Archive for February, 2011

Waarom, in godesnaam, moet ik mijzelf altijd zo tuchtigen? Waarom luister ik altijd maar weer naar dat krankjorume sadomasochistische stemmetje in mijn hoofd? Ik weet inmiddels toch wel dat mijn ouder wordend lichaam niet meer in staat is zulke extreme inspanningen te leveren? Toch, ik ga door en ik blijf die ene moeizame stap na die andere zetten. Langzaam en bepaald niet zeker ben ik op weg naar de top van Mount Kenya. Mijn benen schreeuwen om rust, mijn voeten hebben gisteren al hun roepen gestaakt en de ijle lucht doet mij bij voortduring happen naar adem.

   

De derde dag van de beklimming is een half uur geleden begonnen. Een half uur! Het verhaal van gisteren van mijn gids dreunt als een mantra in mijn hoofd: vier uur steil omhoog tot 5000 meter en vervolgens een uurtje of zeven dalen. ‘A hell of a hiking job’ noemde hij het, maar wel één met een geweldige beloning: het bereiken van de top van de op één na hoogste berg van Afrika en het bijbehorende grandioze uitzicht.

En zoals wel vaker bij bergtoppen is dit uitzicht het grandioost bij zonsopgang. Vandaar ook dat ik al sinds drie uur vannacht mijn eerste stappen richting top zet. In het pikkedonker natuurlijk. Ik zie werkelijk helemaal niets en het enige geluid dat ik hoor, is dat van mijn voetstappen. Af en toe zegt mijn gids iets, al heb ik geen idee wat. Iets opbeurends neem ik aan? Wat kan het anders zijn? Als antwoord glimlach ik mijn flauwste glimlach onderwijl mezelf, mijn gids en die hele hoge berg vervloekend. Nog drie uur en duizenden voetstappen te gaan.

Het is bitterkoud op deze hoogte. Regen, ijzel en sneeuw wisselen elkaar regelmatig af. De wind buldert en teistert mijn gezicht. Ik krijg visioenen van de Zuidpool terwijl ik op steenworpafstand van de evenaar loop. Zorgelijk kijk ik naar de donkere hemel. Geen sterren! Gisteravond was de hemel nog één grote sterrenzee, maar nu, niets. Helemaal niets! Het zal mij toch niet gebeuren dat ik, na een inspanning als deze, niet beloond word met dat beloofde uitzicht? Eén enkel ogenblik maak ik mij hier druk over. Precies lang genoeg om uit te glijden over één van die spiegelgladde stenen. In een reflex zoek ik houvast maar ik vind niets. Logisch ook want ik graai in het luchtledige. Een schreeuw, een val, pijn in mijn knie, een vloek. En dit alles binnen één seconde. Ik sta, de pijn verbijtend, meteen weer op. Als mijn gids bezorgd naar mijn toestand vraagt, produceer ik slechts een nog flauwere glimlach dan voorheen. Nee, echt goed voel ik me niet. Maar tegelijkertijd weet ik wel dat niets of niemand mij deze berg gaat ontnemen. Vandaag zal ik, hoe dan ook, op die top staan.

En verder ga ik. Weliswaar met benen die trachten een eigen leven te leiden. Maar dankzij mijn hernieuwde geestdrift en energie slaag ik er wel in ze de juiste richting op te krijgen. Ik zoek een ritme, een cadans. Tel mijn stappen. Begin het Wilhelmus te zingen. Tel tot tien in het Russisch, telkens weer. Bereken hoeveel centimeter ik per voetstap stijg. Afleiding is wat ik nodig heb. Naar de hemel kijk ik niet meer, die les heb ik wel geleerd. Alleen als we stilstaan, kijk ik even omhoog. Nog steeds niets dan duisternis.

Zo verstrijkt de tijd en wordt de nacht heel langzaam dag. En wat ik natuurlijk allang wist, kan ik nu ook echt zien. Het is bewolkt, zwaar bewolkt. Geen streepje blauwe lucht, alleen maar sombere, grijze wolken die bij voortduring neerslag produceren. Ik realiseer me dat een godswonder nodig is om mij een riant uitzicht te bezorgen. Ik ben nog maar een half uurtje stappen van de top verwijderd en zo’n wolkendek laat zich in zo’n korte tijd niet verdrijven.

Mijn gids, de positieveling, ziet het allemaal anders. Zijn nieuwste mantra is dat het weer hier in de bergen ieder moment van de dag razendsnel kan omslaan. Natuurlijk, ik weet dat hij, in theorie, de waarheid verkondigt. Ik wil hem dan ook maar wat graag geloven. Elke strohalm op dit vlak grijp ik met beide handen aan. Alleen, zijn ogen vertellen een heel ander verhaal.

Hoe dichter we bij de top komen, hoe meer energie ik lijk te ontwikkelen. Ik word blij, opgewekt en verrukt. Mijn benen gaan opeens als vanzelf, zo lijkt het. Mijn knie is als bij toverslag pijnvrij, zo voelt het. De wolken laten mij eenvoudigweg onberoerd. Wat kan mij dat uitzicht ook schelen. Het gaat toch om die top. Deze berg bedwingen in zulke weersomstandigheden is veel meer waard dan welk uitzicht ook. Nog weinige minuten te gaan en ik sta vijfduizend meter boven zeeniveau!

En dan, na nog een laatste bocht naar rechts, ben ik op de top. Ik kijk om me heen. Het uitzicht is maximaal twintig meter. De snoeiharde wind laat zelfs de ijzeren Keniaanse vlag, hier op de top, wapperen. Maar het laat mij allemaal koud, volkomen koud. Het zoet der overwinning op mijn tong doet mij slechts schreeuwen van vreugde.

       

Advertisements

Zwaar bevooroordeeld en bepaald niet zorgeloos land ik op het vliegveld van Nairobi. Mijn reisgids heeft mij zojuist geïnformeerd dat Nairobi, nog voor Johannesburg en Lagos, als gevaarlijkste stad in Afrika mag worden beschouwd. De bijnaam Nairobbery, vanwege de vele overvallen, soms gepaard gaande met bruut geweld, schijnt dan ook meer dan verdiend te zijn. Wel maakt mijn reisgids de kanttekening dat veel van dit geweld zich afspeelt in de sloppenwijken, doorgaans plaatsen waar de toerist weinig komt.

Toch besluit ik, eenmaal het vliegveld achter me gelaten, geen taxi naar het centrum te nemen maar een lokale bus. Het aangename zonnetje en de landerige sfeer hier buiten maken namelijk dat ik me spontaan een stuk relaxter voel. Bovendien, een taxi kost tegen de 15 euro terwijl een ticket voor de bus niet meer dan 40 eurocent doet. En op klaarlichte dag door een woest bewapende Keniaan uit een overvolle bus worden getrokken, dat zal toch niet meteen gebeuren?

En de keus is vanaf het allereerste begin gerechtvaardigd. Ik hobbel wat over slechte wegen en binnen luttele minuten meen ik, nota bene, drie giraffes te zien. Ik kan mijn ogen niet geloven en denk eerst nog dat de Keniaanse autoriteiten houten giraffes hebben geplaatst om de net gelande toeristen aan te sporen vooral op safari te gaan. Maar als ik ze zie bewegen, kan deze theorie overboord. Later begrijp ik dat het Nairobi National Park bij het vliegveld ligt en dat het dus mogelijk is de ‘big five’ te zien met op de achtergrond de hoogbouw van Nairobi.

      

En zo tuf ik in een heel rustig tempo de buitenwijken van Nairobi binnen. Enorme markten in de openlucht rijgen zich aaneen. Overal waar nog iets van ruimte is, wordt deze opgevuld door koopwaar. Van groente en fruit tot hout, autobanden, gereedschap, oude auto’s, kleding, meubels en ga zo maar door. De chaos heerst al levert het zware strijd met de viezigheid en de smerigheid. Ik realiseer me dat dit, vermoedelijk, de sloppenwijken zijn waar elke bus of auto kan worden stilgezet en de passagiers kunnen worden ontdaan van al hun bezittingen. Maar nog steeds kan ik mij hierover niet heel druk maken. Sterker nog, ik vermaak me prima en begin me meer en meer thuis te voelen. Deze stad leeft, bruist, overheerst en eist alle energie op die ik in mij heb. Ook de nog steeds toenemende drukte, bij het naderen van het centrum, voelt prettig aan. De straten slibben dichter en dichter en iedere weggebruiker levert een continu gevecht om vooruit te kunnen komen. Vooral de matatu’s (minibussen) met hun schreeuwend uiterlijk vallen op. Indiase filmsterren of draakachtigen in felle kleuren sieren de zijkanten, op de achterruit pronkt een embleem van Barcelona of Manchester United en links, rechts, voor en achter staan spreuken als: ‘In God we trust’, ‘Jesus is our Savior’en ‘Yes, we can’.

     

Druk of niet druk, ik bereik het centrum van de stad en wandel op eigen houtje verder door Moi Avenue, één van de belangrijke verkeersaders van centraal Nairobi. Moi Avenue bulkt van de winkels en de restaurants. Kip en friet lijken een flinke hit want elk tweede restaurant biedt deze culinaire lekkernij aan. Ook Engelse, of in ieder geval gelijkende, pubs zijn talrijk. En de gospelmuziek ligt letterlijk en figuurlijk op straat. Het lijkt wel alsof iedere inwoner van Nairobi zwaar gelovig, of in ieder geval verslaafd aan de gospel, is. Terloops vraag ik me wel af hoe dit te rijmen valt met de ongehoorde criminaliteit hier. Onder het mom van, alles kan want de Heere is toch barmhartig?

En overal hoor en zie ik Engels, hoe comfortabel en plezierig. Kiosken vol Engelstalige kranten brengen me op de hoogte van het laatste nieuws (uiteraard slechts drama) terwijl ik met enige regelmaat wordt aangesproken door een behoeftige Keniaan. Vanzelfsprekend, bijna iedereen wil gewoon iets verkopen, vooral safari’s zijn populair, of bedelt om één of meer shillings. Maar ik versta ze moeiteloos en even belangrijk, een duidelijk nee van mijn kant, heeft effect!

Vooruit, ik wacht de nacht af maar voorlopig is weer eens bevestigd dat luisteren naar vooroordelen niet aan te raden is!

Een herder met zijn kudde schapen loopt voorbij terwijl de zon langzaam maar zeker de aarde verwarmt. Baobabbomen staan her en der verspreid in het groene landschap. Vrouwen vegen hun huis en het aanpalende stukje grond schoon onderwijl de talrijke kinderen in het gareel houdend. De verschijning van een blanke reus verstoort de rust want iedereen reageert enthousiast, verrast en nieuwsgierig. Vooral de kinderen steken dit niet onder stoelen of banken en rennen, ‘farangi’ schreeuwend rondom mij. Een hand schudden is het enige dat ze willen, al vermoed ik dat een handjevol birrs of snoep nog veel meer welkom zou zijn.

    

Ik ben op weg naar de watervallen van de Blauwe Nijl, een toeristische attractie in dit deel van Ethiopië. Maar van gewenning aan blanken is niets te merken want iedereen reageert alsof ik de eerste blanke ben hier sinds mensenheugenis. Iedereen behalve de jongemannen die zich bij voortduring aandienen als gids, begeleider, praatpaal of anderszins. In alle gevallen willen ze natuurlijk een financiële vergoeding voor deze diensten. Maar ik wil hun diensten niet omdat ik de watervallen kan horen maar vooral ook omdat ik gewoon alleen wil zijn. Natuurlijk, alleen zijn in Afrika is een illusie maar hier en nu ga ik mijn uiterste best doen deze illusie te realiseren.

Het landschap is werkelijk subliem. Zo Afrikaans als in al mijn vooroordelen en gedachten. Het is zelfs zo mooi dat het tamelijk eenvoudig is de onvoorstelbaar armoedige omstandigheden waarin de lokale bevolking leeft te vergeten. Anderhalf uur lang geniet ik en met elke stap die ik zet, kom ik dichter bij mijn einddoel: de watervallen. Ooit vielen deze over een breedte van 400 meter 29 meter naar beneden. Maar tegenwoordig, na de bouw van een waterkrachtcentrale, is van die 400 meter nog maar 35 meter over. Toch zijn de namen Tis Isat (water dat rookt) en Tis Abay (Nijl die rookt) die de plaatselijke bevolking gebruiken voor deze watervallen nog steeds van toepassing. Het uitzicht aan het eind van de wandeling is er één van rokend water dat met een oorverdovend geraas naar beneden stort. En de ultieme beloning is mijn zweet weg te wassen in een douche van door de wind meegevoerde waterdeeltjes.

Naar de kerk op een zondagochtend in Nederland, het is lang geleden. Maar wat ik mij er nog van herinner is vooral de saaiheid van het gebouw (protestants inderdaad) en de langdradige preken, met als centrale thema hel en verdoemenis, van de dominee. Een grotere tegenstelling met de kerken in Tigray, een gebied in het noorden van Ethiopie nabij de grens met Eritrea, is werkelijk niet mogelijk. En dan heb ik het niet eens over het feit dat ik de priesters van deze orthodoxe kerken niet kan verstaan. Ik doel vooral op de de waanzinnige lokaties van deze kerken.

                

De, naar alle waarschijnlijkheid, oudste kerk van Ethiopie, Debre Damo, is hiervan een goed voorbeeld. Volgens de legende liep Abuna Aregawi, één van de heilige mannen van de Ethiopische orthodoxe kerk, rond in deze omgeving toen hij een plateau zag dat uitstekend geschikt leek om een kerk te bouwen. Hij bad daarom tot God voor hulp en, genadig als Hij is, liet God een enorme python uit de hemel neerdalen die de heilige zonder enige moeite op het plateau tilde. En zo kon de heilige hier een kerk bouwen. Het probleem is dat iedereen die tegenwoordig deze kerk wil bezoeken natuurlijk vergeefs wacht op een uit de lucht vallende python die vervolgens, zonder noemenswaardige inspanning, de pelgrim of toerist op het plateau tilt. Het willen bezichtigen van deze kerk vereist nu flink wat klimwerk. Met behulp van een touw, dat met heel veel fantasie wel iets op een python gelijkt, en de mankracht van een monnik (of meerdere in mijn geval) kan een bezoeker op het plateau, zo’n 15 meter hoger geraken. Het vereist wat handigheid en lef maar de beloning is niet bepaald protestants te noemen. Want eenmaal op het plateau blijkt dat er niet alleen een kerk is gebouwd maar dat in de loop der eeuwen een heel dorp is ontstaan met woningen voor de 80 monniken, grazige weiden voor de koeien (die letterlijk op het plateau worden getakeld), moestuinen en alles wat meer nodig is om de monniken zelfvoorzienend te laten zijn. Hier hebben ze werkelijk alles wat ze begeren. En dat vrouwen niet tot hun begeerten behoren, mag duidelijk blijken uit het gegeven dat, tot op heden, dit gehele plateau verboden terrein is voor vrouwelijke toeristen en pelgrims incluis.

         

Maar Debre Damo is slechts een opwarmer en valt volkomen in het niet bij de waanzinnigheid van de lokatie van Abuna Yemata Guh. Na een wandeling van zo ongeveer 45 minuten steil bergop zijn vooral de laatste vijf minuten hemeltergend angstaanjagend. Afgronden links en rechts van honderden meters diep en ik balanceer, kruipend moet ik toegeven, op een paadje van minder dan een meter breed richting kerk. Van mijn gids mag ik alleen maar naar boven kijken en vooral niet naar beneden. Hij is bang dat de afgronden mij doen verstijven en ik niet meer voor- en achteruit durf. Ik kijk dan ook niet maar toch voel, ruik, zie en hoor ik de diepte. Mijn knietjes knikken en mijn handen zijn kletsnat, niet bepaald handig op dit moment. Maar moeder natuur regeert en ik kan het niet stoppen. In mijn gedachten roep ik God aan, toch wel een unicum om dit al te doen alvorens een kerk te betreden. Trouwens, Shiva, Allah en boeddha roep ik evengoed om hulp tijdens deze klim. Geen idee of ze me daadwerkelijk helpen maar wat ik wel weet is dat ik zonder mijn gids kansloos ten onder zou gaan. Of zou het allemaal zo bedacht zijn?Eerst een tocht door de hel alvorens de hemelse geneugten van de kerk te mogen proeven? En zouden slechts de slechteriken deze barre tocht niet overleven? Mocht dit het geval zijn dan mag ik mijzelf sindsdien tot de niet-slechten rekenen, een meevaller! Hoe dan ook, zelden, nee nooit, ben ik zo blij geweest een kerk te bereiken!

De preek van de priester (hoe vaak heeft hij deze beklimming overleefd?) laat ik me met graagte welgevallen. Ik ben immers in de hemel! Alleen jammer dat ik, om op aarde terug te kunnen keren, eerst weer door de hel moet.

Addis Ababa, één van de grootste steden van Afrika en bovendien de diplomatieke hoofdstad van het continent, zal toch wel een levendig en gevarieerd uitgaansleven kennen? Op verkenning door de nachtelijke stad beland ik, vooral omdat het op steenworpafstand van mijn hotel ligt, op het Piazza. Een door de Italianen gecreëerd plein in het centrum van de stad. Twee dagen geleden, toen ik aankwam in Addis Ababa, was me al opgevallen dat hier wel degelijk sprake is van na-middernachtelijke activiteiten. Ook al zag ik toen niet veel meer dan wat loslopende reggae mannetjes en een heleboel vrouwen van lichtere zeden die, in de donkere nacht, hun mooie en minder mooie lijven in de aanbieding hadden.

       

Zaterdagavond, het uitgelezen moment om de kroegen en de Afrikaanse discotheken eens van binnen te verkennen. Daarom met frisgestreken overhemd, gepoetste schoentjes, vrij schoon pantalonnetje en zelfs met wat aftershave op de stad in. En dit nu trekt, ondanks de duisternis, meteen de aandacht. Geen idee of het mijn outfit is of mijn opwindende geur maar na nauwelijks twee stappen buiten de hoteldeur te hebben gezet, loopt er al een mannetje naast me die hoopvol vraagt of ik naar een disco ga. Op mijn positief antwoord reageert hij bepaald verheugd. Ik probeer hem verder te negeren en uitsluitend schouderophalend zijn vragen te beantwoorden, maar ik ben kansloos. Hij heeft zich reeds vastgebeten in zijn prooi en die prooi ben ik. Sterker nog, inmiddels meldt zich een tweede persoon die al even hoopvol informeert naar mijn plannen. Antwoorden hoef ik niet, dat doet mijn compagnon al voor mij. En zo loop ik in gezelschap van twee bepaald vage kereltjes door de uitgaansstraat van Addis.

Ik realiseer me dat ik deze mannetjes alleen kan afschudden als ik terugga naar het hotel. En omdat ik dit niet wil, besluit ik van de nood een deugd te maken en ze als gids te gebruiken. Per slot van rekening kennen zij de stad waarschijnlijk een heel stuk beter dan ik. Ik vertel ze dus dat ik naar een echte Afrikaanse disco wil en dat ik daarvoor niet te ver wil lopen. Enig overleg volgt en vervolgens leiden ze mij naar de, in hun ogen, beste discotheek.

Zo sta ik plotseling in het aardedonker. Ik zie werkelijk helemaal niks behalve dan de gebitten van de dansende en lachende menigte. Daarbij loeiharde muziek die horen en zien ook al doet vergaan. Dit, samen met een gecombineerde bier- en zweetlucht en de enorme mensenmassa, maakt dat ik in een ommezien, naar adem happend, weer buiten sta. In disco twee precies hetzelfde verhaal en dus begin ik mij af te vragen of deze stapavond wellicht een hele korte zal worden? Disco nummer drie is, zomaar, precies het tegenovergestelde. Drie mannen aan de bar met bloeddoorlopen ogen en een woeste blik, een barkeeper met een identieke uitstraling, hel verlicht en geen muziek. Nee, dit is ook niet waarnaar ik op zoek ben. Meer en meer geef ik de moed op maar mijn begeleiders zijn nog steeds enthousiast en vol vertrouwen. En zo wandelen we gedrieën naar weer een disco.

En warempel, deze keer lijkt het raak! Ook hier is het weliswaar donker, vol en lawaaierig maar het is allemaal net iets draaglijker. Ik zet me dan ook met mijn nieuw verworven kameraden aan een tafeltje. Om meteen te begrijpen waarom ik deze vrienden heb gemaakt. Ze willen namelijk bier en ze willen dat ik dat biertje, of die meerdere biertjes betaal. Met een gelukzalige glimlach geven ze hun bestelling door aan de ober, nog net de moeite nemend mij te vragen wat ik drink. Na een proost, op de Heere weet wat, gulp ik mijn biertje in een ommezien naar binnen. Een blik naar links en rechts leert mij, vervolgens, dat mijn ongenode gasten zo voorzichtig aan hun fles nippen dat het wel lijkt alsof het goudgele vocht puur goud is. Waarschijnlijk consumeren ze iets minder snel omdat de prijs van dit biertje, in vergelijking met hun maandelijkse inkomen, nogal dramatisch hoog is.

Veel praten zit er overigens niet in want daarvoor is de herrie te alom aanwezig. Vooral als één van de twee ook nog zijn Frans met mij wil oefenen, geef ik het op. In plaats daarvan probeer ik maar wat rond te kijken en zo valt me op dat er inmiddels toch wel vier vrouwen rondom mij dartelen. Eén laat zich, via mijn vrienden, zelfs voorstellen maar vanwege haar absolute gebrek aan kennis van de Engelse taal is van een gesprek geen sprake. Aangezien de duisternis wel behoorlijk adembenemend is, vraag ik mijn vrienden hoe zij kunnen zien of een dame ze bevalt of juist niet. Hun antwoord is even praktisch als ontnuchterend. Neem haar mee naar het toilet, daar schijnt het licht. Zo werkt dat dus in Addis. Sjansen in het aardedonker en vervolgens keuren in de tl-lichten op het toilet.

Het is maandag 02-02-02, Ethiopische jaartelling, en rond vijf uur in de ochtend laat ik mij per taxi afzetten op het busstation van Addis Ababa. Als ik uitstap en richting ingang van het busstation loop, regent het lichtjes en de plassen water op straat zijn moeilijk te zien aangezien het nog aardedonker is. Maar met het ticket voor bus 5213 naar Harar stevig in mijn hand en een volledige reizigersbepakking op mijn rug voel ik mij toch uitstekend. Het avontuur ligt om de hoek en Harar, een verboden stad voor blanken tot ver in de 19e eeuw, lonkt.

  

Het busstation is een enorm complex volledig omgeven door hekken, zo had ik al gezien toen ik gisteren mijn ticket kocht. Waar al die hekken voor dienen, vroeg ik mij toen nog af maar op deze vroege en donkere maandagochtend is deze vraag meteen beantwoord. Deze bieden namelijk de mogelijkheid het hele station volledig af te sluiten en de toestroom van de passagiers en de wannabe passagiers te reguleren. Gevolg? Voor de twee minieme toegangsdeurtjes tot het station staan honderden, of waarschijnlijker duizenden, Ethiopiërs die allemaal naar binnen willen. Waarom er op dit vroege tijdstip zoveel mensen naar binnen willen? Omdat alle bussen naar alle bestemmingen allemaal om zes uur in de ochtend vertrekken! Een vlugge schatting van mijn kant leert dat er in ieder geval 60 bussen, al dan niet met ronkende motoren, staan te wachten op hun passagiers, van wie er minimaal 50 in één bus gaan. Een simpele rekensom leert dan ook dat er zo rond de 3000 mensen voor de poorten staan te dringen.

Ondanks de onaantrekkelijkheid van de gedachte rest mij niets anders dan mijzelf te mengen in het strijdgewoel dat zich voor mijn ogen afspeelt. Het is hoe dan ook de enige mogelijkheid met mijn gisteren verworven ticket mijn gereserveerde zitplaats in bus 5213 te bemachtigen. Maar het lijkt niet bepaald een eenvoudige klus door die smalle entree te geraken. Nu prijs ik me gelukkig dat ik met mijn 1 meter 95 een heel stuk boven al mijn medepassagiers uitsteek en dat mijn rugzak een prima buffer vormt voor alles wat zich achter mijn rug afspeelt. Daarom, zonder verder nog te dralen, begin ik mijn persoonlijk robbertje duw- en trekwerk. En zoals ik had gehoopt en stiekem verwacht, dankzij mijn fysiek voordeel, gaat het gewoon soepeltjes. In een mum van tijd ben ik in de buurt van de toegangsdeur. Maar, hoe verrassend, met het naderen ervan, neemt de druk van achteren toe en als ik vlak voor de poort sta, bekruipt mij het gevoel dat ik geplet zal worden. Visioenen van Afrikaanse voetbalstadions waar in het gedrang tientallen mensen bezwijken flitsen door mijn hoofd. Vooral als ik zie dat het veiligheidspersoneel van het station uit alle macht probeert deze deur ook te sluiten! Is het busstation dan vol? Een stringent toelatingsbeleid? Face control wellicht? De waanzin van deze actie ontgaat me volkomen maar heel veel tijd mij hierover op te winden heb ik niet. Naast mij probeert namelijk een doorgedraaide Ethiopiër, met op zijn hoofd een enorme koffer, iedereen aan de kant te zetten en als eerste bij de poort te zijn. Het lijkt een kansloze missie maar zijn testosteron gehalte is dusdanig dat hij er nota bene in slaagt menigeen te passeren. Vervaarlijk komt hij mijn kant uit en ik realiseer me net bijtijds dat zijn koffer mij dreigt te raken ergens tussen mijn rechteroor en rechteroog. In een reflex haal ik daarom uit en plant mijn rechterelleboog vol in zijn maag. Een voltreffer zo blijkt want met een schreeuw komt hij tot bedaren en, belangrijker, tot stilstand. Dit gevaar is bezworen.

Als ik uiteindelijk bij de poort ben, vragen de uitsmijters of ik een ticket heb. Sullige vraag in mijn beleving want wie stort zich nu in een dergelijk gedrang zonder ticket? Toch antwoord ik braaf, glimlach een grimas en knik dankbaar als de poort voor mij opengaat. Na enig speurwerk vind ik maar liefst vijf bussen die allemaal naar Harar vertrekken. Maar vervelend genoeg staat mijn bus 5213 niet in het rijtje. Een slecht voorgevoel bekruipt mij en de regen die inmiddels echt serieus nat maakt, maakt dit niet beter. Ik besluit dan ook ergens naar binnen te gaan waar ik opeengeperst met vele andere passagiers sta te wachten op het noodlot. Ongewassen lichamen, oud zweet, stinkende kleding en penetrante okselgeuren strijden om voorrang zodat ik al snel besluit dat een buitje nog zo erg niet is.

Hoe dan ook, een half uur wordt een uur en een uur nog langer. En dan opeens, word ik bij mijn hand en naar een kantoortje geleid. Bij het mannetje alhier mag ik mijn ticket inleveren en in ruil hiervoor krijg ik mijn 133 birr (ruim 7 euro) terug. Bus 5213 komt niet vandaag, zoveel is duidelijk. Misschien is de chauffeur ziek? Misschien het busbedrijf failliet? Was ik misschien de enige passagier? Motorpech? Ik weet het niet want op deze vraag wordt slechts met een schouderophalen gereageerd. Duidelijk is wel dat ik vandaag niet vertrek. Morgen een nieuwe kans!

Realiseert Van Persie zich wel, zittend in zijn luxueuze appartement in Londen, hoe wereldberoemd hij is op volkomen onverwachte en onmogelijke plaatsen op deze aardbol? In Ethiopië bijvoorbeeld heb ik inmiddels ondervonden dat Van Persie met afstand de beroemdste Nederlander is. Zoals in zoveel landen is ook hier de meest gestelde vraag ‘Where are you from?’. En iedere keer dat ik antwoord ‘the Netherlands’ is de standaardreactie, zeker als het een jongere man betreft, ‘Van Persie’. Dit gaat dan altijd gepaard met een blik van bewondering, ontzag en jaloezie. Eerlijk gezegd, de eerste keren dat dit mij overkwam, had ik nogal wat moeite deze jongemannen te begrijpen. Van Persie is voor de gemiddelde Ethiopiër weliswaar een held maar zijn naam op een fatsoenlijke en begrijpelijke wijze uitspreken is toch een ander verhaal. Van Persie verwordt vaak tot zoiets als ‘Vampiersie’. Het was daarom even wennen maar inmiddels weet ik niet beter. Van Persie zal voor mij vanaf heden dan ook altijd ‘Vampiersie’ zijn.

Toch ben ik de eerste dagen nogal verbaasd over deze reactie. Waarom, in godesnaam, is deze Nederlandse mijnheer zo wereldberoemd alhier? Tot het eerste weekend aanbreekt en ik werkelijk in elke bar, kroeg en openbare ruimte een TV zie met daarop een voetbalwedstrijd uit de Premier League. Navraag leert mij dat Manchester United en Arsenal de absolute favorieten zijn en dat, naar schatting, zo ongeveer 80% van de bevolking één van deze twee clubs steunt. En Van Persie, zo wordt mij verteld, is extra populair omdat hij het ook nogal goed doet bij de Ethiopische dames!

Eigenlijk begint op vrijdagavond al een soort van Premier League atmosfeer te ontstaan in de openbare ruimtes. De aankondigingen dat op zaterdag en zondag meerdere wedstrijden live zijn te aanschouwen verschijnen bij de voordeur (mooi voorbeeld, zie foto, is Aresenal – Fuleham). En de ruimte wordt tevens omgebouwd tot provisorische bioscoop. Zoals met alles hier wordt daarbij geen enkele rekening gehouden met de comfortzone. Het is slechts een kwestie van zoveel mogelijk stoelen in de ruimte te plaatsen zodat deze bijna letterlijk op elkaar staan. Armen en benen thuislaten lijkt het devies want hiervoor is sowieso geen ruimte.
Op zaterdag, uren voor aanvang van de wedstrijd, stroomt de tent vol. Tegen betaling van één of twee consumpties krijgt een ieder een plek toegewezen en is het geduldig wachten tot de wedstrijd begint. Vooral in kleinere steden lijken de straten tijdens de uitzending zo goed als ‘ontmand’!

Hoe groot kan een contrast zijn? Buiten op de markt doen uien, aardappelen en rijst 20 cent per kilo, bieden de meeste mensen schoenloos hun koopwaar aan en worden alle goederen per muilezel aangeleverd of afgevoerd. Binnen schreeuwen de armoedig geklede mannen hun vedetten, met hun hippe en modieuze voetbalschoentjes, vooruit onderwijl niet luisterend naar het onvervalst Oxford-Engels sprekend mannetje dat het commentaar verzorgt.

     

In Debark, een boerengehucht in de Simien Mountains, worden alle niet-betalende inwoners gratis en voor niets getrakteerd op een live audio verslag. Als een soort communistische propaganda schalt het commentaar door de, op straat gemonteerde geluidsinstallatie. Op momenten van groot enthousiasme resulterend in stilstaande Ethiopiërs die, ondanks hun beperkte kennis van het Engels, allemaal hopen dat Vampiersie wederom zal toeslaan.

Altijd moet ik maar weer ver. Naar oorden waarvan menigeen niet eens het bestaan kent. Vreemde culturen proeven, op jacht naar het onontdekte en op zoek naar spanning. Een vreemde gewoonte eigenlijk. Want vandaag realiseer ik me dat zelfs de directe omgeving rondom mijn ouderlijk huis, voor een deel, onontdekt terrein is voor mij.

     

Het is zondagochtend als ik op mijn fiets stap. Bij het verlaten van het ouderlijk huis is mijn moeder al bezig het warme middagmaal te prepareren. En mijn vader wikt en weegt talrijke wijnen in de wijnkelder. Ik zwaai een tot ziens alsof ik inderdaad naar verre oorden vertrek en rijd met fikse snelheid het erf af. Het is koud, guur, grijs en ik ben dan ook blij dat ik goed ingepakt op mijn fiets zit. In stevige tred, ook al is het alleen maar om warm te blijven, vertrek ik richting het noordoosten. Het is stil op straat. Ik vermoed dat vele moeders zich over warme maaltijden ontfermen en dat vele vaders zich in wijnkelders bevinden. Slechts een enkeling laat zijn hond uit. Bij het passeren knikken ze een vriendelijk ‘moi’, de prachtige, plaatselijke variant van ‘hallo’. Ik geniet van de omgeving. De stilte. Met elke rondgang van mijn pedalen strijden mijn wollige, stadse gedachten een kanslozer strijd tegen de rust rondom.

Op weg naar mijn einddoel passeer ik het roemruchte Ganzedijk. Twee jaar geleden werd dit gehucht nog met de dood bedreigd omdat de lokale wethouder alle 57 huizen wilde laten slopen. Zijn argumentatie was dat Ganzedijk een spookdorp was geworden en geen bestaansrecht meer zou hebben. Grimmige bewoners hebben sloop weten te voorkomen en dus is er nog steeds een Ganzedijk hier. Toch spookt het hier op deze ochtend danig. Slierten mist en dauw over de velden maken dat ik het spook van Hannelore meen te ontwaren. Hier in dit gehucht, werd ze omgebracht door haar echtgenoot en schrijver Richard Klinkhamer. Deze hele zaak werd pas opgelost toen de nieuwe bewoners, jaren later bij het omspitten van de tuin, op Hannelore stuitten. En dit ondanks het feit dat Klinkhamer in zijn boek ‘Woensdag Gehaktdag’ al uitgebreid verslag had gedaan van zijn wreedheden. Ganzedijk, een boel gedachten, één koude rilling over mijn rug, één huivering door mijn lichaam, tien rondgangen van mijn pedalen en ik heb het achter mij gelaten.

En verder ga ik, op weg naar de meest noordoostelijk gelegen polder in Nederland. De Carel Coenraadpolder. Mijn benen geven gas, mijn longen vullen zich met zuivere polderlucht en ik voel een geweldige hoeveelheid energie. Maar goed ook, want deze polder doorkruisen kost tijd, heel veel tijd. De afstanden zijn enorm en de huizen dungezaaid. Hier woont bijna niemand en de mensen die er wonen, houden zich schuil in hun huizen. Hier geen hond op straat, geen mens zelfs achter de ramen. Niets dat de stilte ook maar dreigt te verstoren. Behalve dan het geluid van mijn banden. Wat een fantastische manier om een zondag te beginnen! Wonen in een dergelijke omgeving, het is net een stapje te ver wellicht. Maar op dit moment hier fietsen is werkelijk subliem. Ik wil nu elk weggetje hier onder mijn wielen zien verdwijnen alvorens richting warme maaltijd te vertrekken. Ik wil de dijk opfietsen om te kijken wat zich precies aan de andere kant schuilhoudt. Ik wil die kou in mijn gezicht en op mijn benen blijven voelen tot ik niet meer verder kan. Tot ik moet erkennen dat ook in Nederland de natuur mij de baas kan zijn.

Op een steenworpafstand van deze polder ligt het plaatsje Bad Nieuweschans. Tot 2009 heette het hier nog Nieuweschans. Maar om commerciële redenen is dit veranderd. ‘Bad’ verwijst naar het kuuroord Fontana, het pronkjuweel van dit dorp. Bij het binnenrijden vraag ik me af of de lokale bestuurders zich wel realiseren hoe fantastisch de combinatie polder en kuuroord is. Eerst een paar uurtjes bikkelen over kleigronden en vervolgens extreem relaxen in het bad Fontana. Het lichaam moe, enigszins geteisterd en dan vervolgens een thermaal bad, een luxueuze massage door zachte en elegante vrouwenhanden met aansluitend een hapje en een drankje. Het is goud in de handen!

Vandaag blijkt dat het soms helemaal niet nodig is ver te reizen om onontdekte gebieden te vinden. Want welke Nederlander kent deze polder? Bijna niemand toch? Hoogste tijd om het te ontdekken!

Jezus, wat een mooie brug! In het ochtendlicht, in de schemering, van dichtbij, van verre, het is en blijft een prachtig aangezicht. Pas na een keertje of twintig die befaamde brug van Mostar te hebben bedwongen, lijkt het mij tijd voor een andere uitdaging. Per slot van rekening wordt zelfs het bedwingen van befaamde bruggen op de langere termijn ietwat saai.

Dus vraag ik de eigenaresse van het huis waar ik verblijf, wat ik op deze zonnige dag zou kunnen doen. Zonder dralen en vol enthousiasme noemt zij Medjugorje. Na Vaticaanstad het meest bezochte katholieke pelgrimsoord op aard. Haar ogen glinsteren van opwinding en zij verzekert mij dat ik dit niet kan en mag missen. Dus laat ik mij overtuigen. Wat anders te doen als een lokale bewoner zo vol vuur en passie predikt? Niets immers!

         

De overlevering wil dat in 1981 (!), hier in Medjugorje, zes tieners de maagd Maria tegen het lijf liepen. Vol enthousiasme – niet alleen vanwege de verschijning maar vooral ook vanwege de zeer zalvende en geruststellende stem van de maagd – en volkomen door het dolle heen renden ze terug naar het dorp. Dat juist zij, zes nietszeggende herdertjes uit deze contreien, door de maagd waren uitverkoren, konden ze welhaast niet bevatten. En de ouders, hoe lief ze hun kinderen ook hadden, dachten precies hetzelfde. Ze reageerden lauw, sceptisch, nors en ongelovig. Zulke verhaaltjes gingen er hier simpelweg niet als zoete koek in. Hier moest gewerkt worden en geploeterd. Aan wonderbaarlijke opstandingen, verschijningen of andere vaagheden had men een broertje dood.

Maria en de tieners gaven echter niet op. Geenszins. Maria bleef aan de tieners verschijnen en de tieners bleven enthousiast over deze ontmoetingen verhalen. En op een gegeven ogenblik, onduidelijk voor een ieder waarom, werden de tieners geloofd. Was het God zelve die de ogen van de dorpsoudsten opende? Of was het de kracht van de herhaling (werkt reclame ook niet zo?) die hen deed inzien dat dit verhaal fantastische kansen bood?

Want laten we vooral niet vergeten dat tot 1981 Medjugorje een slaperig oord was. Niets dan zwoegende en ploegende boertjes. Een kudde schapen. Wat fruitboompjes links en rechts. Een veldje aardappelen of graan. Al deze activiteiten maakten dat de inwoners net alle eindjes aan elkaar konden knopen. Maar een vetpot was het bepaald niet!

Maar nu, letterlijk als een geschenk uit de hemel, was daar Maria! En de dorpse domoren hadden zelfs nog tientallen verschijningen van haar nodig alvorens de fantastische commerciële mogelijkheden te doorgronden! Toen de kleppen van de ogen waren gevallen togen ze, dit dient ze te worden nagegeven, met veel ijver aan het werk. Op de plek waar Maria voor het eerst verscheen, werd een blauw kruis gepoot. Tegelijkertijd werd het nieuws verspreid dat hier in Medjurgorje de kans bestaat om Maria tegen het lijf te lopen. En het werkte! In het begin nog mondjesmaat maar alras met velen kwamen ze. Pelgrims. Ook vandaag de dag maken dagelijks nog vele pelgrims de trek naar het kruis. Velen zelfs op blote voeten. Bovendien bouwden ze in het dorp zelf een fikse kerk (St. James) die plaats biedt aan een heleboel gelovigen. Blijkbaar had Maria hen laten inzien dat ze het groots moesten aanpakken om groots te kunnen verdienen. En zo geschiedde!

Sinds 1981 hebben ongeveer 15 miljoen gelovigen dit dorpje en dit blauwe kruis gezien. En van een slaperig oord is het verworden tot een woest commercieel centrum waar God, Maria en Jezus genadeloos worden uitgebuit. De hoofdstraat is geplaveid met souvenirwinkels die uitpuilen met katholieke hebbedingetjes. Af en toe onderbroken door een restaurant waar de hongerige pelgrims de hostie kunnen eten en de lokale wijnen kunnen nuttigen. Maar overal strijdt de ongewone drieeenheid een continue strijd om de meeste aandacht. Weinig verrassend dat van deze drie Maria aan het langste eind trekt. Per slot van rekening is zij hier verschenen!

Vandaag loop ik hier rond. Mij verbazend over de onvoorstelbare lelijkheid en ongezelligheid. Tot op heden meende ik te weten dat de katholieke medemens een levensgenieter is. Immers, dat naast de katholieke kerk altijd het gezelligste café staat, kan toch geen toeval zijn? Want na een uurtje biechten op zondag is het toch gezellig en dikverdiend aldaar een drankje te doen en gezellig wat te babbelen? Maar hier in Medjugorje? Niets van dit alles! Soberheid is troef en het is alles business wat de klok slaat. De verkopers en verkoopsters zien slechts dollars en denken euros. Na gedane zaken wellicht bereid tot een judashand maar nooit tot een innemende glimlach of een hartelijke groet.

     

In de bus op weg naar Srebrenica. Waarom doe ik dit in godesnaam? Bosnië-Herzegovina biedt de toerist zoveel interessants. Mostar, Sarajevo of, voor de katholieke toerist, Medjugorje. Maar Srebrenica? Nee, het hoort niet in dit rijtje thuis. Mijn reisgids beschrijft Srebrenica als een tragisch oord. En eerlijk gezegd, zonder er geweest te zijn, voel ik dat het waar is. Naarmate ik dichterbij kom, wordt het onbestendige gevoel in mij groter en sterker. Nog steeds kan ik omkeren en Srebrenica laten voor wat het is. Wat heb ik er eigenlijk te zoeken? Waarom nu juist naar daar? Toch blijf ik zitten. De drang om het zelf te zien, zelf te voelen en zelf waar te nemen is blijkbaar te sterk.

Het busstation is leeg. Geen enkele andere bus op deze zondagochtend. In het kantoortje zit één medewerker niets te doen. Op mijn vraag waar het centrum is, wijst hij naar omhoog. Een minuutje of vijf lopen. Ik stap in de aangegeven richting. Huizen getekend door de oorlog wisselen af met gloednieuwe woningen. Voor het overige lijkt het een stadje als alle andere op een zondag. Het is vooral rustig en stil. Als ik op het centrale plein aankom is het drukker. Tekenen van leven vooral bij de supermarkt. Jong geliefden lopen hand in hand door een park. Kinderen spelen er hun spel. Het valt me op dat er evenveel mannen als vrouwen zijn. Vooraf had ik bedacht dat ik mogelijk in een manloze omgeving zou belanden. Een niet onlogische gedachte maar de realiteit blijkt anders.

Een winkelier in ijzerwaren veegt zijn stoepje schoon. Ik vraag hem of hij wellicht een hotel weet waar ik de nacht kan bivakkeren. In vloeiend Duits antwoordt hij dat net buiten het centrum een nieuw hotel is verrezen. Daar kan ik prima slapen, het is er luxe en comfortabel. Ik reageer blijkbaar zuinigjes, want nog in dezelfde adem vertelt hij dat het evengoed mogelijk is bij iemand thuis te overnachten. Hij kent wel een dame die hij met graagte voor mij belt. Ik knik verheugd. Terwijl we wachten, vertelt hij me dat velen hier, voor kortere of langere tijd, in Duitsland hebben gewoond. Allemaal teruggekeerd naar Srebrenica om de stad weer op te bouwen. Ook mijn gastvrouw was ooit in Duitsland. Tegenwoordig werkt ze voor een organisatie die micro-kredieten verstrekt aan de vele weduwen in en rond Srebrenica. Vol vuur en passie praat ze over haar werk. Ze gelooft er heilig in en de energie die ze uitstraalt, maakt dat ik het ook geloof.

Wanneer ik weer buiten sta, valt mij wederom de stilte op. Een volkomen rust heerst hier. Het lijkt wel alsof er alleen op het centrale plein geluid mag worden gemaakt. Als vanzelf loop ik weer in die richting. Op zoek naar een restaurant. Plotseling valt mijn oog op twee gammele, witte, plastic stoelen en een tafel. Ergens geparkeerd op een trottoir. Een restaurant wellicht? Ik stap naar binnen en zie drie mannen, starend naar zondagmiddagvoetbal op TV, onderwijl aan een fles bier lurkend. Op mijn vraag of ik hier kan eten, knikt de waard me vriendelijk toe. Vanzelfsprekend. Hij leidt me naar zijn koelkast, showt de inhoud ervan en vraagt wat ik wens. Ik wijs wat worst, groente en brood aan en zet me vervolgens met een fles bier op het terras. Iets verderop zie ik vijf jongens van een jaar of 18. Destijds net jong genoeg om gespaard te blijven, schiet me te binnen. Twee zitten op het dak van een kapotgeschoten schuur, één zit op een stoel midden op straat en twee liggen languit op een muurtje langs de straat. Ze drinken bier, in hoog tempo. Roken sigaretten in een hoger tempo. Het doet me denken aan een pose van een rockgroep voor een hoes van hun CD. Stoer en macho lijken ze. Maar het is geen pose, het is een dagelijks terugkerend ritueel. De hoeveelheid lege bierflessen rondom ze is hiervan het bewijs. Elke dag zitten ze hier. Niet omdat het stoer is, maar omdat hier niets anders te doen is dan niets.

      

Een taxi brengt mij naar Potocari. De zon schijnt. De lucht is blauw. Het is warm. Toch, bij het betreden van de begraafplaats lopen de koude rillingen over mijn rug. 8.372 witte grafstenen staan hier, zo vertelt een bord bij de ingang. Er is niemand. Ik ben helemaal alleen. Ook Bosniërs zelf komen hier, hoor ik later, niet graag. Simpelweg omdat ze niet herinnerd willen worden aan de gruwelheden hier gepleegd. Op het monument zie ik, in één lange opsomming, de namen staan van alle gesneuvelden. Het stopt nooit. Net als de begraafplaats alsmaar doorgaat. Ik loop tussen al die stenen. Verdoofd. Verdwaasd. Verdrietig. Maar ook vol vragen en onbegrip. Aan de overkant van de weg zie ik de vervallen verblijfplaats van Dutchbat. Spontaan dwalen mijn gedachten af naar de ontmoeting Mladic en Karremans. De uitspraak van een rechter, dat de Verenigde Naties niet kunnen worden vervolgd voor hetgeen hier is gebeurd, schiet me te binnen. Onbegrip maakt plaats voor boosheid. Het kan toch niet zo zijn dat beschermers hun taak zo verzaken? Het kan toch niet zo zijn dat zulke inschattingsfouten ongestraft kunnen blijven? Het kan eenvoudigweg niet waar zijn. Onwillekeurig bal ik mijn vuisten naar Dutchbat en de VN. En heel goed kan ik me voorstellen dat de overlevenden hier hetzelfde doen.

Mijn reisgids heeft gelijk, net als mijn voorgevoel. Dit is een tragische plek. Het gevoel dat mij bekroop op het moment dat ik in de bus richting Srebrenica zat, is aan het eind van de dag alleen maar sterker geworden. Srebrenica bedrukt, beklemd en is, vooral hierdoor, ook voor mij, onuitwisbaar.