Posts Tagged ‘Sovjet-Unie’

Uren en uren rijden we al over de M41. Nog steeds klimmen we naar grotere hoogten. Nog altijd wordt het landschap ruiger. Het laatste restje water is inmiddels geconsumeerd en ik realiseer me dat het verstandig is geen pech te krijgen. Want een nachtje op deze hoogte, zonder water en voedsel, is zeker en vast geen sinecure. Kale, kille bergen rondom. Bruingekleurd met tinten grijs. Stenen zo ver het oog reikt, slechts af en toe wat gras of zeer laag struikgewas. Een stormachtige wind doet spierwit, rul zand opwaaien. Ik proef het op mijn tong, voel het in mijn ogen. Blijkbaar zitten er nogal wat kieren en gaten in de Oazis, onze Russische jeep. Het lijkt wel een woestijn op grote hoogte.

Pamir    Pamir

Af en toe stoppen we. Om de jeep wat rust te gunnen. En om de motor te koelen. Echt zorgen maak ik me vooralsnog niet, vooral omdat Zarek, de chauffeur, blijft glimlachen en een uitstraling heeft van ultieme controle. Tegelijkertijd, helemaal gerust ben ik toch ook niet. Vooral het gebrek aan water zit me dwars. Dat was toch wat dommig, te weinig water mee. En water vragen aan medeweggebruikers lukt ook niet. Want die zijn er niet. De enige levende wezens die ik, heel af en toe, zie zijn herders met een flinke kudde geiten en schapen. Op zoek naar grazige weiden. Al vraag ik mij af waar die in hemelsnaam te vinden.

We passeren de Khargush Pass, met 4.344 meter het hoogste punt van de dag. De Oazis puft en zucht maar heeft ons evengoed naar hier gebracht. Van louter plezier geef ik Zarek een high five. Wat een plek. Wat een weg. Wat een natuur. Wat een rit. Vanaf nu mogen we dalen, richting de beschaving van het wilde oosten van Tadzjikistan. Alleen die vermaledijde dorst en inmiddels ook honger gooien geringe hoeveelheden roet in het eten.

Maar dan is daar opeens een checkpoint. Plompverloren neergekwakt in absoluut niemandsland. Een treurige soldaat noteert mijn paspoortgegevens. Op mijn vraag hoeveel auto’s hier passeren, antwoordt hij, al even treurig, ‘tussen de vijf en de tien, maar vandaag zijn jullie de tweede’. En het is al ruim na drie uur, nog een paar uurtjes en het is donker. Op mijn belangrijkere vraag over water en voedsel, antwoordt hij door naar een hut te wijzen, iets verderop. Daar is wel iets te eten en te drinken.

Oazis  Checkpoint

Woedend worden we welkom geheten door een grommende hond. Gelukkig reikt zijn ketting niet veel verder dan een paar meter. Bovendien, er staat opeens een mannetje in de deuropening die al even woedend de hond tot stilte maant. Tegelijkertijd schitteren zijn ogen van plezier. Bezoek! Er is bezoek! Dolblij nodigt hij ons uit vooral binnen te komen, alwaar nog twee mannetjes op krakkemikkige stoeltjes zitten. Meteen wordt een ketel met water op een vuur gezet, ergens een brood opgeduikeld en in no-time drinken we thee en eten we zeer oud en droog brood. De drie mannetjes, twee biologen en een ingenieur, zijn in een dolenthousiaste stemming. In eerste instantie denk ik dat het is vanwege het bezoek. Alras begrijp ik dat het toch vooral is omdat ze al behoorlijk van de wodka hebben gesnoept. Natuurlijk, ze willen dat ook ik drink. Maar ik heb geen zin en weiger beleefd en resoluut. Alleen de uitnodiging om samen te dansen kan ik niet weigeren. En zo swing ik, in een aftandse hut op grote hoogte, op een Tadzjieks muziekje met twee Tadzjiekse biologen.

Terwijl we eten en drinken verhalen de biologen. Over de twee zonnepanelen uit China, die ervoor zorgen dat ze naar een radio kunnen luisteren en een gloeilamp kunnen laten branden. Eén van de twee blijft maar herhalen, als ware het een mantra: ‘zonnepanelen uit China zijn de beste ter wereld’. Wanneer hij vervolgens vertelt dat hij hier is om de wilde dieren te tellen, begin ik wel enigszins te twijfelen. Als hij net zo vaak dubbel telt, als dat hij dubbel vertelt… Het verbaast mij dan ook niet dat het goed gaat met het Marco Polo schaap in deze contreien. Toen de Russen het hier nog voor het zeggen hadden, was er van de natuur niet veel meer over. Maar inmiddels gaat het dus een stuk beter. Volgens de bioloog is dit ook te danken aan het feit dat hij een specialist is in Marco Polo schapen.

Met een ferme omhelzing en een voorzichtige zoen nemen we afscheid. Zelfs de hond lijkt opeens een stuk minder woedend. Op naar meer stenen, bergen, zand en woedende natuur. Maar het einde is in zicht zegt Zarek, nog een paar uurtjes en we bereiken het betere gedeelte van de Pamir Highway. En dat dit scheelt, is meteen duidelijk. Nog steeds verre van een strak geasfalteerde snelweg rijdt het inderdaad een heel stuk florissanter dan voorheen. En zo rijden we plotseling met gezwinde spoed richting Murgab, naar het wilde oosten van Tadzjikistan.

Advertisements

Zittend in mijn taxi zag ik de Kaukasus de afgelopen uren langzaam veranderen; van kaal en vijandig tot groener en vriendelijker. En dan is daar plotseling Dadivank. Een juweel van een gehucht. Exact 27 huizen met daarboven, hoog op een klif, een eeuwenoud klooster annex kerk. Oorspronkelijk gebouwd in de vierde eeuw, en sindsdien talloze keren gerestaureerd. Maar al zo’n 1600 jaar staat het daar. Welk een fenomenale locatie. Ik mag dan vaak zeggen dat het niet meer hoeft. Het aanschouwen van nog meer kerken. Gewoon, omdat ik er al zo heel veel heb gezien in mijn leven. Maar ik moet mezelf ongelijk geven. Want deze moet wel. Te mooi om te laten lopen. Ik loop rond. Geniet van het uitzicht. Zie niemand. Hoor alleen het prachtige gezang van een vrouw.

De kerk en het gezang maken dat ik hier wil blijven. In dit gehucht. De vraag is alleen waar en hoe? Mijn taxichauffeur is alvast overtuigd dat overnachten hier een utopie is. ‘Arme, primitieve mensen en een Europese toerist gaan niet samen’ zo vertelt hij mij. Alleen, zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Schoonheid heeft immers een prijs. Bovendien, vroeger op de boerderij in Pekela, was er ook geen verwarming en was de douche ook niet altijd heet. Dus ik ben wel wat gewend.

Bij een winkeltje, aan de hoofdweg, zie ik een aantal mensen staan. Ik spreek een oude dame aan en vraag haar of ik hier ergens kan slapen. Ze knikt verheugd. Zeker kan dat. Bij haar thuis is plek genoeg. Ze wijst naar het eerste huis in het dorp. Ik ben meteen overtuigd. Daar ga ik slapen, dat wordt mijn thuis. De taxichauffeur haalt hoofdschuddend mijn bagage uit de kofferbak, neemt weifelend mijn geld aan, maar scheurt vervolgens evengoed met hoge snelheid weg.

En zo beland ik in een soort van Hans en Grietje huis. Oud, vervallen met in de logeerkamer zes roestige en krakkemikkige bedden. Ik ben de enige gast. Hoe verrassend. Meteen voel ik me thuis. Het doet me denken aan het huis van mijn grootouders. In de keuken braakt een karaokespeler – dat dan weer wel – Russische pop. Loeihard. Sonja, zoals mijn gastvrouw heet, trekt meteen een fles huisgemaakte kefir uit de koelkast, haalt een homp zelfgemaakt brood tevoorschijn en trakteert me op een glas wijn. Ook al zelfgemaakt. Het smaakt fantastisch.
Onderwijl vertelt Sonja over zichzelf. Voordat de oorlog begon, woonde ze met haar familie in Bakoe. Vredig en rustig. Maar die oorlog veranderde haar leven voorgoed. Haar man en één van haar zonen lieten het leven, en zij besloot met haar andere zonen en haar dochter te vluchten. Net als zoveel andere Armenen. Eerst naar Jerevan en vervolgens naar hier. Naar Dadivank. Om een nieuw bestaan op te bouwen. Dit huis heeft zij, natuurlijk zonder vergunning, zelf gebouwd.

Dat het leven zwaar is en flinke sporen nalaat, is duidelijk aan haar te zien. Ik laat me dan ook niet verleiden tot het schatten van haar leeftijd. Zoals ze me herhaaldelijk vraagt. Uiteindelijk geeft ze het op en vertelt ze dat ze 52 is. Gelukkig, denk ik, heb ik me niet laten ompraten. Want, eerlijk gezegd, ik had haar minimaal 65 jaar gegeven. En dat had ze vast niet heel leuk gevonden. Ze praat maar door. Over de angst voor een nieuwe oorlog. Over weer een gedwongen verhuizing. Over Azerbeidzjan. Over het geweld.
Opeens besluit Sonja dat het tijd is voor wat vrolijkheid. Per slot van rekening, ze heeft een gast. Op haar mobiel speelt ze muziek, Russische liedjes die ze uit volle borst meezingt en waarop ze voorzichtig heupwiegend danst. ‘Er is geen tijd voor meer verdriet want we leven maar één keer’, zegt ze. Maar even abrupt als het begon, stopt de muziek ook weer. Omdat Sonja zich realiseert dat haar gast nog ongewassen is. Na een lange en stoffige reisdag.

Ze verontschuldigt zich, ook voor het feit dat hier geen douche is. De rivier is de enige optie. Poedeltjenaakt, verscholen achter wat struiken en struikjes, was ik het zweet en het stof van me af. Maar wat geeft het? Toch helemaal niets? Shampoo voor het haar, een stukje zeep voor het lichaam en rondom de Kaukasus. Grootse pret. Dat is het. Een topdouche. Dat is het.
Aan de oever van de rivier is een soort van openlucht restaurant, bestierd door de dochter van Sonja. In tegenstelling tot haar moeder is dochterlief wat knorrig en kortaf. Alsof ze boos is op de wereld. Of op zichzelf. Of op mij. Ik heb geen idee. En ik vraag haar ook niet wat er is. Gewoon omdat ik er geen zin in heb. Ik bestel een sjasliek, met van die sublieme Karabachse tomaten en komkommers, brood en bier. Welk een maal. En rondom weer de Kaukasus.

Bij thuiskomst is de zoon van Sonja op bezoek. Hij gaat morgen naar Jerevan, naar de grote stad. Voor zaken en zaakjes. En daarom moet hij er piekfijn uitzien. Moeder strijkt zijn shirt en poetst zijn schoenen. Hijzelf scheert zijn baard, zonder schuim. Wanneer ik hem mijn scheerschuim geef, lacht hij vrolijk. En mijn aftershave maakt hem nog vrolijker.

Wanneer ik later op de avond wil gaan slapen, zegt Sonja dat het nog te vroeg is. Eerst moet ik meer van die huisgemaakte wijn proeven. Ze bedoelt dat ze meer met mij wil praten. Blij met het gezelschap, blijft ze mijn glas vullen. Het smaakt nog steeds uitstekend. Ik drink zo een half litertje van dat spul, zonder moeite. Totdat ik vrolijk ben. Van de wijn en van de Kaukasus.
Na de wijn mag ik slapen. Maar Sonja komt me, als een echte moeder, nog wel een goede nacht wensen. Zij besluit dat slapen onder een laken niet warm genoeg is en legt heel voorzichtig een deken over me heen. Bijna heb ik het idee dat ze me een zoen op mijn voorhoofd gaat geven. Maar ze doet het niet. En dat vind ik jammer!

Sushi in Shushi, als een mantra spookt dit rijmpje door mijn hoofd. Al sinds ik voor de eerste keer las over dit stadje. Niet dat ik er echt in geloof trouwens. Daarvoor heb ik teveel de indruk dat Shushi een te vervallen oord is. Met een te tragische recente geschiedenis. Maar wie weet, per slot van rekening is sushi tegenwoordig overal. Zittend in de ‘marshrutka’, op weg naar Sushi, besluit ik dat ik in ieder geval mijn uiterste best ga doen een sushitent te vinden aldaar.

De marshrutka is zo goed als leeg. Alsof niemand naar Shushi wil. Tergend langzaam ploeteren we over de bergweg omhoog. Alsof ook de marshrutka weinig zin heeft daar te geraken. Achteromkijkend zie ik Stepanakert, vooruitkijkend Sushi. En zo verzink ik in gedachten over toen, een jaartje of twintig geleden.

Shushi was tot 1822 de trotse hoofdstad van Nagorno-Karabach en een van de eerste steden, samen met Bakoe en Tbilisi, die tot ontwikkeling kwam in de Kaukasus. Het was een stad die sterke aantrekkingskracht had op Azerbeidjaanse intellectuelen, dichters, schrijvers en muzikanten. En later, tot de eerste wereldoorlog, werd Shushi ook een cultureel en economisch centrum voor de Armenen. Probleemloos ging die samenvloeiing van deze twee volkeren bepaald niet. In 1920, bijvoorbeeld, werd een groot deel van de Armeense bevolking uitgemoord door de Azerbeidjanen, geholpen door de Turken. Toch, ten tijde van de Sovjet-Unie leefden beide bevolkingsgroepen in vrede naast en met elkaar.

Maar tijdens de oorlog van 1988 tot 1992 ging het pas helemaal mis. In eerste instantie voor de Armenen. Zij hadden de keus tussen vertrekken of te worden vermoord. Door hun eigen buren, met wie zij jarenlang vreedzaam hadden geleefd. Huwelijken liepen op de klippen omdat een van de partners Armeens was en de ander Azerbeidjaans. Er bleef geen Armeen over. Iedereen vertrok naar Stepanakert of verder weg naar Armenië. En zo werd Shushi een Azerbeidjaans bolwerk in een overwegend Armeens Karabach. Erg lang duurde dit niet, want tegen het einde van de oorlog was de positie van Shushi onhoudbaar. De Armenen kwamen terug, met veel manschappen en met veel wapentuig. Zij heroverden Shushi en dwongen, op hun beurt, alle Azerbeidjanen te vertrekken.

Shushi           Shushi

Wanneer ik de stad binnenrijd, valt meteen op dat nieuwbouw en ruïnes hier hand in hand gaan. Nieuwe flats, gebouwd in de jaren na de oorlog worden omzoomd door vervallen en kapot gebombardeerde huizen. Ergens heeft de lokale overheid wat geld gevonden tot wederopbouw. Maar geld om die oude gebouwen af te breken is er blijkbaar niet. En een van de inwoners vraagt zich zelfs hardop af of die investering in nieuwbouw wel verstandig is geweest. Het was misschien beter te investeren in wapentuig. Azerbeidzjan, met een defensiebudget groter dan het totale budget van Armenië en Nagorno-Karabach tezamen, zou elke gelegenheid willen aangrijpen om een nieuwe oorlog te starten. Om het verloren gegane terrein te kunnen heroveren.

De stad ademt chaos en, wellicht nog meer, tragiek. Zelfs het oorlogsmonument, zo vaak de plek waar de schijn bedriegt in Russische steden, is een rommelpot. De jaartallen 1941 – 1945 liggen hopeloos op de grond. Gevallen van hun voetstuk en niemand die zich erom bekommert.

Midden in het stadje staat een kerk. Een gloednieuw exemplaar in uitstekende staat. Hier zijn heel veel euros, en nog veel meer drams, aan besteed. Waarom, zo vraag ik me af? Maar het zal mijn godslasterlijke aard wel zijn die deze vraag stelt. En misschien heb ik wel ongelijk. Want in een oord als deze is troost vinden bij de Almachtige waarschijnlijk de enige wijze te kunnen overleven.

Ik wandel rond. Over onverharde wegen vol kuilen en gaten. Alleen de hoofdstraat is voorzien van een laag asfalt. De gedachte aan sushi is helemaal verdwenen. Ik zie een vervallen en geplunderde moskee, waarbij een bordje staat ‘ protected by the government’. Wat de overheid hier precies beschermt, is mij niet duidelijk. Die moskee is toch al reddeloos verloren.

Vlakbij de moskee zitten twee mannen op een bankje van een niet meer dienstdoende bushalte. Een tragische uitvoering van die twee oudjes bij de Muppets, schiet me te binnen. Ik stap op ze af en begin een praatje. 88 en 86 jaar oud zijn ze, zo vertelt de jongste. En nadat ze hebben begrepen dat ik uit Nederland kom, vraagt de oudste of daar ook een oorlog gaande is. Ik kijk hem aan en schud mijn hoofd. Hoezo ook? Hier is toch geen oorlog meer? Maar de tijd heeft blijkbaar stilgestaan voor hem. Voor hem is het hier nog altijd oorlog. En misschien heeft hij wel gelijk. Iedere dag zitten ze hier. Te wachten op betere tijden. Te wachten tot de tijden van weleer, toen Shushi floreerde, zullen herleven. Maar ze weten vast ook zelf dat dit een illusie is. Een pakketjesdroom. Hun tijd is te kort.

Shushi        Shushi

Verderop zit een man in zijn tuintje. Naast hem een Lada zonder wielen en in verregaande staat van verroesting. Wat een vreemd relikwie in een tuin. Waarom haalt hij dit niet weg? Waarom ruimt hij dit niet op? Maar het zal wel niets uitmaken. Want waar hij ook kijkt, overal is troep. Overal is rommel. Er is teveel van in deze stad. Het kan niet opgeruimd en dus is het beter te doen alsof het niet bestaat.

Toch is het niet alleen kommer en kwel. Er zijn wel degelijk pogingen de oude glorie van Shushi te herstellen. Zo telt de stad vier musea, en om de tragiek van het alledaagse leven te compenseren, besluit ik ze allemaal te bezoeken. Zo beland ik in een galerie waar oude tapijten uit Nagorno-Karabach worden tentoongesteld. Een werkelijk adembenemend mooie Armeense dame heet me welkom. In uitstekend Engels nog wel. Ze vraagt of ze mij mag rondleiden. Vanzelfsprekend stem ik toe. Me figuurlijk voor de kop slaand dat ik vanochtend dat ietwat ranzige shirtje toch weer heb aangetrokken. En dat ik die baard van een dag of vijf niet heb afgeschoren. Ze zal me ongetwijfeld afleiden van de tapijten, maar een kniesoor die daar op let. Een tapijt heb ik al heel vaak gezien. Maar een Armeense schone in Shushi is absoluut nieuw voor me.

In het Geologisch Museum is de privéverzameling van de laatste Minister van Geologie van de Sovjet-Unie tentoongesteld. Een prachtig gebouw aan het eind van een straat waar toch vooral krakkemikkige huizen staan. Wederom vraag ik me af waarom? Een kerk zal dan nog wel nuttig kunnen zijn voor de lokale bevolking. Maar een museum met kristallen en mineralen? Toegegeven, het ziet er prachtig uit. Maar had deze voormalige minister niet veel beter de straat kunnen laten opkalefateren?

In het historisch museum vertelt een gevluchte Armeen uit Bakoe mij honderduit over de geschiedenis van Nagorno-Karabach en Shushi. Vooral over de oorlog, het gevaar van de Azerbeidjanen, de laffe houding van Gorbatsjov tijdens de laatste dagen van de Sovjet-Unie, aangaande de aansluiting van Nagorno-Karabach bij Armenië, de sluwheid van de Armeense troepen. Het mag allemaal flink gekleurd en zeer pro-Armeens zijn. Het verhaal maakt wel indruk. Vooral met de kapotgeschoten gebouwen buiten op het netvlies. Na de rondleiding biedt hij mij een theetje aan. En voor ik het weet, discussiëren we over de vliegramp in de Oekraïne. Voor hem is er geen ruimte voor twijfel. Het is het werk van de Oekraïense regering. Om Rusland in diskrediet te brengen. En ook voor de Europese Unie heeft hij geen goed woord over. Propaganda storten ze uit over de bevolking, als in de hoogtijdagen van de Sovjet-Unie.

Maar sushi vind ik niet. Het is er volgens mij ook niet. En dus stap ik ergens een restaurantje binnen en bestel een shaslick met bier. De eigenaar nodigt me uit samen wodka te drinken. Misschien om de tragiek van de omgeving te vergeten . Maar ik weiger evengoed, het is te warm. En bovendien, het helpt toch niet.

Het is al enkele jaren geleden dat ik een boek las van de bekende Poolse schrijver, journalist en avonturier Kapuscinski; waarin hij verhaalt over zijn bizarre belevenissen om in Stepanakert te geraken. Destijds, we spreken over de beginjaren negentig, was Nagorno-Karabach nog een gemengde republiek, bevolkt door Azerbeidzjanen en – vooral – Armenen, en onderdeel van de Azerbeidzjaanse Sovjetrepubliek. Was het in oorlog met zowel de macht in Moskou als met de machthebbers in Bakoe, de hoofdstad van Azerbeidzjan. Wilden ze onafhankelijkheid, of in ieder geval aansluiting bij Armenië. Destijds woonden in Stepanakert alleen maar Armenen, maar in het iets hogerop gelegen Shusha alleen Azerbeidzjanen. En de laatsten gebruikten hun geografisch voordeel om met grote regelmaat raketten op Stepanakert te doen laten neerkomen. Destijds zat Nagorno-Karabach als een rat in de val. Er was eigenlijk geen uitweg. De oorlog verliezen van Moskou zou betekenen dat de dromen over zelfstandigheid voor onbepaalde tijd in de ijskast zouden kunnen. De oorlog winnen van Moskou zou betekenen dat Azerbeidzjan het landje zou inpikken. Vergeleken met het machtige Moskou was Bakoe’s macht weliswaar beperkt, maar vergeleken met Nagorno-Karabach was het evengoed een Goliath.

Onder die omstandigheden slaagde Kapuscinski erin, verkleed als Aeroflot (co-)piloot op een vlucht van Jerevan naar Stepanakert, en als dronkenman op de achterbank van een zwarte limousine, uiteindelijk Stepanakert te bereiken. Tegenwoordig zijn dergelijke capriolen niet meer nodig. Tegenwoordig is het vooral een kwestie van het boeken van een vlucht naar Jerevan en vandaar verder te reizen per bus of auto naar Stepanakert. Een reisje van 350 kilometer, of ongeveer zes uur, door die fantastische Kaukasus. Een natuurlijk obstakel van jewelste, dat wel, al is de weg tussen deze twee steden alleraardigst. De mens, zo blijkt, zegeviert uiteindelijk ook tegen vijandige bergen. Een ander obstakel, door mensen gecreëerd, is het passeren van de grens van Armenië met Nagorno-Karabach. Maar met het visum netjes in mijn paspoort geplakt, maak ik mij ook hierover weinig tot geen zorgen. Toch, een vlucht boeken naar Stepanakert, zoals Kapuscinski, is tegenwoordig geen optie. Want ondanks de aanwezigheid van een vliegveld, is het onmogelijk naar daar te vliegen. Al vele jaren niet. De Azerbeidzjanen dreigen namelijk ieder willekeurig vliegtuig dat daar wil landen uit de lucht te schieten. Dat dan weer wel.

Laat ik eerlijk zijn, een stad met zo’n naam kan niet anders dan fantastisch zijn. Stepanakert. Stepanakert! Al die jaren zat het ergens in mijn systeem. Ergens in mijn gedachten. Al die jaren wilde ik naar daar. Soms was het gevoel overheersend, vaker ergens knagend op de achtergrond. Maar weg was het nooit. Daarvoor klonk Stepanakert te goed en te mooi. Ik bedacht zelfs dat, mocht het ooit zover komen, mijn nieuwverworven bruid te trakteren op een huwelijksreis naar daar. Maar een beperkte rondvraag aan verschillende potentiële kandidaten maakte mij duidelijk dat zo’n reisje doorgaans niet als ideale huwelijksreis wordt gezien. Daarvoor zijn de associaties van Stepanakert met zon, zee, strand, kokosnoten en palmbomen te niet bestaand.

En dus besluit ik alleen te gaan. Per vliegtuig en per auto. Als een slap aftrekseltje van de grote Kapuscinski, maar evengoed ingetogen trots op mezelf. Inmiddels zit ik al zo’n vijf uur naast Areg, de taxichauffeur. Veel praten doet hij niet, gelukkig niet. Want de manier waarop hij de ontelbare bochten aansnijdt, maakt mij het antwoorden sowieso onmogelijk. Stiekem denk ik dat zo’n verkleedpartijtje als Aeroflot-piloot nog niet zo heel avontuurlijk was. Areg schakelt stoïcijns, van twee naar drie naar vier, vijf en terug. Ondertussen rookt hij, natuurlijk. En belt hij, natuurlijker. Ik begrijp niets van zijn Armeens, maar ergens heb ik het idee dat zijn vrouw hem maant op tijd thuis te zijn. Voor het avondeten. En dus geeft hij gas, want na aankomst in Stepanakert moet hij het hele eind nog terug. Omdat zijn vrouw op hem wacht. Ik geef mij over aan Areg en aan de talrijke goden van de talrijke Kaukasische volkeren. En ik geniet van het landschap. Die fabelachtige Kaukasus laat mijn hart sneller kloppen, mijn bloed sneller stromen, mijn gedachten stilstaan. Volgens sommigen was het hier waar Adam en Eva in hun paradijs woonden. Volgens mij is het hier, zoals het in de Alpen honderd jaar geleden was. Maar dan hoger, ruiger, wilder, spannender, onontdekter,  uitgesprokener.

En dan opeens is daar dé kruising. Shusha, rechtsaf de berg op. Stepanakert rechtdoor naar beneden. Ik kijk tegelijkertijd omhoog en omlaag. ‘Jezus’, denkt mijn protestantse geest, Stepanakert en Shusha in één blik gevangen. De verwoeste en de verwoester van destijds. De opgebouwde en de vergetene van tegenwoordig. Nu wordt het echt spannend, nog een kwartiertje en we zullen de buitenwijken van Stepanakert binnenrijden.

De buitenwijken van Stepanakert zijn, zo denk ik, niet meteen veel aantrekkelijker dan de gemiddelde buitenwijk van welke willekeurige Sovjetstad dan ook. Maar die mening herzie ik spoorslags wanneer ik het monument ‘We are our Mountains’, ook wel bekend als ‘Tatik Papik’ of ‘Grootvader en Grootmoeder’ in het vizier krijg. Wat een binnenkomer! Dit monument geeft, volgens de algemeen geaccepteerde interpretatie, de verbondenheid van Nagorno-Karabach met Armenië aan. Hier herdenken de inwoners van Stepanakert, eens per jaar, de oorlog die hun stad zoveel schade en verdriet heeft bezorgd. Echte Eurovisiefielen zouden zich nog kunnen herinneren dat de Armenen, tijdens hun presentatie in de halve finale van het Eurovisiesongfestival in Bakoe, dit monument aan de wereld toonden. Tot ergernis en ontsteltenis van Azerbeidzjan. Tijdens de finale werden deze beelden dan ook vakkundig door de Azerbeidzjaanse regie weggeknipt. Iets waaraan de Armenen zich, op hun beurt, groen en geel ergerden. Ze namen vakkundig wraak door, tijdens de puntentelling, op de achtergrond beelden van dit monument te laten zien.

We are the Mountains

Areg heeft er geen oog voor. En ook geen geduld natuurlijk. Hij heeft slechts één doel, zijn passagier afleveren en terug. Vlakbij het busstation dropt hij mij. Hij knikt me nog een keer vriendelijk toe, geeft me een hand, keert zijn auto en vertrekt.  Zes uur lang dezelfde haarspeldbochten voor de boeg. Hier sta ik dan, met vaste voet aan de grond in Stepanakert. Het is er stil en rustig valt me op. Ook vlakbij het busstation. Maar het is er vooral zinderend heet.

Ik zet me neer op een terras, met uitzicht over de hoofdweg, en bestel een fles bier. De overige klanten zijn gedrongen mannetjes, stoer kijkend en kettingrokend, met een maffioos kapsel, vierkante hoofden en stierennekken. Een voor een kwamen ze aangereden, in een Range Rover of luxueuze Mercedes. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Maar na een paar uurtjes alhier, weet ik wel beter. De stad mag dan zijn opgebouwd. Het centrum mag zelfs modern en mooi zijn. In het centrale park is, nota bene, wifi. Ik heb toch vooral armetierige flatgebouwen gezien. Inwoners gekleed zien gaan volgens de laatste Sovjetmode. Uit meerdere gebouwen Modern Talking horen schallen. Buiten het centrum bekruipt me onmiddellijk het gevoel van de tijd die stil staat, de tijd die alle wonden heelt. Een etterende wond van een oorlog die ieder moment weer kan beginnen. Van een hoofdstad van een niet erkend land dat wanhopig op zoek is naar een reden om te bestaan.

Op het centrale plein zag ik foto’s hangen van een massahuwelijk in 2008, georganiseerd door de multimiljonair (en Karabach) Hairapetjan. Zijn doel? Het inwonertal van Nagorno-Karabach wat opkrikken. Want niet alleen nam hij alle kosten voor alle bruiloften voor zijn rekening, hij beloofde ook voor ieder kind, geboren uit één van deze huwelijken, nog eens 1000 dollar te betalen. Bijna 700 stellen hapten toe.

Stepanakert, centrum                     160, Stepanakert

Nagorno-Karabach probeert alles om aandacht te genereren. Zonder aandacht, van de Westerse wereld, is het landje kansloos. Maar niemand luistert. Niemand wil het olierijke Azerbeidzjan teveel tegen het hoofd stoten. En tegelijkertijd ligt Azerbeidzjan op de loer. Te loeren op de kans toe te slaan, en het verloren gegane landje wederom in te palmen. Te wachten op het moment dat Rusland de handen te vol heeft aan de Oekraïne. Of niet meer de middelen of de wil heeft Nagorno-Karabach te beschermen. En zo is er eigenlijk niets veranderd. Er mogen dan geen bommen meer vallen op Stepanakert, de stad en het land zitten nog steeds gevangen. Tussen kwaad en onverschilligheid.