Posts Tagged ‘Travel’

Enorme hoeveelheden bommen, gedropt tijdens de tweede Tsjetsjeense oorlog, maakten van Grozny een hel. Het hele centrum veranderde in een ruïne. Honderden mensen verloren het leven en honderdduizenden vluchtten voor de Russische bommen. Dit zijn de beelden die ook nu nog spontaan op ons netvlies verschijnen bij het horen van de naam van de Tsjetsjeense hoofdstad.

Maar de werkelijkheid is een totaal andere. Op deze warme zaterdagavond wandel ik door de V.V. Poetinstraat. En ik ben bepaald niet alleen. Met mij paraderen duizenden inwoners door de straten. Kinderen spelen en rennen. Gehoofddoekte vrouwen houden hun nageslacht nauwlettend in het oog, onderwijl met elkaar babbelend. Stoere mannen, die bijna allemaal uit een worstelarena lijken te zijn ontsnapt, showen hun imposante torso’s in te strakke t-shirts.

Onder het toeziend oog van Kadyrov, papa Kadyrov en Poetin, hun portretten pronken overal, lijkt Grozny een modelstad te zijn geworden. Een stad waar veel andere Russische steden slechts met jaloezie naar kunnen kijken. De straten zijn hier schoon. De parkjes groen en netjes onderhouden. De winkels luxueus en uitnodigend. De imposante wolkenkrabbers en de Achmat Kadyrov Moskee in Grozny City, grandioos verlicht in vele kleuren, doen denken aan Las Vegas of Macau. Hoe ik ook speur naar overblijfselen uit de oorlog, ik vind er geen.

6d   6f

Dankzij miljarden roebels uit Moskou is Grozny uit het stof herrezen. In een razend tempo zijn alle herinneringen aan de oorlog weggepoetst. Als argeloos toeschouwer ben ik onder de indruk van de oppervlakkige schoonheid van de stad. Ze is als een prachtige blondine die mij inpalmt met haar innemende glimlach.

Maar, zo vraag ik me af, kun je jarenlang ongestraft verwoestende bommen gooien op een stad en haar inwoners? Kun je mensen die verschrikkelijke oorlog, nog maar zo heel kort geleden beëindigd, doen vergeten door pracht en praal uit de grond te stampen? De vrolijkheid rondom wekt de indruk van wel. Toch, net als bij blondines met innemende glimlachen, lijkt het mij beter haar niet meteen de liefde te verklaren.

In mijn hotelletje, dat zelf niet meteen onder de categorie luxe valt, loop ik niet geheel toevallig de beheerster tegen het lijf. Ze zit altijd maar in haar kamertje, karig gemeubileerd met een bankstel, een stoel en een TV, vanwaar ze een uitzicht heeft op de voordeur. En een ieder die binnenkomt, glimlacht zij een hartelijk welkom. Wanneer ik haar vraag wat zij van het nieuwe Grozny vindt, barst ze los. Volgens haar is de ziel uit de stad verdwenen. Veel inwoners voelen zich niet thuis tussen het in allerijl gefabriceerde kitsch. Het is potsierlijk, misplaatst en past niet bij de aard van de mensen. Het was veel beter geweest indien de stad op de oorspronkelijke wijze zou zijn herbouwd.

Ook het Colosseum, de indoor sporthal, is in een ommezien uit de grond gestampt. Milana, de communicatiemanager, verwelkomt me hier op innemende wijze. Trots als ze is op deze nieuwerwetse constructie, neemt ze me bijkans bij de hand opdat ik niets zal missen. Het eerste dat opvalt, is het enorme portret van Ramzan Kadyrov waarop hij poseert als bokser. Ook zie ik Ramzan terwijl hij touwtrekt. En een foto, samen met notabene, Badr Hari. Ik mag plaatsnemen op de stoel van Ramzan vanwaar, weinig verrassend, het zicht op de boksring uitmuntend is. Aan het eind van de rondleiding staat Milana me toe de sporthal te verlaten als ware ik Kadyrov zelve. Zoals het een ware leider betaamt, bemoeit hij zich niet al te veel met het gepeupel. Derhalve heeft hij een privé-toegang tot zijn beschikking. Hij kan zich met zijn gepantserde SUV moeiteloos naar binnen en buiten laten rijden. Tot op enkele meters van zijn zitplaats.

Bij het voetbalstadion zie ik Kadyrov junior opnieuw, nu showt hij zijn voetbalkunsten. Op zoveel andere plaatsen in de stad zie ik hem, in allerlei gedaantes. Hij is de held. De alleskunner. Zonder hem is Tsjetsjenië reddeloos verloren. Soms wordt hij geflankeerd door zijn beschermheer Poetin of door zijn vader Achmat Kadyrov, die in 2004 bij een bomaanslag om het leven kwam. Toch, hoe Ramzan ook zijn best doet, de bevolking is ontevreden en kritisch. Hij is een slechtopgeleide boef die uitsluitend mensen uit zijn eigen clan bevoorrecht. Een dictator, in een republiek die al decennia strijdt tegen de machthebbers in Moskou, die in het zadel wordt gehouden door die zelfde machthebbers. Als dat maar goed blijft gaan.

9a

Advertisements

Zondagochtend half zeven is het wanneer mijn trein uit Krasnoyarsk aankomst in Abakan. Ietwat dizzy van een rusteloze treinnacht stap ik uit. En met mij flink veel anderen zo merk ik want op het perron is het een drukte van belang. Mensen met slaperige hoofden slepen zware koffers en tassen richting taxi. Anderen worden hartelijk welkom geheten door vrienden of familie en verdwijnen eveneens alras richting thuis. Zo sta ik in een ommezien bijkans alleen op het station. Moederziel alleen in Siberië is de gedachte die bij mij opkomt. Maar treurig maakt het me geenszins. Eerder het tegenovergestelde. Ergens duikel ik een nog achtergebleven taxichauffeur op, geef hem het adres waarheen ik wil, onderhandel over de prijs en vertrek eveneens. In een knotsgekke, oude, oranje Lada.

In de stad is het rustig. Bijzonder rustig zelfs. Maar het is dan ook zondagochtend. In Siberië. Dus dit lijkt me vrij logisch. Kilometers lang rijden we door een verlaten centrum. Brede wegen, zoals altijd in Rusland. Maar zonder auto’s of andere weggebruikers. De zee aan asfalt geeft de taxichauffeur prima de gelegenheid zijn Lada eens flink te laten knallen. En hij maakt hiervan dankbaar gebruik. Die brede wegen worden omzoomd door bomen, wat de vriendelijke en rustige indruk alleen maar versterkt. Daarachter zie ik vooral laagbouw. Gebouwen van één, maximaal twee verdiepingen. Waarom ook, in dit onmetelijke Siberië, hoogbouw laten verschijnen?

Het eerste hoge gebouw dat ik zie, zo luidde de instructie van mijn huurbaas, is ook meteen de plek waar ik moet zijn. En het blijkt uitstekend te kloppen want op het moment dat ik een hoog gebouw zie, wijst de chauffeur deze aan als onze bestemming.

Ik druk ergens op een bel en, na lang wachten, klinkt vanuit de intercom een slaperige stem van de ‘administrator’, de Russische variant op onze conciërge. Ik mompel een verontschuldiging voor mijn vroege aankomst maar ze wuift dit vriendelijke doch resoluut weg. Vroeg aankomende of laat vertrekkende gasten deren haar blijkbaar niet. ‘Met de lift naar de zevende verdieping’, luidt haar instructie, ‘en pas op voor de muren want deze zijn net geverfd’. Aangekomen op de zevende verdieping staat de deur wagenwijd open en heet de administrator mij met een brede glimlach welkom. Bewonderenswaardig. Ik heb haar toch net wreed uit haar zondagochtendrust gewekt. En dan nu al zo’n glimlach.

Abakan, voor de duidelijkheid, is niet zomaar een nietszeggend stadje in Siberië. Het is de hoofdstad  van de Russische deelstaat Chakassië en daarmee het centrum van een gebied dat ongeveer even groot is als Nederland en België samen.  Weinig verrassend, per slot van rekening is Siberië niet meteen dichtbevolkt, is het aantal inwoners aanzienlijk lager. In de hele deelstaat wonen er ongeveer een half miljoen en in Abakan zelf zo’n 150.000. Dit verklaart ook meteen waarom ik, wanneer ik later op de zondag naar het centrum wil, vooral oude stadsbussen zonder passagiers voorbij zie rijden. Van bedrijvigheid is geen sprake. Stilte en rust heersen. Ervan uitgaande dat alle bussen naar het centrum rijden, stap ik in de leegste. De conductrice heet me hartelijk welkom, vraagt me een handjevol roebels en laat me een minuut of tien later, bij een standbeeld van Lenin uitstappen.

Ik ben in het centrum. Niet dat het hier drukker is overigens. Ik wandel door de Leninstraat en door de Karl Marxstraat, de winkelsteden van Abakan. Tot mijn verrassing zie ik Tommy Hilfiger, MEXX en een Baskin-Robbins IJssalon. Plotselinge moderniteit. Voor het overige is het vooral niets. Stilte voor een Siberische storm? Of de alledaagse gang van zaken?

3, Lenin 2, Spasko-Preobrazhenskoy Cathedral

De façade van restaurant Kaukasië trekt mijn aandacht. Plotseling luxe? Het lijkt er verdraaid veel op. Ik treed binnen in een compleet leeg restaurant. Alles is wit hier. De stoelen, de tafels, de muren, de vloer en ook de piano. Twee medewerkers, in witte tenues, staan werkeloos bij de eveneens witte bar. Een uitdrukking van teleurstelling op hun gezicht. Misschien omdat aan het nietsdoen een einde lijkt te zijn gekomen? Ik bestel, ondanks het nog steeds vroege uur, een sjasliek en 100 gram wodka. Een Siberisch ontbijt om in de juiste stemming te geraken. Beide smaken me uitstekend. En van beide zou ik best meer willen. Maar ik bedapper me. Te vroeg en te ongezond. Kan later vandaag nog wel. Nu eerst verder, de rest van de stad ontdekken.

Ik slenter door parken en door straten. Bewonder het onvermijdelijke oorlogsmonument 1941 – 1945. Bezoek het museum waar ik vooral opgezette Chakassische dieren zie. Wandel een kerk binnen. Raak de weg kwijt en beland uiteindelijk op een zondagsmarkt. En plotseling zijn de rust en de stilte verdwenen. Alsof heel Chakassië is samengekomen op deze ene plek. Verkopers van fruit, groente, kleding, schoenen, tassen, speelgoed, gereedschap, taarten, sanitair, toiletartikelen en wat al niet meer, bieden hun waar aan. En ze doen goede zaken, volgens mij. In ieder geval het aantal potentiële kopers is indrukwekkend. En velen lopen al flink bepakt en bezakt langs de talrijke kramen. Hier is het dan. Hier is het centrum van dit deel van Siberië. Maar echt opgewonden geraak ik er niet van. Te veel herrie. Te veel gedoe. En dus vertrek ik. Terug naar de stilte van het centrum. Terug naar hoe ik vind dat Siberië moet zijn.

 

 

Hoeveel kilometer ben ik eigenlijk van huis, zo vraag ik me af. Toch wel een duizendje of zeven, dunkt me. Dagen ben ik onderweg geweest om die enorme afstand te overbruggen. Nu zit ik hier in een fauteuil, bij de Oudgelovigen ergens diep in Siberië. Maar meer en meer krijg ik het idee tegenover mijn eigen ouders te zitten. Ik luister en kijk nu al een klein uurtje naar Pavel en Ekaterina en meer en meer bekruipt me het gevoel dat ik naar Antoon en Alie luister en kijk.

Qua uiterlijk zijn de overeenkomsten overigens ver te zoeken. Pavel heeft een woeste baard, terwijl mijn vader iedere ochtend zijn scheermes ter hand neemt om zijn eendagsbaard te lijf te gaan. En Ekaterina is gekleed in een lange jurk, terwijl ik mijn moeder de laatste 10 jaar alleen maar in een lange broek heb gezien. Maar de verhalen die ik hoor doen mij terugkeren naar de boerderij in Oude Pekela. Terug naar 1978, zeg maar.

Ekaterina vertelt honderduit en Pavel luistert aandachtig. Hij plukt de hele tijd ietwat nerveus aan zijn baard. Alsof hij bang is dat zijn vrouw iets verkeerds zal zeggen. Alsof hij bang is dat zijn vrouw kwaad over hem en de andere Oudgelovigen zal spreken. Ondanks zijn nerveuze gedrag is het mij allang duidelijk dat Pavel de touwtjes hier stevig in handen heeft. Ekaterina mag dan praten als brugman vandaag, als het puntje bij het paaltje komt, heeft zij niets te melden. Dan is Pavels wil wet. Af en toe bromt hij enkele woorden. Alsof hij zijn echtgenote dient te behoeden voor al te opruiende of liberale opvattingen. Want ook dit is mij allang duidelijk. Ekaterina is een moderne, eigentijdse dame die openstaat voor nieuwe ontwikkelingen en die zich met regelmaat afvraagt waarom zij in godesnaam met Oudgelovige Pavel in het huwelijksbootje is gestapt.

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, zo luidt het cliché. En hier in Erzje wordt aan deze waarheid nog minder getwijfeld dan in gereformeerd Oude Pekela in de zeventiger jaren. Pavels wil mag dan wet lijken, feitelijk is het God die regeert. Een traditionele God die woedend reageert op elke verandering. Hoe pietluttig ook. Meteen ook de reden waarom ik zo’n lange reis heb moeten maken. Want Oudgelovigen wonen doelbewust op plaatsen die moeilijk of niet te bereiken zijn. Ooit, lang geleden, toen de patriarch van de Russisch Orthodoxe kerk besloot de Russisch Orthodoxe kerk op één lijn te krijgen met de Grieks Orthodoxe waren veel gelovigen tegen dit voornemen. Zij vonden elke aanpassing of verandering een zonde en in strijd met de absolute waarheid. Maar de patriarch luisterde niet naar ze. Integendeel, als vertegenwoordiger van God op aarde vond hij dat hij het alleenrecht had op de waarheid. En dus liet hij deze opstandelingen vervolgen, onderdrukken en doden. En zo bedachten zij, tamelijk verstandig, dat het beter was te vertrekken naar verre oorden. Tegenwoordig zijn dan ook overal in Siberië Oudgelovigen te vinden.

Ekaterina ratelt maar door. Ik krijg zelfs het idee dat zij als vertegenwoordiger van de Oudgelovigen naar voren is geschoven. Uitsluitend voor de beeldvorming. Zo antwoordt zij dat zij geen probleem heeft een Russisch Orthodoxe kerk te bezoeken. Zij best een broek zou willen dragen. Jarenlang voor het gebruik van een mobiele telefoon heeft geijverd. Zou willen reizen naar onbekende bestemmingen. Zelf wel eens in Volgograd is geweest. Zo zegt ze zelfs dat ze had gehoopt dat haar man zou willen vertrekken uit dit dorp om in een meer ontwikkelde omgeving een interessanter leven te leiden. Zoiets als mijn eigen moeder, diep van binnen, ook voelt. Zoiets als mijn eigen moeder ook ooit heeft gedroomd. Al moet ik eerlijk toegeven dat ik haar dit nooit hardop heb horen zeggen. Pavel, ondertussen, zwijgt vooral. Kijkt inmiddels ook wat nors en denkt, zoveel is me wel duidelijk, bepaald niet hetzelfde. Maar ook Ekaterina is bij vlagen oerconservatief. Een van hun zonen verkettert zij zelfs omdat hij het heeft gewaagd met een ongelovig burgermeisje te trouwen en in de grote boze stad te gaan wonen. Een schande voor de familie noemt zij het en voor hun zoon is het een ticket naar de hel.

Old Believers, Cross P and E

Maar Ekaterina kan communicatief vaardig zijn, ze is en blijft kansloos tegen Pavel en de andere mannen in het dorp. Want net als Pavel regeren de buurmannen over de buurvrouwen. En uit hun midden kiezen de mannen de dorpsoudste, de wijste man van het dorp. Gekozen vanwege zijn levenservaring maar toch vooral vanwege zijn opvattingen. Traditioneel en conservatief. Hij is de baas en samen met de andere mannen zorgt hij ervoor dat de tijd zo stil mogelijk blijft staan. Helemaal buitensluiten lukt zelfs hier niet. Want de mobiele telefoon ligt ook hier op tafel. Ik zie zelfs Pavel met regelmaat op het schermpje loeren. Maar op deze geïsoleerde plek gaat het langzaam en is het relatief eenvoudig de grote, boze buitenwereld buiten te sluiten. Een Oude Pekela in het kwadraat, zeg maar. En zo vangt Ekaterina bot. Vist zij bij voortduring achter het net. Waarom Ekaterina plotsklaps, tot het chagrijn van Pavel, uitkraamt dat vrouwen nu eenmaal sterker zijn dan mannen, is mij dan ook niet helemaal duidelijk.

Als het om zaken gaat, zijn de Oudgelovigen overigens een stuk minder conservatief. Tractoren staan her en der in het dorp geparkeerd. En voor vele huizen pronkt een jeep. ‘Onmisbaar’, zo zegt Ekaterina, ‘in deze contreien.’ De wegen zijn het hele jaar onbegaanbaar vanwege overvloedige regenval, sneeuw of ijs. En het land bewerken zonder tractoren en andere moderne machinerie is evengoed onbespreekbaar. Opnieuw doet het mij denken aan de boerderij in Pekela. Ook daar was het verdomd moeilijk mijn ouders te overtuigen een fatsoenlijke TV met afstandsbediening aan te schaffen. Tegelijkertijd werden wel kostbare machines aangeschaft om het bedrijf te laten floreren.

Maar tegelijkertijd zijn de Oudgelovigen blijven hangen in een ver verleden. Want tussen alle wetenswaardigheden over het geloof, de tradities en de man/vrouw verhouding praat Ekaterina toch vooral over champignons. Echt het gesprek van de dag. Nu is de tijd deze te plukken in de bossen rondom, schoon te maken, te koken en te wecken voor de komende winter. Binnenkort geldt hetzelfde voor de aardappelen, de wortelen en de bonen. Arbeidsintensief werkje, zoveel is me wel duidelijk waar met vrouw en macht aan wordt gewerkt. Alles wordt geprepareerd zodat ook in de winter kan worden genoten van deze heerlijkheden. Net als vroeger, toen ook ik verplicht werd bonen te doppen en wortelen te schrapen. Voor de nakende winter.

Ekaterina vertelt dat zij drie keer per dag snoepen van al dit heerlijks. Ook het ontbijt bestaat uit aardappelen, fantastische volle koemelk, room en fikse hoeveelheden vlees. Wat de gevolgen zijn op lange termijn is duidelijk te zien. Overgewicht. Als een soort van Pino waggelt zij in haar keuken en rond haar huis. Het voedsel is eenvoudig te calorierijk om alles te verbranden. Ik heb het zelf gemerkt de afgelopen 48 uur. Na elke maaltijd voel ik me alsof ik zal ontploffen.

En als dan die lange winter aanbreekt, vertrekken de mannen naar de taiga. Maandenlang leven zij daar in houten hutten. Overdag jagend op alle dieren waarvan de vacht gebruikt kan worden voor een bontmantel. ‘s Avonds etend van het geprepareerde voedsel, bereid door moeder de vrouw natuurlijk. En ‘s nachts slapend in de blokhut. Thuis in het dorp wacht de vrouw getrouw op haar echtgenoot. Wellicht stiekem hopend op een bontjas, maar in werkelijkheid wetend dat de Pavels van deze wereld niet aan dergelijke luxe cadeaus doen.

 

Alle waarschuwingen ten spijt ben ik er toch. In Tuva. Vol verwachting klopt dan ook mijn hart wanneer ik Kyzyl, de hoofdstad, binnenrijd. Hoe ik ook mijn best doe, ik kan maar niet geloven dat ik nog steeds in Rusland ben. Daarvoor zien de inwoners er te verschillend uit. Ik blijf denken dat ik ergens onderweg een grens ben overgestoken. Heb het gevoel in Mongolië te zijn beland. Niet alleen vanwege het uiterlijk van de mensen alhier. Ook vanwege de natuur. Op weg naar hier heb ik urenlang uitgekeken over groene, glooiende heuvels. Het deed mij dagdromen over nomadische stammen, jaks en yurts.

Tuva, map

Hier in Kyzyl is van dit alles weinig tot niets te merken. De Sovjets hebben ook in dit deel van hun rijk hun uiterste best gedaan de stad een Russisch karakter te geven. En dat is ze opperbest gelukt. Brede wegen. Lada’s. Een standbeeld van Lenin. Orthodoxe kerken her en der. Cyrillische teksten. Het ademt allemaal Rusland. Alleen, die vermaledijde inwoners met hun Mongools uiterlijk maken elke poging tot Russificatie een vruchteloze.

Ik slenter door het centrum, op zoek naar vermaak en vertier. Maar eerlijk gezegd, al te indrukwekkend is het allemaal niet. De lucht is grijs en het regent voorzichtig. Met enige regelmaat rijdt zigzaggend een Lada voorbij. De talrijke kuilen en gaten ontwijkend. Op de hoek van de Lenin- en de Karl Marxstraat (inderdaad, ook de straatnamen zijn hier identiek aan die in andere Russische steden) heeft die enorme regenbui van eerder vandaag voor flink wat overlast gezorgd. De straat staat hier blank. Een vijftal mannen probeert het water in een aftandse tankauto te pompen. Veel meer gebeurt er niet. Alsof de 100.000 inwoners van Kyzyl massaal hebben besloten zich vandaag niet te laten zien. Na een uurtje slenteren oordeel ik voorzichtig dat het hier nogal armetierig is. Op zich een weinig verrassende conclusie. Want van alle 83 deelstaten in Rusland is Tuva het meest afhankelijk van steun van de centrale overheid in Moskou. Bij gebrek aan natuurlijke hulpbronnen, industrie of handel komt maar liefst 98% van het budget van de deelstaat Tuva rechtstreeks van Poetin en consorten.

Enig commercieel inzicht is de lokale autoriteiten toch niet vreemd. Bij gebrek aan bezienswaardigheden hebben zij namelijk een ietwat kunstmatige toeristische attractie ontwikkeld. Een creatieve, of wellicht verveelde, medewerker van het stadhuis van Kyzyl besloot op een goede dag de kaart van Azië uit de Russische Bosatlas te knippen en deze vervolgens op zijn middelvinger te laten balanceren. Volgens mij niet meteen een teken van extreem hoge werkdruk. Maar wat bleek? Inderdaad, Kyzyl is het middelpunt van Azië! Enthousiast deelde hij zijn vondst met zijn superieuren. En ook zij zagen wel brood in deze ontdekking. Sindsdien is er, op zo’n 500 meter vanwaar Lenin op zijn sokkel staat, het ‘ Centrum van Azië Monument’. Als toerist natuurlijk een niet te missen attractie. En zo sta ik dan ook al vrij snel oog in oog met het monument. Het doet me aan Manneken Pis denken. Niet omdat het daarop lijkt, maar omdat het bij mij dezelfde vraag doet opkomen: ‘Is dit het nou?’ Ik maak een paar foto’s en maak vervolgens rechtsomkeert. Overigens, Kyzyl is niet de enige plek die claimt het centrum van Azië te zijn. Ergens in de omgeving van Urumqi, in Chinees Xinjiang, staat een soortgelijk monument.

Centre of Asia Monument           National Museum, Kyzyl

Op weg naar het Nationaal Museum word ik uitgenodigd aan een boeddhistisch gebedswiel te draaien. De allereerste keer dat ik zo’n uitnodiging ontvang hier in Rusland. Ik sla het dan ook niet af en draai hartstochtelijk. Nu maar hopen op een goed karma voor alle inwoners hier. Eenmaal in het museum word ik hartelijk welkom geheten door een dame die fantastisch Engels spreekt. Ze vraagt of ze mij een rondleiding mag geven. Blij te zijn verlost van de eeuwige tweestrijd die ik voer met het Russisch, stem ik maar wat graag in. Verheugd veert ze op. Zich meteen verontschuldigend voor haar beperkte kennis van het Engels. Iets waarin ze het komende uur zal blijven volharden. Daar kan mijn voortdurende opmerking dat haar Engels vloeiend is, niets aan veranderen.

Mijn gids is een kostbaar geschenk uit de grijze Tuvaanse hemel. Ze vertelt honderduit over Tuva, de geschiedenis, de mensen, de cultuur, Kyzyl, de Russen. En vooral over Arzjan 2 (ook wel bekend als de Vallei der Koningen), een archeologische vindplaats, zo’n 60 kilometer ten noordwesten van Kyzyl, uit de vroeg Scythische periode. In het museum is aan Arzjan 2 een permanente tentoonstelling gewijd. ‘De trots van Kyzyl’, zo zegt mijn gids. Deze zaal binnentreden kan dan ook niet zomaar. Daarvoor zijn de Scythische schatten te waardevol. Eerst moet een bewaker allerlei grendels en sloten van een zware, ijzeren deur losmaken. Zoveel voorzorgsmaatregelen en beveiliging in Kyzyl? Het moet welhaast een voorbode zijn tot iets bijzonders.

Eenmaal binnen bevind ik me in een vrij donkere en koele ruimte. Een tiental vitrinekasten, subtiel verlicht, trekken dan ook logischerwijs mijn aandacht. En in één oogopslag zie ik dat hier pracht en praal wordt tentoongesteld. De archeologen van dienst in Arzjan 2 hebben een echte schat gevonden. Meer dan 20 kilo aan gouden voorwerpen in allerlei vormen. Opgegraven tussen 2000 en 2003, maar stammend uit de zevende eeuw voor Christus! Duizenden jaren lang slaagde geen enkele plunderaar erin, ondanks talloze verwoede pogingen, de centrale grafkamer te vinden. Om de tuin geleid door de architecten van de Scythische heersers. Inderdaad, er is ook een Arzjan 1. Alleen hierover heeft de gids niets te melden. Simpelweg omdat plunderaars het heilige der heilige van dit graf wel hebben leeggeroofd.

De gouden halsketting van de koning is het stralende middelpunt van heel veel glorie. Op mijn wellicht ietwat knullige vraag hoeveel zo’n ketting kost, antwoordt mijn gids, licht spottend, dat deze van onschatbare waarde is. Historisch erfgoed is onbetaalbaar. Zelfs niet met een gouden credit card. Maar niet alleen de heerser werd met een overdaad aan schatten begraven. Met hem werden ook zijn vrouwen, zijn concubines, zijn adviseurs en zijn paarden gedood en overladen met schatten bijgezet. Allen waren zij nodig om de heerser te assisteren in zijn volgend leven.

Het is toch wel heel bijzonder, blijf ik maar denken, dat in het arme Tuva, naar alle waarschijnlijkheid, nog steeds enorme hoeveelheden rijkdom ondergronds te vinden zijn. Misschien her en der toch maar eens wat kuiltjes graven de komende dagen.

 

Daar staat Masha, gekleed in een T-shirt met opschrift ‘Hardrock Café Chernobyl’. Hij glimlacht me welkom en duwt me spontaan een geigerteller onder mijn neus. Ik lees 0,15. Enigszins streng zegt hij dat ik dit getal moet onthouden, in ieder geval voor de rest van de dag. Vriendelijker vervolgt hij dat 0,15 betekent dat het hier op de Maidan, het centrale plein van Kiev, reuze meevalt met de radioactieve straling. Pas vanaf 0,30 wordt de situatie kritiek. Masha grinnikt, enigszins sadistisch, dat dit kritieke punt vandaag wel eens zou kunnen worden gehaald.

In de auto, op weg naar Tsjernobyl, zo’n 130 kilometer van Kiev, word ik verder geïnstrueerd. Zo dadelijk, wanneer we de 30 kilometer veiligheidszone binnenrijden geldt een groot aantal regels. In de eerste plaats, de wil van de gids is wet. Ik moet altijd naar hem luisteren. En vervolgens volgt een lange opsomming van verboden: niet eten, niet drinken, niet roken, niet plassen, geen honden of katten mee (?), niet van de gebaande paden, niet met open schoenen rondlopen, geen ontblote armen en benen en niets plukken. Blijkbaar kijk ik wat bedenkelijk na al deze verboden want Masha stelt me spontaan gerust dat het allemaal zeer veilig is in Tsjernobyl. Een passagier op een trans-Atlantische vlucht van Londen naar New York wordt blootgesteld aan meer radioactieve straling dan een bezoeker hier. Zo zegt althans Masha. Om eraan toe te voegen, wederom met zijn sadistisch lachje, dat het verschil is dat op zo’n vlucht de straling volledig kan worden beheerst. En dat is hier in Tsjernobyl niet het geval. Nog steeds namelijk kunnen radioactieve deeltjes uit de reactor door de wind worden meegevoerd.

Een streng uitziende man, gekleed in militair uniform, checkt mijn paspoort nauwgezet voordat we de 30 kilometer veiligheidszone binnenrijden. Alsof we een hypergevaarlijk en ontoegankelijk gebied binnentreden. Maar ondanks de strenge uitstraling en de sadistische glimlachjes ben ik niet overtuigd van het gevaar. Het lijkt meer een toneelstuk om de spanning verder te verhogen. Hoe kan het anders dat de gids hier 15 dagen per maand rondloopt. Bovendien, hij rookt als een bezetene en lijkt bepaald niet van plan hiermee op te houden. En wanneer hij vertelt dat er iedere dag rondom de reactor duizenden mensen aan het werk zijn, voel ik de spanning langzaam wegebben. Eén dagje wat extra straling op lijf en leden lijkt me dan weinig kwaad te kunnen.

Gevaarlijk of niet, sinister is het zeker. We passeren Salisa, tot 1986 een dorp met 3.000 inwoners. Nu is het overwoekerd, terug geclaimd door de natuur. Ergens verscholen achter de bomen zie ik af en toe een vervallen huis staan. Vandaag de dag heeft Salisa slechts 1 (!) inwoner. Een oude dame van 87 jaar oud, voormalig lerares van de school in dit dorp. Zij keerde terug in 1987 omdat ze nergens anders wilde zijn dan hier. Officieel mocht niemand terugkeren. Maar de autoriteiten stonden dit mondjesmaat en oogluikend toe. Sindsdien verbouwt ze in haar tuintje haar eigen groenten en fruit. Volgens de autoriteiten absoluut onverantwoord omdat juist de planten en de aarde extra radioactief zijn. Deze ene dame heeft hieraan geen boodschap. En wellicht heeft ze gewoon gelijk. Per slot van rekening, ze leeft hier al meer dan 25 jaar.

Iets verderop ligt Tsjernobyl, de stad waarnaar de reactor is genoemd. Hier is flink wat leven in de brouwerij. Opvallend veel zelfs voor een radioactieve stad. Overal lopen mensen. En niemand lijkt zich erg druk te maken over straling of ander ongerief. Een oude dame sjokt zelfs voorbij met groente in haar tas. Vraag me toch af waar dat dan vandaan komt. Uit haar moestuin hier om de hoek? Masha drukt ondertussen de geigerteller weer onder mijn neus. Ik lees 0,12. Lager dan in Kiev nota bene. Hij grinnikt om mijn verbaasde blik en legt nog maar eens uit dat het vooral de planten en de aarde zijn die radioactief zijn. Hier op het plein valt het allemaal overduidelijk nogal mee. Wel zijn ook hier de meeste huizen verworden tot bouwvallen. Slechts af en toe staat er een fatsoenlijke woning in fris geschilderde kleuren. Een teken van permanente bewoning. Maar de trots van het stadje moet toch wel de brandweerkazerne zijn. Een enorm gebouw waar maar liefst 355 brandweermannen zijn gehuisvest. Allemaal hier om elk radioactief brandje in de omgeving onmiddellijk te blussen.


Tsjernobyl, 1 Tsjernobyl, 2 Tsjernobyl

 

We laten de stad achter ons en vervolgen onze weg naar de reactor. Plotseling begint de zon uitbundig te schijnen. Alsof ze alvast wil compenseren voor de tragiek die gaat komen. Al snel rijden we een industrieterrein op. Reactoren 1 en 2 zien er vervallen uit. Meer dan 25 jaar buiten gebruik heeft sporen nagelaten. En dan sta ik zomaar oog in oog met reactor 4, waar op 26 april 1986 de fatale explosie plaatsvond. En natuurlijk staat Masha weer naast mij met zijn geigerteller. Ik lees 12, 18 en 25. Afhankelijk van waar we staan. Lichtelijk bezorgd kijk ik hem aan maar op zijn gezicht zie ik alleen die sarcastische glimlach. Wat me wel opvalt, is dat hij, voor de eerste keer vandaag, niet rookt. Toch zijn ook hier flink wat mensen aan het werk. Druk bezig met de bouw van een nieuwe sarcofaag voor reactor 4. De oude, die in allerijl werd gebouwd onmiddellijk na de ramp, om verdere verspreiding van de radioactiviteit te voorkomen, is namelijk aan het einde van zijn levensduur. Nog twee jaartjes. Maximaal. Nu maar hopen dat de oplevering van de nieuwe, gepland voor juni 2015, niet te veel vertraagd zal zijn.

Op zo’n 10 kilometer van de reactor ligt Pripyat, de stad die speciaal gebouwd werd voor de arbeiders in de reactoren. Hier woonden, destijds in 1986, 43.000 mensen op vredige wijze. Althans, de Sovjet propagandafilm die ik te zien krijg, wekt die indruk. Op 27 april moesten alle inwoners, halsoverkop, de stad verlaten. Binnen 3,5 uur waren alle inwoners geëvacueerd. Naar goed Sovjetgebruik zonder enige communicatie. Behalve dan dat het tijdelijk zou zijn en dat zij spoedig zouden mogen terugkeren. Een Sovjetleugentje om paniek te voorkomen. Want nog steeds woont hier helemaal niemand. Het is een spookstad. Alle gebouwen lijken op instorten te staan. Het hotel, restaurants, supermarkten, scholen, het zwembad en duizenden flats. Het is hier doodstil, alleen het gezoem van de duizenden muskieten verstoort de stilte. Nergens mag ik naar binnen, behalve in één van de scholen. Alles is hier kapot, van vloeren tot plafonds. En alles van enige waarde is gestolen. Er liggen alleen nog kapotgescheurde boeken en schriften. Als stille getuigen van een oorlog tegen een onzichtbare vijand.

 

 

Een uurtje zit ik hier op een bankje, nabij de kathedraal, en ik heb al minstens tien jonge bruiden voorbij zien komen. Sommigen gekleed in prachtige bruidsjurken. Anderen in iets minder geslaagde exemplaren. Maar altijd met aan hun zijde bruidegommen in glimmende pakken. De mannelijke trouwmode deze zomer, zo lijkt het. Eerlijk gezegd, het idee dat in Rusland louter mooie vrouwen wonen, wordt hier vandaag niet bevestigd. Toegegeven, af en toe vraag ik me af waarom de bruid haar oog heeft laten vallen op die slungelige Rus met zijn pokdalig gezicht. Maar even vaak realiseer ik me dat zij haar handen mag dichtknijpen met die knakker aan haar zijde.

Het bruidspaar wordt immer gevolgd door meer mannen in meer glimmende pakken. En door meer vrouwen in hippe of minder hippe jurkjes. En op hoge en nog hogere hakjes. De mannen roken vooral. Ontkurken flessen champagne. Vullen meegebrachte plastic glazen. En offreren ze, met schalkse blikken, aan de dames. Dat van een bruiloft een andere bruiloft komt, is ongetwijfeld ook de Russische realiteit. De vrouwen kijken vooral blij verheugd de wereld in. Blij omdat hun vriendin er toch nog in is geslaagd die man van haar dromen definitief de hare te maken. Blij ook wellicht omdat er schalks naar ze gekeken wordt.

Terwijl de genodigden drinken, roken en flirten, worden de bruidsparen gedwongen te poseren voor de camera van de immer aanwezige fotograaf. Breed glimlachend staan ze voor het mausoleum van Immanuel Kant. In een bloemenperk. Achter een boom. Liggen ze uitgestrekt op een grasveld. Streng geeft de fotograaf opdrachten. Vooral aan de bruidegom, valt me op. Alsof hij nu al moeite heeft zijn plichten te vervullen. Des te langer de fotosessie duurt, des te minder spontaan de glimlach is. Vooral van de bruidegom, valt me op.

Love locks      

Het sluitstuk van de ceremonie is het bevestigen van een hangslot op de Honey bridge. De oudste van alle bruggen hier in Kaliningrad. Het zijn er inmiddels honderden. Sasha is met Elena. Boris doet het met Olga. Sommige zijn beschilderd met hartjes of helemaal roze. Onder luid gejoel van de genodigden kiepert het nieuwbakken echtpaar de sleutel in de rivier. Ten teken van de eeuwigdurende verbintenis.

Als ik later op een zonovergoten terras aan de oever van de Pregolya rivier zit, maken de jonggeliefden plaats voor jonge moeders met jonge kindertjes. Velen schuiven een kinderwagen van Russische makelij voor zich uit. Anderen lopen hand in hand voorbij met zoon- of dochterlief. Ook zij schrijden in hippe of minder hippe jurkjes, op hoge of nog hogere hakjes aan mij voorbij. Er is niets veranderd, zo lijkt het. Plotseling realiseer ik me dat de bruidegom van weleer in geen velden of wegen te bekennen is. Is de liefde van vroeger inmiddels bekoeld? Is de verbintenis voor het leven al verbroken? Of heeft vaderlief intussen andere en meer interessantere bezigheden?

 

Vanaf het zuidstation is het misschien een kwartiertje wandelen naar het centrum van Kaliningrad. Een peulenschil natuurlijk. Op de plattegrond van Kaliningrad zie ik bovendien dat het voornamelijk rechtdoor is. Door de Leninstraat.  Van de weg kwijt raken of verdwalen kan dan ook geen sprake zijn.

Maar mijn wandelplan schuif ik spontaan opzij wanneer ik op het stationsplein een tram ontwaar. Eenzaam wachtend op passagiers. Het lijkt wel alsof iemand de tram hier achteloos heeft neergekwakt. Alsof een woedende storm haar heeft opgetild en haar hier heeft neergesmeten. Maar wanneer ik dichterbij ben, merk ik op dat er wel degelijk tramrails liggen. Bovendien lees ik op een aan de tram bevestigd bordje dat tram 3 via het centrum naar haar bestemming rijdt.

Image

Er zit nog niemand in de tram wanneer ik instap. Behalve dan de chauffeur en de conducteur. Opvallend trouwens dat bijna alle tramchauffeurs in Rusland chauffeuses zijn. En conducteurs bijna altijd conductrices. In metro of taxi, bijvoorbeeld, is dit eigenlijk bijna nooit het geval. Leuk aan chauffeuses is toch wel dat ze hun best doen de tram een wat huiselijker aanzien te geven. Deze dame van dienst heeft bijvoorbeeld wat foto’s van haar kinderen (of kleinkinderen) in haar chauffeurshokje geplaatst. Samen met een boeket kunstbloemen. Het maakt de onthutsend oude en gammele tram in ieder geval een stukje fleuriger. De conductrice, gekleed in een outfit die qua ouderdom wedijvert met die van de tram, draagt hier ook aan flink aan bij. Met haar rood, roze, oranje gekleurde haren. Is dit een voorwaarde om te worden aangenomen als conductrice? Op haar eigen zitplaats, waar niemand van de passagiers ooit zal plaatsnemen, leest ze rustig een boek. Een Russische boeketreeks gelet op de voorkant.

Mijn binnenkomst maakt dat ze enigszins verstoord opkijkt. Verdwenen is haar droomwereld van Russische prinsen en witte paarden. In plaats hiervan knikt ze me vriendelijk toe. Ik knik vriendelijk terug en ga zitten. Half en half verwachtend een poos te moeten wachten alvorens we zullen vertrekken. Maar niets is minder waar. Binnen een minuut sluit de chauffeuse de deuren. Meteen stapt de conductrice op me af. Zonder een woord te zeggen, wacht ze op haar geld. Maar omdat ik nieuw ben in Kaliningrad en ik nergens een ritprijs aangeduid zie, kijk ik haar vragend aan. Vijftien roebel antwoordt ze op mijn blik. Zelfs met iets van een glimlach merk ik op. Ik glimlach terug. Slechts veertig eurocentjes. Voor een heus tramavontuur.

Knarsend, schokkend en met een slakkengang zijn we op weg. Veel sneller dan de wandelaar op het trottoir gaan we niet. Althans, na vijf minuten zie ik hem nog steeds naast de tram lopen. De tramrails, nog ouder dan de tram zelf, zijn zo versleten, krom en moeilijk berijdbaar dat van hoge snelheden echt geen sprake kan zijn. Ik denk zelfs dat de tram dan ogenblikkelijk zal ontsporen. En dus rijdt de chauffeuse uiterst behoedzaam verder. Af en toe staat een auto hinderlijk op de rails. Te wachten voor een stoplicht. Of anderszins. Een schril belletje, dat vooral irritatie uitspreekt, klinkt dan waarschuwend. Want hoe traag we ook mogen rijden, ook hier heeft de tram altijd voorrang.

En zo kruipen we voort. Nog steeds met slechts 1 passagier aan boord. Tot we plotseling helemaal stilstaan. Ergens midden op de weg. Zal het dan nu al gebeurd zijn? Een ontsporing? Maar nee, het blijkt een halte. Op het trottoir staan enkele passagiers. De auto’s stoppen gedwee en laten de dames, want het zijn alleen maar dames, voorgaan. Bepakt en bezakt beklimmen ze zwoegend en puffend de treden van de tram. Ze zweten van de inspanning. Verbaasd merk ik op dat ze identiek gekleed zijn aan de conductrice. Gebreid truitje, aftands rokje, korte witte sokjes en iets van zomerschoenen. Alleen het rood, roze, oranje haar ontbreekt. Dat voorrecht is vermoedelijk voorbehouden aan de conductrice. De meesten laten trots hun abonnement zien. Ten teken dat de conductrice niet op hun geld hoeft te rekenen. Zij hebben al betaald.

De chauffeuse van de tegemoetkomende tram heeft pech. Dikke pech. Staand voor haar tram, prikt ze met een stok verwoed op enkele stenen in. Door onverlaten op de tramrails gelegd? Door voorbijrijdende auto’s losgeweekt uit het niet al te beste wegdek? Wie het weet, mag het zeggen. Al vermoed ik dat er weinig baldadigheid aan te pas is gekomen. Hiervoor is de staat van de straat eenvoudigweg te erbarmelijk. Het lijkt me dan ook waarschijnlijk dat de chauffeuses met flinke regelmaat uit hun hokje moeten om losliggende stenen of andere obstakels uit de weg te ruimen. Naast de roestige staat van de rails meteen een tweede verklaring voor het stapvoets rijden.

En zo kruipen we voort. Langs flatgebouwen. Over pleinen. Door straten. Overal stappen oude dametjes in en uit. Overal laat de chauffeuse haar snerpende bel klinken. En altijd staat de conductrice op wacht om de nieuw binnengekomenen een ticket te verkopen. De wandelaar van het eerste uur ben ik inmiddels uit het oog verloren. Vermoedelijk is hij ons vooruitgesneld.

Natuurlijk, ik kan naar een park hier in Moskou. Beetje languit op het gras liggen. Onder een boom en in de schaduw. Biertje in de ene en sigaretje in de andere hand. En dan gluren vanachter mijn zonnebril. Een prachtige manier om een zonnige dag in Moskou te beleven. Maar opeens wil ik weg uit die enorme stad. Opeens heb ik behoefte aan het Russische platteland. En dus besluit ik naar een willekeurige stad ergens in de nabije omgeving te gaan. Na wat gegoogle valt mijn oog op Tula. Nog nooit van gehoord, eerlijk gezegd. En ook volgens mijn reisgids is het niet noemenswaardig. Er staat althans geen letter over geschreven. Maar dit drukt mijn pret geenszins. Per slot van rekening, Rusland is groot en mijn reisgids nogal dunnig.

Ik ga dan ook gewoon. Morgen. Moet wel vroeg op realiseer ik me, want in de buurt van Moskou betekent nog niet dat het om de hoek is. Allereerst, het kost me al minimaal een uur van mijn appartement naar het juiste busstation. En dan nog ruim 2,5 uur met een bus om in Tula te geraken. Een klere-eind eigenlijk.

         

 

 

 

 

 

 

Maar natuurlijk, de volgende ochtend zit ik evengoed in de metro. Terwijl het Moskouse verkeer vastloopt in enorme files, snel ik richting mijn busstation. Wederom vraag ik me af waarom die Moskovieten hun auto prefereren boven die fantastische metro. Toegegeven, ook hier is het druk en veel ruimte om rustig te staan is er niet. Bovendien, ongewassen lijven met ongepoetste tanden en kledij zorgen voor ongerieflijke geuren. Toch, het voordeel van daadwerkelijk vooruitkomen, weegt hier gemakkelijk tegenop. Ruim op tijd arriveer ik dan ook op het busstation.

Uit een enorme rij gelijkende bussen probeer ik de juiste te vinden. Heen loop ik, en terug, langs al die bussen. Maar ik zie nergens een bordje Tula. Dan valt mijn oog op een rij minibussen. Van het soort bestelauto, met iets teveel zitplaatsen erin gemonteerd. Het zal toch niet? Het zal toch wel! Op de eerste bestelauto die ik zie, prijkt het bordje ‘Tula’. Ietwat knorrig stap ik naar binnen. Aan ruimte zal gebrek zijn, zoveel is meteen duidelijk. Ik nestel me op de best beschikbare plek, vouw mijn onhandig lange benen in een zo comfortabel mogelijke knoop en wacht op het moment van vertrek. 

Stipt op tijd stapt een morsig mannetje met een veel te vieze en veel te grote witachtige broek achter het stuur. Alvorens daadwerkelijk te vertrekken, vraagt hij meerdere keren of iedereen een ticket heeft. En meerdere keren knikken alle passagiers braaf. En zo gaan we op weg. Om binnen honderd meter meteen vast te staan in een van die Moskouse files. Muurvast mag ik wel stellen. Met veel stilstaan en weinig rijden komen we hoegenaamd niet vooruit. Hoe die ongeveer 200 kilometer naar Tula in 2,5 uur te overbruggen is mij een raadsel. Dat lukt nooit, voorvoel ik. Na een half uur zijn we drie kilometer opgeschoten. Ik reken maar niet wanneer ik aankom, mochten we in dit tempo doorrijden. In plaats hiervan probeer ik een praatje aan te knopen met mijn buurman. Maar ook dit schiet niet op, want hij slaapt al.

Na een uurtje aanmodderen, wordt het dan toch rustiger. Ook tot groot genoegen van de chauffeur. Ik kijk uit het raam en zie het typisch Russische landschap: groen, her en der wat (houten) huizen en lage heuvels. Met enige regelmaat staan mensen aan de kant van de weg hun waar aan te prijzen. Ook iets wat typisch is voor Rusland. Ik kan alleen niet zien wat er in dit jaargetijde wordt aangeboden, daarvoor rijden we te snel. De weg is dan ook van topkwaliteit, concludeer ik. Na een half uurtje toeren wordt me duidelijk hoe dit kan. Opeens staan we namelijk oog in oog met hordes Tadzjiekse mannetjes in opvallende oranje outfits die allemaal druk in de weer zijn met enorme machines, heet asfalt, spades en meer van dergelijke nuttige werktuigen. Op zich natuurlijk helemaal niets mis mee, ware het niet dat hierdoor het verkeer wederom vastloopt. En wellicht nog belangrijker, nadien is van die goede weg helemaal niets meer over. Alsof we de grens tussen goed en slecht zijn gepasseerd!

Al sinds ons vertrek teisteren twee mannetjes mijn reukorgaan. Een zit achter me en produceert bij voortduring een onwelriekende hoest. Een combinatie van Russische Marlboro, worst en ongepoetste tanden. Tegenover me zit een mannetje dat een geur verspreidt van ongewassen lichaam en kledij. Toen hij binnenstapte, moest ik meteen denken aan een klasgenootje van de lagere school. Die rook eender. Maar mijn medepassagier, laat ik hem voor het gemak Fokko noemen, is zich niet bewust van zijn zurige geur. Of het maakt hem niet uit natuurlijk. Hij zit nooit stil. Blijft maar geeuwen. Beweegt zijn armen bij voortduring. Opeens begrijp ik waarom de Russen niet spreken van ‘een geur ruiken’ maar van ‘een geur voelen’.

Of het komt door het heen en weer schudden, de geuren rondom, de zon of de lengte van de rit weet ik niet. Maar ook ik dommel in. Net als bijna iedereen in de bus trouwens. Als ik wakker schrik, zie ik nog net een bord aan de kant van de weg staan dat Tula vanaf hier nog precies 116 kilometer is. Ik kijk op m’n telefoon en zie dat we al 2 uur onderweg zijn. Mijn voorgevoel klopte dus, 2,5 uur is een illusie.

‘If there is a paradise on earth, it is here’. Some cities on our planet use this slogan to distinguish themselves from others. A rather arrogant and bombastic claim, in my opinion. And honestly speaking, in my experience it is always besides the truth. So far nobody came up with such a pretentious phrase for Moscow. As far as I can recall, Moscow does not have a slogan at all. Perhaps because nobody in Moscow dares to really start promoting the city? Or perhaps because nobody really seems to care about promotion?

But why not? The image of overcrowded, big, grey, ugly, dangerous city, cursed with a horrible climate and full of unsmiling and unhappy people needs to be changed. Especially because of the ambitious goal to attract seven million foreign tourists to Moscow by 2018. Approximately three million more than last year. Yes, coincidentally (or not), in 2018 the World Championship Football will be held in Russia and Moscow. This will definitely attract loads of westerners who, normally, would not even think of Russia as a possible holiday destination. But after 2018, soon 2019 will arrive. And would it not be a bit silly when the number of foreigners would go down drastically straight after this football event?

By the way, the numbers four and seven million are communicated by the ‘Moscow Committee for Tourism and Hospitality’. In fact, not necessarily the most neutral committee in the world. It is therefore questionable whether there really were four million foreigners really trying to have a glimpse at Lenin, attempting to meet and greet with Putin in his Kremlin or wandering around the Red Square. In a country where nothing is as it seems, it is tempting to put a big question mark behind these numbers. Even more tempting it is to forecast that, in 2018, the Committee will announce that indeed seven million foreigners were visiting Moscow. I would even say that these chances are higher than the re-election of Putin in that same year.

An important question is what Moscow is actually doing to realize this growth. Ask the marketers of the bigger hotels or the owners of travel agencies. Even before they answer, it is clear that they are not positive at all. Their eyes are indicating this. First and foremost, they start to complain about the letters of invitations and visa regulations. Both required for (almost) all foreign tourists, before being allowed to enter Russia. Many of them strongly believe in Moscow being a new weekend destination for Europeans. And it is true, it is only three hours by plane. But due to this visa hassle, tourists will think twice before actually going. Too complicated, too much work and too much stress.

Then there are the actions of the authorities, responsible for tourism and its policy. Often completely not in line with what they claim. The latest example is the entrance fee for the Kremlin. Most probably the most beloved and best known attraction in town. Since January 2012 two people have to pay € 70 each to get inside the Kremlin, including the Armoury and the Diamond Fund. Seventy euros! Well, included in the price are the services of a guide. But a guide is absolutely required because without one any tourist will just smell the rich history. Without knowing what it is all about. Why it was decided to raise the entrance fee that drastically? The most obvious explanation is that the authorities believe that tourists will come and visit the Kremlin anyway. Whether they have to pay € 25 or € 70. And they are probably right. So in the short term it might be profitable. But in the longer term? Most probably rather the contrary. Because investing in or developing new touristic attractions is clearly not a priority.

Let me take you to the Red Square and surroundings on a sunny day in spring or summer. Loads of tourists are sitting somewhere in the grass or on a wall, eating a Russian ice cream from Mc Donald’s. They look a bit unhappy and lost. Simply because they are wondering what is next. Wondering what else Moscow has to offer but the Red Square and the Kremlin. Of course, a lot! And more! But for  foreigners, who most probably do not speak or read Cyrillic it is not that easy to figure this out. And much assistance in their search they do not receive. Yes, it is true, there are plenty of men and women, armed with a megaphone, to announce various excursions in and around Moscow. But it is all in Russian. Like there are no four million foreigners around, all looking for something more to discover. A missed opportunity to make some more money. A missed opportunity to highlight other attractions in Moscow. A missed opportunity to broaden the horizon of the tourists and the diversity of Moscow.

But who knows? Maybe once upon a time, one could have found paradise here? Why not in fact? Let me be clear, nowadays there is nothing heavenly to find on the surface. Any tourist, both Russian and foreign, has to work hard to discover the beauty of this fantastic city. Perhaps, Moscow, it is time to help all these lost foreigners a bit?  And why not, as a kick-off, create an attractive slogan. Do not mention anything heavenly in it, though. Overconfident and too much untrue. But what about this one: Moscow Matters.

Zwaar bevooroordeeld en bepaald niet zorgeloos land ik op het vliegveld van Nairobi. Mijn reisgids heeft mij zojuist geïnformeerd dat Nairobi, nog voor Johannesburg en Lagos, als gevaarlijkste stad in Afrika mag worden beschouwd. De bijnaam Nairobbery, vanwege de vele overvallen, soms gepaard gaande met bruut geweld, schijnt dan ook meer dan verdiend te zijn. Wel maakt mijn reisgids de kanttekening dat veel van dit geweld zich afspeelt in de sloppenwijken, doorgaans plaatsen waar de toerist weinig komt.

Toch besluit ik, eenmaal het vliegveld achter me gelaten, geen taxi naar het centrum te nemen maar een lokale bus. Het aangename zonnetje en de landerige sfeer hier buiten maken namelijk dat ik me spontaan een stuk relaxter voel. Bovendien, een taxi kost tegen de 15 euro terwijl een ticket voor de bus niet meer dan 40 eurocent doet. En op klaarlichte dag door een woest bewapende Keniaan uit een overvolle bus worden getrokken, dat zal toch niet meteen gebeuren?

En de keus is vanaf het allereerste begin gerechtvaardigd. Ik hobbel wat over slechte wegen en binnen luttele minuten meen ik, nota bene, drie giraffes te zien. Ik kan mijn ogen niet geloven en denk eerst nog dat de Keniaanse autoriteiten houten giraffes hebben geplaatst om de net gelande toeristen aan te sporen vooral op safari te gaan. Maar als ik ze zie bewegen, kan deze theorie overboord. Later begrijp ik dat het Nairobi National Park bij het vliegveld ligt en dat het dus mogelijk is de ‘big five’ te zien met op de achtergrond de hoogbouw van Nairobi.

      

En zo tuf ik in een heel rustig tempo de buitenwijken van Nairobi binnen. Enorme markten in de openlucht rijgen zich aaneen. Overal waar nog iets van ruimte is, wordt deze opgevuld door koopwaar. Van groente en fruit tot hout, autobanden, gereedschap, oude auto’s, kleding, meubels en ga zo maar door. De chaos heerst al levert het zware strijd met de viezigheid en de smerigheid. Ik realiseer me dat dit, vermoedelijk, de sloppenwijken zijn waar elke bus of auto kan worden stilgezet en de passagiers kunnen worden ontdaan van al hun bezittingen. Maar nog steeds kan ik mij hierover niet heel druk maken. Sterker nog, ik vermaak me prima en begin me meer en meer thuis te voelen. Deze stad leeft, bruist, overheerst en eist alle energie op die ik in mij heb. Ook de nog steeds toenemende drukte, bij het naderen van het centrum, voelt prettig aan. De straten slibben dichter en dichter en iedere weggebruiker levert een continu gevecht om vooruit te kunnen komen. Vooral de matatu’s (minibussen) met hun schreeuwend uiterlijk vallen op. Indiase filmsterren of draakachtigen in felle kleuren sieren de zijkanten, op de achterruit pronkt een embleem van Barcelona of Manchester United en links, rechts, voor en achter staan spreuken als: ‘In God we trust’, ‘Jesus is our Savior’en ‘Yes, we can’.

     

Druk of niet druk, ik bereik het centrum van de stad en wandel op eigen houtje verder door Moi Avenue, één van de belangrijke verkeersaders van centraal Nairobi. Moi Avenue bulkt van de winkels en de restaurants. Kip en friet lijken een flinke hit want elk tweede restaurant biedt deze culinaire lekkernij aan. Ook Engelse, of in ieder geval gelijkende, pubs zijn talrijk. En de gospelmuziek ligt letterlijk en figuurlijk op straat. Het lijkt wel alsof iedere inwoner van Nairobi zwaar gelovig, of in ieder geval verslaafd aan de gospel, is. Terloops vraag ik me wel af hoe dit te rijmen valt met de ongehoorde criminaliteit hier. Onder het mom van, alles kan want de Heere is toch barmhartig?

En overal hoor en zie ik Engels, hoe comfortabel en plezierig. Kiosken vol Engelstalige kranten brengen me op de hoogte van het laatste nieuws (uiteraard slechts drama) terwijl ik met enige regelmaat wordt aangesproken door een behoeftige Keniaan. Vanzelfsprekend, bijna iedereen wil gewoon iets verkopen, vooral safari’s zijn populair, of bedelt om één of meer shillings. Maar ik versta ze moeiteloos en even belangrijk, een duidelijk nee van mijn kant, heeft effect!

Vooruit, ik wacht de nacht af maar voorlopig is weer eens bevestigd dat luisteren naar vooroordelen niet aan te raden is!