Posts Tagged ‘Wolga’

Het is laat in de middag als ik in Samara in de trein stap. Mijn bestemming is Volgograd, een slordige 600 kilometer en achttien treinuren zuidelijker. Volgograd, tegenwoordig een willekeurige Russische miljoenenstad waar nooit echt iets gebeurt. Toegegeven, ik ben er nog niet. Maar de omgeving waarin ik de afgelopen dagen heb rondgedwaald geeft me niet bepaald de indruk dat ik binnenkort het epicentrum van de moderne tijd zal binnenrijden.

                 

Ooit, niet eens heel lang geleden, toen mijn bestemming nog Stalingrad heette, was dit wel de plek waar de geschiedenis een wending kreeg. Moeilijk voor te stellen nu. Trouwens, het is vandaag evenmin mogelijk voor te stellen dat de Duitsers, destijds in deze contreien, werden geplaagd door de extreme koude. Extreme hitte, dat is wat ik voel als ik de trein binnenstap. Het is hier binnen ruim boven de dertig graden. Dat kan niet anders. De hoeveelheid zweetdruppels op mijn voorhoofd vertellen me dit. Buiten was het eigenlijk al niet vol te houden. Nooit een zuchtje wind dat voor een heel klein beetje verkoeling zorgde. Niets dan een strakblauwe hemel en een ongenadige zon. En waarschijnlijk heeft deze trein, zo vermoed ik, de hele dag ergens op een rangeerterrein gestaan onder diezelfde blauwe hemel en zon.  

Echt mee zit het me ook niet. Als ik mijn stoel annex bed heb gevonden, zie ik dat juist hier het raam niet open kan. Dus als zo dadelijk die trein gaat rijden, kan ik fluiten naar die broodnodige frisse lucht. Mopperend neem ik plaats. Deze trein is gemaakt voor de barre Russische winters. En zeker niet voor temperaturen zoals vandaag. De hostess, om haar eens zo te noemen, knikt me vriendelijk toe als ze de lakens en de handdoek brengt. Welk een aangename verrassing. Misschien is het bedoeld mij in deze barre temperaturen in ieder geval wat morele steun te geven? Ik glimlach zo vriendelijk mogelijk terug. Vooral omdat ik die handdoek bepaald nodig heb. Want zweetdruppels hebben lang geleden al plaatsgemaakt voor straaltjes. Als ik in dit tempo doorzweet, ben ik voor de avond valt uitgedroogd. Ook dit kan niet anders.

Ik vlei mezelf op mijn bed en val in een soort van slaap. Of beter gezegd, een combinatie van katzwijm en een staat van halve bewusteloosheid. Af en toe word ik gewekt door de schoonmaakster. Zij is danig aan het poetsen. Ik heb met haar te doen. Slapen in deze temperaturen is al moeilijk. Laat staan een smerige trein schoonpoetsen. Toch, ook zij glimlacht naar mij. Wat doen die hoge temperaturen toch met de Russen hier? Een algeheel gevoel van blijdschap ontwikkelen?

Urenlang tuffen we, in een gezapig tempo, naar het zuiden. Er gebeurt eigenlijk helemaal niets. Enorme velden met gras en wat bomen, dit is wat ik zie als ik naar buiten kijk. Voor de rest is het landschap leeg. Maar de rust en de hitte gaan eigenlijk fantastisch samen, zo realiseer ik me. Ik dommel wat, droom over koude oorden en drankjes, beweeg zo weinig mogelijk en denk na over niets. Slechts af en toe wordt de rust verstoord, wanneer we stoppen op een stationnetje. Eerlijk gezegd, ik vraag me af waarom. Want ook dan zie ik eigenlijk niets dan gras en bomen.

Ergens in die leegte hoor ik opeens een dame schreeuwen. Verheugd schrik ik wakker als ik hoor dat ze ‘piwo’ in de aanbieding heeft. Een gekoelde fles bier, hierover heb ik al die uren gefantaseerd. Ik rep me naar de uitgang en wijs verheugd naar de biertjes. Twee koop ik er. De eerste om achterover te gieten, zonder te proeven of na te denken. De tweede om rustig van te genieten. Naast mijn ‘bierdame’ staat de ‘visdame’. Met hoopvolle ogen showt ze mij haar gerookte vis. Een enorm exemplaar uit de Wolga, althans dit vermoed ik. Ik kan haar blik niet weerstaan en koop die veel te grote vis.

Voordat de trein zich weer in beweging zet, gulp ik al gulzig mijn eerste biertje naar binnen en hap ik al gretig van mijn vis. De hitte is meteen compleet vergeten. Ik voel me fantastisch. Koud bier met Wolgavis. Wat wenst een mens nog meer? Al snel realiseer ik me dat de aanschaf van die twee biertjes wat aan de karige kant was. Ook al omdat die gerookte vis nogal zoutig is. Met elke hap stil ik weliswaar mijn honger maar evengoed neemt mijn dorst omgekeerd evenredig toe. Als mijn biertjes op zijn, besluit ik dat het beter is die vis te laten voor wat ze is. Met het halve verorberde exemplaar in mijn handen meld ik mij bij de hostess en de schoonmaakster. Glimlachend en onder het uitspreken van een paar woorden Russisch overhandig ik ze deze. Ze kijken verheugd. Vragen me hoeveel ze hiervoor moeten betalen. Als ik mijn hoofd schud en zeg dat het een gift is, beginnen ze te stralen en glimlachen ze. Breder dan ooit tevoren.

Advertisements

‘Oh Samara, kleine stad. Ik voel me opgejaagd, sta me toe hier uit te rusten’. Zo gaan de eerste regels van een Russische meezinger. Een lied uit vervlogen tijden, want Samara is niet meer klein. Zoveel is me wel duidelijk als ik de stad binnenrijd. Vervallen flatgebouwen afgewisseld met vervuilende industrie rijgen zich aaneen. Zes uurtjes heb ik opgevouwen gezeten in een hete, lokale bus. Het mag dan niets zijn vergeleken met de, ongetwijfeld, barre reiscondities van destijds. Desondanks deel ik de blijdschap van de reizigers uit die tijden. De koelte van de Wolga lonkt net als de stranden aan haar oevers.

   

Op het busstation geeft een thermometer een schrikbarende 46 graden Celsius aan. De taxichauffeurs ontwaken dan ook met moeite uit hun siësta. Liever zouden ze onder de boom blijven liggen. Misschien is dit de reden dat ze een woekerprijs vragen? Ik negeer ze en besluit een trolleybus te nemen. Die rijden altijd en overal. Als ik instap, glimlacht de conductrice zelfs een ‘welkom in Samara’ naar me. Ik glimlach, blij verrast, terug.

Wel voel ik me nog steeds opgejaagd. Het is te heet om aan iets anders te denken dan aan een verkoelende zwempartij. Maar tot nu toe van de Wolga geen spoor. In plaats hiervan zie ik oude en vervallen houten huizen. Die moeten ’s zomers toch veel te warm zijn om in te wonen? En ’s winters toch veel te koud? Her en der zie ik de uivormige torens van orthodoxe kerken. Die zijn overal in Rusland, maar ze blijven evengoed bekoren. Het valt me op dat overal wordt gebouwd en gerenoveerd. Volop actie om van deze stad een parel aan de Wolga te maken.

Als ik eindelijk de rivier zie, verdwijnen al mijn gedachten spontaan. Het doel is bereikt. Inwendig schreeuwend van vreugde rep ik mij naar het water. Eindelijk. Zwemmen in de Wolga. Wat wenst een mens nog meer? Niets! Dit is de beste plek om de rest van de middag en de avond door te brengen. Zoveel is wel zeker. En met mij denken velen hetzelfde. Want het strand is vol.

Wanneer, laat op de avond, de temperatuur naar een draaglijker niveau daalt, laat ik het strand voor wat het is en besluit mijn zwembroek in te wisselen voor een flaneeroutfit. Samara schijnt namelijk, zo heb ik zelfs in Moskou gehoord, in een hevige tweestrijd te zijn verwikkeld met Volgograd als het gaat om waar de mooiste vrouwen van het land wonen. Als dit geen veelbelovend vooruitzicht is?

                                          

Langs de oever van de Wolga is een kilometerslange promenade aangelegd. De plek waar op zwoele zomeravonden half Samara haar vertier vindt. Ook voor de lokale schonen is dit een uitgelezen plek om hun flaneerkunsten te vertonen. Ik koop, net als de Russen, een fles bier in een kiosk en zetel me op een bankje. Ik realiseer me dat het met mijn integratieproces bepaald de goede kant opgaat. Als ik binnenkort maar niet ophoud met glimlachen, schrik ik. Links en rechts van me schalt muziek uit luidsprekers. De lokroep van de vele openluchtbars. Voorlopig aan dovemansoren gericht. Hun tijd is nog niet aangebroken.  

Skaters. Fietsers. Jonggeliefden hand in hand. Prachtige vrouwen in met zorg geselecteerde outfits. Paris Hiltonachtige hondjes. Allemaal laten ze vol overtuiging zien wat ze in huis hebben. Ergens doet het denken aan een willekeurige boulevard in het zuiden van Europa. Toch is het anders. Daarvoor zorgt de Russische muziek vanuit de strandtenten, de rook van de geroosterde sjaslieks en de vele bierdrinkende mannen die in een slobberige joggingbroek en met ontbloot bovenlijf rondstruinen.

Het is zaterdagmiddag, rond een uur of drie, als ik aankom in Ulyanovsk. Mijn verwachtingen over deze stad waren, voordat ik vanochtend aan mijn busreis begon, hooggespannen. Maar de afgelopen uren zijn ze behoorlijk getemperd. Een aantal van mijn medepassagiers keek me niet begrijpend aan toen ik ze mijn reisdoel vertelde. ‘Wat heb je daar nou te zoeken’, was nog een milde reactie. ‘Niet doen, niet gaan’, al een stuk helderder. ‘Helemaal niks te doen daar’,  liet aan duidelijkheid helemaal niets te wensen over.

Het busstation ademt rust. Logisch, de zon schijnt onbarmhartig en het is er zinderend heet. Onder de parasols van de enige uitspanning zitten mannetjes in de schaduw. Ze drinken allemaal bier, sommigen zelfs uit een 2,5 liter fles. Ik zie het begerig aan en kan de verleiding welhaast niet weerstaan. Maar ik beheers me. Het is te laat voor bier. Of beter gezegd, ik heb er geen tijd voor. Als ik het geboortehuis van Lenin wil zien, moet ik opschieten. En dus rep ik mij, met visioenen over koude biertjes, richting Leninstraat. Over creatieve naamgeving gesproken.

De Leninstraat ademt nog meer rust dan het busstation. Niemand te zien hier. Aan beide kanten staan prachtige houten huizen, dat wel. Alle in uitstekende staat. Bomen zorgen voor wat schaduw. Ik maak er dankbaar gebruik van. Op nummer 31 staat het groen geschilderde huis waarnaar ik op zoek ben. Verrassende kleur, schiet me te binnen. Als ik naar binnen wil, tref ik een gesloten deur. Een ferme bons baat niet. De deur blijft gesloten. Misschien had de dame van dienst in het museum/geboortehuis de stilte op straat ook opgemerkt? En is ze gewoon voor de officiële sluitingstijd vertrokken?

     

Maar één dichte deur mag de pret niet drukken. Moeder Lenin was, zo wil het verhaal, een nogal ongedurig type, die nooit lang op één plek kon blijven wonen. Er moeten, hier in Ulyanovsk, wel een stuk of zes huizen staan waar Lenin een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht. Dus vervolg ik mijn weg. Op zoek naar Lenins jeugd. Ik slenter door het centrum richting de Wolga. Hoe stil en rustig is het overal. Ergens op een pleintje verstoort een bandje de stilte. Russische meezingers, concludeer ik, als ik voorbijloop. Een deel van het publiek zingt althans mee.

Bij het Lenin Memorial Centre, een veel te groot uitgevallen betonnen kolos, aan de oever van de Wolga, staat nog een huis waar Lenin ooit heeft gewoond. Maar ook hier is de deur gesloten. En ook hier helpt een bons op de deur niet. Ik gooi spontaan de handdoek. Die andere huizen kunnen me gestolen worden. Die zijn ook vast al gesloten. Of zal het komen omdat ik een promenade ontwaar waar tal van cafés koude drank en warm voedsel aanbieden? En ik deze verleiding op dit moment simpelweg niet meer kan weerstaan? Ik bestel een lokaal biertje en wat vlees van de barbecue. Ondertussen kijk ik uit over de Wolga, die hier zo breed is dat het wel een zee lijkt, en denk na over Lenin.

Als de avond valt, vervolg ik mijn wandeling. Nog steeds is het stil op straat. Waar zijn toch al die mensen? Per slot van rekening, er wonen bijna een miljoen hier. Aan een van de weinige passanten vraag ik de weg. Hij kijkt me verheugd aan. Een buitenlander! Mijn steenkolenrussisch heeft mij verraden. Hij antwoordt in het Engels dat hij mij persoonlijk de weg zal wijzen. Zijn plannen laat hij voor wat ze zijn. Zijn baboesjka (oma) kan wel even wachten. In plaats hiervan gidst hij me door zijn stad. Vertelt trots over de Wolga, het oorlogsmonument, de schone straten. Staat erop mijn rugzak te dragen en vraagt zich bezorgd af waar ik vannacht zal slapen.

Als ik later, op een eenzaam terras, terugdenk aan vandaag, realiseer ik me dat mijn medepassagiers gelijk hadden. Behalve dichte deuren heb ik niet veel gezien. Behalve een Russische meezinger niet veel gehoord. Maar toch klopt er iets niet. Mijn gevoel vertelt me namelijk een heel ander verhaal. Het niets van Ulyanovsk is de attractie van de stad. Voordat ik hier weg ben, weet ik al dat ik terug zal komen. Gewoon, om nog eens niets te zien.