Het is inmiddels al heel wat jaartjes geleden, dat ik het boek ‘Ondergang van een Wereldrijk’ las van de Poolse schrijver, oorlogscorrespondent en avonturier Ryszard Kapuscinski. Maar al die jaren wist ik het zeker, er komt een moment dat ik in zijn voetsporen treed. Natuurlijk, destijds – we spreken over begin jaren negentig – was Nagorno-Karabach een no-go zone waarvoor hij halsbrekende toeren moest uithalen om er te geraken. Terwijl het tegenwoordig vooral een kwestie is van het boeken van een vliegticket, het verkrijgen van de juiste papieren en dan simpelweg te gaan.

Gedurende al die jaren groeiden Nagorno-Karabach en dan vooral de hoofdstad Stepanakert uit tot alsmaar mythischer proporties. Soms is een naam zo mooi: StepaNAkert, zoals ik het al die jaren in mijn gedachten uitsprak. Ik zou er een lied over hebben kunnen schrijven. Maar gelukkig voor mezelf en voor mijn omgeving liet ik dit achterwege. In plaats hiervan ben ik nu op weg. Op weg naar StepanaKERT, zoals de mensen hier zeggen.

Ik ben voorlopig nog in Jerevan, de hoofdstad van Armenië en op weg naar de permanente vertegenwoordiging van Nagorno-Karabach. Want alvorens naar Nagorno-Karabach  te kunnen reizen heb ik een visum nodig. Er mag dan geen enkel land op aarde zijn dat dit land als onafhankelijke staat erkent, zelf hebben zij geen twijfel. Het is weliswaar sterk afhankelijk van Armenië en deelt met dat land, onder andere, een gezamenlijke munt en een gezamenlijk leger. Onafhankelijk zijn ze. Behalve in Jerevan heeft Nagorno-Karabach een permanente vertegenwoordiging in Moskou, Berlijn en Washington. Voor de rest nergens. Toch roept ook hier mijn bestemming vooral vraagtekens op. In ieder geval, mijn taxichauffeur kijkt me niet begrijpend aan wanneer ik hem vertel waarheen ik wil. Ambassade en straatnaam zijn bij hem onbekend. Hij belt met wat vrienden of bekenden om uit te vinden wat ik precies bedoel. En dan zijn we op weg. Al vrij snel bereiken we de bestemming: een aanzienlijk groot gebouw, parmantig en statig zelfs. Omringd door een manshoog hek, in ambassade stijl. Ze weten in ieder geval wel hoe het hoort, denk ik.

Vlag Nagorno-Karabach                           Yerevan; Nagorno Karabach Representation

Ik bel aan maar er is niemand die antwoordt. Ook na een tweede keer bellen, gebeurt er helemaal niets. Ik duw eens tegen het hek. Het piept langzaam open. En dus loop ik het terrein op. Mijn allereerste stappen op Nagorno-Karabachse aarde. Ik hoop maar dat er binnenkort nog vele zullen volgen. De deur van het gebouw zelf staat wagenwijd open. Ik klop aan, netjes als ik ben, alvorens binnen te stappen. Ik sta in een grote hal. Ook hier is niemand. Links staat een bureautje, ik vermoed de plek waar de portier normaliter zit. Maar hij had blijkbaar niemand verwacht en strekt eventjes de benen. Of rookt een sigaretje. Rechts is een keukentje waarin een aftands gasfornuis staat waarop een pan pruttelt. Waarschijnlijk de voorbereidingen voor het middagmaal. Een vleesgeur verspreidt zich door het gebouw. Aan de muur hangt een soort van certificaat waarop ik lees dat Nagorno-Karabach een onafhankelijke staat is met een eigen volkslied, parlement en president. Ergens in een hoek staat de vlag.

Opeens verschijnt de portier. Waarschijnlijk toch gealarmeerd door wat ongebruikelijke geluiden. Hij vraagt me wat ik kom doen. En ook al lijkt me dit redelijk duidelijk, ik antwoord braaf dat ik een visum nodig heb voor Nagorno-Karabach. Hij knikt begrijpend en vertelt me dat ik moet wachten. Ik loop wat door de hal terwijl het mannetje op zoek is naar de verantwoordelijke visa verstrekker. De geur van het voedsel maakt me hongerig en nieuwsgierig en zo slenter ik de keuken binnen. Net voordat ik de deksel van de pan wil tillen, zie ik vanuit mijn ooghoek een dame verschijnen. Met allerlei formulieren in haar hand. Ze kijkt me verwonderd aan, maar of dit is omdat ik voor een visum kom of omdat ik in de keuken sta, is mij niet geheel duidelijk.

Ze geeft me uitgebreid instructies over hoe het formulier in te vullen. Al blijken de vragen vrij standaard en ontstijgen ze het niveau van ‘Naam, Adres, Woonplaats en de te bezoeken plaatsen in  Nagorno-Karabach’ niet. Vervolgens word ik in een kantoortje onderworpen aan een gemoedelijk interviewtje.  Haar belangrijkste doel lijkt wel om mij één of meerdere kaarten van Nagorno-Karabach te verkopen. Waarschijnlijk haar manier om een extra zakcentje te verdienen. Normaliter, zo vertelt ze me, duurt het een halve werkdag alvorens het visum klaar is. Maar omdat het zo warm is in Jerevan, en reizen te vermoeiend is, doet ze het meteen. De warmte doet mensen hier blijkbaar harder werken. De omgekeerde wereld. Wel dien ik eerst een bedrag van 3.000 dram (zeg maar € 6) te betalen. Een schijntje! En met afstand mijn goedkoopste visum ooit. De accountant van dienst, een dame die ergens achterin het kantoortje zit, komt steunend en kreunend tot leven en gebaart me dat ik haar moet volgen. Waggelend loopt ze een trap op naar haar eigen kantoor, waar ze gewichtig een nota uitschrijft, alvorens mijn 3.000 dram in een heuse kluis te deponeren. Toch benieuwd hoeveel drams daarin zitten.

De alleraardigste visadame heeft intussen mijn visum al klaar! Netjes in mijn paspoort geplakt. De enige administratieve hindernis is definitief genomen. Het betekent trouwens wel dat ik de komende jaren Azerbeidzjan als bestemming kan vergeten. Met dit visum in mijn paspoort geraak ik daar niet binnen. Want Azerbeidzjan beschouwt Nagorno-Karabach nog steeds als het hare en is nog steeds woedend over het verloren gebied. Maar goed, dat is van later zorg. Ook daar is zeker en vast, indien nodig, een oplossing voor te vinden.

Onder de indruk van de service en de vriendelijkheid besluit ik een doos chocolade te kopen. De hele sfeer alhier doet mij vermoeden dat zoiets niet vaak bij de koffie wordt geserveerd. Bij een supermarktje om de hoek scoor ik wat chocolade en keer terug. Ik klop op de deur van het kantoortje van de visadame, die verrast opkijkt. Of er iets mis, meen ik te lezen in haar ogen. Als ik haar chocolade aanbied, kijkt ze nog verraster. Ze is overduidelijk blij maar weigert evengoed. Ik dring aan en zeg haar dat ze het verdiend heeft. Kan ze haar collega’s mee fêteren. Vinden ze vast leuk en aardig. En dan hapt ze toe. Met een glimlach. Eveneens glimlachend verlaat ik het pand, met een blij gemoed en vol verwachting. Nagorno-Karabach, ik ben er klaar voor!

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s