Posts Tagged ‘India’

Santulan, Pune

Posted: June 9, 2014 in India, Reisverslag, Reizen, Travel
Tags: , , ,

Zondagmiddag, half vier, het is warm en zonnig in Pune. Samen met Bastu, de directeur van Santulan, betreed ik de steengroeve. Op een steenworpafstand van Pune opent zich, wederom, een nieuw India voor mij. Een stoffige, zo is mijn eerste indruk.

De groeve, een enorm groot en diep gat, is op deze zondag min of meer leeg. Ook hier geldt, zondag rustdag. Bastu vertelt me dat deze rust relatief is. Velen werken toch wel omdat een ieder hier op contractbasis werkt. Niets doen levert niets op. Werken een beetje. Vlak bij de groeve slaan vier vrouwen, gekleed in kleurige, zondagse sari’s met een voorhamer enorme hoeveelheden brokken basalt tot kleinere brokken. Zwaar werk voor tengere vrouwen. Zwaar werk ook voor stevig gebouwde mannen. Bastu legt uit dat het stukslaan van de voorraad die hier ligt ongeveer vier uur in beslag zal nemen en dat hiervoor het bedrag van 200 roepees (€ 2,50) wordt betaald. Geen vetpot.

Bastu, eens begonnen met vertellen, is niet meer te stoppen. Sinds 1997 is hij directeur van deze NGO. Op een slechte dag, toen hij getuige was van een dodelijk ongeluk waarbij een jongen werd aangereden door een truck, kwam hij terecht in deze groeve. De erbarmelijke (werk)omstandigheden maakten diepe indruk op hem, en hij besloot spontaan op te komen voor de rechten van de arbeiders. Zijn toenmalige baan zegde hij op en sindsdien dient hij de belangen van de arbeiders in deze steengroeve.

Vanzelfsprekend, de eigenaren van de groeve, zagen hem veel liever gaan dan komen. Bedreigingen aan zijn adres waren dan ook talrijk. Maar Bastu week niet. Hij vond en vindt dat de arbeiders in de groeve meer rechten zouden moeten krijgen en dat de eigenaren meer van hun enorme winsten zouden moeten investeren in hun medewerkers. Zijn opsomming van zaken die verbetering behoeven is indrukwekkend: behuizing, verhoging van het uurloon (op dit moment 50 roepees voor vrouwen en 75 roepees voor mannen), onderwijs, medische verzekering, recht op vereniging, stemrecht, schoon drinkwater en elektriciteit.

In het schooltje, doorgaans gesloten op zondag, maar vanwege mijn bezoek speciaal geopend, zitten tientallen kinderen te leren. Of eigenlijk, ze zitten te wachten. Bij het zien van Bastu springen ze allemaal in de houding, rechten hun rug, heffen de rechterarm en ballen hun vuist. Onderwijl ‘zinzibad’ roepend. Bastu reageert op identieke wijze. Ik vraag hem wat dit betekent. Hij antwoordt dat de mijnwerkers hem, in 1997, als een godheid wilden behandelen toen ze hoorden dat hij voor hun rechten wilde strijden. Maar de gevouwen handen als in de ‘namaste groet’ en zelfs pogingen zijn voeten aan te raken, waren hem te gortig. Te nederig en te gedienstig. Daarom bedacht hij de ‘zinzibad’ groet. Rechte rug met gebalde vuist als tegenstelling tot het voortdurend met gebogen rug moeten werken. Niet het hoofd naar de grond maar met de borst en kin vooruit. Zeker van de rechten op meer en beter. Geen angst meer voor de opperhoofden. Dat is ‘zinzibad’.

De school is klein, de middelen zeer beperkt en de kinderen talrijk. Maar de motivatie is enorm. Hier willen kinderen iets leren. Hier is ze duidelijk gemaakt dat er meer mogelijk is dan de steengroeve. Het is een kwestie van onderwijs en vertrouwen, om te beginnen.

Bastu blijft inmiddels vol passie praten over zijn liefde. Er is nog zoveel te doen voor deze mensen. En niet alleen voor de mensen in deze groeve overigens. Alleen al in Maharashtra, de staat waarin Pune ligt, werken ongeveer 70.000 mensen in steengroeven. Zeventigduizend mensen!

In het kantoor van Santulan, in de buitenwijken van Pune, maak ik de dagafsluiting mee. In een soort van militaristische ceremonie laten zijn medewerkers en zijn schoolkinderen zien wat ze zoal hebben geleerd. Eerlijk gezegd, ik vraag me af waarom het zo militaristisch moet, maar het zal wel te maken hebben met discipline en teamgevoel. Aan het einde van de ceremonie krijg ik de eer, als speciale gast van de dag, de Santulan vlag in ontvangst te mogen nemen. En dan mag ik mijzelf voorstellen aan de menigte. Als een echte Santulan soldaat noem ik mijn naam, mijn geboortedorp en mijn woonplaats. Iedereen rondom mij kijkt blij en gelukkig. Voor de eerste keer in mijn leven laat Oude Pekela (mijn geboortedorp) een positieve indruk achter. Ik besluit met iedereen toe te wensen de eigen dromen te blijven nastreven. Word vooral dokter, mechanisch ingenieur of leraar. Weg uit die steengroeve.

 

Advertisements

Mumbai is, zoals ze hier zeggen, het Indiase antwoord op New York. Werelds, hard, kans(rijk), uitdagend en vol zelfvertrouwen. Iedereen die ik spreek, claimt dat ook het uitgaansleven alhier zeker niet onderdoet voor dat in the Big Apple. En het kloppend hart van dit uitgaansleven is de wijk Bandra. Dit is the place to be. De plek waar de rijken der natie hun roepees spenderen aan luxueuze outfits, dure cocktails en dito vrouwen. Eerlijk gezegd, ik ben razend nieuwsgierig en wil zelf ervaren of al deze verhalen kloppen. Dus het is tijd te gaan!

Met twee Indiase vrienden stap ik in de Suzuki Maruti. Eerlijk gezegd, niet meteen een auto om het vrouwelijk schoon mee te imponeren. Klein, vol deuken en bovendien rijden er duizenden soortgelijke exemplaren in de straten. Uit de luidsprekers schalt loeiharde Bollywood muziek. Praten is in ieder geval niet de bedoeling vanavond, zoveel is wel duidelijk. Voor de deur van de Hawaiian Bar, een tent populair bij hippe studenten en net afgestudeerden parkeren we. Op de TV-schermen voetballen twee Premier League teams hun wedstrijd, zonder dat er ook maar iemand is die hier aandacht aan schenkt. Rijen mannen spenderen hun roepees liever aan een Kingfisher biertje of een cocktail. De vrouwen zijn overigens bepaald afwezig. De landelijke Indiase verhouding van 1000 vrouwen voor iedere 1058 mannen wordt hier bij lange na niet gehaald. Mannelijkheid troef derhalve. En misschien is dit wel de reden dat het me niet meteen meevalt hier? Toch gaan die biertjes en die B-52’s in een heel hoog tempo. Indrinken, zo blijkt, want als de maat vol is, vertrekken we. Op naar een hippe tent, zo wordt mij beloofd!

In de auto, hoe verrassend, klinkt de Bollywood muziek nog net iets luider. Op topsnelheid rijden we richting de nightclub. Logisch, zo bedenk ik me, overdag zijn de wegen hier in Mumbai overvol en is het uitsluitend file rijden. Nu zijn de wegen leeg en mogen alle registers van de Suzuki motor open. En dus gaan ze ook open. Mij maakt het niet uit, de alcohol heeft mij sowieso überrelaxed gemaakt. Ik kan de lol er dan ook wel van inzien. De raampjes open, loeiharde muziek en als een stel doorgedraaide pubers op weg naar meer alcoholisch en vrouwelijk vertier. Eigenlijk zijn we dan ook veel te snel in de Chinese Garden. We rijden de auto voor, geven de sleutels af aan één van de uitsmijters en lopen zelf de club annex het hotel binnen.

Zware basgeluiden wijzen ons de weg naar het muzikale walhalla. Vrouwen in modieuze jurken scheren links en rechts aan mij voorbij. Ik vermoed gasten van het hotel die hun duurbetaalde bed nog even negeren en in plaats hiervan de dansvloer willen teisteren. Opvallend is wel dat hoge hakken tamelijk schaars zijn. Velen lopen op slippers. Weliswaar chique uitziende exemplaren maar het blijven slippers. Jammer, vind ik, vooral omdat de dames op deze manier klein blijven en soms kabouterachtige proporties hebben. Deze ene keer beland ik in Mumbai op een plek waar ruimte is. De dansvloer is bijkans leeg zodat ik mijn armen woest en ledig kan bewegen. Prachtig en heerlijk gevoel. Vooral ook omdat de airco op de hoogste stand lijkt te staan zodat het hier binnen bijna koud is.

           

Een dag later, woensdag, beland ik, hoe verrassend na de aangename ervaringen van gisteren, wederom in het nachtleven van Bandra. De Kingfishers en de B-52’s van gisteren zijn, op miraculeuze wijze, probleemloos verwerkt. Zelfs het feit dat ik maar twee uurtjes geslapen heb de afgelopen nacht, drukt geen negatieve stempel op mijn energie en mijn gemoed. En zo begint deze avond zoals de vorige is geëindigd: in de minuscule auto met luide Bollywood muziek. Vanavond, zo vertellen mijn Indiase vrienden, is een populaire stapavond. Eén van die avonden waarop gans jong en hip Mumbai eens flink uit de ban springt. En mijn vrienden weten, als geen ander durf ik te stellen, de meest trendy tenten. Door hun uitbundig gedrag en dito alcoholconsumptie zijn ze overal graag gezien en tamelijk bekend. We belanden in Escobar (inderdaad vernoemd naar Pablo) als opwarmer voor de lange nacht die voor ons ligt. Maar wat voor een opwarmer! Gelegen op de achtste en bovenste verdieping van een kantorencomplex is het uitzicht over de stad prachtig. De combinatie van straatverlichting en smog zorgt bijna voor een idyllische sfeer. Ik bestel maar weer een Kingfisher. Makkelijk, smakelijk en zonder negatieve effecten de volgende dag en kijk eens rustig rond. Jonge meisjes in hippe jurkjes en dito sandaaltjes nippen aan hun cocktailtje. Onderwijl druk pratend met vriendinnetjes over de laatste Bollywood hit, de mannen in hun leven en in deze tent.

Als we het uitzicht voldoende hebben bewonderd, vertrekken we. Het hoeft geen betoog dat de Suzuki nog steeds paraat staat en dat de geluidsinstallatie opnieuw geteisterd wordt. Op naar Trinity in het Sea Princess Hotel, de hipste club van Mumbai op dit moment. Als we aankomen, staat er al een flink aantal opdondertjes te wachten om te mogen binnentreden. Maar de dame van dienst is onverbiddelijk. Niemand komt zomaar binnen. Eerst moet kleding en uiterlijk worden gecheckt. Voor ons valt dit allemaal reuze mee want, zoals gezegd, mijn vrienden zijn wereldberoemd in Bandra. Twee zoenen op haar twee wangen maken dat we probleemloos binnen geraken. De jas in de garderobe hangen hoeft alvast niet. Die hebben we natuurlijk niet mee want ook ’s nachts is de buitentemperatuur dusdanig plezant dat deze volkomen overbodig is.

De muziek leidt ons de weg. Dit wordt weinig praten vanavond. Dat is, zelfs nu ik nog niet de club helemaal binnen ben, al duidelijk. Zoals met zoveel zaken in India, het is altijd alleen het maximum dat goed genoeg is. Een airconditioning in het restaurant? Dan is het er ook meteen stervenskoud. Trots eigenaar van een auto of een scooter? Dan wordt er ook meteen mee geracet. Een muziekinstallatie in een hippe club? Zien maar vooral horen vergaat het publiek. Maar het drukt de pret niet. Voor mij niet en voor de vele anderen ook niet. Mijn Indiase vrienden hebben gelijk. Vandaag is een populaire stapavond en Triniti is een populaire tent. Op de dansvloer ziet het zwart van de kleine mensjes. In de drukte sta ik, geheel onschuldig, met mijn grote voeten, op een schoenloos teentje van een heel klein mevrouwtje. Ze blijkt over onvermoede krachten te beschikken want ik krijg een fikse opdoffer. Niet begrijpend kijk ik haar aan. Haar teen was zo klein dat ik het hobbeltje niet eens heb gevoeld. Maar met een grimas en een woeste blik maakt ze me duidelijk wat er aan de hand is. Ik glimlach verontschuldigend. Dat wordt uitkijken vanavond. Er zijn hier namelijk heel veel schoenloze teentjes. En doorgaans wordt mijn motoriek niet beter na het nuttigen van talrijke Kingfishers.

Indian Highways

Posted: March 25, 2011 in India, Reisverslag, Reizen, Travel
Tags: , ,

Al enkele uren probeer ik mij te verschuilen achter die niet al te brede rug van die hele kleine chauffeur. Tevergeefs natuurlijk. Ik baal dat die man niet wat groter en breder is. Het had me namelijk heel wat kopzorgen en angstige momenten kunnen besparen. Zoveel is zeker. Hoe vaak ik mezelf ook voorneem vooral een willekeurige andere kant op te kijken, het lukt eenvoudigweg niet. Als een magneet werkt het tegemoetkomend verkeer. Figuurlijk in dit geval maar met flinke regelmaat lijkt het ook letterlijk zo te zijn.

 Op de snelweg Nasik Aurangabad, in de Indiase deelstaat Maharashtra, is de vergelijking met zijn Nederlandse equivalent onmogelijk te maken. Prachtig ZOAB? Belijning? Ik kan ernaar fluiten. Een breed uitgevallen B-weg, dat komt veel meer in de buurt. Alhoewel de kwaliteit van het wegdek ook dan nog met speels gemak in Nederlands voordeel uitvalt. Wat wel overeenkomt is dat, net als op een Nederlandse B-weg, iedereen hier mag rijden, lopen, fietsen of gewoon zijn. En dat doen ze dan ook. Het is een gekkenhuis.

 

Ik blijf me afvragen, na al die uren, wat zijn eigenlijk de regels? Ja, regel één is wel duidelijk: het recht van de sterkste. Dit doorzag ik al na een minuutje. Vrachtauto’s, geschilderd in vrolijke kleuren en huizenhoog beladen met suikerriet, zijn de king-of-the-road. Zij nemen althans altijd voorrang. Logisch, want zij brengen de meeste kilo’s mee en zullen daardoor, bij een eventuele botsing, het minste lijden. Een goede tweede zijn de bussen. Die doen nauwelijks onder voor hun sterkere broer, de vrachtauto’s. Ook bussen nemen voorrang naar believen en drukken zwakkere broeders en zusters van de weg. Alleen een op volle snelheid inhalende vrachtauto is ze te machtig. Daarvoor bieden zij eerbiedig hun hoofd.

Dan zijn er ook nog minibusjes, auto’s, mini-vrachtautootjes, fietsen, riksja’s, motoren, scooters, koeien, karren voortgetrokken door ossen, voetgangers, overstekende voetgangers, een sporadische ezel of een kameel en honderden honden. Zelfs als iedereen zich aan de regels zou houden, zou het al een chaos zijn. Maar op regelgebied kom ik dus niet veel verder dan het recht van de sterkste. Af en toe meen ik te ontdekken dat het langzame verkeer helemaal links rijdt en het iets snellere rechts. Maar dat blijkt dan toch al snel vooral niet waar. Plotseling rijdt er bijvoorbeeld een ultiem langzame tractor op de rechterweghelft. Of een vrachtauto, die als een zwaarlijvige koning, tergend langzaam een heuvel oprijdt.

En dan de honden. Logischerwijs begrijpen zij ook niets van de regels en volgen hun eigen logica. Vaak met dramatische gevolgen aangezien met grote regelmaat een dood exemplaar, omringd door kraaien en andere aaseters, op of net naast de weg ligt. Koeien lijken eenzelfde soort hondenlogica te hebben. Alleen zij zijn te heilig, of waarschijnlijker, te groot. Daarom worden ze ontweken. Dit doet me opeens inzien dat eigenlijk de koe de heerser van de Indiase snelweg is. Zelfs vrachtauto’s remmen namelijk af, claxonneren slechts beschaafd en verlenen voorrang.

Bij het naderen van een dorp of stad neemt het verkeer flink toe, behoorlijke opstoppingen tot gevolg hebbend. Heel langzaam rijdt een ieder richting het beoogde doel. Iedere centimeter wordt benut in een voortdurend gevecht zo ver mogelijk voorin de file te belanden. Vanzelfsprekend gebruikt iedereen de claxon om alle frustraties af te reageren. Een kakofonie van geluid veroorzakend. Vreemd gedrag eigenlijk, dat getoeter. Alsof de chauffeur hoopt dat de file zich, als destijds de Rode Zee voor Mozes, in tweeën splijt. Het zou natuurlijk kunnen dat Rama of Lakshmi hetzelfde kunstje kent maar mij lijkt het sterk. Bovendien, het lijkt me ondoenlijk voor een hindoegod een keuze te maken. In elk vervoermiddel hangt namelijk wel iets religieus, staat een beeldje of een spreuk. Iedereen, lijkt mij, heeft hetzelfde recht op die opening.

Achterop elke vrachtauto staat ‘Blow horn please’. Als een soort van uitnodiging zoveel mogelijk lawaai te produceren op de snelweg. Het verklaart natuurlijk voor een deel waarom iedereen als een waanzinnige op die claxon drukt. Om ook maar enige kans te hebben die vrachtauto in te halen, is het dus noodzakelijk je eigen claxon te teisteren. Ik vraag me dan af waarom die Indiërs tijdens hun rijexamen niet gewezen worden op het bestaan van spiegels. Ik ben er ooit nog op gezakt in Nederland. Maar hier in India was me dat zeker niet overkomen. Bij het inhalen speelt zich trouwens nog iets bijzonders af. Een wapperend handje van chauffeur of bijrijder, afhankelijk van aan welke kant de inhaalmanoeuvre plaatsvindt, geeft aan dat dit kan of juist niet. Een plotselinge blijk van vriendelijkheid, van vriendschap zelfs. Prachtig.

Toch overheerst de vijandschap, met gemak. In de strijd om de centimeters is iedereen bij voortduring bezig die andere de stuipen op het lijf te jagen. Jammer genoeg zijn al die Indiërs zo gewend aan hun eigen rijgedrag dat niemand zelfs maar met de ogen knippert. Alleen onschuldige buitenlanders zweten zich het apezuur of produceren anderszins ongewenst vocht. Het is een soort van botsautogevoel, met dit verschil dat het uiteindelijk de bedoeling is elkaar net niet te raken. Best grappig hoor, op de kermis, maar hier is het toch iets minder lollig.