Posts Tagged ‘Reizen’

Transsylvanië, ik associeer jou met Dracula, met huilende wolven en met kastelen. Ik verbeeld me dat ik op elke hoek van elke straat oog in oog kan komen te staan met bruine beren. Dat ik bij voortduring wagens, voortgetrokken door paarden, aan mij voorbij kan zien trekken. Transsylvanië, ik ken je niet maar toch weet ik veel van je. Dankzij Bram. Bram Stoker. Vanwege Bram geloof ik dat het hier in de herfst en in de winter akelig toeven is. Geloof ik oprecht dat dichte mist de zon verhindert uitbundig te schijnen. Dat stormachtige wind de bomen doet kreunen. Dat ’s nachts de mist optrekt, de wind gaat liggen en de maan een spookachtig schijnsel over de Transsylvanische heuvels doet schijnen. Dat het vooral dan sterk is af te raden buiten te zijn.

Transsylvanië, je werkelijkheid is zo anders. Ik associeer je met vriendelijkheid, met vrolijkheid, met kleuren en met schoonheid.  Ik verbeeld me dat ik rondloop in De Efteling, ben verdwaald in een sprookje van de gebroeders Grimm. Transsylvanië, ik geloof niet meer wat Bram mij probeerde te vertellen. Want hoe hard de wind ook waait of hoe dicht de mist ook is, jouw pracht is altijd zichtbaar.

Al dagen loop ik hier rond. Vaak in je hoofdstad Cluj-Napoca, maar evengoed in een Hongaars dorp ergens in de heuvels, onder de grond in een zoutmijn of in een sprookjeskasteel in Sighisoara. Ik drink prachtige Roemeense wijnen op zonovergoten terrassen. Hap van heerlijk zoete Roemeense desserts. Verbaas me over de fraai gekleurde huizen en huisjes her en der in het landschap.

Maar niets overtreft, of komt zelfs maar in de buurt, van die allereerste indruk. Bij het verlaten van het vliegveld. Daar zag ik haar. Haar ogen zijn hartstochtelijk en zo bruin als de allerbeste chocola. Subliem vermomd is ze in een prachtig gele jurk. Haar huid, heerlijk bruin gekleurd, doet mij denken aan Mesopotamië. Haar glimlach, speciaal voor mij, is zo warm en haar tanden zo wit. Als ware ik Dracula zelf reik ik spontaan naar haar nek. Probeer haar te zoenen op haar wangen. Maar resoluut stapt ze terug en waarschuwt me vurig met de woorden: ‘do not touch me’. Enigszins verbouwereerd kijk ik haar aan. Ze klinkt zo gedecideerd. Alsof mijn aanraking erger is dan een beet van Dracula zelf. Tegelijkertijd, het maakt me eigenlijk niets uit. Haar geur en haar aanblik doen mij al verheugd zijn. Dat aanraken, dat komt later wel. Desnoods wacht ik vier maanden.

Nu, na uren met haar te hebben gepraat, begrijp ik haar allereerste woorden. Ergens, verscholen achter haar pracht, ontdek ik een muur. Door haar zelf gebouwd. Ter bescherming van opdringerigheid, onechtheid en oppervlakkigheid. En ook, en misschien vooral, ter bescherming van haarzelf. In eerste instantie vond ik dit jammer. Want hoe graag was ik over die muur gesprongen. Maar nu realiseer ik me dat zij hierdoor alleen maar trotser, sterker, mooier en slimmer wordt.

Toch Dracula girl, ik wil dat je weet dat ik je mijn nek bied. Bijt me alsjeblieft. En sta me toe, je terug te bijten.

Advertisements

Een uurtje zit ik hier op een bankje, nabij de kathedraal, en ik heb al minstens tien jonge bruiden voorbij zien komen. Sommigen gekleed in prachtige bruidsjurken. Anderen in iets minder geslaagde exemplaren. Maar altijd met aan hun zijde bruidegommen in glimmende pakken. De mannelijke trouwmode deze zomer, zo lijkt het. Eerlijk gezegd, het idee dat in Rusland louter mooie vrouwen wonen, wordt hier vandaag niet bevestigd. Toegegeven, af en toe vraag ik me af waarom de bruid haar oog heeft laten vallen op die slungelige Rus met zijn pokdalig gezicht. Maar even vaak realiseer ik me dat zij haar handen mag dichtknijpen met die knakker aan haar zijde.

Het bruidspaar wordt immer gevolgd door meer mannen in meer glimmende pakken. En door meer vrouwen in hippe of minder hippe jurkjes. En op hoge en nog hogere hakjes. De mannen roken vooral. Ontkurken flessen champagne. Vullen meegebrachte plastic glazen. En offreren ze, met schalkse blikken, aan de dames. Dat van een bruiloft een andere bruiloft komt, is ongetwijfeld ook de Russische realiteit. De vrouwen kijken vooral blij verheugd de wereld in. Blij omdat hun vriendin er toch nog in is geslaagd die man van haar dromen definitief de hare te maken. Blij ook wellicht omdat er schalks naar ze gekeken wordt.

Terwijl de genodigden drinken, roken en flirten, worden de bruidsparen gedwongen te poseren voor de camera van de immer aanwezige fotograaf. Breed glimlachend staan ze voor het mausoleum van Immanuel Kant. In een bloemenperk. Achter een boom. Liggen ze uitgestrekt op een grasveld. Streng geeft de fotograaf opdrachten. Vooral aan de bruidegom, valt me op. Alsof hij nu al moeite heeft zijn plichten te vervullen. Des te langer de fotosessie duurt, des te minder spontaan de glimlach is. Vooral van de bruidegom, valt me op.

Love locks      

Het sluitstuk van de ceremonie is het bevestigen van een hangslot op de Honey bridge. De oudste van alle bruggen hier in Kaliningrad. Het zijn er inmiddels honderden. Sasha is met Elena. Boris doet het met Olga. Sommige zijn beschilderd met hartjes of helemaal roze. Onder luid gejoel van de genodigden kiepert het nieuwbakken echtpaar de sleutel in de rivier. Ten teken van de eeuwigdurende verbintenis.

Als ik later op een zonovergoten terras aan de oever van de Pregolya rivier zit, maken de jonggeliefden plaats voor jonge moeders met jonge kindertjes. Velen schuiven een kinderwagen van Russische makelij voor zich uit. Anderen lopen hand in hand voorbij met zoon- of dochterlief. Ook zij schrijden in hippe of minder hippe jurkjes, op hoge of nog hogere hakjes aan mij voorbij. Er is niets veranderd, zo lijkt het. Plotseling realiseer ik me dat de bruidegom van weleer in geen velden of wegen te bekennen is. Is de liefde van vroeger inmiddels bekoeld? Is de verbintenis voor het leven al verbroken? Of heeft vaderlief intussen andere en meer interessantere bezigheden?

 

Vanaf het zuidstation is het misschien een kwartiertje wandelen naar het centrum van Kaliningrad. Een peulenschil natuurlijk. Op de plattegrond van Kaliningrad zie ik bovendien dat het voornamelijk rechtdoor is. Door de Leninstraat.  Van de weg kwijt raken of verdwalen kan dan ook geen sprake zijn.

Maar mijn wandelplan schuif ik spontaan opzij wanneer ik op het stationsplein een tram ontwaar. Eenzaam wachtend op passagiers. Het lijkt wel alsof iemand de tram hier achteloos heeft neergekwakt. Alsof een woedende storm haar heeft opgetild en haar hier heeft neergesmeten. Maar wanneer ik dichterbij ben, merk ik op dat er wel degelijk tramrails liggen. Bovendien lees ik op een aan de tram bevestigd bordje dat tram 3 via het centrum naar haar bestemming rijdt.

Image

Er zit nog niemand in de tram wanneer ik instap. Behalve dan de chauffeur en de conducteur. Opvallend trouwens dat bijna alle tramchauffeurs in Rusland chauffeuses zijn. En conducteurs bijna altijd conductrices. In metro of taxi, bijvoorbeeld, is dit eigenlijk bijna nooit het geval. Leuk aan chauffeuses is toch wel dat ze hun best doen de tram een wat huiselijker aanzien te geven. Deze dame van dienst heeft bijvoorbeeld wat foto’s van haar kinderen (of kleinkinderen) in haar chauffeurshokje geplaatst. Samen met een boeket kunstbloemen. Het maakt de onthutsend oude en gammele tram in ieder geval een stukje fleuriger. De conductrice, gekleed in een outfit die qua ouderdom wedijvert met die van de tram, draagt hier ook aan flink aan bij. Met haar rood, roze, oranje gekleurde haren. Is dit een voorwaarde om te worden aangenomen als conductrice? Op haar eigen zitplaats, waar niemand van de passagiers ooit zal plaatsnemen, leest ze rustig een boek. Een Russische boeketreeks gelet op de voorkant.

Mijn binnenkomst maakt dat ze enigszins verstoord opkijkt. Verdwenen is haar droomwereld van Russische prinsen en witte paarden. In plaats hiervan knikt ze me vriendelijk toe. Ik knik vriendelijk terug en ga zitten. Half en half verwachtend een poos te moeten wachten alvorens we zullen vertrekken. Maar niets is minder waar. Binnen een minuut sluit de chauffeuse de deuren. Meteen stapt de conductrice op me af. Zonder een woord te zeggen, wacht ze op haar geld. Maar omdat ik nieuw ben in Kaliningrad en ik nergens een ritprijs aangeduid zie, kijk ik haar vragend aan. Vijftien roebel antwoordt ze op mijn blik. Zelfs met iets van een glimlach merk ik op. Ik glimlach terug. Slechts veertig eurocentjes. Voor een heus tramavontuur.

Knarsend, schokkend en met een slakkengang zijn we op weg. Veel sneller dan de wandelaar op het trottoir gaan we niet. Althans, na vijf minuten zie ik hem nog steeds naast de tram lopen. De tramrails, nog ouder dan de tram zelf, zijn zo versleten, krom en moeilijk berijdbaar dat van hoge snelheden echt geen sprake kan zijn. Ik denk zelfs dat de tram dan ogenblikkelijk zal ontsporen. En dus rijdt de chauffeuse uiterst behoedzaam verder. Af en toe staat een auto hinderlijk op de rails. Te wachten voor een stoplicht. Of anderszins. Een schril belletje, dat vooral irritatie uitspreekt, klinkt dan waarschuwend. Want hoe traag we ook mogen rijden, ook hier heeft de tram altijd voorrang.

En zo kruipen we voort. Nog steeds met slechts 1 passagier aan boord. Tot we plotseling helemaal stilstaan. Ergens midden op de weg. Zal het dan nu al gebeurd zijn? Een ontsporing? Maar nee, het blijkt een halte. Op het trottoir staan enkele passagiers. De auto’s stoppen gedwee en laten de dames, want het zijn alleen maar dames, voorgaan. Bepakt en bezakt beklimmen ze zwoegend en puffend de treden van de tram. Ze zweten van de inspanning. Verbaasd merk ik op dat ze identiek gekleed zijn aan de conductrice. Gebreid truitje, aftands rokje, korte witte sokjes en iets van zomerschoenen. Alleen het rood, roze, oranje haar ontbreekt. Dat voorrecht is vermoedelijk voorbehouden aan de conductrice. De meesten laten trots hun abonnement zien. Ten teken dat de conductrice niet op hun geld hoeft te rekenen. Zij hebben al betaald.

De chauffeuse van de tegemoetkomende tram heeft pech. Dikke pech. Staand voor haar tram, prikt ze met een stok verwoed op enkele stenen in. Door onverlaten op de tramrails gelegd? Door voorbijrijdende auto’s losgeweekt uit het niet al te beste wegdek? Wie het weet, mag het zeggen. Al vermoed ik dat er weinig baldadigheid aan te pas is gekomen. Hiervoor is de staat van de straat eenvoudigweg te erbarmelijk. Het lijkt me dan ook waarschijnlijk dat de chauffeuses met flinke regelmaat uit hun hokje moeten om losliggende stenen of andere obstakels uit de weg te ruimen. Naast de roestige staat van de rails meteen een tweede verklaring voor het stapvoets rijden.

En zo kruipen we voort. Langs flatgebouwen. Over pleinen. Door straten. Overal stappen oude dametjes in en uit. Overal laat de chauffeuse haar snerpende bel klinken. En altijd staat de conductrice op wacht om de nieuw binnengekomenen een ticket te verkopen. De wandelaar van het eerste uur ben ik inmiddels uit het oog verloren. Vermoedelijk is hij ons vooruitgesneld.

Zwaar bevooroordeeld en bepaald niet zorgeloos land ik op het vliegveld van Nairobi. Mijn reisgids heeft mij zojuist geïnformeerd dat Nairobi, nog voor Johannesburg en Lagos, als gevaarlijkste stad in Afrika mag worden beschouwd. De bijnaam Nairobbery, vanwege de vele overvallen, soms gepaard gaande met bruut geweld, schijnt dan ook meer dan verdiend te zijn. Wel maakt mijn reisgids de kanttekening dat veel van dit geweld zich afspeelt in de sloppenwijken, doorgaans plaatsen waar de toerist weinig komt.

Toch besluit ik, eenmaal het vliegveld achter me gelaten, geen taxi naar het centrum te nemen maar een lokale bus. Het aangename zonnetje en de landerige sfeer hier buiten maken namelijk dat ik me spontaan een stuk relaxter voel. Bovendien, een taxi kost tegen de 15 euro terwijl een ticket voor de bus niet meer dan 40 eurocent doet. En op klaarlichte dag door een woest bewapende Keniaan uit een overvolle bus worden getrokken, dat zal toch niet meteen gebeuren?

En de keus is vanaf het allereerste begin gerechtvaardigd. Ik hobbel wat over slechte wegen en binnen luttele minuten meen ik, nota bene, drie giraffes te zien. Ik kan mijn ogen niet geloven en denk eerst nog dat de Keniaanse autoriteiten houten giraffes hebben geplaatst om de net gelande toeristen aan te sporen vooral op safari te gaan. Maar als ik ze zie bewegen, kan deze theorie overboord. Later begrijp ik dat het Nairobi National Park bij het vliegveld ligt en dat het dus mogelijk is de ‘big five’ te zien met op de achtergrond de hoogbouw van Nairobi.

      

En zo tuf ik in een heel rustig tempo de buitenwijken van Nairobi binnen. Enorme markten in de openlucht rijgen zich aaneen. Overal waar nog iets van ruimte is, wordt deze opgevuld door koopwaar. Van groente en fruit tot hout, autobanden, gereedschap, oude auto’s, kleding, meubels en ga zo maar door. De chaos heerst al levert het zware strijd met de viezigheid en de smerigheid. Ik realiseer me dat dit, vermoedelijk, de sloppenwijken zijn waar elke bus of auto kan worden stilgezet en de passagiers kunnen worden ontdaan van al hun bezittingen. Maar nog steeds kan ik mij hierover niet heel druk maken. Sterker nog, ik vermaak me prima en begin me meer en meer thuis te voelen. Deze stad leeft, bruist, overheerst en eist alle energie op die ik in mij heb. Ook de nog steeds toenemende drukte, bij het naderen van het centrum, voelt prettig aan. De straten slibben dichter en dichter en iedere weggebruiker levert een continu gevecht om vooruit te kunnen komen. Vooral de matatu’s (minibussen) met hun schreeuwend uiterlijk vallen op. Indiase filmsterren of draakachtigen in felle kleuren sieren de zijkanten, op de achterruit pronkt een embleem van Barcelona of Manchester United en links, rechts, voor en achter staan spreuken als: ‘In God we trust’, ‘Jesus is our Savior’en ‘Yes, we can’.

     

Druk of niet druk, ik bereik het centrum van de stad en wandel op eigen houtje verder door Moi Avenue, één van de belangrijke verkeersaders van centraal Nairobi. Moi Avenue bulkt van de winkels en de restaurants. Kip en friet lijken een flinke hit want elk tweede restaurant biedt deze culinaire lekkernij aan. Ook Engelse, of in ieder geval gelijkende, pubs zijn talrijk. En de gospelmuziek ligt letterlijk en figuurlijk op straat. Het lijkt wel alsof iedere inwoner van Nairobi zwaar gelovig, of in ieder geval verslaafd aan de gospel, is. Terloops vraag ik me wel af hoe dit te rijmen valt met de ongehoorde criminaliteit hier. Onder het mom van, alles kan want de Heere is toch barmhartig?

En overal hoor en zie ik Engels, hoe comfortabel en plezierig. Kiosken vol Engelstalige kranten brengen me op de hoogte van het laatste nieuws (uiteraard slechts drama) terwijl ik met enige regelmaat wordt aangesproken door een behoeftige Keniaan. Vanzelfsprekend, bijna iedereen wil gewoon iets verkopen, vooral safari’s zijn populair, of bedelt om één of meer shillings. Maar ik versta ze moeiteloos en even belangrijk, een duidelijk nee van mijn kant, heeft effect!

Vooruit, ik wacht de nacht af maar voorlopig is weer eens bevestigd dat luisteren naar vooroordelen niet aan te raden is!