Archive for the ‘Vakantie’ Category

Het is vrijdagavond, zo rond tien uur, en ik slenter door het centrum van Birobidzjan, de hoofdstad van de Joodse Autonome Republiek. Vol verwondering vraag ik me af waar de mensen zijn. Toegegeven, ik voel me al sinds gisteren alsof ik in absoluut niemandsland ronddool, evengoed, er wonen hier rond de 70.000 mensen. Willen zij geen vermaak? In de bioscoop zijn de lichten al gedoofd. Mochten ze al hebben gebrand vanavond. Bij het theater, lees ik op een affiche, is het eerste evenement gepland op 18 maart. Ruim twee weken wachten nog dus. Ook het café, waar ik eerder vandaag een koffie nuttigde, heeft de gordijnen gesloten. In het restaurant, op het centrale plein, waar ik gisteren in alle eenzaamheid een fantastische maaltijd nuttigde, zit ook nu helemaal niemand. Evenmin in de twee Chinese restaurants die Birobidzjan rijk is. Zal iedereen thuis, met de gordijnen toe en de verwarming op een graadje of 25, zoals te doen gebruikelijk hier in Rusland, naar de speech van Poetin luisteren? Naar het propagandapraatje waarin hij aankondigt dat Rusland wederom stappen heeft gezet richting perfectie? Waar hij het Westen schrik aanjaagt met de mededeling dat Rusland over wapens beschikt met een bereik tot aan de Zuidpool? Zit iedereen zich te verkneukelen over het nabije eldorado? Mochten de polls gelijk hebben, en in Rusland is dit altijd het geval, dan gelooft de bevolking in ieder geval heilig in Poetins woorden.

Maar, zo vraag ik me af, hoe werkt dit eigenlijk? Hoe kan een president zoveel steunbetuigingen ontvangen terwijl dit stadje en het platteland rondom overduidelijk worden genegeerd door de autoriteiten. Terwijl de binnenstad van Moskou in een razend tempo verwordt tot een pronkjuweel, liggen de straten in Birobidzjan er vervallen bij. Zelfs de sneeuw, die gisteren en vanochtend met bakken uit de hemel viel, kan de erbarmelijke staat van de wegen niet verbloemen. De stadsbussen lijken te zijn gemaakt in de tijd dat Rusland nog de Sovjetunie was. Ze rammelen roestend door de straten. Op de centrale markt, zo zag ik eerder vandaag, is vooral prullaria uit het nabijgelegen China te koop. Van enorme tijgerknuffels tot plastieken trapfietsen en mislukte kunstbloemen. De gepensioneerde verkopers moeten er, dit kan toch haast niet anders, een zware kluif aan hebben hun armzalig pensioentje op deze manier aan te vullen. En toch, zo zeggen de polls, stemt Birobidzjan over een aantal weken weer massaal op held Poetin.

Zal het dan de muziek zijn, die ik overal op straat, uit strategisch opgestelde luidsprekers hoor schallen, die de bevolking overtuigt? Zo word ik verblijd op een nummertje van de Police terwijl ik wacht bij de bushalte. Hoor ik een vrolijk Russisch deuntje wanneer ik rondwandel op het centrale plein. Eigenlijk vrees ik die vrolijkheid, omdat ik telkens verwacht dat de muziek wordt onderbroken door een bozige communistische hotemetoot, die een ieder oproept zich met gezwinde spoed naar de kolchoz te begeven.

Al deze gedachten maken me dorstig. Bij gebrek aan alternatieven besluit ik dat het tijd is voor een bezoek aan een ‘produkti’, de Russische variant op onze nachtwinkel. Tot mijn genoegen lees ik op de deur dat de winkel 24 uur per dag en zeven dagen per week open is. Bij binnenkomst groet ik de dame van dienst een vriendelijk goedenavond. Om een knorrig gemompel als antwoord te ontvangen. Ik kijk haar ietwat verbaasd aan en realiseer me dat haar gezichtsuitdrukking uitstekend overeenkomt met haar stemgeluid. Misschien is ze al 24 uur in touw en daarom niet meer in de beste stemming? Of ze baalt dat ze haar dienst hier moet draaien en niet naar Poetin kan luisteren?

Langs één van de muren van het winkeltje staat een rij koelkasten. Behalve wat water en frisdranken zijn ze voor het overgrote deel gevuld met flessen en blikken bier. D’r is dan ook volop keuze. Harpin bier uit China. Amstel en het onvermijdelijke Heineken. Asahi bier uit Japan. Plus een heel arsenaal aan Russische bieren, van bekendere als Botska, Baltika en Sibirskaya Korona tot lokale varianten als Amur en Oxota. Helaas, wanneer ik de koelkast wil openen, blijkt deze op slot. Ik draai me vragend om naar de kassadame, die mij wederom trakteert op een koele blik. Terwijl ze naar de klok knikt, spreekt ze in staccato Russisch dat na tien uur geen alcohol wordt verkocht. Verschrikt herinner ik me dat deze regel een aantal jaren geleden is ingevoerd om de alcoholconsumptie te verminderen. Ook hier, meer dan 8.000 kilometer van Moskou, wordt deze, zo lijkt het, strikt nageleefd.

Of het nu door mijn verschrikte blik komt, door een plotselinge vlaag van medelijden van de kassière of omdat regels in Rusland worden gemaakt om ze te negeren, is mij niet duidelijk. Opeens zwaait zomaar de deur van de koelkast open. Ik aarzel niet en in een ommezien staan er twee flessen Amur op de toonbank. Ze worden netjes in een niet-doorzichtige plastic tas gestopt en met een plotselinge glimlach om haar lippen wenst ze mij een prettige avond.

3. Market1f

Advertisements

Transsylvanië, ik associeer jou met Dracula, met huilende wolven en met kastelen. Ik verbeeld me dat ik op elke hoek van elke straat oog in oog kan komen te staan met bruine beren. Dat ik bij voortduring wagens, voortgetrokken door paarden, aan mij voorbij kan zien trekken. Transsylvanië, ik ken je niet maar toch weet ik veel van je. Dankzij Bram. Bram Stoker. Vanwege Bram geloof ik dat het hier in de herfst en in de winter akelig toeven is. Geloof ik oprecht dat dichte mist de zon verhindert uitbundig te schijnen. Dat stormachtige wind de bomen doet kreunen. Dat ’s nachts de mist optrekt, de wind gaat liggen en de maan een spookachtig schijnsel over de Transsylvanische heuvels doet schijnen. Dat het vooral dan sterk is af te raden buiten te zijn.

Transsylvanië, je werkelijkheid is zo anders. Ik associeer je met vriendelijkheid, met vrolijkheid, met kleuren en met schoonheid.  Ik verbeeld me dat ik rondloop in De Efteling, ben verdwaald in een sprookje van de gebroeders Grimm. Transsylvanië, ik geloof niet meer wat Bram mij probeerde te vertellen. Want hoe hard de wind ook waait of hoe dicht de mist ook is, jouw pracht is altijd zichtbaar.

Al dagen loop ik hier rond. Vaak in je hoofdstad Cluj-Napoca, maar evengoed in een Hongaars dorp ergens in de heuvels, onder de grond in een zoutmijn of in een sprookjeskasteel in Sighisoara. Ik drink prachtige Roemeense wijnen op zonovergoten terrassen. Hap van heerlijk zoete Roemeense desserts. Verbaas me over de fraai gekleurde huizen en huisjes her en der in het landschap.

Maar niets overtreft, of komt zelfs maar in de buurt, van die allereerste indruk. Bij het verlaten van het vliegveld. Daar zag ik haar. Haar ogen zijn hartstochtelijk en zo bruin als de allerbeste chocola. Subliem vermomd is ze in een prachtig gele jurk. Haar huid, heerlijk bruin gekleurd, doet mij denken aan Mesopotamië. Haar glimlach, speciaal voor mij, is zo warm en haar tanden zo wit. Als ware ik Dracula zelf reik ik spontaan naar haar nek. Probeer haar te zoenen op haar wangen. Maar resoluut stapt ze terug en waarschuwt me vurig met de woorden: ‘do not touch me’. Enigszins verbouwereerd kijk ik haar aan. Ze klinkt zo gedecideerd. Alsof mijn aanraking erger is dan een beet van Dracula zelf. Tegelijkertijd, het maakt me eigenlijk niets uit. Haar geur en haar aanblik doen mij al verheugd zijn. Dat aanraken, dat komt later wel. Desnoods wacht ik vier maanden.

Nu, na uren met haar te hebben gepraat, begrijp ik haar allereerste woorden. Ergens, verscholen achter haar pracht, ontdek ik een muur. Door haar zelf gebouwd. Ter bescherming van opdringerigheid, onechtheid en oppervlakkigheid. En ook, en misschien vooral, ter bescherming van haarzelf. In eerste instantie vond ik dit jammer. Want hoe graag was ik over die muur gesprongen. Maar nu realiseer ik me dat zij hierdoor alleen maar trotser, sterker, mooier en slimmer wordt.

Toch Dracula girl, ik wil dat je weet dat ik je mijn nek bied. Bijt me alsjeblieft. En sta me toe, je terug te bijten.

Elina, getooid in een traditionele Tsjetsjeense jurk, spreekt vol passie over al het moois dat Tsjetsjenië te bieden heeft. Ze vertelt me dat ze al zeven jaar lang al haar energie spendeert om de schoonheid van haar republiek onder de aandacht te brengen. En zo te horen, is ze niet van plan hier de komende 70 jaar mee op te houden. Begeesterd verhaalt ze over de bergen, de gastvrijheid van de bevolking, de rijke geschiedenis en de cultuur. Het negatieve imago ten spijt is zij er stellig van overtuigd dat binnen een aantal jaren de toeristen massaal zullen toestromen. Daar kunnen Kadyrov, gevangen zittende homo’s en Poetin niets aan veranderen.

Enthousiast vertelt ze verder over de toeristische mogelijkheden in de buurrepublieken Dagestan, Ingoesjetië en Kabardië-Balkarië. Een rondreis door dit deel van de noordelijke Kaukasus is, volgens Elina, het summum. Ik geloof haar op haar woord. Terwijl ze praat over de vele verschillende volkeren en culturen in Dagestan rent haar tweeling, ik schat ze een jaartje of vier, opgewekt en vrolijk door haar kantoor. Elina maant ze tot rust, maar zonder al te veel succes. Ze mompelt, uit beleefdheid, iets van een verontschuldiging. Haar glimlach vertelt me dat zij het prima vindt dat haar twee dochters hier rondrennen en haar het praten onmogelijk proberen te maken.

Plots pakt ze haar mobieltje en pleegt een telefoontje. In rap Tsjetsjeens verhaalt ze over een Nederlander in haar kantoor. Althans, dit vermoed ik. Twee minuten later vertelt ze me dat ze zojuist een hoge ambtenaar van de Tsjetsjeense VVV heeft gesproken. Morgenochtend om half negen zal er een Toyota Landcruiser met chauffeur voor mijn hoteldeur staan. Gratis en voor niets. Gewoon, omdat ze blij is dat een lange Nederlander op eigen houtje probeert Tsjetsjenië te ontdekken.

De volgende ochtend arriveert, stipt op tijd, een hagelwitte, zojuist gewassen, Toyota Landcruiser. De chauffeur, genaamd Ramzan, schudt me hartelijk de hand. In iets van Engels verzoekt hij me plaats te nemen op de passagiersstoel. Zonder verdere poespas zijn we op weg. Naar ergens in Tsjetsjenië. Eerlijk gezegd, ik heb geen flauw benul naar waar. En de chauffeur is niet van plan me veel wijzer te maken, heb ik het idee. Want erg spraakzaam is hij niet. Althans, niet tegen mij. Wel met zijn vriendjes en zakenpartners. Het wordt me al heel snel duidelijk dat Ramzan een zeer innige relatie heeft met zijn mobiel. Desondanks blijft de carkit onaangeroerd. Die is blijkbaar niet stoer. Net als het dragen van een gordel trouwens. Hij lacht me dan ook bijna uit wanneer ik die van mij omgesp.

De rit is opzienbarend. In België, zo realiseer ik me, is het aantal asfaltkilometers van deze kwaliteit op de vingers van twee handen te tellen. De bergen rondom doen me denken aan Zwitserland. Bovendien, de Landcruiser lijkt wel de snelste auto in heel Tsjetsjenië te zijn. Ramzan mag dan continue aan het bellen zijn, op elk recht stukje weg geeft de teller minimaal 170 kilometer aan. Gelukkig voor mij zijn ze niet al te talrijk, die rechte stukken.

Twee uurtjes later gebaart Ramzan dat we niet ver meer zijn. Daar, zo knikt hij met zijn hoofd, is onze bestemming. Ik zie een spiksplinternieuw hotel, aan de oever van een groot bergmeer. Rondom nog steeds de Tsjetsjeense bergen. Ze nodigen ook hier uit om te komen wandelen. Maar blijkbaar nu even niet, aangezien ik linea recta naar de manager van het hotel wordt geleid. Tot mijn grote verrassing spreekt deze vloeiend Nederlands. Hij heeft 13 jaar in Hasselt gewoond, zo vertelt hij me. Maar een hoge Tsjetsjeense partijbons had hem twee jaar geleden benaderd of hij dit hotel wilde bestieren. En zoals het hoort in deze contreien, mannetjes met invloed spreek je niet tegen. Bovendien, het baantje is bepaald niet onplezierig.

De Tsjetsjeense overheid heeft grootse plannen met het hotel en de directe omgeving. Trots wijst de manager naar omhoog, waar druk gebouwd wordt aan een skiresort. De verwachting is dat deze begin 2018 wordt opgeleverd. Daarnaast zullen, aan de nu nog maagdelijke overkant van het meer, meer hotels en bungalows worden gebouwd. Om de inwoners van Grozny te verleiden massaal te komen recreëren, wordt alles uit de kast gehaald de reistijd naar hier te beperken. Onderweg merkte ik al op dat er op veel plekken aan bruggen wordt gebouwd.  Nu begrijp ik waarom. Die haarspeldbochten moeten wijken voor rechte stukken weg. Ik zie het al voor me. Witte Toyota Landcruisers die met een snelheid van 170 kilometer per uur massaal richting het skiresort zoeven.

Maar Tsjetsjenië heeft grotere ambities. Zo roept Kadyrov al een aantal jaren dat ook buitenlandse toeristen meer dan welkom zijn. Met de slogan ‘kom naar hier, want het is veiliger dan Groot-Brittannië’ probeert hij westerlingen hiertoe te verleiden. Een ambitieus streven en een dubieuze claim. Vooral omdat zijn daden niet echt overeenkomen met zijn mooie woorden.

15

Na twee dagen in Elista, heb ik sterk de indruk dat de Kalmukken zich maar wat graag terugtrekken in hun betonnen huizen. Samenscholen in verouderde winkelcentra. Rondstruinen in het centrale park. Een bezoekje brengen aan hun prachtige boeddhistische tempel. Of een waterpijp roken in het hipste café van de stad. Hun nomadische inborst lijkt definitief plaats te hebben gemaakt voor grootstedelijk vertier. De kuddes schapen en geiten te zijn vervangen door modieuze schoentjes en glimmende iPhones. Gerechten als ‘Semdzin’ (lever gewikkeld in vet) of ‘Dotur’ (soep bereid met de ingewanden van een schaap) allang overvleugeld door het immens populaire sushi.

Toch zie ik de ogen van Elza schitterend oplichten wanneer ik haar vertel heel graag eens kür te willen eten. Ze glimlacht op verrukkelijke wijze wanneer ik zeg nieuwsgierig te zijn naar dit typische Kalmukse gerecht. Terstond belt ze haar moeder om de Kür-voorbereidingen in gang te zetten. Kür, het zal waarschijnlijk geen enkel belletje doen rinkelen, maar een Kalmuks hart klopt hiervan spontaan een heel stuk sneller.

Kür, ik zal het maar verklappen, is een traditioneel gerecht dat oorspronkelijk door herders werd gegeten. Weken-, zo niet maandenlang waren zij van huis. Omringd door niets anders dan de immense steppe, en duizenden schapen en geiten waarover zij hoedden. Altijd kwam er dan een dag waarop zij al het van huis meegebrachte voedsel hadden verorberd. Of dat zij de aanwezigheid van al dat potentiële malse vlees rondom niet langer konden aanzien. Zomaar een schaap of geit slachten en deze op een vuurtje roosteren, was echter geen optie. Plotseling opduikende eigenaren zouden het net gedode dier zonder pardon in beslagnemen. En de daders zeer waarschijnlijk zwaar straffen. Dus bedachten de herders een list. In vijf eenvoudige stappen, maar met een verbluffend resultaat. Eén: ze groeven een kuil. Twee: ze slachtten een schaap. Drie: ze propten al het vlees (en de rest) in de maag van het geslachte dier. Vier: ze plaatsten de maag met inhoud in de kuil en dekten die netjes toe met een laagje zand. Vijf: ze maakten precies op die plek een vuur, zogenaamd om hun koude handen te verwarmen. Daarna was het slechts een kwestie van geduldig wachten. Vierentwintig uren om precies te zijn, zoveel tijd was nodig om het vlees gaar te laten sudderen, alvorens het feest kon losbarsten.

Dit gerecht heb ik dus zojuist besteld bij Elza. Gelet op het bovenstaande stappenplan mag het duidelijk zijn dat ik niet eerder dan morgen van de kür zal kunnen proeven. Elza spreekt inmiddels bijna voortdurend met haar moeder, die overduidelijk enorm enthousiast is over mijn plan. Zo krijg ik te horen dat ik een heel schaap moet kopen. Van een boer uit Bag-chonos – wat zoveel betekent als ‘Kleine Wolven’ of ook wel ‘Gat-in-de-Grond’ – een dorpje zo’n vijftig kilometer van Elista. Een goed Kalmuks schaap van zo’n zeventig kilo, zo leer ik, kost 5000 roebels (rond de € 80). Ik knik dat het prima is en heb daarmee een doodvonnis getekend. Het schaap is van mij en zal morgen op traditioneel Kalmukse wijze aan mij worden geserveerd.

169

Op kür-dag zelf hoor ik rond het middaguur een flinke klop op mijn deur. Elza, haar moeder en een vriendin staan glimlachend en, zo heb ik de indruk, zwaar ongeduldig op mijn stoep. Tijd om te gaan, zo vertellen hun lichamen en hun ogen. Ik stap in een nieuwerwetse Hyundai. Op naar ‘Gat-in-de-Grond’ neem ik aan. Maar dat blijkt toch niet helemaal zo te zijn. Want alvorens de stad te verruilen voor het platteland dienen we eerst nog een overlevingspakket samen te stellen. In de supermarkt kopen we groente, fruit, vruchtensappen, water, thee en toiletpapier. Ik kijk verbaasd. Uiteindelijk is het de bedoeling dat we morgenochtend alweer zullen terugkeren. Maar de ingeslagen voorraden zijn meer dan voldoende om een weeshuis te voeden. En dan te bedenken dat we ook nog een heel schaap mogen verorberen vandaag.   

Alleen met de wodka wil het, tot groot verdriet van een ieder, niet zo vlotten. Vandaag is het hier namelijk de laatste dag van het schooljaar, en om te voorkomen dat de feestvierende scholieren zich zullen bezatten, is Elista volledig drooggelegd. Onzinnige maatregel natuurlijk. Reken er maar op dat die scholieren allang de benodigde drank hebben ingeslagen. De enigen die lijden onder de maatregel zijn wij. Bij elk winkeltje dat wodka zou kunnen verkopen, maant Elza’s moeder de chauffeur te stoppen en stapt zij naar binnen. Maar niet meteen met het gewenste resultaat. Ze is echter vastberaden. Immers, een kür zonder wodka is een bij voorbaat mislukte kür. Uiteindelijk slaagt zij. Natuurlijk. Ergens in een achteraf straatje. Verrukkelijk glimlachend keert zij terug met twee flessen wodka. Het voorspel eindigt met een climax. Benieuwd hoe extatisch de daad zal zijn.

Het is, godbetert, nog geen zes uur. En toch sta ik al naast mijn bed. Net gewekt door het woedende geluid van mijn telefoon. Zo vroeg sta ik thuis bij lange na niet op. Maar vandaag, hier in het bruisende Elista dus wel. Ik slurp een oploskoffie naar binnen. Hap terloops wat van het donkere Russische brood. Tijd voor een uitgebreid ontbijt heb ik niet. Voldoende honger evenmin.

Klokslag zes uur hoor ik een harde klop op mijn voordeur. Tegelijkertijd wenst een luide stem mij ‘goedemorgen’. Alsof mijn vroege bezoeker vreest dat ik nog op één oor lig. Iets te enthousiast, zeker voor de tijd van de dag, ruk ik de deur open en heet Kirsan van harte welkom. Ik ken Kirsan eigenlijk niet. Pas gistermiddag ontmoette ik hem voor de allereerste keer. Op het centrale plein. Ik vroeg hem om een sigaret. We raakten in gesprek en binnen tien minuten nodigde hij me uit vandaag samen een excursie te maken. Ik stemde in, zoals duidelijk mag zijn. En dus is hij deze ochtend mijn gids en chauffeur. Dat we zo vroeg vertrekken, heeft natuurlijk een reden. Zeer ruim voor het middaguur, zeg maar rond een uur of tien, is het buiten namelijk al niet meer te harden. Dan is er maar één optie, ergens in de nabijheid te verblijven van een goedwerkende airconditioning.

Zo’n 25 kilometer buiten Elista staat een boom. En naar deze boom zijn wij vanochtend onderweg. Hier in Kalmukkië zijn de meeste bomen van een mini-formaat. Net als de bewoners trouwens. Maar dit exemplaar is groot, sterk, oud en stamt wellicht zelfs af van de beroemde bodhiboom in Bodghaya (voor de minder ingewijden, dit is de boom waaronder de boeddha verlichting bereikte). Meer dan voldoende redenen om deze boom heilig te verklaren. Onderweg zie ik vooral glooiende mini-heuvels en verdord gras. Het mag dan nog maar juni zijn, de Kalmukse zon schijnt al zo onbarmhartig dat het gras en het overige groen de ongelijke strijd allang hebben opgegeven.

Kirsan vertelt honderduit over zijn volk, de gewoontes, de rijke cultuur, zijn koeien en vooral over de geschiedenis. Ik heb geen idee of er een top tien van volkeren en turbulente geschiedenissen bestaat, maar indien wel, dan vind ik dat de Kalmukken hierin een topklassering verdienen. Langgeleden vertrokken ze uit het zuiden van Siberië. Volgens sommigen omdat er een gebrek was aan grazige weiden voor hun enorme kuddes schapen. Volgens anderen omdat zij  de dominantie van hun buren, de Mongoolse Dzungar stam, meer dan zat waren. Wat ook de waarheid is, in een gespreid bedje kwamen de Kalmukken bepaald niet terecht.

Allereerst, daar waar sappige graslanden zijn, zijn doorgaans ook mensen en kuddes. Evenzo op de steppes ten westen van de Kaspische Zee en ten noorden van de Kaukasus, de plek waarop de Kalmukken hun oog hadden laten vallen. Na een reis van vele duizenden kilometers waren ze echt te moe om nog langer te zoeken naar maagdelijke weides. Ze hadden nog juist genoeg energie om de Nogai, een Turkssprekend volk, met een fikse dosis geweld naar de Krim te verdrijven. Zo verkregen ze het  alleenrecht alhier. Geen irritante en machtswellustige concurrenten en meer dan voldoende voedsel voor mens en dier. Maar helaas voor een ieder die de Kalmukken een warm hart toedraagt, erg lang duurde deze idylle bepaald niet.

Het is wellicht het lot van alle nomaden. Waarheen ze ook gaan, altijd zijn er volkeren die menen recht te hebben op hetzelfde stukje land. Het is om moedeloos van te worden. Helaas voor de Kalmukken, zij moesten wedijveren met het dominante, arrogante tsaristische Rusland. Een ongelijke en kansloze strijd natuurlijk. En zo werden ze, binnen 25 jaar na aankomst, feitelijk opgeslokt door het machtige Russische rijk. Met alle gevolgen van dien.

Zonder de tsaren te kort te willen doen, het is toch Stalin, inderdaad daar is hij weer, die wat betreft agressie en machtsmisbruik, de kroon spant. Terwijl veel Kalmukse mannen in het Rode Leger dienden en hun leven riskeerden om nazi-Duitsland te verslaan, besloot Stalin de achtergeblevenen te deporteren. Omdat hij ze betichtte van verraad en samenzwering met de vijand. Als vee werden ze afgevoerd naar ver weggelegen oorden. Niet, zoals veel andere volkeren, naar één plek maar verspreid over grote delen van Siberië en Centraal-Azië. Pas na de dood van Stalin, twaalf jaar na de deportatie, werd het ze geleidelijk aan weer toegestaan terug te keren.

Langer dan een decennium elders leven, zonder communicatiemiddelen, het mag duidelijk zijn dat dit niet zonder gevolgen is gebleven. Zo spreken tegenwoordig opvallend weinig Kalmukken nog hun eigen taal. Bovendien, terugkeren naar huis was bepaald niet eenvoudig. Want Jozef zou Stalin niet zijn, wanneer hij niet bedacht zou hebben dat de huizen van de gedeporteerde Kalmukken evengoed zouden kunnen worden bewoond door Russen. Geen idee eigenlijk of al die Russen geheel vrijwillig naar hier kwamen. Feit is wel dat ze nooit meer weggingen. Ook niet toen de Kalmukken terugkeerden.

De Kalmukken, bang voor nieuwe problemen, besloten geen heisa te maken over hun verloren bezit. Het zou immers best kunnen dat dit de nieuwe heersers in het verkeerde keelgat zou schieten. Met alle potentiële gevolgen van dien. In plaats van toestanden te creëren, bouwden ze gewoon nieuwe huizen. Niet in de buurt van de Russen maar elders in het land. Aan integratie hadden ze, logischerwijs, weinig behoefte. Bovendien, er was plek genoeg.

En zo komen we aan bij de boom. Inderdaad, een prachtig exemplaar. De stoepa’s rondom, er staan d’r tien in totaal, zijn nog prachtiger. Om elke stoepa loop ik drie rondjes. Onderwijl denk ik louter positief en wens ik iedereen het allerbeste. En dat is nog best hard werken na al die verhalen van daarnet.

Een droge opsomming van feiten, data en cijfers leert dat het Bajkalmeer niet zomaar een meer is. Feitelijk zijn ze dan ook bepaald niet droog, eerder spectaculair en indrukwekkend. Wat te denken van het feit dat meer dan 20 procent van al het zoetwater op aarde zich in dit meer bevindt; veel meer dan in alle grote meren in de USA en Canada tezamen. Ook is uitgerekend dat het meer zoveel zoetwater bevat dat de gehele wereldbevolking er maar liefst 30 jaar van zou kunnen drinken. Qua oppervlakte, een slordige 31.500 vierkante kilometer, is het ongeveer even groot als België. Lengte? Zo’n 600 kilometer. Breedte? Plusminus 81 kilometer. Maximale diepte? Een fikse 1642 meter. Gemiddelde diepte? Nog steeds zo’n 758 meter.

En over dit immense meer rijd ik nu. Hartje winter is het. Buiten is het een graadje of twintig onder nul. In de minibus is het zeker 45 graden warmer. We maken een excursie rondom Olkhon Island, het grootste eiland in het Bajkalmeer. En dat het ietsje groter is dan Terschelling mag duidelijk zijn: zo’n 70 kilometer van noord naar zuid en ongeveer 8 km van oost naar west.

Eind februari is het meer bedekt met een laag ijs, dik genoeg om een tank te dragen. Spanning dat de minibus, waarin ik zit, door het ijs zal zakken voel ik dan ook niet. Alhoewel, het dient gezegd dat de zoon van de voormalige Oekraïense president Janukovich vorig jaar, tijdens een autorace, onder verdachte omstandigheden in dit meer verdronk. Zijn minibusje zakte wel door het Bajkalijs. Om onduidelijke redenen konden de overige vijf inzittenden gered worden, er wordt hier gezegd dat ze zelfs geen natte voeten gehad zouden hebben. Maar voor de zoon kwam alle hulp te laat. Omdat er voorheen al meerdere mensen uit de entourage van Janukovich op dubieuze wijze waren omgekomen, valt zeker niet uit te sluiten dat dit geen toeval is geweest. Aangezien ik op geen enkele wijze aan Oekraïense politici gelinkt ben, zit ik zorgeloos in de bus.

Af en toe stappen we uit en beginnen we een schuifeltocht over het ijs. Op weg naar een grot waar enorme stalactieten van ijs de ingang versperren. Of we schuifelen naar het noordelijkste puntje van het eiland, voor het beste uitzicht over het noordelijker deel van het meer. Daar waar  geen ijswegen meer zijn, simpelweg omdat er geen – of althans bijna geen – mensen wonen. Slechts vissers wagen zich ten noorden van Olkhon Island. Voor de rest regeert hier de natuur.

In het grootste dorp op het eiland, met 1300 zielen niet bepaald meer dan een gehucht, vind ik een onderkomen voor de nacht. De uitbaatster van het etablissement glimlacht verrukt wanneer ze mijn roestig Russisch hoort. Maar goed ook trouwens dat ik enigszins Russisch spreek, want haar Engels beperkt zich tot een ‘thank you’ en een ‘goodbye’.

IMG_8570    IMG_8563

Een kop thee, huisgemaakte koekjes en een flink opgestookte houtkachel zijn mijn welkom. Het is er aangenaam warm. Niet snikheet zoals in veel andere Russische huizen, maar prettig. Na de thee krijg ik een rondleiding door het huis. In de woonkamer zie ik een enorme TV waarop Shrek speelt. Moderniteit in Verweggistan. De gids had eerder al verteld dat pas sinds 2005 elektriciteit gemeengoed is op het eiland. Ook vertelde hij dat de bewoners terstond overgingen tot de aanschaf van TV en schotel. Maar een lampje installeren op het toilet lieten ze achterwege en werd afgedaan als volkomen overbodige luxe. Trouwens, het toilet hier is prachtig. Heerlijk verwarmd middels een kachel. Er is zelfs een speciale wifi aangelegd. Alleen, het bevindt zich ergens diep in de tuin op minimaal 50 meter afstand van het warme huis. Dat wordt een avond zonder bier neem ik mezelf stante pede voor. Stel je voor dat ik vannacht een keer of twee de gang naar het toilet moet maken? In het pikkedonker en met minus 20 graden of meer op de teller. No way. En uit het raam piesen, zoals ik vroeger op de koude boerderij nog wel eens deed, is evenmin een optie. Het raam wil namelijk niet open.

Na de thee loop ik door het dorp. Uitgestrekte straten zonder mensen. Ik slenter rond, geniet van de lucht, de zonsondergang, de kleuren, de stilte, de kou, de besneeuwde straten en het uitzicht over het fantastische meer. In de jachthaven liggen een tiental boten. Totaal vastgevroren. Het is wachten op de lente alvorens zij kunnen uitvaren.

Mannetjes rondom een Oazis (een Russische jeep) wenken naar me. Nieuwsgierig loop ik naar ze toe. Het zijn Boerjatiërs, op Mongolen gelijkende Russen, die vooral in de naburige republiek Boerjatië wonen. Ze hebben overduidelijk al flink van de wodka gesnoept. Dit zie ik niet alleen aan hun ogen en gedrag maar ook aan de twee lege flessen wodka die op de motorkap staan. Ze nodigen me uit voor een glaasje en een ritje. Het glaasje accepteer ik. Geen best spul, concludeer ik. Het smaakt in ieder geval belabberd. Maar het ritje weiger ik. Er is weliswaar weinig kans op ongelukken op het ijs. Daarvoor is er te weinig verkeer of andere obstakels. Maar met een dronken Boerjatiër als chauffeur over het Bajkalijs lijkt me een te slecht plan. Dus loop ik door. Niet veel verderop verstoort een jongeman de stilte met zijn zijspanmotor. Met brullende motor rijdt hij rondjes over het ijs. Telkens een nieuwe passagier verblijdend. Onder hun dikke mutsen en in hun enorme jassen zie ik ze allemaal breeduit glimlachen. Ook hij nodigt mij uit voor een ritje. Maar opnieuw weiger ik. Te weinig kledij om mijn lijf. Ik vrees afgevroren tenen en vingers en zelfs m’n edele delen zouden wel eens ten onder kunnen gaan aan de kou.

IMG_8579 IMG_8585

Heb geloof ik wel vier kilo kledij om mijn lijf en op mijn hoofd. Shirt, nog een shirt, nog één, trui, jas, gebreide sjaal, handschoenen, muts, onderbroek, lange onderbroek, broek, twee paar sokken. En enorme schoenen. Al vijftien minuten sta ik op de afgesproken plek. Op het afgesproken tijdstip. Maar mijn afspraak laat me wachten. In de bijtende kou van Irkoetsk. De kou is al door bijna alle lagen kleding gedrongen en rukt nu aan de laatste laag. Een hemd, godbetert. Zo’n sexy witte. Een ongelijke strijd.

Nog steeds hoopvol maar vooral bibberend kijk ik naar elke passerende auto. Geen enkele stopt. M’n blauwe lipjes mompelen een vloek. Ergens in de berg kledij hoor ik het geluid van mijn telefoon. Met m’n bevroren vingers peuter ik deze tevoorschijn. Het is Boris, mijn afspraak, die spreekt. Hij verontschuldigt zich uitgebreid voor zijn late aankomst. Iets over een auto die niet wilde starten. Twee minuten later staat Boris voor m’n ongetwijfeld rode neus. Hij heet me grijnzend welkom in de voorverwarmde auto. Vraagt of ik koud ben. Schenkt als antwoord gloeiend hete thee in een beker. Maakt tien keer excuses. Ik wil hem woedend antwoorden, maar reageer met een grimas en een ‘valt wel mee’. Zal nog wel vaker kou lijden de komende dagen. Laat ik dit kwartiertje maar beschouwen als een leuke opwarmer en er voor de rest geen woorden aan vuil maken.

Siberië, het mag duidelijk zijn, doet zijn imago eer aan. Het is hier inderdaad bitter koud. Maar leeg, stil en rustig – ook standaard associaties bij Siberië – is het in Irkoetsk bepaald niet. Het is hier best druk en levendig. Met ruim een half miljoen inwoners eigenlijk ook best logisch. Zou je Irkoetsk naar Nederland verplaatsen dan is het zomaar, na Amsterdam en Rotterdam, de derde stad van het land. En dan is Irkoetsk nog niet eens de grootste stad van Siberië. Die eer gaat naar Novosibirsk, dat maar liefst 2,7 miljoen inwoners telt.

Goed, de kou is vergeten en de drukte kan me totaal niet schelen. In rap tempo warm ik op. Boris verhaalt ondertussen over de kou en de invloed op motoren. Over de rit naar het Bajkalmeer, de lunch, de staat van de weg. Terwijl op de achtergrond, godbetert, Modern Talking klinkt! Zal dat hier nog in de top tien staan? Of is het bedoeld om mij op mijn gemak te stellen? Ik laat Boris praten en zing tegelijkertijd in stilte ‘You’re my heart, you’re my soul’. Ik dacht altijd een hekel te hebben aan deze twee Duitsers, maar ik moet nu toch opbiechten dat ik in een opperbeste stemming geraak. Kan ook zijn omdat de verhalen van Boris me bekoren. Of omdat mijn lichaamstemperatuur weer richting normale waarden gaat. Terwijl buiten de stad langzaam plaats maakt voor Siberisch platteland, ontdoe ik mij van jas en sjaal. Terwijl de wegen langzamerhand leger raken, ontdoe ik mij van trui en een shirt. Blijkbaar geldt hetzelfde voor auto’s als voor huizen hier. Des te kouder buiten, des te warmer binnen.

We rijden inmiddels een uurtje of drie over dezelfde lange rechte weg. Volgens mij hebben we precies één keer een afslag genomen. Gelukkig hebben de heren van Modern Talking, op mijn verzoek, plaats moeten maken voor wat Russische krakers. Stukken beter. Al is het thema identiek, ook hier gaat het vooral over ‘harten’, ‘liefde’ en ‘zielen’. Voor het overige is er niet veel veranderd. Binnen is het heet, buiten is het stervenskoud. Net nog ondervonden, toen we een excursietje maakten naar een heuvel waar wat petrogliefen in rotsen waren gekerfd. Best leuk en interessant eigenlijk. Alleen, die wind maakte dat het aanvoelde als minus 40 ofzo. En dus was ik blij dat Boris vrij snel een einde breide aan ons uitje.

IMG_8672   IMG_8610

Dan slaan we plotseling linksaf. En achteloos rijden we het ijs op. Van het Bajkalmeer. Zonder te dralen, zonder af te remmen. Alsof de weg niet ophoudt. Alsof het normaal is in een minibus over het Bajkalmeer te rijden. Ik had half en half verwacht dat we stapvoets over het ijs zouden moeten rijden. Maar blijkbaar hebben Russische winterbanden voldoende grip. Ook op het ongetwijfeld gladde Bajkalijs. De weg is aangegeven middels houten palen die om de honderd meter aan weerszijden in het ijs zijn geslagen, is breder dan een gemiddelde vierbaansweg en heeft een middenberm die minimaal 50 meter meet. Van tegenliggend verkeer zullen we dan ook geen last krijgen. Af en toe staat er zelfs een stopbord, wanneer het ijs te slecht is en er volgens de Bajkalverkeersdienst dient te worden afgeremd. Niet dat de chauffeur stopt overigens. Hij kijkt niet op of om, blijft onverstoorbaar doorgaan.

In de verte zie ik Olkhon Island, onze bestemming, al liggen. Zo’n acht kilometer verderop. Met deze snelheid duurt ons ritje niet veel langer dan tien minuten. Maar tot mijn grote vreugde parkeert de chauffeur, ergens halverwege, de auto aan de kant van de weg. Vriendelijk word ik uitgenodigd uit te stappen en rond te lopen. Ik verwonder me over de enorme scheuren. Over het dikke ijs. Het heldere water. Als een schooljongen ren ik rond. Laat me op mijn rug vallen en glijd als een rodelaar over het ijs. De kou, het is toch rond de minus 20 graden voel ik totaal niet. De wind, het waait toch een windkrachtje 4 tot 5 schat ik, met mijn Jan Pelleboer-instinct, in deert me evenmin. Warm ben ik. Van de opwinding. Van de wandeling over het Bajkalmeer.

IMG_8598  IMG_8622

Nieuws, het komt en gaat. Wat horen we tegenwoordig eigenlijk nog over de Krim? Bitter weinig. Verdrongen door belangrijker zaken als de vluchtelingencrisis en de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Maar een paar maanden geleden domineerde de Krim, en zeker oostelijk Oekraïne, het nieuws. Toen was het er gevaarlijk. De mensen waren er ontstemd over de annexatie. De bevolking was verheugd over de Westerse reactie en de sancties opgelegd aan Rusland. Alles ademde treurnis. De Kalasjnikovs regeerden. Toen was de Krim een plek om te mijden. Als de pest. Zo ongeveer kan ik de berichtgeving in de westerse media samenvatten. En zo reageert mijn omgeving ook wanneer ik vertel dat ik met eigen ogen wil zien wat er gebeurt op de Krim. Vragende blikken. Enig hoofdschudden. Soms ronduit afwijzend. Zelfs een ‘wil-je-dood-vraag’ is mijn deel.

Op mijn beurt schud ik mijn hoofd. Geenszins ben ik zoiets van plan. Maar dat deze reacties mij overtuigen thuis te blijven is evengoed een illusie. Natuurlijk niet. Ik ben het namelijk zat te moeten horen dat de media overal ter wereld propaganda verkondigen. Behalve de onze. Ik erger me aan de eenzijdige berichtgeving van de Nederlandse media. Ik ben het beu te moeten luisteren naar bestuurders en leiders met bekrompen wereldse denkbeelden. Naar mannetjes en vrouwtjes die meningen ten gehore brengen over oorden waar ze nog nooit zijn geweest. Alsof zij het allemaal snappen. Alsof zij precies weten hoe de bevolking op de Krim denkt. Ik irriteer me aan het voortdurende prediken dat wij goed zijn en die anderen slecht. Of in ieder geval minder goed.

En dus ben ik op weg. Op naar die levensgevaarlijke Krim. Onderweg fantaseer ik over Kalasjnikovs. Over kogelregens. Over lynchpartijen. Ik denk na over Poetin; volgens velen de duivel in hoogsteigen persoon als het gaat over de Oekraïne en de Krim. Terwijl anderen in hem juist de verlosser zien. Ik mijmer over Jalta. Over Roosevelt en Churchill. Over de tsarenfamilie en hun liefde voor het schiereiland. Over de oorspronkelijke Tartaarse bevolking, die een wel heel roerige recente geschiedenis kent. Over Stalin, die woedend en achterdochtig als altijd, alle Tartaren, nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, liet deporteren naar Oezbekistan, Kazachstan en Siberië. Op verdenking van collaboratie met nazi-Duitsland. Naar slecht Sovjetgebruik duurde de deportatie van een kwart miljoen mensen slechts enkele dagen. Over diezelfde Tartaren, die zo’n 50 jaar later, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, terugkeerden naar hun moederland. Waar ze heden ten dage letterlijk en figuurlijk knokken voor hun rechten. Ik droom van de bergen, de stranden, de zon en de lokale wijnen. En opeens besef ik me dat ik opgewonden ben. Nieuwsgierig. Ongeduldig. Ik wil de tegenstrijdigheid, die uit alle hoeken en gaten druipt, zelf ontdekken.

Toegegeven, ik ben lichtelijk nerveus wanneer ik aankom op het vliegveld van Simferopol. Hangt er hier een zekere spanning in de lucht? Of is het mijn eigen verbeelding? Die twee Russische gevechtsvliegtuigen die ik tijdens het taxiën aan mij voorbij zie gaan, dragen in ieder geval niet meteen bij aan de rust in mijn hoofd. Wanneer ik om me heen kijk, realiseer ik me dat mijn medepassagiers bepaald anders reageren. Ze kijken blij en verheugd. Voeren geanimeerde gesprekken. Want de Krim is voor de Russen als het beloofde land. Eén van de weinige plekken in dit enorme land waar de zon bijna altijd schijnt en waar het klimaat niet wreed en vijandig is. Logisch dus, dat een gevechtsvliegtuigje links of rechts geen impact heeft op de stemming en het blije gevoel.

Buiten gekomen hoef ik niet op zoek naar een taxi. Er staan tientallen voor de deur geparkeerd. En alle chauffeurs willen die buitenlander wel naar Jalta brengen. De vraagprijs is 3000 roebels, zeg maar 40 euro, voor een ritje van zo’n 80 kilometer. Niet meteen erg duur, maar na wat handjeklap heb ik de prijs al snel teruggebracht naar 2000 roebels. De chauffeur heeft haast. In een razende vaart scheren we over de bochtige weg. Het lijkt wel alsof er geen recht stukje weg bestaat hier op de Krim. Met regelmaat staat er een enorm billboard aan de kant van de weg, met een al even enorm portret van Poetin. Hij glimlacht zelfverzekerd naar de Krimse bevolking. Alsof hij ze wil vertellen dat het goed is, en goed zal blijven. Voor altijd. En mocht dit niet voor een ieder duidelijk zijn, het staat er voor de zekerheid ook nog geschreven: De Krim is van ons. Voor altijd.

Ik heb me voorgenomen een niet-representatieve steekproef te organiseren onder de lokale bevolking. Zoveel mogelijk mensen alhier vragen naar hun mening over de Russische annexatie en over Poetin. En mijn eerste slachtoffer is de taxichauffeur. Ik knik naar een van die borden en vraag naar zijn mening. Die is kort en zeer duidelijk. Poetin is een held en de annexatie is een zegen. En hij is niet de enige met zo’n mening. Daar ga ik de komende dagen wel achter komen.

 

Uren en uren rijden we al over de M41. Nog steeds klimmen we naar grotere hoogten. Nog altijd wordt het landschap ruiger. Het laatste restje water is inmiddels geconsumeerd en ik realiseer me dat het verstandig is geen pech te krijgen. Want een nachtje op deze hoogte, zonder water en voedsel, is zeker en vast geen sinecure. Kale, kille bergen rondom. Bruingekleurd met tinten grijs. Stenen zo ver het oog reikt, slechts af en toe wat gras of zeer laag struikgewas. Een stormachtige wind doet spierwit, rul zand opwaaien. Ik proef het op mijn tong, voel het in mijn ogen. Blijkbaar zitten er nogal wat kieren en gaten in de Oazis, onze Russische jeep. Het lijkt wel een woestijn op grote hoogte.

Pamir    Pamir

Af en toe stoppen we. Om de jeep wat rust te gunnen. En om de motor te koelen. Echt zorgen maak ik me vooralsnog niet, vooral omdat Zarek, de chauffeur, blijft glimlachen en een uitstraling heeft van ultieme controle. Tegelijkertijd, helemaal gerust ben ik toch ook niet. Vooral het gebrek aan water zit me dwars. Dat was toch wat dommig, te weinig water mee. En water vragen aan medeweggebruikers lukt ook niet. Want die zijn er niet. De enige levende wezens die ik, heel af en toe, zie zijn herders met een flinke kudde geiten en schapen. Op zoek naar grazige weiden. Al vraag ik mij af waar die in hemelsnaam te vinden.

We passeren de Khargush Pass, met 4.344 meter het hoogste punt van de dag. De Oazis puft en zucht maar heeft ons evengoed naar hier gebracht. Van louter plezier geef ik Zarek een high five. Wat een plek. Wat een weg. Wat een natuur. Wat een rit. Vanaf nu mogen we dalen, richting de beschaving van het wilde oosten van Tadzjikistan. Alleen die vermaledijde dorst en inmiddels ook honger gooien geringe hoeveelheden roet in het eten.

Maar dan is daar opeens een checkpoint. Plompverloren neergekwakt in absoluut niemandsland. Een treurige soldaat noteert mijn paspoortgegevens. Op mijn vraag hoeveel auto’s hier passeren, antwoordt hij, al even treurig, ‘tussen de vijf en de tien, maar vandaag zijn jullie de tweede’. En het is al ruim na drie uur, nog een paar uurtjes en het is donker. Op mijn belangrijkere vraag over water en voedsel, antwoordt hij door naar een hut te wijzen, iets verderop. Daar is wel iets te eten en te drinken.

Oazis  Checkpoint

Woedend worden we welkom geheten door een grommende hond. Gelukkig reikt zijn ketting niet veel verder dan een paar meter. Bovendien, er staat opeens een mannetje in de deuropening die al even woedend de hond tot stilte maant. Tegelijkertijd schitteren zijn ogen van plezier. Bezoek! Er is bezoek! Dolblij nodigt hij ons uit vooral binnen te komen, alwaar nog twee mannetjes op krakkemikkige stoeltjes zitten. Meteen wordt een ketel met water op een vuur gezet, ergens een brood opgeduikeld en in no-time drinken we thee en eten we zeer oud en droog brood. De drie mannetjes, twee biologen en een ingenieur, zijn in een dolenthousiaste stemming. In eerste instantie denk ik dat het is vanwege het bezoek. Alras begrijp ik dat het toch vooral is omdat ze al behoorlijk van de wodka hebben gesnoept. Natuurlijk, ze willen dat ook ik drink. Maar ik heb geen zin en weiger beleefd en resoluut. Alleen de uitnodiging om samen te dansen kan ik niet weigeren. En zo swing ik, in een aftandse hut op grote hoogte, op een Tadzjieks muziekje met twee Tadzjiekse biologen.

Terwijl we eten en drinken verhalen de biologen. Over de twee zonnepanelen uit China, die ervoor zorgen dat ze naar een radio kunnen luisteren en een gloeilamp kunnen laten branden. Eén van de twee blijft maar herhalen, als ware het een mantra: ‘zonnepanelen uit China zijn de beste ter wereld’. Wanneer hij vervolgens vertelt dat hij hier is om de wilde dieren te tellen, begin ik wel enigszins te twijfelen. Als hij net zo vaak dubbel telt, als dat hij dubbel vertelt… Het verbaast mij dan ook niet dat het goed gaat met het Marco Polo schaap in deze contreien. Toen de Russen het hier nog voor het zeggen hadden, was er van de natuur niet veel meer over. Maar inmiddels gaat het dus een stuk beter. Volgens de bioloog is dit ook te danken aan het feit dat hij een specialist is in Marco Polo schapen.

Met een ferme omhelzing en een voorzichtige zoen nemen we afscheid. Zelfs de hond lijkt opeens een stuk minder woedend. Op naar meer stenen, bergen, zand en woedende natuur. Maar het einde is in zicht zegt Zarek, nog een paar uurtjes en we bereiken het betere gedeelte van de Pamir Highway. En dat dit scheelt, is meteen duidelijk. Nog steeds verre van een strak geasfalteerde snelweg rijdt het inderdaad een heel stuk florissanter dan voorheen. En zo rijden we plotseling met gezwinde spoed richting Murgab, naar het wilde oosten van Tadzjikistan.

Zittend in mijn taxi zag ik de Kaukasus de afgelopen uren langzaam veranderen; van kaal en vijandig tot groener en vriendelijker. En dan is daar plotseling Dadivank. Een juweel van een gehucht. Exact 27 huizen met daarboven, hoog op een klif, een eeuwenoud klooster annex kerk. Oorspronkelijk gebouwd in de vierde eeuw, en sindsdien talloze keren gerestaureerd. Maar al zo’n 1600 jaar staat het daar. Welk een fenomenale locatie. Ik mag dan vaak zeggen dat het niet meer hoeft. Het aanschouwen van nog meer kerken. Gewoon, omdat ik er al zo heel veel heb gezien in mijn leven. Maar ik moet mezelf ongelijk geven. Want deze moet wel. Te mooi om te laten lopen. Ik loop rond. Geniet van het uitzicht. Zie niemand. Hoor alleen het prachtige gezang van een vrouw.

De kerk en het gezang maken dat ik hier wil blijven. In dit gehucht. De vraag is alleen waar en hoe? Mijn taxichauffeur is alvast overtuigd dat overnachten hier een utopie is. ‘Arme, primitieve mensen en een Europese toerist gaan niet samen’ zo vertelt hij mij. Alleen, zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Schoonheid heeft immers een prijs. Bovendien, vroeger op de boerderij in Pekela, was er ook geen verwarming en was de douche ook niet altijd heet. Dus ik ben wel wat gewend.

Bij een winkeltje, aan de hoofdweg, zie ik een aantal mensen staan. Ik spreek een oude dame aan en vraag haar of ik hier ergens kan slapen. Ze knikt verheugd. Zeker kan dat. Bij haar thuis is plek genoeg. Ze wijst naar het eerste huis in het dorp. Ik ben meteen overtuigd. Daar ga ik slapen, dat wordt mijn thuis. De taxichauffeur haalt hoofdschuddend mijn bagage uit de kofferbak, neemt weifelend mijn geld aan, maar scheurt vervolgens evengoed met hoge snelheid weg.

En zo beland ik in een soort van Hans en Grietje huis. Oud, vervallen met in de logeerkamer zes roestige en krakkemikkige bedden. Ik ben de enige gast. Hoe verrassend. Meteen voel ik me thuis. Het doet me denken aan het huis van mijn grootouders. In de keuken braakt een karaokespeler – dat dan weer wel – Russische pop. Loeihard. Sonja, zoals mijn gastvrouw heet, trekt meteen een fles huisgemaakte kefir uit de koelkast, haalt een homp zelfgemaakt brood tevoorschijn en trakteert me op een glas wijn. Ook al zelfgemaakt. Het smaakt fantastisch.
Onderwijl vertelt Sonja over zichzelf. Voordat de oorlog begon, woonde ze met haar familie in Bakoe. Vredig en rustig. Maar die oorlog veranderde haar leven voorgoed. Haar man en één van haar zonen lieten het leven, en zij besloot met haar andere zonen en haar dochter te vluchten. Net als zoveel andere Armenen. Eerst naar Jerevan en vervolgens naar hier. Naar Dadivank. Om een nieuw bestaan op te bouwen. Dit huis heeft zij, natuurlijk zonder vergunning, zelf gebouwd.

Dat het leven zwaar is en flinke sporen nalaat, is duidelijk aan haar te zien. Ik laat me dan ook niet verleiden tot het schatten van haar leeftijd. Zoals ze me herhaaldelijk vraagt. Uiteindelijk geeft ze het op en vertelt ze dat ze 52 is. Gelukkig, denk ik, heb ik me niet laten ompraten. Want, eerlijk gezegd, ik had haar minimaal 65 jaar gegeven. En dat had ze vast niet heel leuk gevonden. Ze praat maar door. Over de angst voor een nieuwe oorlog. Over weer een gedwongen verhuizing. Over Azerbeidzjan. Over het geweld.
Opeens besluit Sonja dat het tijd is voor wat vrolijkheid. Per slot van rekening, ze heeft een gast. Op haar mobiel speelt ze muziek, Russische liedjes die ze uit volle borst meezingt en waarop ze voorzichtig heupwiegend danst. ‘Er is geen tijd voor meer verdriet want we leven maar één keer’, zegt ze. Maar even abrupt als het begon, stopt de muziek ook weer. Omdat Sonja zich realiseert dat haar gast nog ongewassen is. Na een lange en stoffige reisdag.

Ze verontschuldigt zich, ook voor het feit dat hier geen douche is. De rivier is de enige optie. Poedeltjenaakt, verscholen achter wat struiken en struikjes, was ik het zweet en het stof van me af. Maar wat geeft het? Toch helemaal niets? Shampoo voor het haar, een stukje zeep voor het lichaam en rondom de Kaukasus. Grootse pret. Dat is het. Een topdouche. Dat is het.
Aan de oever van de rivier is een soort van openlucht restaurant, bestierd door de dochter van Sonja. In tegenstelling tot haar moeder is dochterlief wat knorrig en kortaf. Alsof ze boos is op de wereld. Of op zichzelf. Of op mij. Ik heb geen idee. En ik vraag haar ook niet wat er is. Gewoon omdat ik er geen zin in heb. Ik bestel een sjasliek, met van die sublieme Karabachse tomaten en komkommers, brood en bier. Welk een maal. En rondom weer de Kaukasus.

Bij thuiskomst is de zoon van Sonja op bezoek. Hij gaat morgen naar Jerevan, naar de grote stad. Voor zaken en zaakjes. En daarom moet hij er piekfijn uitzien. Moeder strijkt zijn shirt en poetst zijn schoenen. Hijzelf scheert zijn baard, zonder schuim. Wanneer ik hem mijn scheerschuim geef, lacht hij vrolijk. En mijn aftershave maakt hem nog vrolijker.

Wanneer ik later op de avond wil gaan slapen, zegt Sonja dat het nog te vroeg is. Eerst moet ik meer van die huisgemaakte wijn proeven. Ze bedoelt dat ze meer met mij wil praten. Blij met het gezelschap, blijft ze mijn glas vullen. Het smaakt nog steeds uitstekend. Ik drink zo een half litertje van dat spul, zonder moeite. Totdat ik vrolijk ben. Van de wijn en van de Kaukasus.
Na de wijn mag ik slapen. Maar Sonja komt me, als een echte moeder, nog wel een goede nacht wensen. Zij besluit dat slapen onder een laken niet warm genoeg is en legt heel voorzichtig een deken over me heen. Bijna heb ik het idee dat ze me een zoen op mijn voorhoofd gaat geven. Maar ze doet het niet. En dat vind ik jammer!