Posts Tagged ‘Bus’

Natuurlijk, ik kan naar een park hier in Moskou. Beetje languit op het gras liggen. Onder een boom en in de schaduw. Biertje in de ene en sigaretje in de andere hand. En dan gluren vanachter mijn zonnebril. Een prachtige manier om een zonnige dag in Moskou te beleven. Maar opeens wil ik weg uit die enorme stad. Opeens heb ik behoefte aan het Russische platteland. En dus besluit ik naar een willekeurige stad ergens in de nabije omgeving te gaan. Na wat gegoogle valt mijn oog op Tula. Nog nooit van gehoord, eerlijk gezegd. En ook volgens mijn reisgids is het niet noemenswaardig. Er staat althans geen letter over geschreven. Maar dit drukt mijn pret geenszins. Per slot van rekening, Rusland is groot en mijn reisgids nogal dunnig.

Ik ga dan ook gewoon. Morgen. Moet wel vroeg op realiseer ik me, want in de buurt van Moskou betekent nog niet dat het om de hoek is. Allereerst, het kost me al minimaal een uur van mijn appartement naar het juiste busstation. En dan nog ruim 2,5 uur met een bus om in Tula te geraken. Een klere-eind eigenlijk.

         

 

 

 

 

 

 

Maar natuurlijk, de volgende ochtend zit ik evengoed in de metro. Terwijl het Moskouse verkeer vastloopt in enorme files, snel ik richting mijn busstation. Wederom vraag ik me af waarom die Moskovieten hun auto prefereren boven die fantastische metro. Toegegeven, ook hier is het druk en veel ruimte om rustig te staan is er niet. Bovendien, ongewassen lijven met ongepoetste tanden en kledij zorgen voor ongerieflijke geuren. Toch, het voordeel van daadwerkelijk vooruitkomen, weegt hier gemakkelijk tegenop. Ruim op tijd arriveer ik dan ook op het busstation.

Uit een enorme rij gelijkende bussen probeer ik de juiste te vinden. Heen loop ik, en terug, langs al die bussen. Maar ik zie nergens een bordje Tula. Dan valt mijn oog op een rij minibussen. Van het soort bestelauto, met iets teveel zitplaatsen erin gemonteerd. Het zal toch niet? Het zal toch wel! Op de eerste bestelauto die ik zie, prijkt het bordje ‘Tula’. Ietwat knorrig stap ik naar binnen. Aan ruimte zal gebrek zijn, zoveel is meteen duidelijk. Ik nestel me op de best beschikbare plek, vouw mijn onhandig lange benen in een zo comfortabel mogelijke knoop en wacht op het moment van vertrek. 

Stipt op tijd stapt een morsig mannetje met een veel te vieze en veel te grote witachtige broek achter het stuur. Alvorens daadwerkelijk te vertrekken, vraagt hij meerdere keren of iedereen een ticket heeft. En meerdere keren knikken alle passagiers braaf. En zo gaan we op weg. Om binnen honderd meter meteen vast te staan in een van die Moskouse files. Muurvast mag ik wel stellen. Met veel stilstaan en weinig rijden komen we hoegenaamd niet vooruit. Hoe die ongeveer 200 kilometer naar Tula in 2,5 uur te overbruggen is mij een raadsel. Dat lukt nooit, voorvoel ik. Na een half uur zijn we drie kilometer opgeschoten. Ik reken maar niet wanneer ik aankom, mochten we in dit tempo doorrijden. In plaats hiervan probeer ik een praatje aan te knopen met mijn buurman. Maar ook dit schiet niet op, want hij slaapt al.

Na een uurtje aanmodderen, wordt het dan toch rustiger. Ook tot groot genoegen van de chauffeur. Ik kijk uit het raam en zie het typisch Russische landschap: groen, her en der wat (houten) huizen en lage heuvels. Met enige regelmaat staan mensen aan de kant van de weg hun waar aan te prijzen. Ook iets wat typisch is voor Rusland. Ik kan alleen niet zien wat er in dit jaargetijde wordt aangeboden, daarvoor rijden we te snel. De weg is dan ook van topkwaliteit, concludeer ik. Na een half uurtje toeren wordt me duidelijk hoe dit kan. Opeens staan we namelijk oog in oog met hordes Tadzjiekse mannetjes in opvallende oranje outfits die allemaal druk in de weer zijn met enorme machines, heet asfalt, spades en meer van dergelijke nuttige werktuigen. Op zich natuurlijk helemaal niets mis mee, ware het niet dat hierdoor het verkeer wederom vastloopt. En wellicht nog belangrijker, nadien is van die goede weg helemaal niets meer over. Alsof we de grens tussen goed en slecht zijn gepasseerd!

Al sinds ons vertrek teisteren twee mannetjes mijn reukorgaan. Een zit achter me en produceert bij voortduring een onwelriekende hoest. Een combinatie van Russische Marlboro, worst en ongepoetste tanden. Tegenover me zit een mannetje dat een geur verspreidt van ongewassen lichaam en kledij. Toen hij binnenstapte, moest ik meteen denken aan een klasgenootje van de lagere school. Die rook eender. Maar mijn medepassagier, laat ik hem voor het gemak Fokko noemen, is zich niet bewust van zijn zurige geur. Of het maakt hem niet uit natuurlijk. Hij zit nooit stil. Blijft maar geeuwen. Beweegt zijn armen bij voortduring. Opeens begrijp ik waarom de Russen niet spreken van ‘een geur ruiken’ maar van ‘een geur voelen’.

Of het komt door het heen en weer schudden, de geuren rondom, de zon of de lengte van de rit weet ik niet. Maar ook ik dommel in. Net als bijna iedereen in de bus trouwens. Als ik wakker schrik, zie ik nog net een bord aan de kant van de weg staan dat Tula vanaf hier nog precies 116 kilometer is. Ik kijk op m’n telefoon en zie dat we al 2 uur onderweg zijn. Mijn voorgevoel klopte dus, 2,5 uur is een illusie.

Het is maandag 02-02-02, Ethiopische jaartelling, en rond vijf uur in de ochtend laat ik mij per taxi afzetten op het busstation van Addis Ababa. Als ik uitstap en richting ingang van het busstation loop, regent het lichtjes en de plassen water op straat zijn moeilijk te zien aangezien het nog aardedonker is. Maar met het ticket voor bus 5213 naar Harar stevig in mijn hand en een volledige reizigersbepakking op mijn rug voel ik mij toch uitstekend. Het avontuur ligt om de hoek en Harar, een verboden stad voor blanken tot ver in de 19e eeuw, lonkt.

  

Het busstation is een enorm complex volledig omgeven door hekken, zo had ik al gezien toen ik gisteren mijn ticket kocht. Waar al die hekken voor dienen, vroeg ik mij toen nog af maar op deze vroege en donkere maandagochtend is deze vraag meteen beantwoord. Deze bieden namelijk de mogelijkheid het hele station volledig af te sluiten en de toestroom van de passagiers en de wannabe passagiers te reguleren. Gevolg? Voor de twee minieme toegangsdeurtjes tot het station staan honderden, of waarschijnlijker duizenden, Ethiopiërs die allemaal naar binnen willen. Waarom er op dit vroege tijdstip zoveel mensen naar binnen willen? Omdat alle bussen naar alle bestemmingen allemaal om zes uur in de ochtend vertrekken! Een vlugge schatting van mijn kant leert dat er in ieder geval 60 bussen, al dan niet met ronkende motoren, staan te wachten op hun passagiers, van wie er minimaal 50 in één bus gaan. Een simpele rekensom leert dan ook dat er zo rond de 3000 mensen voor de poorten staan te dringen.

Ondanks de onaantrekkelijkheid van de gedachte rest mij niets anders dan mijzelf te mengen in het strijdgewoel dat zich voor mijn ogen afspeelt. Het is hoe dan ook de enige mogelijkheid met mijn gisteren verworven ticket mijn gereserveerde zitplaats in bus 5213 te bemachtigen. Maar het lijkt niet bepaald een eenvoudige klus door die smalle entree te geraken. Nu prijs ik me gelukkig dat ik met mijn 1 meter 95 een heel stuk boven al mijn medepassagiers uitsteek en dat mijn rugzak een prima buffer vormt voor alles wat zich achter mijn rug afspeelt. Daarom, zonder verder nog te dralen, begin ik mijn persoonlijk robbertje duw- en trekwerk. En zoals ik had gehoopt en stiekem verwacht, dankzij mijn fysiek voordeel, gaat het gewoon soepeltjes. In een mum van tijd ben ik in de buurt van de toegangsdeur. Maar, hoe verrassend, met het naderen ervan, neemt de druk van achteren toe en als ik vlak voor de poort sta, bekruipt mij het gevoel dat ik geplet zal worden. Visioenen van Afrikaanse voetbalstadions waar in het gedrang tientallen mensen bezwijken flitsen door mijn hoofd. Vooral als ik zie dat het veiligheidspersoneel van het station uit alle macht probeert deze deur ook te sluiten! Is het busstation dan vol? Een stringent toelatingsbeleid? Face control wellicht? De waanzin van deze actie ontgaat me volkomen maar heel veel tijd mij hierover op te winden heb ik niet. Naast mij probeert namelijk een doorgedraaide Ethiopiër, met op zijn hoofd een enorme koffer, iedereen aan de kant te zetten en als eerste bij de poort te zijn. Het lijkt een kansloze missie maar zijn testosteron gehalte is dusdanig dat hij er nota bene in slaagt menigeen te passeren. Vervaarlijk komt hij mijn kant uit en ik realiseer me net bijtijds dat zijn koffer mij dreigt te raken ergens tussen mijn rechteroor en rechteroog. In een reflex haal ik daarom uit en plant mijn rechterelleboog vol in zijn maag. Een voltreffer zo blijkt want met een schreeuw komt hij tot bedaren en, belangrijker, tot stilstand. Dit gevaar is bezworen.

Als ik uiteindelijk bij de poort ben, vragen de uitsmijters of ik een ticket heb. Sullige vraag in mijn beleving want wie stort zich nu in een dergelijk gedrang zonder ticket? Toch antwoord ik braaf, glimlach een grimas en knik dankbaar als de poort voor mij opengaat. Na enig speurwerk vind ik maar liefst vijf bussen die allemaal naar Harar vertrekken. Maar vervelend genoeg staat mijn bus 5213 niet in het rijtje. Een slecht voorgevoel bekruipt mij en de regen die inmiddels echt serieus nat maakt, maakt dit niet beter. Ik besluit dan ook ergens naar binnen te gaan waar ik opeengeperst met vele andere passagiers sta te wachten op het noodlot. Ongewassen lichamen, oud zweet, stinkende kleding en penetrante okselgeuren strijden om voorrang zodat ik al snel besluit dat een buitje nog zo erg niet is.

Hoe dan ook, een half uur wordt een uur en een uur nog langer. En dan opeens, word ik bij mijn hand en naar een kantoortje geleid. Bij het mannetje alhier mag ik mijn ticket inleveren en in ruil hiervoor krijg ik mijn 133 birr (ruim 7 euro) terug. Bus 5213 komt niet vandaag, zoveel is duidelijk. Misschien is de chauffeur ziek? Misschien het busbedrijf failliet? Was ik misschien de enige passagier? Motorpech? Ik weet het niet want op deze vraag wordt slechts met een schouderophalen gereageerd. Duidelijk is wel dat ik vandaag niet vertrek. Morgen een nieuwe kans!