Archive for May, 2012

Mei in Moskou. De mooiste maand van het jaar durf ik te beweren. Na een maandje of zes duisternis, kou, sneeuw en ijs schijnt eindelijk de zon weer uitbundig. En zorgt deze voor een aangename temperatuur. Reden genoeg voor alle Moskovieten massaal te ontwaken uit hun diepe winterslaap. Fris en fruitig wandelen ze doelloos rond in het centrum. Rond hun lippen speelt zelfs een glimlach. Een tamelijk uniek verschijnsel in de Moskouse straten. Maar vandaag tel ik een heleboel.

Met een boekje en een vers glas Blanche de Bruxelles (!) heb ik mij genesteld op een terras aan Kamergersky, een van de weinige straten in Moskou waar auto’s het niet voor het zeggen hebben. Integendeel, de hele straat is omgetoverd tot een groot terras. Ook al een groot verschil met de winter. Toen gebeurde er niets, behalve dat hordes Tadzjieken bergen sneeuw van A naar B schoven. Nu is er geen Tadzjiek te zien. Verbannen naar minder hippe oorden in de stad, vermoed ik. In plaats hiervan nestelen de Russen zich op aangename terrasstoelen en doen ze zich te goed aan sushi, Chinees, pizza, pasta, steak en andersoortige Russische heerlijkheden.

    

Van boekje lezen komt werkelijk helemaal niets. Iets dat me wel vaker overkomt hier in Moskou.  Tussen al die stoelen paraderen namelijk de dames. De beentjes al netjes bruingekleurd. De lipjes rood geverfd. In hippe zomerjurkjes gekleed. Bij voortduring dwalen mijn ogen dan ook in die richting. Geen spannend boek die hieraan iets kan veranderen. Toch, hoe bruin, rood of hip ook, mijn aandacht gaat vooral uit naar de hooggehakte schoenen. Met grote regelmaat loopt een dame voorbij met enorme exemplaren. Zo hoog, dat ik me verwonderd afvraag, hoe hierop gelopen kan worden. Die doen toch enkels breken? Dat kan niet anders. Maar de dames in kwestie stappen zonder noemenswaardige inspanning voort. Met zelfverzekerde stappen en dito blik genieten ze van alle aandacht die hen ten deel valt.

Inmiddels zijn vier hippe Russische jongemannen aan de tafel naast die van mij komen zitten. Alle vier een modern kapsel, overduidelijk niet van een Oezbeekse charlatan om de hoek. Kleurige schoentjes zonder sokken. Een net broekje en een fleurige polo. Type metroseksueel, zeg maar. Ze bestellen dan ook een theetje. Veel praten doen ze niet. In plaats hiervan jagen acht ogen op de passerende vrouwen (vooruit 10 ogen, want ook ik doe hieraan nog steeds volop mee). Als ze een mooi exemplaar ontwaren, stoten ze elkaar aan, wiebelen zenuwachtig op hun stoelen en raken bijkans opgewonden van het aangezicht.

Het zijn overigens niet alleen vrouwen die hier paraderen. Bij vlagen waan ik mij een toeschouwer bij de Moskouse gay parade. Officieel mogen dergelijke parades hier dan verboden zijn, de praktijk is overduidelijk geheel anders. Ik kan me herinneren dat Gordon, godbetert, alvorens roemloos ten onder te gaan bij het songfestival, nog stampij meende te moeten maken over het gebrek aan rechten voor de Russische gays. Nu zal hij, voor een keer, wel enig recht van spreken hebben. Dit geef ik grif toe. Toch, vandaag in Kamergersky, zie ik er velen. En ze lijken bepaald niet bang hun geaardheid te tonen. Natuurlijk, intiem contact is uit den boze. Maar dit lijkt me logisch. De vier mannetjes hebben er overduidelijk niet al te veel mee op. Ook al reageren ze bijna op dezelfde manier als bij het aanschouwen van een mooie dame. Evengoed wiebelen ze op hun stoelen en reageren ze opgewonden. Maar de blik in hun ogen is duidelijk een andere.

Ik bestel nog een Brussels witbiertje. Wat anders te doen op een zonnig terras? Bovendien, met een beetje mazzel zie ik de benen dan nog bruiner, de lippen nog roder en de hakken nog hoger.

Natuurlijk, ik kan naar een park hier in Moskou. Beetje languit op het gras liggen. Onder een boom en in de schaduw. Biertje in de ene en sigaretje in de andere hand. En dan gluren vanachter mijn zonnebril. Een prachtige manier om een zonnige dag in Moskou te beleven. Maar opeens wil ik weg uit die enorme stad. Opeens heb ik behoefte aan het Russische platteland. En dus besluit ik naar een willekeurige stad ergens in de nabije omgeving te gaan. Na wat gegoogle valt mijn oog op Tula. Nog nooit van gehoord, eerlijk gezegd. En ook volgens mijn reisgids is het niet noemenswaardig. Er staat althans geen letter over geschreven. Maar dit drukt mijn pret geenszins. Per slot van rekening, Rusland is groot en mijn reisgids nogal dunnig.

Ik ga dan ook gewoon. Morgen. Moet wel vroeg op realiseer ik me, want in de buurt van Moskou betekent nog niet dat het om de hoek is. Allereerst, het kost me al minimaal een uur van mijn appartement naar het juiste busstation. En dan nog ruim 2,5 uur met een bus om in Tula te geraken. Een klere-eind eigenlijk.

         

 

 

 

 

 

 

Maar natuurlijk, de volgende ochtend zit ik evengoed in de metro. Terwijl het Moskouse verkeer vastloopt in enorme files, snel ik richting mijn busstation. Wederom vraag ik me af waarom die Moskovieten hun auto prefereren boven die fantastische metro. Toegegeven, ook hier is het druk en veel ruimte om rustig te staan is er niet. Bovendien, ongewassen lijven met ongepoetste tanden en kledij zorgen voor ongerieflijke geuren. Toch, het voordeel van daadwerkelijk vooruitkomen, weegt hier gemakkelijk tegenop. Ruim op tijd arriveer ik dan ook op het busstation.

Uit een enorme rij gelijkende bussen probeer ik de juiste te vinden. Heen loop ik, en terug, langs al die bussen. Maar ik zie nergens een bordje Tula. Dan valt mijn oog op een rij minibussen. Van het soort bestelauto, met iets teveel zitplaatsen erin gemonteerd. Het zal toch niet? Het zal toch wel! Op de eerste bestelauto die ik zie, prijkt het bordje ‘Tula’. Ietwat knorrig stap ik naar binnen. Aan ruimte zal gebrek zijn, zoveel is meteen duidelijk. Ik nestel me op de best beschikbare plek, vouw mijn onhandig lange benen in een zo comfortabel mogelijke knoop en wacht op het moment van vertrek. 

Stipt op tijd stapt een morsig mannetje met een veel te vieze en veel te grote witachtige broek achter het stuur. Alvorens daadwerkelijk te vertrekken, vraagt hij meerdere keren of iedereen een ticket heeft. En meerdere keren knikken alle passagiers braaf. En zo gaan we op weg. Om binnen honderd meter meteen vast te staan in een van die Moskouse files. Muurvast mag ik wel stellen. Met veel stilstaan en weinig rijden komen we hoegenaamd niet vooruit. Hoe die ongeveer 200 kilometer naar Tula in 2,5 uur te overbruggen is mij een raadsel. Dat lukt nooit, voorvoel ik. Na een half uur zijn we drie kilometer opgeschoten. Ik reken maar niet wanneer ik aankom, mochten we in dit tempo doorrijden. In plaats hiervan probeer ik een praatje aan te knopen met mijn buurman. Maar ook dit schiet niet op, want hij slaapt al.

Na een uurtje aanmodderen, wordt het dan toch rustiger. Ook tot groot genoegen van de chauffeur. Ik kijk uit het raam en zie het typisch Russische landschap: groen, her en der wat (houten) huizen en lage heuvels. Met enige regelmaat staan mensen aan de kant van de weg hun waar aan te prijzen. Ook iets wat typisch is voor Rusland. Ik kan alleen niet zien wat er in dit jaargetijde wordt aangeboden, daarvoor rijden we te snel. De weg is dan ook van topkwaliteit, concludeer ik. Na een half uurtje toeren wordt me duidelijk hoe dit kan. Opeens staan we namelijk oog in oog met hordes Tadzjiekse mannetjes in opvallende oranje outfits die allemaal druk in de weer zijn met enorme machines, heet asfalt, spades en meer van dergelijke nuttige werktuigen. Op zich natuurlijk helemaal niets mis mee, ware het niet dat hierdoor het verkeer wederom vastloopt. En wellicht nog belangrijker, nadien is van die goede weg helemaal niets meer over. Alsof we de grens tussen goed en slecht zijn gepasseerd!

Al sinds ons vertrek teisteren twee mannetjes mijn reukorgaan. Een zit achter me en produceert bij voortduring een onwelriekende hoest. Een combinatie van Russische Marlboro, worst en ongepoetste tanden. Tegenover me zit een mannetje dat een geur verspreidt van ongewassen lichaam en kledij. Toen hij binnenstapte, moest ik meteen denken aan een klasgenootje van de lagere school. Die rook eender. Maar mijn medepassagier, laat ik hem voor het gemak Fokko noemen, is zich niet bewust van zijn zurige geur. Of het maakt hem niet uit natuurlijk. Hij zit nooit stil. Blijft maar geeuwen. Beweegt zijn armen bij voortduring. Opeens begrijp ik waarom de Russen niet spreken van ‘een geur ruiken’ maar van ‘een geur voelen’.

Of het komt door het heen en weer schudden, de geuren rondom, de zon of de lengte van de rit weet ik niet. Maar ook ik dommel in. Net als bijna iedereen in de bus trouwens. Als ik wakker schrik, zie ik nog net een bord aan de kant van de weg staan dat Tula vanaf hier nog precies 116 kilometer is. Ik kijk op m’n telefoon en zie dat we al 2 uur onderweg zijn. Mijn voorgevoel klopte dus, 2,5 uur is een illusie.