Posts Tagged ‘Kenya’

Waarom, in godesnaam, moet ik mijzelf altijd zo tuchtigen? Waarom luister ik altijd maar weer naar dat krankjorume sadomasochistische stemmetje in mijn hoofd? Ik weet inmiddels toch wel dat mijn ouder wordend lichaam niet meer in staat is zulke extreme inspanningen te leveren? Toch, ik ga door en ik blijf die ene moeizame stap na die andere zetten. Langzaam en bepaald niet zeker ben ik op weg naar de top van Mount Kenya. Mijn benen schreeuwen om rust, mijn voeten hebben gisteren al hun roepen gestaakt en de ijle lucht doet mij bij voortduring happen naar adem.

   

De derde dag van de beklimming is een half uur geleden begonnen. Een half uur! Het verhaal van gisteren van mijn gids dreunt als een mantra in mijn hoofd: vier uur steil omhoog tot 5000 meter en vervolgens een uurtje of zeven dalen. ‘A hell of a hiking job’ noemde hij het, maar wel één met een geweldige beloning: het bereiken van de top van de op één na hoogste berg van Afrika en het bijbehorende grandioze uitzicht.

En zoals wel vaker bij bergtoppen is dit uitzicht het grandioost bij zonsopgang. Vandaar ook dat ik al sinds drie uur vannacht mijn eerste stappen richting top zet. In het pikkedonker natuurlijk. Ik zie werkelijk helemaal niets en het enige geluid dat ik hoor, is dat van mijn voetstappen. Af en toe zegt mijn gids iets, al heb ik geen idee wat. Iets opbeurends neem ik aan? Wat kan het anders zijn? Als antwoord glimlach ik mijn flauwste glimlach onderwijl mezelf, mijn gids en die hele hoge berg vervloekend. Nog drie uur en duizenden voetstappen te gaan.

Het is bitterkoud op deze hoogte. Regen, ijzel en sneeuw wisselen elkaar regelmatig af. De wind buldert en teistert mijn gezicht. Ik krijg visioenen van de Zuidpool terwijl ik op steenworpafstand van de evenaar loop. Zorgelijk kijk ik naar de donkere hemel. Geen sterren! Gisteravond was de hemel nog één grote sterrenzee, maar nu, niets. Helemaal niets! Het zal mij toch niet gebeuren dat ik, na een inspanning als deze, niet beloond word met dat beloofde uitzicht? Eén enkel ogenblik maak ik mij hier druk over. Precies lang genoeg om uit te glijden over één van die spiegelgladde stenen. In een reflex zoek ik houvast maar ik vind niets. Logisch ook want ik graai in het luchtledige. Een schreeuw, een val, pijn in mijn knie, een vloek. En dit alles binnen één seconde. Ik sta, de pijn verbijtend, meteen weer op. Als mijn gids bezorgd naar mijn toestand vraagt, produceer ik slechts een nog flauwere glimlach dan voorheen. Nee, echt goed voel ik me niet. Maar tegelijkertijd weet ik wel dat niets of niemand mij deze berg gaat ontnemen. Vandaag zal ik, hoe dan ook, op die top staan.

En verder ga ik. Weliswaar met benen die trachten een eigen leven te leiden. Maar dankzij mijn hernieuwde geestdrift en energie slaag ik er wel in ze de juiste richting op te krijgen. Ik zoek een ritme, een cadans. Tel mijn stappen. Begin het Wilhelmus te zingen. Tel tot tien in het Russisch, telkens weer. Bereken hoeveel centimeter ik per voetstap stijg. Afleiding is wat ik nodig heb. Naar de hemel kijk ik niet meer, die les heb ik wel geleerd. Alleen als we stilstaan, kijk ik even omhoog. Nog steeds niets dan duisternis.

Zo verstrijkt de tijd en wordt de nacht heel langzaam dag. En wat ik natuurlijk allang wist, kan ik nu ook echt zien. Het is bewolkt, zwaar bewolkt. Geen streepje blauwe lucht, alleen maar sombere, grijze wolken die bij voortduring neerslag produceren. Ik realiseer me dat een godswonder nodig is om mij een riant uitzicht te bezorgen. Ik ben nog maar een half uurtje stappen van de top verwijderd en zo’n wolkendek laat zich in zo’n korte tijd niet verdrijven.

Mijn gids, de positieveling, ziet het allemaal anders. Zijn nieuwste mantra is dat het weer hier in de bergen ieder moment van de dag razendsnel kan omslaan. Natuurlijk, ik weet dat hij, in theorie, de waarheid verkondigt. Ik wil hem dan ook maar wat graag geloven. Elke strohalm op dit vlak grijp ik met beide handen aan. Alleen, zijn ogen vertellen een heel ander verhaal.

Hoe dichter we bij de top komen, hoe meer energie ik lijk te ontwikkelen. Ik word blij, opgewekt en verrukt. Mijn benen gaan opeens als vanzelf, zo lijkt het. Mijn knie is als bij toverslag pijnvrij, zo voelt het. De wolken laten mij eenvoudigweg onberoerd. Wat kan mij dat uitzicht ook schelen. Het gaat toch om die top. Deze berg bedwingen in zulke weersomstandigheden is veel meer waard dan welk uitzicht ook. Nog weinige minuten te gaan en ik sta vijfduizend meter boven zeeniveau!

En dan, na nog een laatste bocht naar rechts, ben ik op de top. Ik kijk om me heen. Het uitzicht is maximaal twintig meter. De snoeiharde wind laat zelfs de ijzeren Keniaanse vlag, hier op de top, wapperen. Maar het laat mij allemaal koud, volkomen koud. Het zoet der overwinning op mijn tong doet mij slechts schreeuwen van vreugde.

       

Advertisements

Zwaar bevooroordeeld en bepaald niet zorgeloos land ik op het vliegveld van Nairobi. Mijn reisgids heeft mij zojuist geïnformeerd dat Nairobi, nog voor Johannesburg en Lagos, als gevaarlijkste stad in Afrika mag worden beschouwd. De bijnaam Nairobbery, vanwege de vele overvallen, soms gepaard gaande met bruut geweld, schijnt dan ook meer dan verdiend te zijn. Wel maakt mijn reisgids de kanttekening dat veel van dit geweld zich afspeelt in de sloppenwijken, doorgaans plaatsen waar de toerist weinig komt.

Toch besluit ik, eenmaal het vliegveld achter me gelaten, geen taxi naar het centrum te nemen maar een lokale bus. Het aangename zonnetje en de landerige sfeer hier buiten maken namelijk dat ik me spontaan een stuk relaxter voel. Bovendien, een taxi kost tegen de 15 euro terwijl een ticket voor de bus niet meer dan 40 eurocent doet. En op klaarlichte dag door een woest bewapende Keniaan uit een overvolle bus worden getrokken, dat zal toch niet meteen gebeuren?

En de keus is vanaf het allereerste begin gerechtvaardigd. Ik hobbel wat over slechte wegen en binnen luttele minuten meen ik, nota bene, drie giraffes te zien. Ik kan mijn ogen niet geloven en denk eerst nog dat de Keniaanse autoriteiten houten giraffes hebben geplaatst om de net gelande toeristen aan te sporen vooral op safari te gaan. Maar als ik ze zie bewegen, kan deze theorie overboord. Later begrijp ik dat het Nairobi National Park bij het vliegveld ligt en dat het dus mogelijk is de ‘big five’ te zien met op de achtergrond de hoogbouw van Nairobi.

      

En zo tuf ik in een heel rustig tempo de buitenwijken van Nairobi binnen. Enorme markten in de openlucht rijgen zich aaneen. Overal waar nog iets van ruimte is, wordt deze opgevuld door koopwaar. Van groente en fruit tot hout, autobanden, gereedschap, oude auto’s, kleding, meubels en ga zo maar door. De chaos heerst al levert het zware strijd met de viezigheid en de smerigheid. Ik realiseer me dat dit, vermoedelijk, de sloppenwijken zijn waar elke bus of auto kan worden stilgezet en de passagiers kunnen worden ontdaan van al hun bezittingen. Maar nog steeds kan ik mij hierover niet heel druk maken. Sterker nog, ik vermaak me prima en begin me meer en meer thuis te voelen. Deze stad leeft, bruist, overheerst en eist alle energie op die ik in mij heb. Ook de nog steeds toenemende drukte, bij het naderen van het centrum, voelt prettig aan. De straten slibben dichter en dichter en iedere weggebruiker levert een continu gevecht om vooruit te kunnen komen. Vooral de matatu’s (minibussen) met hun schreeuwend uiterlijk vallen op. Indiase filmsterren of draakachtigen in felle kleuren sieren de zijkanten, op de achterruit pronkt een embleem van Barcelona of Manchester United en links, rechts, voor en achter staan spreuken als: ‘In God we trust’, ‘Jesus is our Savior’en ‘Yes, we can’.

     

Druk of niet druk, ik bereik het centrum van de stad en wandel op eigen houtje verder door Moi Avenue, één van de belangrijke verkeersaders van centraal Nairobi. Moi Avenue bulkt van de winkels en de restaurants. Kip en friet lijken een flinke hit want elk tweede restaurant biedt deze culinaire lekkernij aan. Ook Engelse, of in ieder geval gelijkende, pubs zijn talrijk. En de gospelmuziek ligt letterlijk en figuurlijk op straat. Het lijkt wel alsof iedere inwoner van Nairobi zwaar gelovig, of in ieder geval verslaafd aan de gospel, is. Terloops vraag ik me wel af hoe dit te rijmen valt met de ongehoorde criminaliteit hier. Onder het mom van, alles kan want de Heere is toch barmhartig?

En overal hoor en zie ik Engels, hoe comfortabel en plezierig. Kiosken vol Engelstalige kranten brengen me op de hoogte van het laatste nieuws (uiteraard slechts drama) terwijl ik met enige regelmaat wordt aangesproken door een behoeftige Keniaan. Vanzelfsprekend, bijna iedereen wil gewoon iets verkopen, vooral safari’s zijn populair, of bedelt om één of meer shillings. Maar ik versta ze moeiteloos en even belangrijk, een duidelijk nee van mijn kant, heeft effect!

Vooruit, ik wacht de nacht af maar voorlopig is weer eens bevestigd dat luisteren naar vooroordelen niet aan te raden is!