Posts Tagged ‘uitgaan’

Het is vrijdagavond, zo rond tien uur, en ik slenter door het centrum van Birobidzjan, de hoofdstad van de Joodse Autonome Republiek. Vol verwondering vraag ik me af waar de mensen zijn. Toegegeven, ik voel me al sinds gisteren alsof ik in absoluut niemandsland ronddool, evengoed, er wonen hier rond de 70.000 mensen. Willen zij geen vermaak? In de bioscoop zijn de lichten al gedoofd. Mochten ze al hebben gebrand vanavond. Bij het theater, lees ik op een affiche, is het eerste evenement gepland op 18 maart. Ruim twee weken wachten nog dus. Ook het café, waar ik eerder vandaag een koffie nuttigde, heeft de gordijnen gesloten. In het restaurant, op het centrale plein, waar ik gisteren in alle eenzaamheid een fantastische maaltijd nuttigde, zit ook nu helemaal niemand. Evenmin in de twee Chinese restaurants die Birobidzjan rijk is. Zal iedereen thuis, met de gordijnen toe en de verwarming op een graadje of 25, zoals te doen gebruikelijk hier in Rusland, naar de speech van Poetin luisteren? Naar het propagandapraatje waarin hij aankondigt dat Rusland wederom stappen heeft gezet richting perfectie? Waar hij het Westen schrik aanjaagt met de mededeling dat Rusland over wapens beschikt met een bereik tot aan de Zuidpool? Zit iedereen zich te verkneukelen over het nabije eldorado? Mochten de polls gelijk hebben, en in Rusland is dit altijd het geval, dan gelooft de bevolking in ieder geval heilig in Poetins woorden.

Maar, zo vraag ik me af, hoe werkt dit eigenlijk? Hoe kan een president zoveel steunbetuigingen ontvangen terwijl dit stadje en het platteland rondom overduidelijk worden genegeerd door de autoriteiten. Terwijl de binnenstad van Moskou in een razend tempo verwordt tot een pronkjuweel, liggen de straten in Birobidzjan er vervallen bij. Zelfs de sneeuw, die gisteren en vanochtend met bakken uit de hemel viel, kan de erbarmelijke staat van de wegen niet verbloemen. De stadsbussen lijken te zijn gemaakt in de tijd dat Rusland nog de Sovjetunie was. Ze rammelen roestend door de straten. Op de centrale markt, zo zag ik eerder vandaag, is vooral prullaria uit het nabijgelegen China te koop. Van enorme tijgerknuffels tot plastieken trapfietsen en mislukte kunstbloemen. De gepensioneerde verkopers moeten er, dit kan toch haast niet anders, een zware kluif aan hebben hun armzalig pensioentje op deze manier aan te vullen. En toch, zo zeggen de polls, stemt Birobidzjan over een aantal weken weer massaal op held Poetin.

Zal het dan de muziek zijn, die ik overal op straat, uit strategisch opgestelde luidsprekers hoor schallen, die de bevolking overtuigt? Zo word ik verblijd op een nummertje van de Police terwijl ik wacht bij de bushalte. Hoor ik een vrolijk Russisch deuntje wanneer ik rondwandel op het centrale plein. Eigenlijk vrees ik die vrolijkheid, omdat ik telkens verwacht dat de muziek wordt onderbroken door een bozige communistische hotemetoot, die een ieder oproept zich met gezwinde spoed naar de kolchoz te begeven.

Al deze gedachten maken me dorstig. Bij gebrek aan alternatieven besluit ik dat het tijd is voor een bezoek aan een ‘produkti’, de Russische variant op onze nachtwinkel. Tot mijn genoegen lees ik op de deur dat de winkel 24 uur per dag en zeven dagen per week open is. Bij binnenkomst groet ik de dame van dienst een vriendelijk goedenavond. Om een knorrig gemompel als antwoord te ontvangen. Ik kijk haar ietwat verbaasd aan en realiseer me dat haar gezichtsuitdrukking uitstekend overeenkomt met haar stemgeluid. Misschien is ze al 24 uur in touw en daarom niet meer in de beste stemming? Of ze baalt dat ze haar dienst hier moet draaien en niet naar Poetin kan luisteren?

Langs één van de muren van het winkeltje staat een rij koelkasten. Behalve wat water en frisdranken zijn ze voor het overgrote deel gevuld met flessen en blikken bier. D’r is dan ook volop keuze. Harpin bier uit China. Amstel en het onvermijdelijke Heineken. Asahi bier uit Japan. Plus een heel arsenaal aan Russische bieren, van bekendere als Botska, Baltika en Sibirskaya Korona tot lokale varianten als Amur en Oxota. Helaas, wanneer ik de koelkast wil openen, blijkt deze op slot. Ik draai me vragend om naar de kassadame, die mij wederom trakteert op een koele blik. Terwijl ze naar de klok knikt, spreekt ze in staccato Russisch dat na tien uur geen alcohol wordt verkocht. Verschrikt herinner ik me dat deze regel een aantal jaren geleden is ingevoerd om de alcoholconsumptie te verminderen. Ook hier, meer dan 8.000 kilometer van Moskou, wordt deze, zo lijkt het, strikt nageleefd.

Of het nu door mijn verschrikte blik komt, door een plotselinge vlaag van medelijden van de kassière of omdat regels in Rusland worden gemaakt om ze te negeren, is mij niet duidelijk. Opeens zwaait zomaar de deur van de koelkast open. Ik aarzel niet en in een ommezien staan er twee flessen Amur op de toonbank. Ze worden netjes in een niet-doorzichtige plastic tas gestopt en met een plotselinge glimlach om haar lippen wenst ze mij een prettige avond.

3. Market1f

Advertisements

Zondagavond rond een uur of zeven. Ik loop over de boulevard. Een digitale buitenthermometer geeft 30 graden aan. En zo voelt het ook. Het is warm, klam en zweterig. Een heel licht briesje van zee zorgt voor een heel klein beetje verkoeling. Maar echt helpen doet het niet. Ik zweet me in ieder geval nog steeds het ongans. Vertwijfeld vraag ik me af hoe ik die hitte te lijf moet gaan? Misschien dan toch maar in die Zwarte Zee zwemmen? Helaas, dit gaat niet. Ik heb namelijk mijn uitgaanspakje aan. En die leent zich niet voor een zwempartij.

En dus slenter ik, net als honderden Russen, langs winkeltjes vol snuisterijen en prullaria. T-shirts, mokken, magneten, badkleding. Dat soort zaken. Na twee etalages laat het me al volkomen koud. En met mij lijken ook de Russen, schreeuwende verkopers ten spijt, niet bepaald geïnteresseerd. Misschien is dit niet het juiste moment om te shoppen? Misschien is het tijd voor drank en spijzen? Want de desinteresse in de winkels staat in scherpe tegenstelling tot de aandacht voor de talrijke  restaurants en bars. Alle terrassen zitten vol. Een leeg tafeltje is een unicum. En zoals overal in Rusland zijn het vooral Italiaanse restaurants. Pasta of pizza, een Rus kan er niet genoeg van krijgen.

En zo slenter ik voort. Op zoek naar die ene plek waar ik nog wel kan zitten. Ondanks de drukte en de herrie – van alle kanten klinkt muziek, van Russische meezingers tot westerse rap – is het best vermakelijk en bijzonder verrassend. Sotjsi doet me denken aan Lloret de Mar of een soortgelijke Spaanse kustplaats. Zon, zee, strand, disco en drank spelen de eerste viool. Precies wat de jeugd begeert. Dat  Lloret de Mar op dit gebied hoog scoort, was me wel bekend. Maar van Sotsji wist ik dit niet. Rustig een Zwarte Zee vis verorberen is dan ook een illusie. Rondom mij joelen jeugdige Russen, driftig drinkend en rokend, naar voorbij wandelende meisjes. Ooit, in een vorig millennium, kon ik hiervan zelf geen genoeg krijgen. Maar tegenwoordig, zo merk ik, heb ik deze hormonenkermis na een uurtje wel gezien.

De volgende ochtend, terwijl de jeugd de roes uitslaapt, verken ik het centrum van de stad. Het is aangenaam rustig en stil. Een groot verschil met gisteren. Ik wandel rond in de haven, bezoek het Sotsji Museum en bewonder het enorme theater. Maar wat me toch vooral opvalt, zijn de palmbomen. Vooral omdat Sotsji in 2014 de Olympische Winterspelen zal organiseren. Hoe ik ook mijn best doe, ik kan me dit niet voorstellen. De stad ademt zon, zee en strand en doet in werkelijk niets denken aan ijzige temperaturen of sneeuwstormen. Toch, over ruim een jaar zullen Kramer en Tuitert hier hun Olympische schaatstitels moeten verdedigen.

Als ik later op een zonovergoten terras van een Russisch biertje nip, raak ik in gesprek met een local. Hij vertelt me dat de Olympische Winterspelen feitelijk helemaal niet in Sochi worden gehouden. Sotsji is, zo vertelt hij, de merknaam die gebruikt wordt om de grote sportevenementen in dit deel van Rusland te promoten. Maar Kramer en de zijnen komen in actie in Adler, een stadje op zo’n 20 kilometer van Sotsji. Terwijl de skiërs en de bobsleeërs hun kunsten in de bergen rondom Krasnaya Polyana zullen vertonen. Maar dit zijn dorpjes met slechts enkele hotels, zonder noemenswaardig nachtleven, zonder actie. Ik knik begrijpend en gerustgesteld. Inmiddels heb ik weliswaar ondervonden dat veel mogelijk is in Rusland. Maar skiën onder de palmbomen? Dat krijgt zelfs Poetin niet voor elkaar.

       

 

 

 

 

 

 

Ik besluit de dag te besluiten met een duik in de Zwarte Zee. Heb ik eigenlijk wel eens eerder in die zee gezwommen? Ik geloof eigenlijk van niet. Een primeur dus ! Op het strand liggen honderden dikkige Russen en Russinnen met karnemelkwitte lichamen te bakken. Geroosterd door de meedogenloze zon en gekastijd door de onbarmhartige stenen op het strand. Zelfs de korte wandeling naar de zee doet pijn aan mijn voeten. En ik vraag me dan ook verwonderd af hoe die Russen, vredig kijkend nota bene, hier plat op hun ruggen kunnen liggen.

 

En weer is het zaterdagavond in Moskou. En dan, ik kan de klok erop gelijk zetten, begint dat gevoel weer de overhand te krijgen. De-drang-om-te-gaan-gevoel. Naar oorden waar de oppervlakkige schoonheid regeert. Waar patserig gedrag de norm is. Waar het uiterlijk leidt en het innerlijk lijdt. God allemachtig, waarom krijg ik dat gevoel niet onder controle? Waarom nog steeds die tintelingen in mijn lichaam? Ik ben, per slot van rekening, de puberjaren al eventjes ontgroeid. Maar hoe ik het ook probeer, het lukt me niet. Mijn ratio is kansloos tegen mijn instinct.

En dus ga ik. Natuurlijk ga ik. Dat wist ik al de hele week. Op naar de GQ Bar, een hip restaurant annex bar waar de rijkere Moskovieten hun roebels met graagte spenderen. De portier opent de deur en glimlacht me naar binnen. Recht in de armen van een alleraardigste dame. De gastvrouw. Ze vraagt me of ik heb gereserveerd. Ik schud ontkennend. Vreemde vraag, denk ik bij mezelf. Want in het restaurant lijkt helemaal niemand te zitten. En in de bar is het, met een mannetje of tien, ook niet bepaald druk. Zonder mijn antwoord af te wachten, leidt ze me naar de bar. Een man alleen in een leeg restaurant laten plaatsnemen, is waarschijnlijk te ongepast. Ik neem plaats op een barkruk, bestel een glas rode wijn en kijk rond. Het wijntje is prima, wat overigens ook wel mag voor 15 euro, maar voor de rest is het niets. Stilte en saaiheid spelen hier de eerste viool. En dus giet ik mijn wijntje achterover en vertrek.

De taxichauffeur vraagt 2.000 roebels (50 euro) voor een ritje naar elders in de stad. Altijd hetzelfde tafereel bij die zogeheten hippe clubs. Daar waar ik normaliter voor 500 roebels de hele stad kan doorkruisen, betaal ik nu vier keer zoveel voor een ritje naar om de hoek. Ik negeer hem dan ook. Ergens verderop vind ik wel een Lada.

Ik besluit naar mijn oude, vertrouwde Soho Rooms te gaan. Weliswaar, een typisch voorbeeld van een club waar iedereen maximale arrogantie uitstraalt en waar iedereen probeert net iets hipper te zijn dan in werkelijkheid. Maar die oppervlakkige nonsens is af en toe wel lollig. In ieder geval, hier zijn op zaterdagavond altijd een heleboel mensen.

Met een niet al te poenerige Lada vlak voor de ingang uitstappen, is doorgaans niet al te slim. Het doet de kansen op het overleven van de face control hoe dan ook aanzienlijk slinken. Daarom wandel ik de laatste 100 meter, langs Range Rovers, een Porsche, een agressieve Jaguar en een luxe Mercedes. Precies. Niets verandert sinds de laatste keer. Ik meld me bij de deur. Zoals altijd staan er wat brede mannetjes in donkere outfits. En zoals altijd kijken ze nors. Ook dit weet ik al. Glimlachen, niet te zelfverzekerd kijken en netjes antwoorden op eventuele vragen. Onderwijl mag ik natuurlijk denken wat ik wil. Poppenkast, dat is het. Maar als het mannelijk oog iets wil deze avond, dan zit er niets anders op dan mee te spelen.

Als ik aan de beurt ben, vraagt Jerommeke of ik een reservering heb. Ik schud mijn hoofd. Dan wordt het stil. Blijkbaar vindt er topoverleg plaats. Want het mannetje hier voor mij beslist niet over mijn toelating tot dit walhalla. Hierover gaat het opperhoofd, dat elders zit. In een kamer vol met camera’s en andere meetapparatuur, zo stel ik me voor. Na enkele minuten (of misschien zijn het maar seconden) komt het antwoord. Ik mag naar binnen als ik stante pede een tafel reserveer. Kosten precies 1000 euro. Het alternatief is vertrekken. Rechtsomkeert maken. Ik doe nog een manmoedige poging hem te overtuigen me toe te laten tot de bar. Maar hij is onvermurwbaar. Duizend euro of vertrekken. Ik vervloek hem grondig. Mijn oude, vertrouwde Soho Rooms probeert me hier duizend euro uit mijn zak te troggelen. Ik schud mijn hoofd opnieuw. En vertrek. Schone schijn op zaterdagavond is best aangenaam. Maar niet tegen zo’n prijskaartje. En zo sta ik nog steeds met lege handen. Een score van nul uit twee. Bepaald ongebruikelijk.

Opnieuw volgt hetzelfde spel. Mannetjes prijzen schreeuwend hun taxi aan. Vanzelfsprekend, 2.000 roebels is de vraagprijs. Ik schud ze opnieuw van me af en stop een Lada. Gipsy zeg ik tegen hem. De volgende club waarop ik mijn oog heb laten vallen. Uit betrouwbare bron heb ik weliswaar vernomen dat Gipsy ietwat nep is. Een plek waar de Luis Vuitton tasjes niet echt zijn en waar Prada nog niet is doorgedrongen. Maar goed, ik weet het even niet meer. Geen zin nogmaals de deur te worden gewezen. Daarvan ben ik zeker.

Gipsy is een club in het zogeheten Krazjni Octjaber (Rood Oktober) district. Een eiland in de Moskva rivier waar een groot deel van jong Moskou de roebels placht uit te geven op zaterdagavond. En dat blijkt ook wel. Ruim na middernacht staat er op de toegangsweg naar hier een heuse file. Ik  besluit uit te stappen en het laatste stukje te lopen. En dan zie ik dat, ondanks het abnormale tijdstip, het toch vooral een normale file is. Met normale auto’s. Een Nederlandse file, zeg maar. En plotseling voel ik me opgewekt. Dat zogenaamde überhippe gedoe van die zogenaamde überhippe mensjes hangt me opeens mijlenver de keel uit. Doe mij vooral zo’n file gevuld met Ford, Opel, Nissan en Volkswagen. Lekker normaal. Met normale jongelui die blij meezingend met een Russische kraker hun uitgaansavond inluiden. Het mag dan zijn dat de Vuitton tasjes nep zijn hier, de mensen zijn een stuk echter dan daar in Soho.

 

Zaterdagavond in Moskou. Van pure vreugde en opwinding liepen we de hele dag al met onze zielen onder onze armen. Lenin op het Rode Plein? Poeshkin museum? Arbat? Kremlin? Natuurlijk, het is allemaal interessant, prachtig, mooi, leuk en aardig maar pas vanavond kloppen onze harten echt snel! Nu we op het punt staan het roemruchte nachtleven van Moskou te ontdekken.

Ondanks het feit dat de enorme hoeveelheden rondgierend testosteron ons bijkans al voor negen uur naar de superclubs schreeuwen, beheersen we onszelf en besluiten bescheiden te beginnen in Club Vysotskiy. Genoemd naar één van de beroemdste en roemruchtste zangers uit de voormalige Sovjet-Unie. De sfeer is, logischerwijs, Sovjet. Vooral gecreëerd door de band die nostalgische liederen uit vroegere tijden ten gehore brengt, allemaal hartstochtelijk meegezongen door de clientèle. Maar helaas, onze hormonenhuishouding blijkt te onrustig om al hier te kunnen worden gekalmeerd. Om dit klaar te spelen moeten we verder, naar oorden waar hip zijn schoon is en waar schoonheid geen grenzen kent. Met andere woorden, we moeten door naar Soho Rooms.

In een stad waar clubs als paddenstoelen uit herfstige gronden tevoorschijn schieten en vervolgens even snel definitief verdwijnen, is Soho Rooms een blijvertje. Al jarenlang staat deze club in de top van de ‘clubbing top 10’. En dus moet dit wel een gerechtvaardige keuze zijn, daarvan zijn wij overtuigd. Als we aankomen bij Soho Rooms gebaart de parkeerwacht dat we voor de deur kunnen parkeren. Een verleidelijk aanbod omdat de regen op het dak van de auto klettert en wij, zeker weten, op ons paasbest willen binnenstappen. Echter, op het moment dat we willen inparkeren, maakt de parkeerwacht ons duidelijk dat wij voor dit voorrecht wel het lieve sommetje van 1000 roebels (25 euro) mogen neertellen. Iets te gortig zo oordelen we, paasbest mag dan ons streven zijn maar financieel zijn de grenzen Nederlands. Daarom laten we de beste man voor wat hij is en zoeken een andere plek voor onze auto. Een fluitje van een cent, zo blijkt, want binnen 100 meter is er volop gratis parkeergelegenheid.

Gewapend met een paraplu melden we ons vervolgens bij de ingang van club Soho Rooms. Het belangrijkste moment van de avond, in feite. Want binnenkomen in een club als deze is bepaald geen sinecure. De zogeheten face-control is hier alarmerend streng en binnenkomen is simpelweg afhankelijk van het hebben van de juiste contacten of de juiste genen. En ondanks het feit dat wij helemaal niets te klagen hebben over dit laatste schijnt de genenlat hier dusdanig hoog te liggen dat wij kansloos zijn. Blijft over, de contacten. Helaas zijn deze hier ook schaars, bijzonder schaars zelfs. De enige persoon die we kennen is een medewerker van de keuken van deze club en het is hoogst dubieus of een dergelijk contact toereikend is. Hoe dan ook, we spreken de uitsmijter met de juiste hoeveelheid bravoure aan, noemen de naam van onze contactpersoon, glimlachen lichtjes en kijken zelfverzekerd rond zonder dit te overdrijven. De uitsmijter murmelt zachtjes in zijn portofoon, vermoedelijk om het hoofd der face-control te verwittigen wie wij zijn. De bodyguard is namelijk slechts uitvoerder, de feitelijke beslisser zetelt elders. Een tergend langzame minuut later vindt de verlossende handeling plaats: de ketting wordt losgemaakt en we worden binnengelaten. Vanzelfsprekend blijft onze blik stoer maar inwendig jubelen we van vreugde: Het feest kan beginnen!

Bij de bar bestellen we een whisky, wodka en bier is uiteraard not done in een dergelijke tent, en kijken we eens rustig rond. Alhoewel? Rustig? Zowel links, rechts, voor en achter staan de meest fantastische vrouwen die God ooit gemaakt heeft. Oké, we realiseren ons meteen dat het inderdaad sterk de vraag is of dit alles uitsluitend het werk van God is, maar een hele grote kniesoor die hier oplet! Hier passen slechts twee reacties: een automatisch openvallende mond en een hartgrondig ‘Jezus nog aan toe’. Ooit waren we in de Skybar in Kiev waar de vrouwen onovertrefbaar mooi waren. Althans, we dachten onovertrefbaar. Hier in Soho Rooms aanschouwen we toch nog de overtreffende trap. Recht voor ons staan zes dames in fantastische kledij, cocktailtje in de ene en mobieltje in de andere hand, te pronken met alles wat ze hebben. Spontaan denk ik aan een uitspraak van een vriend: ‘Lelijke vrouwen bestaan niet, alleen te weinig bier’. Vaak klopt dit wel maar hier is het tweede gedeelte van dit gezegde overbodig. Het credo van Soho Rooms is: ‘Lelijke vrouwen bestaan niet’.

Op de dansvloer van precies hetzelfde laken een enorm dik pak. De vrouwen pronken, pretenderen onbenaderbaarheid en nippen aan hun drankjes, onderwijl de dunste sigaretjes oprokend. Dansen doen ze niet, dat schaadt het imago, zo lijkt het. Heel voorzichtig wordt wel het ene voetje voor het andere voetje gezet maar voor Nederlandse standaarden is dit geen dansen. Bepaald niet zelfs. En het frappante is dat wij, na nog een aantal whisky’s, besluiten de vrouwen te laten voor wat ze zijn en ons te verpozen op de dansvloer met wildkomische Nederlandse danspassen. Een aantal minuten lang zijn wij het middelpunt en voelen wij tientallen prachtige ogen op ons gericht. Reden genoeg om nog een extra stap te zetten. Maar alras verwatert de aandacht en speelt een ieder weer haar eigen spel.

Britse eenheidsworst in de Oeral, zo schiet door mijn hoofd, terwijl ik wacht op mijn gastheer en -dames. Maar al snel begin ik aan mijzelf te twijfelen. Want op deze vrijdagavond lijkt Gordon’s, een Schotse pub in hartje Jekaterinenburg, een behoorlijk hippe tent te zijn. Althans af te lezen aan de aanzienlijke hoeveelheid mensen voor de ingang. Duidelijk allemaal met de bedoeling hier naar binnen te gaan. Typisch, vind ik. Een ordinaire Schotse pub en de Russen staan letterlijk in de rij.

Goed dat wij hebben gereserveerd. Zo kunnen we de rij links laten liggen en zonder te wachten naar binnen. Een alleraardigste dame glimlacht ons welkom en wijst ons met dezelfde glimlach een tafel. Welk een vriendelijkheid! Welk een gemak! Wel, vraag ik mij meteen af of deze tent überhaupt een bezoekje waard is. Een muur van geluid komt op mij af. Geproduceerd door een Russische coverband die snoeihard Abba, Beatles en Police speelt. Twee zangers gillen met overslaande stem boven de eigen herrie uit. Wat is dit in godesnaam? Ik kijk vertwijfeld rond en zie dat ook de rest van de aanwezigen slechts gedoogd, de meesten met gebogen hoofden. Alleen de eigenaar schijnt het prachtig te vinden. Althans, hij springt vreugdevol rond achter zijn toog en stemt woest gebarend in met de muziek. Maar hij is toch echt de enige. Eén van mijn metgezellen schreeuwt in mijn oor dat dit spektakel doorgaans om 10 uur is afgelopen. Ik kijk op mijn horloge en zie dat het pas kwart over negen is. Nog 45 minuten te gaan. Dus kan ik ook beter beginnen dit te gedogen. Ondertussen tel ik wel de minuten af. Duw wat vingers in mijn oren. Schud mijn hoofd over zoveel herrie. En applaudisseer van louter vreugde als de laatste noot is gespeeld.

Te vroeg!

Gordon, eigenaar en DJ, zet meteen een Schots volkslied in. Nog net iets luider dan de band! Horen en zien vergaan me. Ramen trillen in sponningen. Praten is een utopie. Iemand verstaan nog veel meer. Maar de DJ geniet. Zwaait woester met zijn armen dan tevoren. Glimlacht in zichzelf en grimast naar de menigte. Probeert hij zijn klanten te kastijden? Hun trommelvliezen te scheuren? Als ik mijn zicht hervind zie ik, tot mijn grote verbazing, talrijke Russen springen op de muziek. Tegelijkertijd heffen ze de armen in de lucht en zingen ze zelfs naar elkaar. Althans, ik zie lippen bewegen. Zal zulke herrie dan standaard Russisch vermaak zijn? Dat kan toch welhaast niet? Maar als ik beter kijk, realiseer ik me dat de overgrote meerderheid, net als ik, stilletjes voor zich uit staart. Dan valt mijn kwartje. De beschonkenen genieten en de nog sobere meerderheid kijkt lijdzaam toe. Inmiddels is dit vertier overigens voltooid verleden tijd. Gordon’s is namelijk in vlammen opgegaan.

          

Na het nuttigen van een aantal, door Gordon zelf gebrouwen, biertjes is het de hoogste tijd verder te gaan. Weg van deze waanzin. Op zoek naar andere. In de zwoele Oeralse nacht wandelen we naar Havana. Een latinoclub die ook al tamelijk hot moet zijn. Eerlijk gezegd, mijn verwachtingen zijn laaggespannen. Per slot van rekening, het is hier geen Moskou en latinomuziek is ook al niet meteen mijn ding. Maar ik vergis me! De toelatingsprocedure, inclusief face-control en een kort interview met de gastvrouw, is al veelbelovend. En meteen bij binnenkomst zie ik dat deze club wel degelijk hip is. Prachtige vrouwen in prachtige gewaden en met dito schoenen scheren links en rechts aan mij voorbij. Op stoelen en in sofa’s zitten pafferige, vettige, rokende Russen en Armenen. Een fles whisky of gin op tafel en voor hun dames een exotische cocktail. De muziek, overigens geen salsa of ander ongerief maar stampende house, beukt uit de speakers. Van praten komt dus wederom niets. En dan is het extra prettig dat het oog aangenaam verpoosd wordt. Met één oog lees ik het menu terwijl ik met het andere oog de omgeving nauwlettend in de gaten houd. Ik zie nog net dat het hippe Heineken biertje even duur is als elke willekeurige cocktail. En dus drink ik Cuba-Libres. Rijg ze aaneen tot een niet onaanzienlijke ketting. Zie daardoor de vrouwen nog aantrekkelijker worden. Waag zelfs een houterig dansje op de vloer. En concludeer uiteindelijk dat dit een toptent is!

Vanaf Jekaterinburg brengt de trein mij in twaalf uurtjes in Tobolsk. Voor Nederlandse begrippen een fikse trip natuurlijk. Maar voor Russische standaarden, even natuurlijk, helemaal niet. Op de enorme kaart van het enorme Rusland, die in de stationshal van Tobolsk hangt, zie ik de minuscule afstand die ik heb overbrugd. Toch ben ik een grens overgegaan, en niet zo maar eentje. Van de Oeral ben ik aangekomen in Siberië. En dat nu, doet mij deugd.

Vanuit de bus, die mij van het station naar het centrum brengt, neem ik de stad in mij op. Weinig verrassend, de stad is uitgestrekt en hoogbouw is er niet of nauwelijks. Lijkt me logisch want er is hier genoeg ruimte, vanzelfsprekend. Voor de rest valt vooral op dat deze stad bepaald lijkt op vele andere Russische plattelandssteden. Hele brede straten. Vele Lada’s. Oude vrouwen gekleed in nog oudere rokken en getooid met een weinig fleurige hoofddoek. Rokende mannen met bleke gezichten. Kortom, hier lijkt op het eerste gezicht niets bijzonder te zijn of bijzonders te gebeuren.

Hotel Novy Tobol probeert evengoed niet op te vallen. Een naambord of anderszins een indicatie dat dit een hotel is, is niet te vinden. Pas na aanwijzingen van vele bewoners loop ik dan ook het juiste gebouw binnen. De ‘administrator’ knikt enigszins vriendelijk terwijl ze me naast de prijs voor mijn kamer nog eens 285 roebels (7 euro) afhandig maakt. Extra kosten omdat ik vooraf heb gereserveerd. Geldklopperij denk ik. Toch betaal ik. Wat kan ik ook anders?

   

Het Kremlin bekijk ik vol verwondering. Mooi, zo’n ommuurde kerk en klooster. Prachtig ook, die witte kleur. Recent is het verkozen tot mooiste Kremlin van de regio. Een ietwat nietszeggende titel lijkt me. Per slot van rekening, hoeveel Kremlins kunnen er zijn in deze regio? Het oude gedeelte van de stad, vol houten huizen, bekoort mij evenzeer. Vraag me wel af of deze bewoonbaar zijn in de winter als een buitentemperatuur van minus 35 bepaald geen uitzondering is. Vooral die kieren tussen die planken baren me wat dit betreft zorgen.

In de avond die hier zo midden juni eeuwig voortduurt, loop ik verder door het stadje. Zonder te betalen mag ik, van de caissière van het theater, de laatste 20 minuten van het toneelstuk dat hier gespeeld wordt meemaken. Mijn zeer beperkte kennis van het Russisch maakt helaas dat ik er nauwelijks iets van meekrijg. Toch gaat het niet helemaal langs me heen.

Dochter Olga, een hippe dame, met haar groene haar en dito lippen, loopt de hele tijd dollend en provocerend over het podium. Haar moeder, een nette mevrouw, trekt dit nogal slecht. Zij doet dan ook verwoede pogingen dochterlief enigszins in het gareel te houden. Tevergeefs, zo blijkt, want niemand kan haar stoppen. Ook niet de in volkomen wit geklede invalide man die niets zegt en slechts naar de muur staart. Om hem tot leven te wekken, scheurt Olga met hem over het podium. Zonder noemenswaardig succes overigens want hij blijft levenloos in zijn, ook al witte, rolstoel. Dan verschijnt Olga’s vader ten tonele, een glansrol van de lokale look-a-like van Jan Marijnissen. Qua uiterlijk althans weinig verschillen, qua principes op het eerste gezicht een flink aantal. Waar onze Jan pal staat voor SP-principes, loopt deze lokale Jan in een duur maatpak vooral patserig en protserig te doen. Maar ook zijn pogingen zijn dochter te kalmeren zijn kansloos. Dit lukt pas als de postbode komt met een pakketje uit Nederland (!). In het pakketje zit een houten been voor de kreupele man. Reden genoeg voor Olga eindelijk tot rust te komen. In tegenstelling tot haar moeder die haar lang bewaard geheim, na het zien van het been, spontaan prijsgeeft. In tranen vertelt ze dat niet Jan maar de witte man in de witte rolstoel de vader is van Olga. Welk een apotheose!

Na zoveel cultuur en vooral na zoveel luisterinspanning heb ik honger. Daarom besluit ik maar eens een flinke hap te gaan eten in één van de twee restaurants in het viersterren hotel Slavyanskaya. Bij aankomst blijkt het eerste helemaal leeg! En in het tweede zit ook al helemaal niemand! Verder zoeken naar een voller restaurant lijkt me zinloos. Bovendien, ik heb echt trek. Daarom besluit ik, na een lichte aarzeling, gewoon het grootste restaurant binnen te gaan. Aan de muur hangen foto’s van Karpov en Medvedev. Ooit aten zij hier. Maar dus niet vanavond. Want vanavond ben ik de enige gast. Tot mijn grote verbazing word ik, nadat ik heb plaatsgenomen op één van de 150 lege stoelen, spontaan onthaald op livemuziek. Een alleszins zuiver zingende dame brengt vanaf het podium een Russisch lied ten gehore. Twee obers, ongetwijfeld blij met een teken van leven, snellen op mij toe. De één brengt het menu en de ander de indrukwekkende wijnkaart. Omzichtig bepaal ik mijn voorkeuren. Normaliter ben ik niet zo dol op volkomen lege restaurants. Maar hier past het uitstekend bij de omgeving. Althans bij mijn ideeën over deze omgeving. Alleen in een restaurant ergens in Siberië. Kan het passender? Het heerlijke voedsel, het prachtige flesje wijn en het repertoire aan Russische liederen maken dat mijn stemming naar grote hoogten stijgt.

      

Na het tafelen is mijn stemming van een dusdanig hosanna gehalte dat ik besluit eens de plaatselijke nachtclubs te bezoeken. Harlekijn en Atrium, beide om de hoek van dit restaurant, zijn echter gesloten. Deze doen het alleen op vrijdag en op zaterdag. Raspoetin, de nachtclub van dit hotel, is wel open. Op het program staat een striptease. Niet meteen mijn ding, moet ik zeggen. Vooral niet omdat ik vermoed dat ik ook hier de enige gast zal zijn.

Zwaar bevooroordeeld en bepaald niet zorgeloos land ik op het vliegveld van Nairobi. Mijn reisgids heeft mij zojuist geïnformeerd dat Nairobi, nog voor Johannesburg en Lagos, als gevaarlijkste stad in Afrika mag worden beschouwd. De bijnaam Nairobbery, vanwege de vele overvallen, soms gepaard gaande met bruut geweld, schijnt dan ook meer dan verdiend te zijn. Wel maakt mijn reisgids de kanttekening dat veel van dit geweld zich afspeelt in de sloppenwijken, doorgaans plaatsen waar de toerist weinig komt.

Toch besluit ik, eenmaal het vliegveld achter me gelaten, geen taxi naar het centrum te nemen maar een lokale bus. Het aangename zonnetje en de landerige sfeer hier buiten maken namelijk dat ik me spontaan een stuk relaxter voel. Bovendien, een taxi kost tegen de 15 euro terwijl een ticket voor de bus niet meer dan 40 eurocent doet. En op klaarlichte dag door een woest bewapende Keniaan uit een overvolle bus worden getrokken, dat zal toch niet meteen gebeuren?

En de keus is vanaf het allereerste begin gerechtvaardigd. Ik hobbel wat over slechte wegen en binnen luttele minuten meen ik, nota bene, drie giraffes te zien. Ik kan mijn ogen niet geloven en denk eerst nog dat de Keniaanse autoriteiten houten giraffes hebben geplaatst om de net gelande toeristen aan te sporen vooral op safari te gaan. Maar als ik ze zie bewegen, kan deze theorie overboord. Later begrijp ik dat het Nairobi National Park bij het vliegveld ligt en dat het dus mogelijk is de ‘big five’ te zien met op de achtergrond de hoogbouw van Nairobi.

      

En zo tuf ik in een heel rustig tempo de buitenwijken van Nairobi binnen. Enorme markten in de openlucht rijgen zich aaneen. Overal waar nog iets van ruimte is, wordt deze opgevuld door koopwaar. Van groente en fruit tot hout, autobanden, gereedschap, oude auto’s, kleding, meubels en ga zo maar door. De chaos heerst al levert het zware strijd met de viezigheid en de smerigheid. Ik realiseer me dat dit, vermoedelijk, de sloppenwijken zijn waar elke bus of auto kan worden stilgezet en de passagiers kunnen worden ontdaan van al hun bezittingen. Maar nog steeds kan ik mij hierover niet heel druk maken. Sterker nog, ik vermaak me prima en begin me meer en meer thuis te voelen. Deze stad leeft, bruist, overheerst en eist alle energie op die ik in mij heb. Ook de nog steeds toenemende drukte, bij het naderen van het centrum, voelt prettig aan. De straten slibben dichter en dichter en iedere weggebruiker levert een continu gevecht om vooruit te kunnen komen. Vooral de matatu’s (minibussen) met hun schreeuwend uiterlijk vallen op. Indiase filmsterren of draakachtigen in felle kleuren sieren de zijkanten, op de achterruit pronkt een embleem van Barcelona of Manchester United en links, rechts, voor en achter staan spreuken als: ‘In God we trust’, ‘Jesus is our Savior’en ‘Yes, we can’.

     

Druk of niet druk, ik bereik het centrum van de stad en wandel op eigen houtje verder door Moi Avenue, één van de belangrijke verkeersaders van centraal Nairobi. Moi Avenue bulkt van de winkels en de restaurants. Kip en friet lijken een flinke hit want elk tweede restaurant biedt deze culinaire lekkernij aan. Ook Engelse, of in ieder geval gelijkende, pubs zijn talrijk. En de gospelmuziek ligt letterlijk en figuurlijk op straat. Het lijkt wel alsof iedere inwoner van Nairobi zwaar gelovig, of in ieder geval verslaafd aan de gospel, is. Terloops vraag ik me wel af hoe dit te rijmen valt met de ongehoorde criminaliteit hier. Onder het mom van, alles kan want de Heere is toch barmhartig?

En overal hoor en zie ik Engels, hoe comfortabel en plezierig. Kiosken vol Engelstalige kranten brengen me op de hoogte van het laatste nieuws (uiteraard slechts drama) terwijl ik met enige regelmaat wordt aangesproken door een behoeftige Keniaan. Vanzelfsprekend, bijna iedereen wil gewoon iets verkopen, vooral safari’s zijn populair, of bedelt om één of meer shillings. Maar ik versta ze moeiteloos en even belangrijk, een duidelijk nee van mijn kant, heeft effect!

Vooruit, ik wacht de nacht af maar voorlopig is weer eens bevestigd dat luisteren naar vooroordelen niet aan te raden is!

Addis Ababa, één van de grootste steden van Afrika en bovendien de diplomatieke hoofdstad van het continent, zal toch wel een levendig en gevarieerd uitgaansleven kennen? Op verkenning door de nachtelijke stad beland ik, vooral omdat het op steenworpafstand van mijn hotel ligt, op het Piazza. Een door de Italianen gecreëerd plein in het centrum van de stad. Twee dagen geleden, toen ik aankwam in Addis Ababa, was me al opgevallen dat hier wel degelijk sprake is van na-middernachtelijke activiteiten. Ook al zag ik toen niet veel meer dan wat loslopende reggae mannetjes en een heleboel vrouwen van lichtere zeden die, in de donkere nacht, hun mooie en minder mooie lijven in de aanbieding hadden.

       

Zaterdagavond, het uitgelezen moment om de kroegen en de Afrikaanse discotheken eens van binnen te verkennen. Daarom met frisgestreken overhemd, gepoetste schoentjes, vrij schoon pantalonnetje en zelfs met wat aftershave op de stad in. En dit nu trekt, ondanks de duisternis, meteen de aandacht. Geen idee of het mijn outfit is of mijn opwindende geur maar na nauwelijks twee stappen buiten de hoteldeur te hebben gezet, loopt er al een mannetje naast me die hoopvol vraagt of ik naar een disco ga. Op mijn positief antwoord reageert hij bepaald verheugd. Ik probeer hem verder te negeren en uitsluitend schouderophalend zijn vragen te beantwoorden, maar ik ben kansloos. Hij heeft zich reeds vastgebeten in zijn prooi en die prooi ben ik. Sterker nog, inmiddels meldt zich een tweede persoon die al even hoopvol informeert naar mijn plannen. Antwoorden hoef ik niet, dat doet mijn compagnon al voor mij. En zo loop ik in gezelschap van twee bepaald vage kereltjes door de uitgaansstraat van Addis.

Ik realiseer me dat ik deze mannetjes alleen kan afschudden als ik terugga naar het hotel. En omdat ik dit niet wil, besluit ik van de nood een deugd te maken en ze als gids te gebruiken. Per slot van rekening kennen zij de stad waarschijnlijk een heel stuk beter dan ik. Ik vertel ze dus dat ik naar een echte Afrikaanse disco wil en dat ik daarvoor niet te ver wil lopen. Enig overleg volgt en vervolgens leiden ze mij naar de, in hun ogen, beste discotheek.

Zo sta ik plotseling in het aardedonker. Ik zie werkelijk helemaal niks behalve dan de gebitten van de dansende en lachende menigte. Daarbij loeiharde muziek die horen en zien ook al doet vergaan. Dit, samen met een gecombineerde bier- en zweetlucht en de enorme mensenmassa, maakt dat ik in een ommezien, naar adem happend, weer buiten sta. In disco twee precies hetzelfde verhaal en dus begin ik mij af te vragen of deze stapavond wellicht een hele korte zal worden? Disco nummer drie is, zomaar, precies het tegenovergestelde. Drie mannen aan de bar met bloeddoorlopen ogen en een woeste blik, een barkeeper met een identieke uitstraling, hel verlicht en geen muziek. Nee, dit is ook niet waarnaar ik op zoek ben. Meer en meer geef ik de moed op maar mijn begeleiders zijn nog steeds enthousiast en vol vertrouwen. En zo wandelen we gedrieën naar weer een disco.

En warempel, deze keer lijkt het raak! Ook hier is het weliswaar donker, vol en lawaaierig maar het is allemaal net iets draaglijker. Ik zet me dan ook met mijn nieuw verworven kameraden aan een tafeltje. Om meteen te begrijpen waarom ik deze vrienden heb gemaakt. Ze willen namelijk bier en ze willen dat ik dat biertje, of die meerdere biertjes betaal. Met een gelukzalige glimlach geven ze hun bestelling door aan de ober, nog net de moeite nemend mij te vragen wat ik drink. Na een proost, op de Heere weet wat, gulp ik mijn biertje in een ommezien naar binnen. Een blik naar links en rechts leert mij, vervolgens, dat mijn ongenode gasten zo voorzichtig aan hun fles nippen dat het wel lijkt alsof het goudgele vocht puur goud is. Waarschijnlijk consumeren ze iets minder snel omdat de prijs van dit biertje, in vergelijking met hun maandelijkse inkomen, nogal dramatisch hoog is.

Veel praten zit er overigens niet in want daarvoor is de herrie te alom aanwezig. Vooral als één van de twee ook nog zijn Frans met mij wil oefenen, geef ik het op. In plaats daarvan probeer ik maar wat rond te kijken en zo valt me op dat er inmiddels toch wel vier vrouwen rondom mij dartelen. Eén laat zich, via mijn vrienden, zelfs voorstellen maar vanwege haar absolute gebrek aan kennis van de Engelse taal is van een gesprek geen sprake. Aangezien de duisternis wel behoorlijk adembenemend is, vraag ik mijn vrienden hoe zij kunnen zien of een dame ze bevalt of juist niet. Hun antwoord is even praktisch als ontnuchterend. Neem haar mee naar het toilet, daar schijnt het licht. Zo werkt dat dus in Addis. Sjansen in het aardedonker en vervolgens keuren in de tl-lichten op het toilet.

En dan ben ik weg. Plotseling zwalk ik rond in de Oekraïne. Mijn geest is verdwaald, mijn gedachten eveneens. De Grote Markt van Groningen inruilen voor die van Brussel is nog te overzien. Maar opeens rondlopen op het Onafhankelijkheidsplein in Kiev is toch andere koek. Ik zoek naar overblijfselen in het oranje maar vind niets. Het is uitsluitend grauw, de wind blaast alle kleuren weg, ook die uit mijn gezicht, en ik vraag me af of ik het recht heb hier te lopen. Duizenden mensen streden hier voor meer vrijheid en democratie, verbleven wekenlang in tenten in de gure Oekraïense winter.

En ik? Ik pak het vliegtuig uit Brussel en land 3 uur later bijkans op dit plein. Een beetje wind en de kou maken dat ik binnen het uur in een warm café zit, gretig mijn handen warm aan de verwarming en gulzig een driedubbele espresso bestel. De enige vraag die ik mezelf kan stellen is of ik ook het lef zou hebben gehad te protesteren op dit plein. Waarschijnlijk niet want protesteren zit niet in mijn systeem. Misschien had ik die anderen het vuile werk laten opknappen en daarna, vol enthousiasme, mee willen profiteren van het succes. Zonder reden mijn gespreid bedje verlaten, dat zou ik toch vooral niet doen. Ja, waarvoor heb ik eigenlijk gevochten in mijn leven? Voor nog net iets meer zekerheid en nog iets meer geld? Niet voor dit zelfs! Alles komt geleidelijk, een evolutie zonder persoonlijke inzet. En nu ben ik teleurgesteld omdat ik geen restanten zie van de oranje revolutie en duik ik, daarom, teleurgesteld het eerste het beste café in. Trouwens, de espresso is hier echt prima. Jammer alleen dat al die mensen massaal aan L&M’s lurken en alle vrouwen van die modieuze dunnen sigaretjes wegpaffen. Een rokershol, dat is het. Alle mannen zijn gehuld in zwarte leren jasjes, een Russisch merk jeans en goedkope schoenen. Gaat goed samen met de vierkante hoofden en het militaristische kapsel. De vrouwen, daarentegen, zwaaien zwierig met hun borsten. Zijn ze echt of gemummificeerd? Ik denk het laatste maar evengoed bekoren ze. Geen enkele man, tenzij homo, zal ongevoelig blijven voor de kwaliteit van de borsten van de Oekraïense dames. En het pronken is al even prachtig. Vooral in combinatie met die hooggehakte laarzen en pumps. Ergens weggeplukt uit een modieuze Sovjetzaak en veelal plastic. Maar de combinatie hak/borst maakt het desalniettemin tot een geniale.