Archive for October, 2012

‘En als er geen bier meer is, dan drinken we paardenpis, oh Heineken bier, oh Heineken bier’.

Altijd al had ik mijn bedenkingen bij dit dronkemansliedje. Terwijl de rest van de dronken menigte ‘oh Heineken bier, oh Heineken bier’ brulde, huiverde ik bij de gedachte dat ik ooit, op een kwade dag, echt paardenpis zou moeten drinken. En nu weet ik dat die huivering een terechte was. Niet dat ik net mijn lunch heb weggespoeld met paardenpis en daardoor voor eens en voor altijd zekerheid heb over de smaak. Zo gek is het, gelukkig, ook weer niet. Hoe ik dan die zekerheid heb kunnen krijgen? Omdat ik vandaag paardenmelk heb gedronken.  En dit, zo kan ik een ieder verzekeren, is al dusdanig smerig dat geen haar op mijn hoofd ook maar op de gedachte komt ooit weer iets vloeibaars van een paard te drinken.

Maar in Kazachstan is paardenmelk een traktatie. Op veel plaatsen staan houten keten waar dit goedje wordt aangeprezen. En bijna altijd zie ik daar mannetjes en vrouwtjes, gezellig keuvelend, nippen van een plastic bekertje. Of ik zie dat ze literflessen laten vullen. En dus, zo heb ik al een aantal keren gedacht, is een bezoek aan dit land niet compleet zonder een groot glas paardenmelk te hebben gedronken.

‘Vroeger’, zo vertelt mijn taxichauffeur, ‘ toen de gemiddelde Kazach nog geen vaste woon- en verblijfplaats had, maar als een nomade rondzwierf door dit gigantische land, dronk iedereen paardenmelk. Op de lange zwerftochten door het kurkdroge land was het soms zelfs het enige beschikbare vocht.’ ‘Tegenwoordig’, zo vervolgt hij, ‘is dit natuurlijk allemaal heel erg veranderd. Water, Coca-Cola, bier en dergelijke zijn overal ruim voorhanden. Toch heeft ook de moderne Kazach de gewoonte bij tijd en wijle paardenmelk te drinken. En deze gewoonte wordt nog steeds doorgegeven van generatie op generatie.’

De hele dag heb ik doorgebracht met deze chauffeur. Aardige kerel. Al waren de onderwerpen waarover hij praatte wat afgezaagd. Hij vertelde me over Nazarbajev, over het moeilijke leven hier in Kazachstan, hij klaagde over de dure benzineprijs. Toch speelde er bij voortduring een glimlach rond zijn lippen. Alsof hij het allemaal niet zo meende. Nu we eindelijk stoppen bij zo’n houten keet, zie ik hem opeens echt glimlachen. Sadistisch glimlachen.

Een gezond uitziende jongeman staat achter een balietje zijn paardenmelk en kamelenmelk te verkopen. Mocht het zo zijn dat deze verkoper zelf met enige regelmaat snoept van zijn eigen koopwaar dan lijkt dit, in eerste instantie althans, geen nadelige invloed te hebben op lijf en leden. De beste man probeert me meteen een litertje aan te smeren. Maar mijn scepsis is te groot en ik vraag dan ook beleefd om een bekertje. Ook dit schenkt hij met plezier en een gulle glimlach in. Als ik het bekertje overhandigd krijg, verandert mijn scepsis spontaan in wantrouwen. Paardenmelk? Het ziet er niet bepaald uit als melk van de Melkunie koeien. Het doet me veel meer denken aan behangplaksel. En dan de geur. Alcohol ruik ik. Toegegeven, normaliter heb ik daarmee niet zo’n moeite. Maar melk en alcohol? Ik vind het een wat vreemde combinatie.

Ik hoor opeens een heleboel proteststemmen. Alsof alle zintuigen hardop protesteren. Maar ik negeer ze allemaal. Vandaag luister ik maar naar één stem. En dus zet ik het bekertje aan mijn lippen en neem een slok. Ik bedoel, ik neem een slokje. Maar het is genoeg. Genoeg om te proeven en genoeg om nooit meer te vergeten. Bittere smaak, proef ik. Zurige geur, ruik ik. Behangplaksel en paardenpis, denk ik. Ik wil het uitspugen maar doe het toch niet. Eten of drinken uitspugen, zo heeft mijn moeder mij geleerd, mag hoe dan ook niet. En dus drink ik het hele bekertje leeg. Tot grote vreugde van de taxichauffeur en de verkoper. Vragend kijken ze me aan. En in koor vragen ze me naar mijn mening. ‘Niet slecht’, antwoord ik, terwijl de rillingen over mijn rug lopen en de zurige lucht nog in mijn neus prikt, ‘geef me nu maar een glaasje kamelenmelk’.

Zondagavond rond een uur of zeven. Ik loop over de boulevard. Een digitale buitenthermometer geeft 30 graden aan. En zo voelt het ook. Het is warm, klam en zweterig. Een heel licht briesje van zee zorgt voor een heel klein beetje verkoeling. Maar echt helpen doet het niet. Ik zweet me in ieder geval nog steeds het ongans. Vertwijfeld vraag ik me af hoe ik die hitte te lijf moet gaan? Misschien dan toch maar in die Zwarte Zee zwemmen? Helaas, dit gaat niet. Ik heb namelijk mijn uitgaanspakje aan. En die leent zich niet voor een zwempartij.

En dus slenter ik, net als honderden Russen, langs winkeltjes vol snuisterijen en prullaria. T-shirts, mokken, magneten, badkleding. Dat soort zaken. Na twee etalages laat het me al volkomen koud. En met mij lijken ook de Russen, schreeuwende verkopers ten spijt, niet bepaald geïnteresseerd. Misschien is dit niet het juiste moment om te shoppen? Misschien is het tijd voor drank en spijzen? Want de desinteresse in de winkels staat in scherpe tegenstelling tot de aandacht voor de talrijke  restaurants en bars. Alle terrassen zitten vol. Een leeg tafeltje is een unicum. En zoals overal in Rusland zijn het vooral Italiaanse restaurants. Pasta of pizza, een Rus kan er niet genoeg van krijgen.

En zo slenter ik voort. Op zoek naar die ene plek waar ik nog wel kan zitten. Ondanks de drukte en de herrie – van alle kanten klinkt muziek, van Russische meezingers tot westerse rap – is het best vermakelijk en bijzonder verrassend. Sotjsi doet me denken aan Lloret de Mar of een soortgelijke Spaanse kustplaats. Zon, zee, strand, disco en drank spelen de eerste viool. Precies wat de jeugd begeert. Dat  Lloret de Mar op dit gebied hoog scoort, was me wel bekend. Maar van Sotsji wist ik dit niet. Rustig een Zwarte Zee vis verorberen is dan ook een illusie. Rondom mij joelen jeugdige Russen, driftig drinkend en rokend, naar voorbij wandelende meisjes. Ooit, in een vorig millennium, kon ik hiervan zelf geen genoeg krijgen. Maar tegenwoordig, zo merk ik, heb ik deze hormonenkermis na een uurtje wel gezien.

De volgende ochtend, terwijl de jeugd de roes uitslaapt, verken ik het centrum van de stad. Het is aangenaam rustig en stil. Een groot verschil met gisteren. Ik wandel rond in de haven, bezoek het Sotsji Museum en bewonder het enorme theater. Maar wat me toch vooral opvalt, zijn de palmbomen. Vooral omdat Sotsji in 2014 de Olympische Winterspelen zal organiseren. Hoe ik ook mijn best doe, ik kan me dit niet voorstellen. De stad ademt zon, zee en strand en doet in werkelijk niets denken aan ijzige temperaturen of sneeuwstormen. Toch, over ruim een jaar zullen Kramer en Tuitert hier hun Olympische schaatstitels moeten verdedigen.

Als ik later op een zonovergoten terras van een Russisch biertje nip, raak ik in gesprek met een local. Hij vertelt me dat de Olympische Winterspelen feitelijk helemaal niet in Sochi worden gehouden. Sotsji is, zo vertelt hij, de merknaam die gebruikt wordt om de grote sportevenementen in dit deel van Rusland te promoten. Maar Kramer en de zijnen komen in actie in Adler, een stadje op zo’n 20 kilometer van Sotsji. Terwijl de skiërs en de bobsleeërs hun kunsten in de bergen rondom Krasnaya Polyana zullen vertonen. Maar dit zijn dorpjes met slechts enkele hotels, zonder noemenswaardig nachtleven, zonder actie. Ik knik begrijpend en gerustgesteld. Inmiddels heb ik weliswaar ondervonden dat veel mogelijk is in Rusland. Maar skiën onder de palmbomen? Dat krijgt zelfs Poetin niet voor elkaar.

       

 

 

 

 

 

 

Ik besluit de dag te besluiten met een duik in de Zwarte Zee. Heb ik eigenlijk wel eens eerder in die zee gezwommen? Ik geloof eigenlijk van niet. Een primeur dus ! Op het strand liggen honderden dikkige Russen en Russinnen met karnemelkwitte lichamen te bakken. Geroosterd door de meedogenloze zon en gekastijd door de onbarmhartige stenen op het strand. Zelfs de korte wandeling naar de zee doet pijn aan mijn voeten. En ik vraag me dan ook verwonderd af hoe die Russen, vredig kijkend nota bene, hier plat op hun ruggen kunnen liggen.