra Palace. Een alleraardigst hotel in Jalta. Van die Kalasjnikovs, lynchpartijen en treurnis is voorlopig niets te merken. Eerder het tegenovergestelde. De zon schijnt uitbundig, de Zwarte Zee glinstert uitnodigend, de palmbomen wuiven zachtjes in de wind. De maaltijd van verse steak en een nogal zoetig lokaal wijntje maken het vakantiegevoel compleet.  

Ben net terug van een wandeling door het centrum van Jalta. Eerlijk gezegd, op het eerste gezicht leek het nogal op een Mediterrane badplaats. Ook hier een boulevard met winkels vol prullaria. Kermisachtige attracties. Terrassen, cafés, bars. Onder het toeziend oog van Lenin, dat dan weer wel. Zoals altijd en overal in Russische steden, kijkt hij stoer en streng vanaf zijn sokkel toe op het kapitalisme rondom. Om hem te treiteren hebben de lokale autoriteiten besloten recht voor zijn neus een McDonald’s te bouwen. Wellicht de reden dat hij behalve stoer en streng ook wat sikkeneurig kijkt. Overigens, de karakteristieke McDonald’s ‘M’ siert dan wel het straatbeeld, hier een Big Mac bestellen zit er niet in. De tent is gesloten. Als onderdeel van de Westerse sancties. Niet dat McDonald’s alle restaurants in heel Rusland heeft gesloten. Nee, natuurlijk niet. Dat zou te veel impact op het bedrijfsresultaat hebben. Alleen dit ene restaurant is gesloten. Dus moet ik de Krim zien te overleven zonder de consumptie van die ranzige burgertjes. Moet welhaast lukken. Lastiger zijn de consequenties van een soortgelijk, en even dubieus besluit, van Mastercard. Hier op de Krim kan ik mijn creditcard niet gebruiken. Niet om te pinnen. Niet om te betalen in restaurant of hotel. Geblokkeerd vanwege de Westerse sancties. Ik loop dan ook rond met een flinke stapel vers knisperende bankbiljetten. Met diezelfde creditcard uit een Moskous pinautomaat getrokken. Toch, ik kan me maar moeilijk voorstellen dat Poetin en de zijnen echt onder de indruk zijn van zulke maatregelen. Het lijkt meer een manier om de Krimse bevolking te straffen. En de sporadische Westerse toerist te pesten.

41f

Volgens de Russische propagandamachine stemde maar liefst 96,6% van de bevolking voor aansluiting bij Rusland. Eerlijk gezegd, zo’n meerderheid lijkt zeer onwaarschijnlijk. Vooral omdat ook nog wordt geclaimd dat ruim 80% van de bevolking heeft gestemd. Terwijl het percentage Russen op de Krim rond de 60 ligt, de rest bestaat vooral uit Krim-Tartaren en Oekraïners. En die laatste twee groepen staan niet meteen te springen op aansluiting bij Rusland. Tegelijkertijd, volgens Westerse media is het op het schiereiland kommer en kwel. Is de annexatie een schande voor de wereldvrede in het algemeen en de Krimse bevolking in het bijzonder.

Wat is waar? Wie heeft gelijk? Ik heb alvast geen idee. Maar wil het evengoed wel weten. Dus heb ik besloten mijn eigen, niet-representatieve, steekproef te organiseren. Hoe? Ik combineer het bestellen van een kopje koffie met de vraag wat de verkoper vindt van de aansluiting van de Krim bij Rusland. Hetzelfde wanneer ik een ijsje koop. Een fles bier bestel. Een taxi neem. Een museum bezoek.

Op deze manier heb ik de afgelopen dagen heel wat mensen naar hun mening gevraagd. En ik mag alvast verklappen, de reacties waren niet bepaald divers. Slechts één iemand mopperde een ‘nee’; niet geheel toevallig een Krim-tartaar die bij het paleis van de Khan in Bakhchisaray op een bankje zat te zonnen. Alle anderen mompelden iets positiefs of staken uitgebreid de loftrompet over Poetin en de annexatie. Een aantal souvenirverkopers wees trots naar de afbeeldingen op de T-shirts die zij verkochten. Een man gekleed in een Russische vlag die een man gekleed in de Amerikaanse vlag van achteren neemt. Met als begeleidende tekst op het T-shirt ‘dit is wat wij met jullie sancties doen’. Anderen praatten over investeringen en dat Rusland haar uiterste best doet en zal blijven doen van de Krim opnieuw een Russisch paradijs te maken. Van de Oekraïne moet niemand iets weten trouwens. Corrupt land met corrupte leiders. Dat Chroesjtsjov, in 1954, het schiereiland cadeau deed aan de Oekraïne werd afgedaan als een dronkemansactie. Dommigheid van een zuiplap. Ook het  plan dat de Oekraïense regering ooit lanceerde om het Oekraïens als nationale taal in te stellen, werd door menigeen flink verketterd. Het Russisch was, is en blijft hier de voertaal.

324

Mijn niet-representatieve conclusie op basis van mijn niet-representatieve enquête is dat Rusland ongetwijfeld met de cijfers heeft gesjoemeld. Al is dit, eerlijk gezegd, geen conclusie die ik mag trekken op basis van mijn onderzoek. Het is gebaseerd op mijn eigen vooringenomenheid en mijn oprechte twijfel over percentages van boven de 96 procent. Wel durf ik te stellen dat de Oekraïne niets te zoeken heeft hier op de Krim. Niet geliefd en niet gewenst. Eerder gehaat zelfs. De Krim is Russisch, zestig jaar Oekraïense invloeden hebben daarop totaal geen invloed gehad. Het is zoals de billboards, waarop Poetin pronkt, zeggen: Россия. Крымь. Навсегда. (Rusland. Krim. Voor altijd.).

 

Friday evening. Nine thirty. The ambiance in the metro is one of happiness. Almost craziness. Instead of the usual silent- looking-to-each-others-feet pose. Young women and slightly older ones sit or stand with colourful bouquets of flowers in their hands. Occasionally, I see a lady with balloons in various colours. They all smile blissfully. It takes me some time before I realize all this is because of the forthcoming international women’s day. It might be that it is only the fourth of March, but it is the last working day before the 8th. As Russia will yet enjoy another long weekend. Indeed, on the occasion of women’s day. And this long weekend has just been kicked off with a party. One in which all female employees have been feted by their bosses and male colleagues. They were put in the spotlight. They were praised with loud voices. They were thanked extensively for their splendid services. They were buried under flowers and alcoholic consumptions. And now they are all here in the metro. It might be that they are a bit tipsy. More obviously, they still enjoy the courtesy and the beautiful words that were spoken to and about them. Clearly they are daydreaming about how great life could be if it would be women’s day every day.

Except women’s day Russia also has a men’s day. On the 23rd of February. Similarities between these two days are hard to find. Women on women’s day expect, from all the man in their (immediate) surroundings, to be congratulated, flowers, attention or a real present. Men on men’s day can consider themselves lucky when they get a pair of socks or some happy underwear. Actually, only men who have served (or still serve) the Russian army are entitled to receive such gifts. All other men can forget about any attention.

The idea behind this must be that life of a man in the Russian army is as troublesome as life of a woman in Russian society. Naturally, women cannot change their fate and destiny. They will have to cope with reality of the Russian social order. But men have options to escape from the horrendous institution called Russian army. In fact, this is what every reasonable thinking man is doing. His utmost to stay far from the accursed Russian army; postponing or cancelling the service by starting (fake) studies, paying a bunch of rubles, talk with influential officials. Everything is allowed and possible. In earlier days men had the chance to be sent to Chechnya. Nowadays it might be Syria. Or any god forgiven place in this immense country. But whenever or wherever they go, every man is always confronted with the whims of their superiors. Both in war zones as in peaceful areas. These whims can be defined as physical and mental mistreatment, disdain, contempt and humiliation. The maltreatment of young recruits is notorious, and regularly young men simply die.

Therefore, it can hardly be called a provocation when I conclude that two years in the Russian army is worse than being a woman a whole life long. Is this why, if men manage to escape from their army duties, they lose the right to be pleased on men’s day? Is this a fair price to pay? Is this the logic of the female mind?

Anyhow, all women that I know in Moscow, and I have to admit, there are quite a lot of them pretend it is women’s day on any given day in the year. They walk around proudly on high heels and in fancy little dresses. They are busy with their career. Drink fruit teas in hip cafes. Chat with their friends while sipping champagne. Spend hours in beauty salons for even redder nails and less hairy bodies. Torture themselves in expensive gyms. Practice yoga to cope with the stress of daily life in Moscow. Visit theatres and exhibitions as often as they possibly can.

At the same time they do expect nothing but courtesy from a man. He should keep the door open. He should take her coat. He should let her go first, wherever they go. Unless, the place is potentially unsafe, then he should go first. He should keep on asking her if she is well and feels comfortably. Regularly he has to tell her that she is pretty and only gets prettier. Naturally, he should please her continuously with small, or even better, bigger presents. And, of course, she expects him to pay the bill in restaurant, theatre or wherever.

And so I decided to boycott women’s day this year. No flowers or kind words from me. No special attention or a new perfume. In case there is a lady that felt treated badly because of my decision, then I apologize sincerely. Next year I will be there again. At least for those who will offer me a pair of socks or some happy underwear on men’s day. And who will please me with a cold beer, warm slippers and a dinner, prepared with love and care, whenever I visit them.

Vrijdagavond. Half negen. Wat een dolle en vrolijke boel is het in de metro. Vrouwen, van jong tot ouder, zitten of staan met fleurige boeketten bloemen in hun handen geklemd. Een enkeling loopt rond met kleurige ballonnen. Ze glimlachen gelukzalig. Het duurt even voordat ik me realiseer dat dit al ter gelegenheid is van internationale vrouwendag. Het is weliswaar pas 4 maart. Maar vandaag was de laatste werkdag voor de achtste. Omdat Rusland wederom gaat genieten van een lang weekend. Ter ere van vrouwendag. Dit lange weekend is zojuist ingeluid met een feestje. Alle vrouwelijke medewerkers zijn uitgebreid gefêteerd door de baas. In het zonnetje gezet. Luidkeels geprezen. Bedankt voor bewezen diensten. Overgoten met bloemen en met drankjes. En nu zitten ze hier in de metro. Enigszins dronken vermoedelijk. Overduidelijk nog na te genieten van de hoffelijkheid en alle mooie woorden. Te dagdromen over hoe mooi het leven zou zijn wanneer het elke dag vrouwendag zou zijn.

Behalve vrouwendag is er ook een mannendag in Rusland. Op 23 februari. Maar overeenkomsten tussen deze twee dagen zijn er niet of nauwelijks. Waar vrouwen op vrouwendag van bijna alle mannen in hun (nabije) omgeving een felicitatie, bloemen, aandacht, een geurtje of een echt cadeau verwachten, krijgen mannen niet meer dan een paar sokken of een lollige onderbroek. Op één voorwaarde, dat je als man in het Russische leger hebt gediend of nog dient. Alle andere mannen hebben het nakijken.

Blijkbaar is de gedachte dat het leven als man in het Russische leger even schrijnend is als het leven van een vrouw in de Russische maatschappij. Daarom ook doet iedere weldenkende man zijn uiterste best uit dat vermaledijde Russische leger te blijven. Uitstel middels (spook)studie, een stapel roebels, babbelen met invloedrijke hoogwaardigheidsbekleders. Alle middelen zijn geoorloofd. In vroeger tijden liep je de kans in Tsjetsjenië te belanden. Tegenwoordig kom je wellicht in Syrië terecht. Of ergens in een uithoek van dit immense land. Maar altijd ben je overgeleverd aan de grillen van je meerderen. Ook in vredestijd. Kort samengevat zijn die grillen te definiëren als fysieke en mentale mishandeling, minachting, verachting en vernedering. De ontgroening is berucht en regelmatig laten jonge rekruten het leven. Het is dan ook weinig provocerend te concluderen dat het erger is twee jaar man te zijn in het Russische leger dan een leven lang vrouw.

Sowieso, alle vrouwen die ik ken in Moskou, en dat zijn er best veel, leven alsof het het hele jaar vrouwendag is. Ze lopen parmantig rond op hoge hakken en in opzichtige jurkjes. Ze zijn druk bezig met hun maatschappelijke carrière. Drinken fruitthee in hippe cafés. Babbelen met vriendinnen onderwijl nippend van een glas champagne. Spenderen uren in schoonheidssalons voor nog rodere nagels en nog haarlozere lichamen. Tuchtigen zichzelf in dure sportscholen. Doen aan yoga om de Moskouse stress het hoofd te kunnen bieden. Pikken links en rechts een theater of een tentoonstelling mee.

Tegelijkertijd verlangen zij niets anders van een man dan hoffelijkheid. Eén die de deur openhoudt. Haar jas aanneemt. Haar voor laat gaan. Tenzij het potentieel gevaarlijk is. Dan mag hij als eerste. Haar bij voortduring vraagt of ze zich prettig en behaaglijk voelt. Haar met regelmaat vertelt dat ze mooi is en steeds mooier wordt. Haar bij voortduring pleziert met een klein, of beter nog, een groot cadeau. En natuurlijk verwacht zij dat een man de rekening betaalt in restaurant, theater of waar dan ook.

En dus heb ik besloten dit jaar vrouwendag te boycotten. Geen bloemen of lieve woorden. Geen speciale aandacht of een nieuw geurtje. Mocht er een dame zijn die zich hierdoor benadeeld voelde, dan bied ik haar mijn oprechte verontschuldigingen aan. Volgend jaar ben ik weer van de partij. Mits ik een paar sokken of een lollig onderbroekje ontvang op mannendag. En mits ik het komende jaar, wanneer ik op bezoek kom, standaard word verblijd met een gekoeld biertje, voorverwarmde pantoffeltjes en een met liefde gekookt feestmaal.

Nieuws, het komt en gaat. Wat horen we tegenwoordig eigenlijk nog over de Krim? Bitter weinig. Verdrongen door belangrijker zaken als de vluchtelingencrisis en de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar een paar maanden geleden domineerde de Krim, en zeker oostelijk Oekraïne, het nieuws. Toen was het er gevaarlijk. De mensen waren er ontstemd over de annexatie. De bevolking was verheugd over de Westerse reactie en de sancties opgelegd aan Rusland. Alles ademde treurnis. De Kalasjnikovs regeerden. Toen was de Krim een plek om te mijden. Als de pest. Zo ongeveer kan ik de berichtgeving in de westerse media samenvatten. En zo reageert mijn omgeving ook wanneer ik vertel dat ik met eigen ogen wil zien wat er gebeurt op de Krim. Vragende blikken. Enig hoofdschudden. Soms ronduit afwijzend. Zelfs een ‘wil-je-dood-vraag’ is mijn deel.

Op mijn beurt schud ik mijn hoofd. Geenszins ben ik zoiets van plan. Maar dat deze reacties mij overtuigen thuis te blijven is evengoed een illusie. Natuurlijk niet. Ik ben het namelijk zat te moeten horen dat de media overal ter wereld propaganda verkondigen. Behalve de onze. Ik erger me aan de eenzijdige berichtgeving van de Nederlandse media. Ik ben het beu te moeten luisteren naar bestuurders en leiders met bekrompen wereldse denkbeelden. Naar mannetjes en vrouwtjes die meningen ten gehore brengen over oorden waar ze nog nooit zijn geweest. Alsof zij het allemaal snappen. Alsof zij precies weten hoe de bevolking op de Krim denkt. Ik irriteer me aan het voortdurende prediken dat wij goed zijn en die anderen slecht. Of in ieder geval minder goed.

En dus ben ik op weg. Op naar die levensgevaarlijke Krim. Onderweg fantaseer ik over Kalasjnikovs. Over kogelregens. Over lynchpartijen. Ik denk na over Poetin; volgens velen de duivel in hoogsteigen persoon als het gaat over de Oekraïne en de Krim. Terwijl anderen in hem juist de verlosser zien. Ik mijmer over Jalta. Over Roosevelt en Churchill. Over de tsarenfamilie en hun liefde voor het schiereiland. Over de oorspronkelijke Tartaarse bevolking, die een wel heel roerige recente geschiedenis kent. Over Stalin, die woedend en achterdochtig als altijd, alle Tartaren, nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, liet deporteren naar Oezbekistan, Kazachstan en Siberië. Op verdenking van collaboratie met nazi-Duitsland. Naar slecht Sovjetgebruik duurde de deportatie van een kwart miljoen mensen slechts enkele dagen. Over diezelfde Tartaren, die zo’n 50 jaar later, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, terugkeerden naar hun moederland. Waar ze heden ten dage letterlijk en figuurlijk knokken voor hun rechten. Ik droom van de bergen, de stranden, de zon en de lokale wijnen. En opeens besef ik me dat ik opgewonden ben. Nieuwsgierig. Ongeduldig. Ik wil de tegenstrijdigheid, die uit alle hoeken en gaten druipt, zelf ontdekken.

Toegegeven, ik ben lichtelijk nerveus wanneer ik aankom op het vliegveld van Simferopol. Hangt er hier een zekere spanning in de lucht? Of is het mijn eigen verbeelding? Die twee Russische gevechtsvliegtuigen die ik tijdens het taxiën aan mij voorbij zie gaan, dragen in ieder geval niet meteen bij aan de rust in mijn hoofd. Wanneer ik om me heen kijk, realiseer ik me dat mijn medepassagiers bepaald anders reageren. Ze kijken blij en verheugd. Voeren geanimeerde gesprekken. Want de Krim is voor de Russen als het beloofde land. Eén van de weinige plekken in dit enorme land waar de zon bijna altijd schijnt en waar het klimaat niet wreed en vijandig is. Logisch dus, dat een gevechtsvliegtuigje links of rechts geen impact heeft op de stemming en het blije gevoel.

Buiten gekomen hoef ik niet op zoek naar een taxi. Er staan tientallen voor de deur geparkeerd. En alle chauffeurs willen die buitenlander wel naar Jalta brengen. De vraagprijs is 3000 roebels, zeg maar 40 euro, voor een ritje van zo’n 80 kilometer. Niet meteen erg duur, maar na wat handjeklap heb ik de prijs al snel teruggebracht naar 2000 roebels. De chauffeur heeft haast. In een razende vaart scheren we over de bochtige weg. Het lijkt wel alsof er geen recht stukje weg bestaat hier op de Krim. Met regelmaat staat er een enorm billboard aan de kant van de weg, met een al even enorm portret van Poetin. Hij glimlacht zelfverzekerd naar de Krimse bevolking. Alsof hij ze wil vertellen dat het goed is, en goed zal blijven. Voor altijd. En mocht dit niet voor een ieder duidelijk zijn, het staat er voor de zekerheid ook nog geschreven: De Krim is van ons. Voor altijd.

Ik heb me voorgenomen een niet-representatieve steekproef te organiseren onder de lokale bevolking. Zoveel mogelijk mensen alhier vragen naar hun mening over de Russische annexatie en over Poetin. En mijn eerste slachtoffer is de taxichauffeur. Ik knik naar een van die borden en vraag naar zijn mening. Die is kort en zeer duidelijk. Poetin is een held en de annexatie is een zegen. En hij is niet de enige met zo’n mening. Daar ga ik de komende dagen wel achter komen.

 

Zoals ieder jaar op 1 september maakte Beslan, een slaperig en onbeduidend stadje in Noord-Ossetië, zich ook in 2004 op voor het nieuwe schooljaar. En net als overal elders in Rusland werd dit heuglijke feit, door kinderen en hun ouders, op feestelijke wijze gevierd. Gekleed in hun beste outfit togen zij op weg naar hun school. Ook ouders en leerlingen van ‘School Nummer Één’ gingen goedgemutst op weg om ‘De dag van Kennis’ te vieren. Niet vermoedend dat Beslan nog dezelfde dag in de gehele wereld voorpagina nieuws zou zijn en de journaals zou beheersen.

Sjamil Basajev – door de Russen beschouwd als rebel en terrorist en ooit door Poetin getypeerd als de Osama Bin Laden van Tsjetsjenië – en zijn groep van rond de 30 mannen (en vrouwen) vielen op deze dag bewust School Nummer Één binnen. Zij gijzelden in totaal 1100 kinderen en volwassenen. Hun bedoeling? De Russen te dwingen zich terug te trekken uit Tsjetsjenië. Maar het pakte anders uit. Want ook toen al liet Poetin niet met zich sollen. Op de derde dag van de gijzeling bestormden speciale Russische eenheden de gymzaal, de plek waar de gijzelaars werden vastgehouden. Na een urenlange, chaotische strijd, waarbij de gijzelnemers explosieven lieten ontploffen waardoor de gymzaal plus een groot deel van de school werden verwoest, claimden de Russen controle. Maar de prijs die ouders en leerlingen hiervoor moesten betalen was schrikbarend hoog. Maar liefst 334 mensen, onder wie 186 kinderen, hadden het leven gelaten.

De hele dag al slenter ik rond in Vladikavkaz, de hoofdstad van Noord-Ossetië. Beslan is maar 20 kilometer verderop, een taxiritje van maximaal een half uur. Ik moet eerlijk toegeven, ik wilde eigenlijk al vanochtend gaan. Maar ik ging niet. Alsof ik niet durfde. Alsof ik toch niet wilde. Alsof ik voelde dat ik daar niet hoor. Het is inmiddels al tegen drieën en nog steeds laat ik elke taxi aan mij voorbijgaan. Dan zet ik, eindelijk, alle twijfel en schroom opzij en stop er één. ‘School Nummer Één in Beslan’ zeg ik tegen de chauffeur. Hij knikt begrijpend en vertelt me dat hij eerst zijn oude aftandse Lada moet prepareren voor zo’n lange rit. Bij een benzinepomp tankt hij benzine, vult de olie bij en giet flink wat water in de motor. Vervolgens stapt hij weer in, mompelt iets in de trant van ‘kak samolot’ (als een vliegtuig) en we zijn op weg. En hoe! Alsof hij zijn woorden kracht wil bijzetten, vliegen we inderdaad bijkans over de niet al te beste weg. Ondanks de bestemming grinnik ik in mezelf.

In een ommezien zijn we in Beslan. Ook in het stadje zelf mindert de chauffeur nauwelijks vaart. Recht op ons doel af, zo lijkt het. Bij het eerste het beste schoolachtig gebouw parkeert hij zijn auto op het plein. ‘De school’, zo vertelt hij mij. Maar voordat ik kan uitstappen, staat er al een mannetje naast de auto. Voordat ik iets kan vragen, vertelt hij al dat dit niet dé school is. Die is elders. De chauffeur luistert ongeduldig naar de instructies en rijdt vervolgens achteloos achteruit. Ver komen we niet, want opeens voel ik de rechterachterkant van de auto diep wegzakken. Ik stap uit en zie dat we in een soort van put zijn geraakt. De chauffeur moppert wat in zichzelf en instrueert me dat ik moet duwen. Terwijl hij gas geeft. En zo bevrijden we de Lada uit zijn benarde positie. Ondanks de bestemming glimlach ik nu.

Maar wanneer we vijf minuten later aankomen bij School Nummer Één is er van mijn glimlach niets meer over. Onmiddellijk voel ik spanning. Spontaan voel ik me ongemakkelijk. Weifelend stap ik de school binnen. Overal zie ik kogelgaten in de muren. Op de begane grond. Op de eerste verdieping. Het moeten er honderden zijn. Alle klaslokalen zijn zwartgeblakerd. Ik loop verdwaasd rond. In sommige zie ik nog een schoolbord hangen of tafels en stoelen staan. Maar het is allemaal kapot. Ik probeer me voor te stellen wat er hier is gebeurd. Ik probeer me te bedenken wat zich hier heeft afgespeeld. Hoe de gijzelaars zich hebben gevoeld. Maar hoe kan ik? Ik ben misselijk. Wil hier weg. Maar blijf evengoed. Naar de gymzaal, het epicentrum van de gijzeling.

Meteen vallen de verbrande klimrekken op. De teddyberen. De foto’s van de slachtoffers. 334 zijn het er. Zoveel foto’s van jonge kinderen. De kille, grijze muren. In het midden van de zaal staat een houten kruis. Met wat bloemen. Er heerst absolute stilte. Niemand die ook maar iets zegt. Iedereen staart voor zich uit. Is in gedachten. Misschien denken ze, net als ik, aan de ouders en hun kinderen die hier drie dagen lang gevangen werden gehouden door zwaarbewapende gijzelnemers. 1100 mensen opeengepakt in deze kleine ruimte. Met overal rondom hen door de gijzelnemers geplaatste explosieven. En zwaarbewapende mannen en vrouwen. Daadwerkelijk een voorstelling maken van hetgeen hier is gebeurd, het is onmogelijk. Maar toch voel ik nog steeds de angst. De angst van 1100 mensen, vandaag precies 11 jaar geleden.

Beslan1  Beslan

Na drie dagen stuiteren op de Pamir Highway is het wel eens tijd om wat te onthaasten en te relaxen. Een dagje lui aan de rand van een zwembad met een prettig cocktailtje in de hand en een uitzicht op strakke vrouwen in kleine bikini’s. Bijvoorbeeld. Of een middagje op een zonovergoten terras met een paar frisse Westmalle Triples, een steak en een fikse sorbet. Zoiets.

Murgab, het mag nauwelijks een verrassing heten, is letterlijk en figuurlijk lichtjaren verwijderd van dit soort vertier en plezier. Een zwembad? De warme douche van vanochtend kostte al flink wat hout en water, beide bepaald niet overvloedig aanwezig alhier. Een cocktail of een tripeltje? Pas na lang zoeken vind ik ergens in een gammele winkel een fles lauw bier. Een malse steak of een sorbet? Verder dan een blikje vlees en een waterijsje in dezelfde gammele winkel kom ik niet.

Maar een uurtje rijden richting de Chinese grens, zo vertelde mijn gastheer me vanochtend bij het ontbijt, bevindt er zich wel een natuurlijke hete bron. De Tadzjiekse variant op onze eigen spa. Zoiets althans. Ook al ben ik doorgaans geen spa-ganger, ik heb me evengoed laten overtuigen. Dus stap ik wederom in een Oazis en hotseknots ik andermaal door het prachtige Tadzjiekse hoogland. Vergeleken met gisteren is de weg zelfs nog een stuk slechter. Van de Pamir Highway naar een Pamir B-weg. Zeg maar.

Een prachtige Kirgiziër, getooid met een typische Kirgizische hoed, wacht ons op. Hij schudt mij stevig de hand, terwijl mijn chauffeur me vertelt dat deze beste man de burgemeester is van dit deel van de vallei. Een heuse hotemetoot derhalve. Ben meteen benieuwd naar zijn verhalen. Maar praten, zo gebaart de burgemeester, is voor later. Eerst moet er gebadderd worden. Hij leidt me naar een kleedruimte en wijst me hoe ik in het hete water geraak. Erg schoon is het er niet, vind ik. Eerder wat viezig. Toch ken ik geen twijfels. Het water is overduidelijk heet, bovendien het schijnt goed voor lijf, leden en botten.

Burgemeester

Na een kwartiertje voel ik me al opmerkelijk frisser en fruitiger. Jammer dat ik geen schoon outfitje heb meegenomen, want nu moet ik mijn oude, ietwat ranzige oude kloffie, weer aan. En zo beland ik in de yurt van de burgemeester. De burgemeestersvrouw is druk in de weer met pannen en potten. Vanzelfsprekend, er staat thee op het menu. Maar ook ovenvers brood, huisgemaakte yoghurt en dito jam. Terwijl ik flinke hoeveelheden van dit alles verorber, vertelt de Kirgiziër over zijn leven. Ooit, ten tijde van de Sovjet-Unie, was hij actief als spion in China. Hij spreekt dan ook vloeiend Chinees. Tegenwoordig is hij met pensioen, en ziet hij met lede ogen aan hoe de Chinezen langzaam maar heel zeker aan landjepik doen. Er mag dan een kilometers lang hek staan op de grens China en Tadzjikistan, deze houdt de Chinezen geenszins tegen. Hij vindt het maar niks, want vertrouwen doet hij die Chinezen voor geen cent. Aan de andere kant, zo hoopt hij, zullen de Chinezen voor meer welvaart zorgen. Want de Tadzjiekse overheid doet al jarenlang alsof ‘zijn’ deel van het land niet bestaat.

Een beetje wijzer, flink schoner en behoorlijk verzadigd gaan we weer op weg. Want er is heus nog meer vertier in de omgeving. Wat te denken van het snelste renpaard van de vallei? In het najaar, wanneer de dieren flink verzadigd zijn van het snoepen van het sappige zomergras, vinden hier talrijke paardenraces plaats. En mijn chauffeur kent, toevallig of niet, de jongeman die al een aantal jaren lang al die races naar zijn hand zet. Met zijn superpaard. De Lightfeet van de Pamir. En ik mag, volgens mijn chauffeur, vast een rondje op zijn rug. En zo stuiteren we naar nog afgelegener oorden.

Na een uurtje zie ik een stenen hut met rondom grazende yaks en schapen, wat slaperige honden en het paard. In de deuropening staan een man, een vrouw en twee kleine kinderen. Ons bezoek mag dan volkomen onaangekondigd zijn, het welkom is evengoed allerhartelijkst. Natuurlijk, mag die grote, zware Nederlander een stukje rijden. Lightfeet wordt stante pede gezadeld en zo zit ik, enigszins gespannen, op de rug van deze snelheidsduivel. Maar dat ik geen Arendsoog ben, blijkt alras. Misschien ben ik te zwaar? Misschien ben ik te onbehouwen? Ik heb geen idee. Wat ik wel weet, is dat ik niet veel sneller ga dan uitermate traag. De jongeman ziet het hoofdschuddend aan en na een aantal minuten verlost hij zowel paard als berijder uit hun lijden. Uiteraard, hij laat nog graag even zien hoe het wel moet. Een simpele beweging met zijn voeten en het paard stuift, in razende galop, over de velden.

Vanzelfsprekend, ook nu staat er weer thee op het menu. Net als ovenvers brood, huisgemaakte yoghurt en dito jam. En wederom verorber ik flinke hoeveelheden van dit alles, onderwijl luisterend naar de prachtigste verhalen. Zo leer ik dat vier schapen evenveel waard zijn als één yak, en vijf yaks één paard opleveren. Maar voor Lightfeet gelden deze rekensommen niet. Hij is van een andere orde en is minimaal 100 schapen waard. 70 waren er al eens geboden, maar dit aanbod was vriendelijk doch resoluut geweigerd. Verder weet ik nu ik dat melk van een yak veel voedzamer is dan van een koe of een geit. En ook dat het zomerse gras op sommige plaatsen zo voedzaam is dat de schapen zich letterlijk doodvreten. Vorig jaar stierven zo zes schapen een tragische dood.

DSC04349                           DSC04333

Ik vraag hem of hij wel eens marco polo schapen ziet. Als antwoord loopt hij naar het keukentje en deponeert een stuk vlees op tafel. ‘Marco polo schaap’, zegt hij, ‘zelf geschoten’. Ik kijk hem verrast aan. Bijna wil ik hem vertellen dat het verboden is deze schapen te schieten. Het is namelijk een bedreigde diersoort, en volgens westerse maatstaven mag hierop niet worden gejaagd. Alleen tegen betaling van zo’n 50.000 dollar wordt er af en toe een ‘afknalvergunning’ verleend aan een of andere rijke westerse patser. Maar ik slik mijn opmerking weg met een slok thee. In deze contreien, waar de natuur wreed is en niet bepaald vrijgevig, is zo’n schaap, die wel tot 220 kilo kan wegen, een geschenk uit de hemel. Eén goed gemikt schot en er ligt voor maanden vlees op de plank. Bovendien, het schijnt nog lekker te zijn ook.

Bij vertrek krijg ik het stuk vlees van het marco polo schaap in mijn handen gedrukt. Ik glimlach verrukt. Vanochtend nog droomde ik van een steak en nu al wacht mij een heus feestmaal.

Uren en uren rijden we al over de M41. Nog steeds klimmen we naar grotere hoogten. Nog altijd wordt het landschap ruiger. Het laatste restje water is inmiddels geconsumeerd en ik realiseer me dat het verstandig is geen pech te krijgen. Want een nachtje op deze hoogte, zonder water en voedsel, is zeker en vast geen sinecure. Kale, kille bergen rondom. Bruingekleurd met tinten grijs. Stenen zo ver het oog reikt, slechts af en toe wat gras of zeer laag struikgewas. Een stormachtige wind doet spierwit, rul zand opwaaien. Ik proef het op mijn tong, voel het in mijn ogen. Blijkbaar zitten er nogal wat kieren en gaten in de Oazis, onze Russische jeep. Het lijkt wel een woestijn op grote hoogte.

Pamir    Pamir

Af en toe stoppen we. Om de jeep wat rust te gunnen. En om de motor te koelen. Echt zorgen maak ik me vooralsnog niet, vooral omdat Zarek, de chauffeur, blijft glimlachen en een uitstraling heeft van ultieme controle. Tegelijkertijd, helemaal gerust ben ik toch ook niet. Vooral het gebrek aan water zit me dwars. Dat was toch wat dommig, te weinig water mee. En water vragen aan medeweggebruikers lukt ook niet. Want die zijn er niet. De enige levende wezens die ik, heel af en toe, zie zijn herders met een flinke kudde geiten en schapen. Op zoek naar grazige weiden. Al vraag ik mij af waar die in hemelsnaam te vinden.

We passeren de Khargush Pass, met 4.344 meter het hoogste punt van de dag. De Oazis puft en zucht maar heeft ons evengoed naar hier gebracht. Van louter plezier geef ik Zarek een high five. Wat een plek. Wat een weg. Wat een natuur. Wat een rit. Vanaf nu mogen we dalen, richting de beschaving van het wilde oosten van Tadzjikistan. Alleen die vermaledijde dorst en inmiddels ook honger gooien geringe hoeveelheden roet in het eten.

Maar dan is daar opeens een checkpoint. Plompverloren neergekwakt in absoluut niemandsland. Een treurige soldaat noteert mijn paspoortgegevens. Op mijn vraag hoeveel auto’s hier passeren, antwoordt hij, al even treurig, ‘tussen de vijf en de tien, maar vandaag zijn jullie de tweede’. En het is al ruim na drie uur, nog een paar uurtjes en het is donker. Op mijn belangrijkere vraag over water en voedsel, antwoordt hij door naar een hut te wijzen, iets verderop. Daar is wel iets te eten en te drinken.

Oazis  Checkpoint

Woedend worden we welkom geheten door een grommende hond. Gelukkig reikt zijn ketting niet veel verder dan een paar meter. Bovendien, er staat opeens een mannetje in de deuropening die al even woedend de hond tot stilte maant. Tegelijkertijd schitteren zijn ogen van plezier. Bezoek! Er is bezoek! Dolblij nodigt hij ons uit vooral binnen te komen, alwaar nog twee mannetjes op krakkemikkige stoeltjes zitten. Meteen wordt een ketel met water op een vuur gezet, ergens een brood opgeduikeld en in no-time drinken we thee en eten we zeer oud en droog brood. De drie mannetjes, twee biologen en een ingenieur, zijn in een dolenthousiaste stemming. In eerste instantie denk ik dat het is vanwege het bezoek. Alras begrijp ik dat het toch vooral is omdat ze al behoorlijk van de wodka hebben gesnoept. Natuurlijk, ze willen dat ook ik drink. Maar ik heb geen zin en weiger beleefd en resoluut. Alleen de uitnodiging om samen te dansen kan ik niet weigeren. En zo swing ik, in een aftandse hut op grote hoogte, op een Tadzjieks muziekje met twee Tadzjiekse biologen.

Terwijl we eten en drinken verhalen de biologen. Over de twee zonnepanelen uit China, die ervoor zorgen dat ze naar een radio kunnen luisteren en een gloeilamp kunnen laten branden. Eén van de twee blijft maar herhalen, als ware het een mantra: ‘zonnepanelen uit China zijn de beste ter wereld’. Wanneer hij vervolgens vertelt dat hij hier is om de wilde dieren te tellen, begin ik wel enigszins te twijfelen. Als hij net zo vaak dubbel telt, als dat hij dubbel vertelt… Het verbaast mij dan ook niet dat het goed gaat met het Marco Polo schaap in deze contreien. Toen de Russen het hier nog voor het zeggen hadden, was er van de natuur niet veel meer over. Maar inmiddels gaat het dus een stuk beter. Volgens de bioloog is dit ook te danken aan het feit dat hij een specialist is in Marco Polo schapen.

Met een ferme omhelzing en een voorzichtige zoen nemen we afscheid. Zelfs de hond lijkt opeens een stuk minder woedend. Op naar meer stenen, bergen, zand en woedende natuur. Maar het einde is in zicht zegt Zarek, nog een paar uurtjes en we bereiken het betere gedeelte van de Pamir Highway. En dat dit scheelt, is meteen duidelijk. Nog steeds verre van een strak geasfalteerde snelweg rijdt het inderdaad een heel stuk florissanter dan voorheen. En zo rijden we plotseling met gezwinde spoed richting Murgab, naar het wilde oosten van Tadzjikistan.