Posts Tagged ‘zon’

Zondagavond rond een uur of zeven. Ik loop over de boulevard. Een digitale buitenthermometer geeft 30 graden aan. En zo voelt het ook. Het is warm, klam en zweterig. Een heel licht briesje van zee zorgt voor een heel klein beetje verkoeling. Maar echt helpen doet het niet. Ik zweet me in ieder geval nog steeds het ongans. Vertwijfeld vraag ik me af hoe ik die hitte te lijf moet gaan? Misschien dan toch maar in die Zwarte Zee zwemmen? Helaas, dit gaat niet. Ik heb namelijk mijn uitgaanspakje aan. En die leent zich niet voor een zwempartij.

En dus slenter ik, net als honderden Russen, langs winkeltjes vol snuisterijen en prullaria. T-shirts, mokken, magneten, badkleding. Dat soort zaken. Na twee etalages laat het me al volkomen koud. En met mij lijken ook de Russen, schreeuwende verkopers ten spijt, niet bepaald geïnteresseerd. Misschien is dit niet het juiste moment om te shoppen? Misschien is het tijd voor drank en spijzen? Want de desinteresse in de winkels staat in scherpe tegenstelling tot de aandacht voor de talrijke  restaurants en bars. Alle terrassen zitten vol. Een leeg tafeltje is een unicum. En zoals overal in Rusland zijn het vooral Italiaanse restaurants. Pasta of pizza, een Rus kan er niet genoeg van krijgen.

En zo slenter ik voort. Op zoek naar die ene plek waar ik nog wel kan zitten. Ondanks de drukte en de herrie – van alle kanten klinkt muziek, van Russische meezingers tot westerse rap – is het best vermakelijk en bijzonder verrassend. Sotjsi doet me denken aan Lloret de Mar of een soortgelijke Spaanse kustplaats. Zon, zee, strand, disco en drank spelen de eerste viool. Precies wat de jeugd begeert. Dat  Lloret de Mar op dit gebied hoog scoort, was me wel bekend. Maar van Sotsji wist ik dit niet. Rustig een Zwarte Zee vis verorberen is dan ook een illusie. Rondom mij joelen jeugdige Russen, driftig drinkend en rokend, naar voorbij wandelende meisjes. Ooit, in een vorig millennium, kon ik hiervan zelf geen genoeg krijgen. Maar tegenwoordig, zo merk ik, heb ik deze hormonenkermis na een uurtje wel gezien.

De volgende ochtend, terwijl de jeugd de roes uitslaapt, verken ik het centrum van de stad. Het is aangenaam rustig en stil. Een groot verschil met gisteren. Ik wandel rond in de haven, bezoek het Sotsji Museum en bewonder het enorme theater. Maar wat me toch vooral opvalt, zijn de palmbomen. Vooral omdat Sotsji in 2014 de Olympische Winterspelen zal organiseren. Hoe ik ook mijn best doe, ik kan me dit niet voorstellen. De stad ademt zon, zee en strand en doet in werkelijk niets denken aan ijzige temperaturen of sneeuwstormen. Toch, over ruim een jaar zullen Kramer en Tuitert hier hun Olympische schaatstitels moeten verdedigen.

Als ik later op een zonovergoten terras van een Russisch biertje nip, raak ik in gesprek met een local. Hij vertelt me dat de Olympische Winterspelen feitelijk helemaal niet in Sochi worden gehouden. Sotsji is, zo vertelt hij, de merknaam die gebruikt wordt om de grote sportevenementen in dit deel van Rusland te promoten. Maar Kramer en de zijnen komen in actie in Adler, een stadje op zo’n 20 kilometer van Sotsji. Terwijl de skiërs en de bobsleeërs hun kunsten in de bergen rondom Krasnaya Polyana zullen vertonen. Maar dit zijn dorpjes met slechts enkele hotels, zonder noemenswaardig nachtleven, zonder actie. Ik knik begrijpend en gerustgesteld. Inmiddels heb ik weliswaar ondervonden dat veel mogelijk is in Rusland. Maar skiën onder de palmbomen? Dat krijgt zelfs Poetin niet voor elkaar.

       

 

 

 

 

 

 

Ik besluit de dag te besluiten met een duik in de Zwarte Zee. Heb ik eigenlijk wel eens eerder in die zee gezwommen? Ik geloof eigenlijk van niet. Een primeur dus ! Op het strand liggen honderden dikkige Russen en Russinnen met karnemelkwitte lichamen te bakken. Geroosterd door de meedogenloze zon en gekastijd door de onbarmhartige stenen op het strand. Zelfs de korte wandeling naar de zee doet pijn aan mijn voeten. En ik vraag me dan ook verwonderd af hoe die Russen, vredig kijkend nota bene, hier plat op hun ruggen kunnen liggen.

 

Zondagmorgen acht uur en ik sta al op het station. Van Krasnodar. Te wachten op de trein naar Sochi. Ondanks het vroege uur is het al flink warm. Zelfs op slippertjes, in kort broekje en T-shirtje kostte het me nog aardig wat zweetdruppels mijn koffer de trappen op en af te slepen. Verhit en met klotsende oksels probeer ik weer op adem te komen. Nu maar hopen dat de trein modern is en een airco heeft.

Wanneer even later de trein het station binnenrolt, zie ik meteen dat mijn hoop op een airco een ijdele is. Het is een oud gevaarte. En alle ramen die open kunnen, staan dan ook open. Niet dat dit meteen veel helpt overigens. Russische treinen zijn weliswaar uitstekend warm te krijgen. Zelfs midden in de winter is het binnen met gemak dertig graden. Maar frisse en koude lucht in hartje zomer is een utopie. Dat wordt dus een warm dagje vol ontblote bovenlichamen en puffende en steunende mensen rondom. En omdat deze trein ruim 20 uur geleden al is vertrokken uit Moskou, wat betekent dat veel van mijn toekomstige medepassagiers erin hebben gegeten, gedronken, geslapen en wie weet wat nog meer, zullen ook de geuren niet meteen de aangenaamste zijn. Een combinatie van oud zweet, worsten, fruit, bier en slaap, zo vermoed ik.

Ondanks de afstand van 1.200 kilometer tussen Moskou en Krasnodar arriveert de trein stipt op tijd  op het station. Werkelijk op de minuut nauwkeurig. Ooit verbaasde ik me hierover. Inmiddels heb ik me wel gerealiseerd dat de Russische spoorwegen twee fantastische manieren hebben gevonden altijd op tijd te zijn. Allereerst, de gemiddelde snelheid ligt behoorlijk laag. Voor deze trein zo rond de 60 kilometer per uur. Inderdaad niet meteen een voorbeeld van een hogesnelheidstrein. Ten tweede, op belangrijke stations staat de trein zomaar 30 tot 40 minuten stil. Zogenaamd om bij te tanken, eventueel van machinist te verwisselen en dergelijke. Maar het geeft ook mooi de gelegenheid eventuele vertragingen probleemloos goed te maken.

Net als ik op het punt sta mijn wagon en mijn zitplaats op te zoeken, komen drie imposante dames afgedaald van de stationstrap. Ik schat ze in totaal toch op ruim 400 kilo. Twee zijn echt enorm en de derde is hard op weg enorm te worden. Gekleed in ultrastrakke leggings (welke legging zit niet strak om zulke benen?)en in niets verhullende hemdjes. Overduidelijk met de konijnen los in hun hokken. Ik kijk gebiologeerd toe. Uiterst langzaam schrijden zij voort. Op naar hun eigen wagon, zo vermoed ik. Gelukkig voor ze dat die Russische spoorwegen geen haast hebben op stations!

Of het nu mijn starende blik is, mijn opengevallen mond of slechts toeval, ik heb geen idee. Feit is wel dat de dunste van de drie, die ik toch nog steeds op 120 kilo schat, juist aan mij vraagt waar wagon 12 is. Ik antwoord in het Russisch dat ik dit niet weet. Drie woorden slechts. Maar evengoed voldoende om mijn buitenlandse afkomst te verraden. Honderdtwintig kijkt me verrukt aan en mindert langzaam vaart. Een buitenlander! Zo lees ik in haar ogen. Hier in Krasnodar! Langzaam komt ze in mijn richting geschuifeld. Het is duidelijk, ze wil meer weten van die lange. Ook dat lees ik in haar ogen.

Haar twee enorme vriendinnen hebben inmiddels gemerkt dat Honderdtwintig niet meer in de buurt is. Ook zij houden daarom langzaam halt. Ze schreeuwen naar Honderdtwintig dat ze niet moet talmen. Het is aan dovemansoren gezegd. Die trein wacht wel, maar die buitenlander wellicht niet. En zo staat ze voor me. Met iets van een begeerlijke blik. Ik kan natuurlijk makkelijk ontsnappen. Zeker weten dat ze me niet kan bijhouden. Toch blijf ik gewoon staan, het is ook veel te warm om te vluchten. Ik glimlach een beetje schaapachtig, vermoed ik. Niet precies wetend wat te doen. En zo staat zij eigenlijk ook tegenover me. Misschien realiseert ze zich dat er een kans is dat ik haar niet zal begrijpen? Misschien wilde ze mij alleen maar van dichtbij zien? Misschien is ze opeens verlegen?

Inmiddels schreeuwen haar vriendinnen moord en brand. Wat ze precies zeggen, krijg ik niet helemaal mee. Maar de ‘bljads’ en ‘sukas’ zijn niet van de lucht. Grimmigheden alom, zoveel is dus wel duidelijk. En het blijkt dat Honderdtwintig hiervoor niet ongevoelig is. Want opeens draait ze zich om, werpt me in haar draai een raadselachtige glimlach en een kushandje toe en vertrekt.

Mei in Moskou. De mooiste maand van het jaar durf ik te beweren. Na een maandje of zes duisternis, kou, sneeuw en ijs schijnt eindelijk de zon weer uitbundig. En zorgt deze voor een aangename temperatuur. Reden genoeg voor alle Moskovieten massaal te ontwaken uit hun diepe winterslaap. Fris en fruitig wandelen ze doelloos rond in het centrum. Rond hun lippen speelt zelfs een glimlach. Een tamelijk uniek verschijnsel in de Moskouse straten. Maar vandaag tel ik een heleboel.

Met een boekje en een vers glas Blanche de Bruxelles (!) heb ik mij genesteld op een terras aan Kamergersky, een van de weinige straten in Moskou waar auto’s het niet voor het zeggen hebben. Integendeel, de hele straat is omgetoverd tot een groot terras. Ook al een groot verschil met de winter. Toen gebeurde er niets, behalve dat hordes Tadzjieken bergen sneeuw van A naar B schoven. Nu is er geen Tadzjiek te zien. Verbannen naar minder hippe oorden in de stad, vermoed ik. In plaats hiervan nestelen de Russen zich op aangename terrasstoelen en doen ze zich te goed aan sushi, Chinees, pizza, pasta, steak en andersoortige Russische heerlijkheden.

    

Van boekje lezen komt werkelijk helemaal niets. Iets dat me wel vaker overkomt hier in Moskou.  Tussen al die stoelen paraderen namelijk de dames. De beentjes al netjes bruingekleurd. De lipjes rood geverfd. In hippe zomerjurkjes gekleed. Bij voortduring dwalen mijn ogen dan ook in die richting. Geen spannend boek die hieraan iets kan veranderen. Toch, hoe bruin, rood of hip ook, mijn aandacht gaat vooral uit naar de hooggehakte schoenen. Met grote regelmaat loopt een dame voorbij met enorme exemplaren. Zo hoog, dat ik me verwonderd afvraag, hoe hierop gelopen kan worden. Die doen toch enkels breken? Dat kan niet anders. Maar de dames in kwestie stappen zonder noemenswaardige inspanning voort. Met zelfverzekerde stappen en dito blik genieten ze van alle aandacht die hen ten deel valt.

Inmiddels zijn vier hippe Russische jongemannen aan de tafel naast die van mij komen zitten. Alle vier een modern kapsel, overduidelijk niet van een Oezbeekse charlatan om de hoek. Kleurige schoentjes zonder sokken. Een net broekje en een fleurige polo. Type metroseksueel, zeg maar. Ze bestellen dan ook een theetje. Veel praten doen ze niet. In plaats hiervan jagen acht ogen op de passerende vrouwen (vooruit 10 ogen, want ook ik doe hieraan nog steeds volop mee). Als ze een mooi exemplaar ontwaren, stoten ze elkaar aan, wiebelen zenuwachtig op hun stoelen en raken bijkans opgewonden van het aangezicht.

Het zijn overigens niet alleen vrouwen die hier paraderen. Bij vlagen waan ik mij een toeschouwer bij de Moskouse gay parade. Officieel mogen dergelijke parades hier dan verboden zijn, de praktijk is overduidelijk geheel anders. Ik kan me herinneren dat Gordon, godbetert, alvorens roemloos ten onder te gaan bij het songfestival, nog stampij meende te moeten maken over het gebrek aan rechten voor de Russische gays. Nu zal hij, voor een keer, wel enig recht van spreken hebben. Dit geef ik grif toe. Toch, vandaag in Kamergersky, zie ik er velen. En ze lijken bepaald niet bang hun geaardheid te tonen. Natuurlijk, intiem contact is uit den boze. Maar dit lijkt me logisch. De vier mannetjes hebben er overduidelijk niet al te veel mee op. Ook al reageren ze bijna op dezelfde manier als bij het aanschouwen van een mooie dame. Evengoed wiebelen ze op hun stoelen en reageren ze opgewonden. Maar de blik in hun ogen is duidelijk een andere.

Ik bestel nog een Brussels witbiertje. Wat anders te doen op een zonnig terras? Bovendien, met een beetje mazzel zie ik de benen dan nog bruiner, de lippen nog roder en de hakken nog hoger.

Natuurlijk, ik kan naar een park hier in Moskou. Beetje languit op het gras liggen. Onder een boom en in de schaduw. Biertje in de ene en sigaretje in de andere hand. En dan gluren vanachter mijn zonnebril. Een prachtige manier om een zonnige dag in Moskou te beleven. Maar opeens wil ik weg uit die enorme stad. Opeens heb ik behoefte aan het Russische platteland. En dus besluit ik naar een willekeurige stad ergens in de nabije omgeving te gaan. Na wat gegoogle valt mijn oog op Tula. Nog nooit van gehoord, eerlijk gezegd. En ook volgens mijn reisgids is het niet noemenswaardig. Er staat althans geen letter over geschreven. Maar dit drukt mijn pret geenszins. Per slot van rekening, Rusland is groot en mijn reisgids nogal dunnig.

Ik ga dan ook gewoon. Morgen. Moet wel vroeg op realiseer ik me, want in de buurt van Moskou betekent nog niet dat het om de hoek is. Allereerst, het kost me al minimaal een uur van mijn appartement naar het juiste busstation. En dan nog ruim 2,5 uur met een bus om in Tula te geraken. Een klere-eind eigenlijk.

         

 

 

 

 

 

 

Maar natuurlijk, de volgende ochtend zit ik evengoed in de metro. Terwijl het Moskouse verkeer vastloopt in enorme files, snel ik richting mijn busstation. Wederom vraag ik me af waarom die Moskovieten hun auto prefereren boven die fantastische metro. Toegegeven, ook hier is het druk en veel ruimte om rustig te staan is er niet. Bovendien, ongewassen lijven met ongepoetste tanden en kledij zorgen voor ongerieflijke geuren. Toch, het voordeel van daadwerkelijk vooruitkomen, weegt hier gemakkelijk tegenop. Ruim op tijd arriveer ik dan ook op het busstation.

Uit een enorme rij gelijkende bussen probeer ik de juiste te vinden. Heen loop ik, en terug, langs al die bussen. Maar ik zie nergens een bordje Tula. Dan valt mijn oog op een rij minibussen. Van het soort bestelauto, met iets teveel zitplaatsen erin gemonteerd. Het zal toch niet? Het zal toch wel! Op de eerste bestelauto die ik zie, prijkt het bordje ‘Tula’. Ietwat knorrig stap ik naar binnen. Aan ruimte zal gebrek zijn, zoveel is meteen duidelijk. Ik nestel me op de best beschikbare plek, vouw mijn onhandig lange benen in een zo comfortabel mogelijke knoop en wacht op het moment van vertrek. 

Stipt op tijd stapt een morsig mannetje met een veel te vieze en veel te grote witachtige broek achter het stuur. Alvorens daadwerkelijk te vertrekken, vraagt hij meerdere keren of iedereen een ticket heeft. En meerdere keren knikken alle passagiers braaf. En zo gaan we op weg. Om binnen honderd meter meteen vast te staan in een van die Moskouse files. Muurvast mag ik wel stellen. Met veel stilstaan en weinig rijden komen we hoegenaamd niet vooruit. Hoe die ongeveer 200 kilometer naar Tula in 2,5 uur te overbruggen is mij een raadsel. Dat lukt nooit, voorvoel ik. Na een half uur zijn we drie kilometer opgeschoten. Ik reken maar niet wanneer ik aankom, mochten we in dit tempo doorrijden. In plaats hiervan probeer ik een praatje aan te knopen met mijn buurman. Maar ook dit schiet niet op, want hij slaapt al.

Na een uurtje aanmodderen, wordt het dan toch rustiger. Ook tot groot genoegen van de chauffeur. Ik kijk uit het raam en zie het typisch Russische landschap: groen, her en der wat (houten) huizen en lage heuvels. Met enige regelmaat staan mensen aan de kant van de weg hun waar aan te prijzen. Ook iets wat typisch is voor Rusland. Ik kan alleen niet zien wat er in dit jaargetijde wordt aangeboden, daarvoor rijden we te snel. De weg is dan ook van topkwaliteit, concludeer ik. Na een half uurtje toeren wordt me duidelijk hoe dit kan. Opeens staan we namelijk oog in oog met hordes Tadzjiekse mannetjes in opvallende oranje outfits die allemaal druk in de weer zijn met enorme machines, heet asfalt, spades en meer van dergelijke nuttige werktuigen. Op zich natuurlijk helemaal niets mis mee, ware het niet dat hierdoor het verkeer wederom vastloopt. En wellicht nog belangrijker, nadien is van die goede weg helemaal niets meer over. Alsof we de grens tussen goed en slecht zijn gepasseerd!

Al sinds ons vertrek teisteren twee mannetjes mijn reukorgaan. Een zit achter me en produceert bij voortduring een onwelriekende hoest. Een combinatie van Russische Marlboro, worst en ongepoetste tanden. Tegenover me zit een mannetje dat een geur verspreidt van ongewassen lichaam en kledij. Toen hij binnenstapte, moest ik meteen denken aan een klasgenootje van de lagere school. Die rook eender. Maar mijn medepassagier, laat ik hem voor het gemak Fokko noemen, is zich niet bewust van zijn zurige geur. Of het maakt hem niet uit natuurlijk. Hij zit nooit stil. Blijft maar geeuwen. Beweegt zijn armen bij voortduring. Opeens begrijp ik waarom de Russen niet spreken van ‘een geur ruiken’ maar van ‘een geur voelen’.

Of het komt door het heen en weer schudden, de geuren rondom, de zon of de lengte van de rit weet ik niet. Maar ook ik dommel in. Net als bijna iedereen in de bus trouwens. Als ik wakker schrik, zie ik nog net een bord aan de kant van de weg staan dat Tula vanaf hier nog precies 116 kilometer is. Ik kijk op m’n telefoon en zie dat we al 2 uur onderweg zijn. Mijn voorgevoel klopte dus, 2,5 uur is een illusie.

‘Oh Samara, kleine stad. Ik voel me opgejaagd, sta me toe hier uit te rusten’. Zo gaan de eerste regels van een Russische meezinger. Een lied uit vervlogen tijden, want Samara is niet meer klein. Zoveel is me wel duidelijk als ik de stad binnenrijd. Vervallen flatgebouwen afgewisseld met vervuilende industrie rijgen zich aaneen. Zes uurtjes heb ik opgevouwen gezeten in een hete, lokale bus. Het mag dan niets zijn vergeleken met de, ongetwijfeld, barre reiscondities van destijds. Desondanks deel ik de blijdschap van de reizigers uit die tijden. De koelte van de Wolga lonkt net als de stranden aan haar oevers.

   

Op het busstation geeft een thermometer een schrikbarende 46 graden Celsius aan. De taxichauffeurs ontwaken dan ook met moeite uit hun siësta. Liever zouden ze onder de boom blijven liggen. Misschien is dit de reden dat ze een woekerprijs vragen? Ik negeer ze en besluit een trolleybus te nemen. Die rijden altijd en overal. Als ik instap, glimlacht de conductrice zelfs een ‘welkom in Samara’ naar me. Ik glimlach, blij verrast, terug.

Wel voel ik me nog steeds opgejaagd. Het is te heet om aan iets anders te denken dan aan een verkoelende zwempartij. Maar tot nu toe van de Wolga geen spoor. In plaats hiervan zie ik oude en vervallen houten huizen. Die moeten ’s zomers toch veel te warm zijn om in te wonen? En ’s winters toch veel te koud? Her en der zie ik de uivormige torens van orthodoxe kerken. Die zijn overal in Rusland, maar ze blijven evengoed bekoren. Het valt me op dat overal wordt gebouwd en gerenoveerd. Volop actie om van deze stad een parel aan de Wolga te maken.

Als ik eindelijk de rivier zie, verdwijnen al mijn gedachten spontaan. Het doel is bereikt. Inwendig schreeuwend van vreugde rep ik mij naar het water. Eindelijk. Zwemmen in de Wolga. Wat wenst een mens nog meer? Niets! Dit is de beste plek om de rest van de middag en de avond door te brengen. Zoveel is wel zeker. En met mij denken velen hetzelfde. Want het strand is vol.

Wanneer, laat op de avond, de temperatuur naar een draaglijker niveau daalt, laat ik het strand voor wat het is en besluit mijn zwembroek in te wisselen voor een flaneeroutfit. Samara schijnt namelijk, zo heb ik zelfs in Moskou gehoord, in een hevige tweestrijd te zijn verwikkeld met Volgograd als het gaat om waar de mooiste vrouwen van het land wonen. Als dit geen veelbelovend vooruitzicht is?

                                          

Langs de oever van de Wolga is een kilometerslange promenade aangelegd. De plek waar op zwoele zomeravonden half Samara haar vertier vindt. Ook voor de lokale schonen is dit een uitgelezen plek om hun flaneerkunsten te vertonen. Ik koop, net als de Russen, een fles bier in een kiosk en zetel me op een bankje. Ik realiseer me dat het met mijn integratieproces bepaald de goede kant opgaat. Als ik binnenkort maar niet ophoud met glimlachen, schrik ik. Links en rechts van me schalt muziek uit luidsprekers. De lokroep van de vele openluchtbars. Voorlopig aan dovemansoren gericht. Hun tijd is nog niet aangebroken.  

Skaters. Fietsers. Jonggeliefden hand in hand. Prachtige vrouwen in met zorg geselecteerde outfits. Paris Hiltonachtige hondjes. Allemaal laten ze vol overtuiging zien wat ze in huis hebben. Ergens doet het denken aan een willekeurige boulevard in het zuiden van Europa. Toch is het anders. Daarvoor zorgt de Russische muziek vanuit de strandtenten, de rook van de geroosterde sjaslieks en de vele bierdrinkende mannen die in een slobberige joggingbroek en met ontbloot bovenlijf rondstruinen.

                                         

Zondagmiddag, de zon schijnt uitbundig door mijn ramen. Ik probeer me te concentreren op die Russische les die ik eigenlijk al gisteren had willen afronden. Het lukt maar matig. Slecht eigenlijk. Telkens kijk ik naar buiten en telkens zie ik de zon uitbundiger schijnen. Waarom krijg ik die Russische woorden en die onmogelijke grammatica niet in mijn systeem? Het lijkt wel alsof mijn hersenen weeïg zijn. Alsof er geen ruimte meer is voor woorden die niet met zomer en zon te maken hebben. Eigenlijk, zo weet ik al, is het zinloos nog langer te blijven zitten. Het Kuzminki park, letterlijk op een steenworpafstand van mijn appartement, heeft een te grote aantrekkingskracht. Daar moet ik zijn.

Ik prop een laken en een fles water in mijn rugzak, zet mijn zonnebril op en realiseer me nog net op tijd dat ik ook een studieboek kan meenemen. Misschien leer ik die woorden wel probleemloos als ik aan het water lig. Ik stap op mijn fiets en ga richting park. De hele buurt lijkt wel in rep en roer. Zoveel mensen op straat. Mannen stellen hun bovenlichaam bloot aan de zon. Niet meteen het meest aantrekkelijk aangezicht, vind ik. Vaak zijn ze niet alleen karnemelkwit door de te lange winter maar ook zijn ze opgezwollen door een te veel aan zware Russische winterkost en Russische biertjes. Maar het deert ze niet, zie ik. Velen lopen ook nu rond met een fles bier in de ene en een sigaret in de andere hand. Bovendien, ze lijken wel te glimlachen. Niet meteen een alledaags verschijnsel hier in Kuzminki. De zon verricht echt wonderen vandaag.

In het park is het van hetzelfde laken een pak. Meer mannen met ontbloot bovenlijf teisteren mijn aangezicht. Maar hier doen ook de vrouwen ijverig mee. In prachtige vooroorlogse bikini’s showen ze de rest van de mensheid hun indrukwekkende lichamen. Ik realiseer me dat van Russisch leren in dit park helemaal niets terecht zal komen. Er is hier veel te veel vertier om zelfs maar het boek uit mijn tas te halen. En ook die fles water laat ik ongemoeid. In plaats daarvan ga ik naar de kiosk en koop, als een echte Rus, een fles Baltika 3. Het topbiertje, wat mij betreft althans, van Rusland. Ik leg mij neder op mijn lakentje en spied, door mijn zonnebril, de omgeving af.

Recht voor mij staat een enorme vrouw in een kanariegele bikini voor zich uit te staren. In haar hand een sigaret waarvan ze driftig rookt. Ze lijkt wel boos. Zo woest lurkt ze aan haar sigaret. Als ze begint te schreeuwen richting het water, realiseer ik me dat ze haar zoontje bestraffend toespreekt. Die is net in het water gesprongen en om de een of andere reden keurt zij dit af. Op zich te begrijpen want aan de waterkant staan borden dat zwemmen hier verboden is. Toch, vele Russen hebben hier maling aan en liggen met hun dikke lijven triomfantelijk in het water te spartelen. Zoonlief mag echter niet en bedeesd keert hij terug naar moeders. Langs de waterkant liggen en zitten veel stelletjes. Jong verliefden zitten vooral aan elkaar terwijl de ouderen voornamelijk aan bier en sigaretten zitten. Flink wat vrouwen zonnen topless valt me op. Jammer genoeg, het lijkt wel alsof vooral de oudste en de dikste zich dit durven te veroorloven. Een echt opwindend aangezicht is het daarom bepaald niet.

Na een uurtje en twee Baltika’s heb ik het wel gezien. Genoeg zwaarlijvigheid voor vandaag. En om te voorkomen dat ikzelf te veel in die richting ga, besluit ik een rondje te fietsen door het park. Let wel, het Kuzminki park is, net als bijna alles hier in Moskou, enorm groot. En met een rondje fietsen verbruik ik, met gemak, de calorieën die ik net heb geconsumeerd.

   

Op een doordeweekse dag heb ik delen van dit park welhaast voor mezelf. Maar vandaag is dit wel anders, zo realiseer ik me al snel. Om te voorkomen dat Rusland te zeer vergrijst en dat, op de hele lange termijn, Russen zouden ophouden te bestaan, hebben de heren Poetin en Medvedev bedacht dat een kindvriendelijker beleid noodzakelijk is. Daarom worden geboortepremies toegekend voor het tweede (en volgende) kind, is de kinderbijslag verhoogd en is de duur van het ouderverlof verlengd. Hier in Kuzminki werkt dit beleid als een tierelier, zo wordt mij vanmiddag wel duidelijk. Al slalommend baan ik mij een weg langs jonge moeders, overduidelijk alweer zwanger, die hun kinderwagen of buggy voortduwen. Langs spelende  kinderen. Langs kwispelende honden waarvoor, gelet op de aantallen, ook een premie wordt uitgeloofd. Van doorfietsen kan geen sprake zijn, hiervoor is het gewoon te druk.

Dieper in het park zie ik hele gezinnen, zittend op plastic stoeltjes en aan plastic tafeltjes, verorberen ze hun zondagmiddagmaal. Als ik langsfiets, ruik ik geroosterd vlees. De Russische shaslick, weet ik uit eigen ervaring, is een fantastische manier om een zonnige zondag door te brengen. Flinke hoeveelheden vlees op de barbecue, een flesje vodka op tafel en dit met vrienden of familie consumeren. Veel beter bestaat er niet.

Na een nachtelijke treinreis kom ik vroeg in de ochtend aan in Balkhash. Een ingedut stadje aan de oever van Lake Balkhash. Eén van de grootste meren in Centraal-Azië, aanzienlijk groter, bijvoorbeeld, dan onze Randstad. Nog slaperig van het gewiebel in de trein, ietwat dizzy van de warmte en volkomen ongewis van wat mij te wachten staat, wandel ik het station uit. Een heerlijk gevoel dat mijn hart vol verwachting laat kloppen. Brede straten met aan weerszijden en in het midden rijen bomen. Het geeft een vriendelijke en aangename eerste indruk. Maar in tegenstelling tot Astana is de façade hier heel eenvoudig te doorgronden. Want onder de bomen bieden oude mannetjes en vrouwtjes hun summiere koopwaar aan. Een paar stukjes fruit of groente uit eigen tuin. Een litertje melk van eigen koe of paard. Een paar pakjes sigaretten. Oude auto’s en bussen vinden slalommend hun weg. Het is me al snel duidelijk waarom. De talrijke en diepe gaten in het wegdek zijn obstakels die zij alleen op deze wijze kunnen overwinnen. Het valt me op dat twee van de belangrijkste straten hier Lenin en Karl Marx heten. Dit geeft te denken. Net als het standbeeld van Lenin dat nog steeds op zijn voetstuk staat, midden op het centrale plein. Wellicht een subtiele verwijzing naar betere tijden? Eén van de inwoners vertelt me dat deze stad pas in 1932 is gebouwd. Onbegrijpelijk vind ik dit want elk gebouw dat ik zie, lijkt minimaal 150 jaar oud te zijn. Gefascineerd loop ik door de straten. Toegegeven, het is niet mooi. Eerder lelijk eigenlijk. Hier geen enorme kranen die allerlei futuristische gebouwen uit de grond stampen. Geen vrolijke bloemenperkjes in de nationale kleuren. Het is stoffig en kaal. Nazarbajev, de president, laat het hier schrikbarend afweten. En dat realiseert hij zichzelf opperbest. Ongetwijfeld daarom prijkt, ter compensatie, zijn foto op elke hoek van elke straat. Glimlachend met kindertjes. Met wijdse armgebaren de aandacht vestigend op weer een nieuw gebouw elders in het land. Of eenvoudigweg poserend als staatshoofd. Altijd met een glimlach, een vaderlijke blik en een ‘alles komt goed uitstraling’. Niemand hoeft zich zorgen te maken. Maar als ik rondkijk, weet ik wel beter. En met mij de bewoners. Want ik zie slechts bezorgde gezichten. Gefronste wenkbrauwen. Schuchtere blikken. Hier is geen zelfvertrouwen, geen positivisme, geen hoop, geen geloof meer. Deze stad ademt verslagenheid. Hier komt het nooit meer goed. Althans, niet onder het bewind van deze Zonnekoning.

 

Als de zon hoger en hoger aan de hemel komt te staan, wordt de lokroep van het meer sterker en sterker. Het hemelsblauwe water kan niet anders dan heerlijk zijn. Ik wil naar Akwa Co. Mijn low budget resort aan Lake Balkhash. De toegangspoort is niets dan een verzameling oud ijzer en een vervallen houten huis. Drie of vier honden blaffen om het hardst. De grootste aan een ketting, de andere drie niet. Een honderdtal meters verder liggen de huisjes, bijkans in het meer. Ik loop in die richting. Overal ligt ijzer, overal groeit onkruid. Maar met elke stap die ik zet, nader ik het koele, glinsterende water. Fantastisch! Zo mooi dat mij nauwelijks opvalt dat er een roestige boot op het strandje ligt. Als een nieuwe ark van Noach wacht het op een nieuwe zondvloed? Neen, het lijkt mij niet. Die boot is oud, lek, reeds vergaan en zal de lokale bevolking niet meer kunnen redden. Ook staat er een aftandse auto zonder wielen en interieur. Alleen het stuur zit er nog in. Ik kijk naar links en zie het hotel. Een woeste verzameling hutjes in een stoffige woestenij. Wanneer de eigenaar de deur opent van mijn hut slaat mij een muffe geur tegemoet. Een nat bankstel in de kamer? De eerste keer dit jaar dat deze deur opengaat? Motten in een oude jas? Ik stap naar binnen, probeer de geur te negeren en tegelijkertijd de goede kanten van het hutje te zien. Die zijn er weinig, moet ik eerlijk toegeven. Tot ik me omdraai en het meer, wederom, in volle glorie voor me zie. Spontaan ruik ik niets dan zoetigheid. Hoor ik slechts het zacht gezoem der bijen. Deze kamer is voor mij. Hier ga ik slapen! Voor iets meer dan 10 euro, een spotprijs, is dit mijn paleis de komende nachten. Maar nu naar het meer, daar wil ik heen! Ik haast me in mijn zwembroek en ren als een jonge hond, wild zwaaiend met al mijn ledematen, het water tegemoet. Eén stap in het water doet mij abrupt afremmen. Verdorie! Stenen! Met punten! Even snel ren ik terug. Schiet mijn slippers aan. Meteen keer ik en maak dezelfde ren. De puntige stenen deren mij niet meer. Ik voel slechts het water. Aan de ene kant van mijn lichaam zoet aan de andere kant zout. Ik loop en loop. Maar dieper wordt het niet echt. Inmiddels sta ik minimaal vijftig meter van de kant maar nog steeds is mijn zwembroek niet nat. Het lijkt er sterk op dat ik, als ik wil zwemmen, ook kniebeschermers zal moeten dragen.

Een bezoek aan België zonder uitgebreid gesnoept te hebben van de fantastische bieren die hier worden gebrouwen? Het kan natuurlijk maar feitelijk mag je bij thuiskomst dan niet verklaren echt in België te zijn geweest! Alleen, hoe je weg te vinden in het onvoorstelbare aanbod en hoe te voorkomen dat telkens dat al enigszins bekende Duveltje wordt besteld. Daarom, onderstaand een opsomming van biergerelateerde activiteiten in Brussel en een zeer ambitieuze poging de beste Belgische bieren te benoemen. Eerlijk gezegd, bij dit laatste speelt mijn persoonlijke voorkeur een belangrijke rol.

Een bezoek aan het Museum van de Belgische Brouwers is een eenvoudige eerste stap in de wondere wereld van het Belgische bier. Dit museum is namelijk gelegen aan de Grote Markt van Brussel. En omdat de Grote Markt van Brussel toch wel tot de mooiste pleinen van Europa mag worden gerekend zal iedere toerist deze vroeger of later gaan aanschouwen.

Eens per jaar, in het vroege najaar, vindt het Bierweekend plaats. Kleine, middelgrote en grote Belgische brouwerijen stellen er hun meest uitgelezen bieren voor. De toegang is gratis en de prijzen van het bier democratisch. Iedere overtuigde (en minder overtuigde) bierliefhebber kan hier iets nieuws proeven of gezellig een praatje maken met de maker van het favoriete biertje. Mocht het Belgische weer tijdens dit weekend enigszins meewerken dan is de kans niet onaanzienlijk dat u de vele terrassen op de Grote Markt niet zult verlaten.

Het Schaarbeeks Biermuseum heeft een verzameling van 1000 bierflessen, 800 bierglazen, oude reclameborden en –affiches. Als klap op de vuurpijl is bij de entreeprijs (slechts 3 euro) een glas ‘la schaerbeekoise’ inbegrepen. Een abdijbier dat uitsluitend voor dit museum wordt gebrouwen. (Adres: Louis Bertrandlaan 33-35, Brussel.)

In het Brussels Museum van de Geuze (Cantillon) lijkt de tijd te hebben stilgestaan. Fruitbieren als kriek en geuze worden hier nog steeds op eenzelfde wijze gebrouwen als destijds in 1900 toen deze brouwerij haar deuren opende. Het onthaal is bijkans familiaal en de brouwersactiviteiten in volle gang. En de praatgrage opperbrouwer vertelt en informeert maar wat graag over de speciale bieren die hier worden gebrouwen. Vanzelfsprekend, proeven van de bieren is inbegrepen bij de prijs zodat u uiteindelijk zelf kunt oordelen over de smaak van de kriek en de geuze. (Adres: Gheudestraat 56, Brussel.)

Cafés

Omdat de musea slechts beperkt geopend zijn, in de avonden al helemaal geen mogelijkheid kennen een biertje te degusteren en bovenal een zeer beperkte variatie in aanbod kennen onderstaand enkele topcafés in Brussel als het gaat om diversiteit en keuze.

Delirium Café (Rue de la Fidélité). De menukaart alhier is dikker dan de bijbel. Logisch ook want hier worden meer dan 2000 Belgische en internationale bieren geschonken! Op een fikse steenworp afstand van de Grote Markt en onder het toeziend oog van Janneken Pis, de vrouwelijke variant van Manneken, is dit het biercafé van Brussel. Vooral voor een jeugdig publiek overigens.

A la Mort Subite (Warmoesberg 7). Reeds sinds 1910 een café-restaurant en daardoor een echt Brussels instituut met een typisch, goed bewaard interieur dat volledig de sfeer oproept van het Belle Epoque. De kriek, de geuze, de lambik en de faro zijn van eigen makelij en kennen een hele schare liefhebbers die met grote regelmaat van dit vocht komen drinken. Er kan een pak volk naar binnen maar geregeld is het toch zoeken naar een plaats. Slechts enkele kelners, van wie sommigen even oud lijken te zijn als het café, werken op zeldzaam efficiënte wijze alle bestellingen af zodat de wachttijd, zeker voor Brusselse begrippen, bepaald beperkt is.

Biercircus (metro Madou). Naast de concertzaal van het Koninklijk Circus ligt een ander circus: Het Biercircus. Ongeveer tweehonderd verschillende Belgische bieren sieren de kaart, waaronder zes trappisten, bio-bieren en, uiteraard, de lambiek, geuze en kriek. Uniek in Brussel is de Chimay van de tap.

En dan zijn er natuurlijk honderden cafés op en rond de Grote Markt. En allemaal schenken ze talrijke soorten bier. Wees gewoon wat avontuurlijk en laat die Jupiler, Stella Artois, Leffe of Duvel eens links liggen.

Bierwinkels

Wie kleine brouwerijen en onbekende bieren wil laten kennen kan bij Délices & Caprices (Beenhouwersstraat 68)een bierdegustatie boeken. In kleine glaasjes worden verschillende, onbekende bieren aangeboden. Tegelijkertijd vertelt de eigenaar (een Zwitser overigens) over de brouwerijen, de geschiedenis, de glazen en de mensen die er werken. Tijdens de degustatie worden ook kazen en patés aangeboden. Alle bieren zijn, uiteraard, ook te koop. Vaak nogal prijzig maar altijd bijzonder.

In De Biertempel (Grasmarkt 55b) werden oorspronkelijk ongeveer 200 biersoorten verkocht maar inmiddels is het aanbod uitgegroeid tot meer dan 600 verschillende soorten. Vele daarvan zijn zeldzaam, vreemd, bijzonder en apart. De bieren worden in vele soorten en maten aangeboden, vooral afhankelijk van de vorm van de fles. Tevens is voor bijna alle biersoorten ook een gepast glas voorhanden.

En dan, heel subjectief, de beste bieren…

Westvleteren. In 2007 gekozen tot beste bier van de wereld en daarom met stip op 1. Helaas, zo goed als onmogelijk te vinden in Brussel. Voor de echte liefhebber, zie de website: http://www.sintsixtus.be. Hier is ook meteen het antwoord op de vraag te vinden waarom dit bier zo moeilijk te verkrijgen is in Brussel.

Rochefort 10. Euforisch genot. Vooral aan het einde van een lange wandeldag, terwijl de honger knaagt. Maar wees voorzichtig, meer dan 1 kan de euforie doen omslaan in algehele ellende.

Westmalle Triple. Tamelijk standaard wellicht maar de smaak is en blijft fantastisch.

Kwak. Een Kwak drinken uit een origineel Kwakglas is al zo apart dat het de keus rechtvaardigt. En met de aangename smaak als bonus een prima keuze.

Kriek Lindemans. Zeer vrouwvriendelijke smaak. Dankzij dit bier is het ook mogelijk uren op terrassen en in cafés rond te hangen met de vrouwelijke wederhelft.

 

Het klimaat van Brussel? Vochtig, nat, waterig zonnetje, afwisselend warm en koud. Een middag of een zomeravond op een Brussels terras is en blijft een grillig avontuur. En ook het jaar 2012 is hierop bepaald geen uitzondering. Wederom lijken de weergoden niet op de hand te zijn van de uitbaters van de Brusselse terrassen. Regenen doet het misschien niet meteen veel meer, maar het regent toch vooral op momenten dat de zon zou moeten schijnen. Dus is het hopen op een zonnestraal. Is het zoeken naar een overdekt terras. En is het vooral een kwestie van de regen negeren en doen alsof. Maar wie weet, misschien slaat het weer binnenkort definitief om? Daarom, wellicht tegen beter weten in, mijn persoonlijke topterrassen van Brussel.

Brasserie Plattesteen (op de hoek van Rue Marché au Charbon en Plattesteen en daarmee op steenworpafstand van de Grote Markt) biedt alles wat een terrasliefhebber zich wenst. Geen hoge gebouwen rondom zodat de eventuele zon haar aanbidders altijd kan voeden met haar energie. Daarnaast behoren de vele passanten en de clientèle van de bars rondom, zonder twijfel, tot de meest excentrieke exemplaren in Brussel. Bovendien, de keuken biedt degelijk Belgisch voedsel en de Belgische biertjes zijn talrijk en zeer betaalbaar.

De markt op woensdag op het Kasteleinsplein is een prachtig excuus voor een aansluitend openluchtdiner of een borrel op één van de terrassen. Wandel door de Louizalaan, de chiquere winkelstraat van Brussel, en sla na verloop van tijd rechtsaf. Alras ontwaart u de drukte van de markt en vullen heerlijke geuren uw neus. Duidelijker indicatoren voor de woensdagmarkt op het Kasteleinsplein zijn er niet. Het is een walhalla voor de liefhebber van ietwat exclusief voedsel (inclusief de echte zoute haringen, een zeldzaamheid in Brussel). En dus komen ze massaal, de Bourgondische Belgen, naar deze markt. Schuifel in alle rust langs de kraampjes, probeer de ter plaatse klaargemaakte heerlijkheden en combineer deze met een glas wijn. Treur vooral niet als er geen zitplaats is, maar geniet eenvoudigweg staand van dit alles. U zult zien, er zijn velen die hetzelfde doen. Vooral in de zomer is het hier dolle pret en komen groepen collega’s en vrienden als vliegen op deze stroop af. Het moet wel heel raar lopen wilt u niet het afbreken van de kraampjes van nabij aanschouwen, de avond zien vallen en nogmaals de gang naar de tap maken voor nog meer biertjes.

Terug in het centrum mijdt u natuurlijk nog steeds de veel te dure terrassen op de Grote Markt. In plaats daarvan vindt u een prima plek op het Sint Goriksplein (place Saint-Géry). Ooit, lang geleden, werd hier een kippenmarkt gehouden. Maar de kippen zijn al decennialang vervangen door hordes Brusselaars die, op zomerse dagen, inderdaad als kippen in een legbatterij opeen zitten op de vele terrassen. In de markthallen alhier vindt u exposities over hoe het leven in vroeger tijden in deze contreien was. En mocht u eens willen stappen in Brussel, begin dan vooral op dit plein. Vanaf hier is het nooit verder dan vijftig meter naar een restaurant, bar, café, discotheek of club.

Het Luxemburgplein (metro Troon) is vooral op donderdagavond een gewilde plek voor de Europese ambtenaren om de niet al te zuur verdiende euro’s om te zetten in biertjes en wijntjes. Het schijnt dat hier heel wat wetten, richtlijnen en afspraken zijn bekokstoofd of juist afgeserveerd. En daarnaast is het één van de grootste outdoor dating places in Brussel.

Flageyplein (halverwege Louizalaan linksaf), jarenlang een bouwput omdat de plannen hier een ondergrondse parkeergarage te bouwen voortdurend gefrustreerd werden door tegenwerkende natuurkrachten. Maar uiteindelijk is de natuur natuurlijk kansloos en wint de mens. En dus zijn de draaiende betonmolens, kranen en zandauto’s verdwenen en vervangen door bankjes, boompjes, een enorme stenenzee, één van de beste frietkotten van Brussel en terrassen. Met afstand het beroemdste is Café Belga, een begrip in Brussel en wijde omgeving. Op zich eigenlijk een huis, tuin en keuken café maar door de aanloop van zovelen is er altijd wel iets te zien en te beleven.

Ten slotte een niet onbelangrijke tip. Drink nooit hetzelfde biertje in Belgie. Daarvoor zijn er te veel verschillende!

 

Links van me zit een mannetje gay video’s te bekijken. Met open mond en volkomen gefascineerd. Hij is zich niet meer bewust van zijn niet-virtuele omgeving. Rechts van me een jongetje dat extreem gewelddadige videospelletjes speelt. Bijzonder fanatiek bovendien. Bij voortduring moedigt hij zichzelf aan. Tussendoor een ingetogen vreugde juichend bij het neerhalen van weer een virtuele tegenstander. Moderne tijden in een nieuwe stad. Het past inderdaad probleemloos. Na bijna twee dagen in Astana, de nieuwe hoofdstad van Kazachstan, heb ik althans de façade van moderniteit, rijkdom en welvaart nog niet kunnen doorbreken.

         

Vanaf het Bayterek monument, een 105-meter hoge weergave van de wereldvoetbalbeker, is het uitzicht als in een golfstaat. Een Kaspisch Qatar. Waar ik ook kijk; links, rechts, voor en achter, overal staan allerlei futuristische en hippe gebouwen. Het nationaal archief in de vorm van een enorm ei. Een luxueus hotel met een dak van een Chinese tempel. Een hagelwitte moskee die niet of nauwelijks gebruikt lijkt te worden. Een enorme yurt die dienst doet als overdekt winkelcentrum. En tussendoor overal bloemen in prachtig geel, rood en oranje. Of enorme hijskranen die op de open plekken bouwen aan meer nieuwigheden.

Nog in 1997 was Astana een slaperig stadje in het absolute niemandsland. En nog steeds, noord, oost, zuid of west, welke kant een inwoner van deze stad ook op wil, altijd is het naar nergens. Daarbij, het klimaat alhier is bepaald vijandig. In de zomers is het heet, ook vandaag is het ruim boven de 30 graden. De winters zijn berucht koud met temperaturen tot minus 40 en fikse winden die vanaf de vlakke steppe komen aanwaaien. Het is bikkelen. In elk jaargetijde! Toch besloot Nazarbajev, de president van Kazachstan, in 1997 dat Astana de hoofdstad van het land moest worden. Argumenten? Almaty, de oude hoofdstad, zou te ver verwijderd zijn van Rusland. Astana en omgeving zou te weinig Kazach zijn. En Almaty zou in een te aardbevingsgevoelig gebied liggen. Eerlijk gezegd, ik denk dat dit slechts voorwendsels waren. Mijn onderbuikgevoel zegt mij dat Nazarbajev hoe dan ook een stad wilde creëren ter meerdere eer en glorie van hemzelf. Naar goed Centraal-Aziatisch gebruik. Per slot van rekening, zijn buurman in Turkmenistan had hem laten zien hoe absolute macht te laten samengaan met algehele pronkzucht.

Zo kwam dus een eind aan het hoofdstedelijke bestaan van Almaty. De stad met verreweg de meeste wereldse allure in Centraal-Azië. Van Nazarbajev moesten alle overheidsdiensten meteen maar verhuizen. Naar tijdelijke kantoorpanden in het oude, slaperige gedeelte van Astana. Onderwijl legde hij contacten met beroemde architecten en begon het bouwen aan de nieuwe stad. Een langdurig proces want van niets iets maken in deze steppe kost tijd, moeite en een boel geld. Maar niets kon hem weerhouden. Het nieuwe Astana zat al in zijn systeem en daarmee was het slechts een kwestie van tijd alvorens dit gerealiseerd zou zijn.

En ik moet toegeven, het is fascinerend te zien hoe een complete nieuwe stad uit de grond wordt gestampt. Evengoed, de protserige smaak vol extremiteiten kan niemand onberoerd laten. Niet iedereen zal het kunnen waarderen maar ik vind het klasse en stijl hebben. Tegelijkertijd vraag ik me sterk af of dit soort dikdoenerij de juiste manier is een minder ontwikkeld land als Kazachstan voort te stuwen in de vaart der volkeren. Ik meen, bescheiden als mijn mening is, van niet.

Terwijl ik uitkijk vertelt de gids in het rode rokje en het witte bloesje mij honderduit. Ze lijkt heel trots te zijn op alles wat hier gebeurt. Toch is haar façade veel minder moeilijk te doorgronden. Want als ik haar vraag wat ze van al deze bouwwerken vindt, wendt ze besmuikt het hoofd. Staande op het plateau van het Bayterek monument, op precies 97 meter (geen toeval) hoogte, wijst ze me op de handafdruk van Nazarbajev. Elke bezoeker kan zijn of haar hand in die van Nazarbajev leggen en een wens doen. Ze glimlacht naar me en schudt haar wijze hoofd. Zijn eigen fabeltjes mag hij dan geloven. Al zijn onderdanen weten wel beter.

In de yurt die ik vanaf het monument heb zien liggen is de sfeer welhaast als in een Amerikaanse mall. Winkelplezier, amusement, restaurants en bars zijn hier allemaal te vinden. Vooral het subtropische zwemparadijs op de bovenste verdieping spreekt tot de verbeelding. De temperatuur is hier altijd tropisch, zowel in de zomer als in de winter. Het is een dorp op zich in deze nieuwe wereldstad. Geniaal bedacht door de architect, die tegenstelling tussen yurt en moderniteit. Ook Nazarbajev schijnt dit te vinden. Want op het moment dat ik dit luxedorp verlaat, stapt hij, omringd door een tiental bodyguards, net naar binnen! Gul glimlachend en royaal zwaaiend naar mij en naar de rest van de mensheid.