Posts Tagged ‘Trein’

Zondagmorgen acht uur en ik sta al op het station. Van Krasnodar. Te wachten op de trein naar Sochi. Ondanks het vroege uur is het al flink warm. Zelfs op slippertjes, in kort broekje en T-shirtje kostte het me nog aardig wat zweetdruppels mijn koffer de trappen op en af te slepen. Verhit en met klotsende oksels probeer ik weer op adem te komen. Nu maar hopen dat de trein modern is en een airco heeft.

Wanneer even later de trein het station binnenrolt, zie ik meteen dat mijn hoop op een airco een ijdele is. Het is een oud gevaarte. En alle ramen die open kunnen, staan dan ook open. Niet dat dit meteen veel helpt overigens. Russische treinen zijn weliswaar uitstekend warm te krijgen. Zelfs midden in de winter is het binnen met gemak dertig graden. Maar frisse en koude lucht in hartje zomer is een utopie. Dat wordt dus een warm dagje vol ontblote bovenlichamen en puffende en steunende mensen rondom. En omdat deze trein ruim 20 uur geleden al is vertrokken uit Moskou, wat betekent dat veel van mijn toekomstige medepassagiers erin hebben gegeten, gedronken, geslapen en wie weet wat nog meer, zullen ook de geuren niet meteen de aangenaamste zijn. Een combinatie van oud zweet, worsten, fruit, bier en slaap, zo vermoed ik.

Ondanks de afstand van 1.200 kilometer tussen Moskou en Krasnodar arriveert de trein stipt op tijd  op het station. Werkelijk op de minuut nauwkeurig. Ooit verbaasde ik me hierover. Inmiddels heb ik me wel gerealiseerd dat de Russische spoorwegen twee fantastische manieren hebben gevonden altijd op tijd te zijn. Allereerst, de gemiddelde snelheid ligt behoorlijk laag. Voor deze trein zo rond de 60 kilometer per uur. Inderdaad niet meteen een voorbeeld van een hogesnelheidstrein. Ten tweede, op belangrijke stations staat de trein zomaar 30 tot 40 minuten stil. Zogenaamd om bij te tanken, eventueel van machinist te verwisselen en dergelijke. Maar het geeft ook mooi de gelegenheid eventuele vertragingen probleemloos goed te maken.

Net als ik op het punt sta mijn wagon en mijn zitplaats op te zoeken, komen drie imposante dames afgedaald van de stationstrap. Ik schat ze in totaal toch op ruim 400 kilo. Twee zijn echt enorm en de derde is hard op weg enorm te worden. Gekleed in ultrastrakke leggings (welke legging zit niet strak om zulke benen?)en in niets verhullende hemdjes. Overduidelijk met de konijnen los in hun hokken. Ik kijk gebiologeerd toe. Uiterst langzaam schrijden zij voort. Op naar hun eigen wagon, zo vermoed ik. Gelukkig voor ze dat die Russische spoorwegen geen haast hebben op stations!

Of het nu mijn starende blik is, mijn opengevallen mond of slechts toeval, ik heb geen idee. Feit is wel dat de dunste van de drie, die ik toch nog steeds op 120 kilo schat, juist aan mij vraagt waar wagon 12 is. Ik antwoord in het Russisch dat ik dit niet weet. Drie woorden slechts. Maar evengoed voldoende om mijn buitenlandse afkomst te verraden. Honderdtwintig kijkt me verrukt aan en mindert langzaam vaart. Een buitenlander! Zo lees ik in haar ogen. Hier in Krasnodar! Langzaam komt ze in mijn richting geschuifeld. Het is duidelijk, ze wil meer weten van die lange. Ook dat lees ik in haar ogen.

Haar twee enorme vriendinnen hebben inmiddels gemerkt dat Honderdtwintig niet meer in de buurt is. Ook zij houden daarom langzaam halt. Ze schreeuwen naar Honderdtwintig dat ze niet moet talmen. Het is aan dovemansoren gezegd. Die trein wacht wel, maar die buitenlander wellicht niet. En zo staat ze voor me. Met iets van een begeerlijke blik. Ik kan natuurlijk makkelijk ontsnappen. Zeker weten dat ze me niet kan bijhouden. Toch blijf ik gewoon staan, het is ook veel te warm om te vluchten. Ik glimlach een beetje schaapachtig, vermoed ik. Niet precies wetend wat te doen. En zo staat zij eigenlijk ook tegenover me. Misschien realiseert ze zich dat er een kans is dat ik haar niet zal begrijpen? Misschien wilde ze mij alleen maar van dichtbij zien? Misschien is ze opeens verlegen?

Inmiddels schreeuwen haar vriendinnen moord en brand. Wat ze precies zeggen, krijg ik niet helemaal mee. Maar de ‘bljads’ en ‘sukas’ zijn niet van de lucht. Grimmigheden alom, zoveel is dus wel duidelijk. En het blijkt dat Honderdtwintig hiervoor niet ongevoelig is. Want opeens draait ze zich om, werpt me in haar draai een raadselachtige glimlach en een kushandje toe en vertrekt.

Het is laat in de middag als ik in Samara in de trein stap. Mijn bestemming is Volgograd, een slordige 600 kilometer en achttien treinuren zuidelijker. Volgograd, tegenwoordig een willekeurige Russische miljoenenstad waar nooit echt iets gebeurt. Toegegeven, ik ben er nog niet. Maar de omgeving waarin ik de afgelopen dagen heb rondgedwaald geeft me niet bepaald de indruk dat ik binnenkort het epicentrum van de moderne tijd zal binnenrijden.

                 

Ooit, niet eens heel lang geleden, toen mijn bestemming nog Stalingrad heette, was dit wel de plek waar de geschiedenis een wending kreeg. Moeilijk voor te stellen nu. Trouwens, het is vandaag evenmin mogelijk voor te stellen dat de Duitsers, destijds in deze contreien, werden geplaagd door de extreme koude. Extreme hitte, dat is wat ik voel als ik de trein binnenstap. Het is hier binnen ruim boven de dertig graden. Dat kan niet anders. De hoeveelheid zweetdruppels op mijn voorhoofd vertellen me dit. Buiten was het eigenlijk al niet vol te houden. Nooit een zuchtje wind dat voor een heel klein beetje verkoeling zorgde. Niets dan een strakblauwe hemel en een ongenadige zon. En waarschijnlijk heeft deze trein, zo vermoed ik, de hele dag ergens op een rangeerterrein gestaan onder diezelfde blauwe hemel en zon.  

Echt mee zit het me ook niet. Als ik mijn stoel annex bed heb gevonden, zie ik dat juist hier het raam niet open kan. Dus als zo dadelijk die trein gaat rijden, kan ik fluiten naar die broodnodige frisse lucht. Mopperend neem ik plaats. Deze trein is gemaakt voor de barre Russische winters. En zeker niet voor temperaturen zoals vandaag. De hostess, om haar eens zo te noemen, knikt me vriendelijk toe als ze de lakens en de handdoek brengt. Welk een aangename verrassing. Misschien is het bedoeld mij in deze barre temperaturen in ieder geval wat morele steun te geven? Ik glimlach zo vriendelijk mogelijk terug. Vooral omdat ik die handdoek bepaald nodig heb. Want zweetdruppels hebben lang geleden al plaatsgemaakt voor straaltjes. Als ik in dit tempo doorzweet, ben ik voor de avond valt uitgedroogd. Ook dit kan niet anders.

Ik vlei mezelf op mijn bed en val in een soort van slaap. Of beter gezegd, een combinatie van katzwijm en een staat van halve bewusteloosheid. Af en toe word ik gewekt door de schoonmaakster. Zij is danig aan het poetsen. Ik heb met haar te doen. Slapen in deze temperaturen is al moeilijk. Laat staan een smerige trein schoonpoetsen. Toch, ook zij glimlacht naar mij. Wat doen die hoge temperaturen toch met de Russen hier? Een algeheel gevoel van blijdschap ontwikkelen?

Urenlang tuffen we, in een gezapig tempo, naar het zuiden. Er gebeurt eigenlijk helemaal niets. Enorme velden met gras en wat bomen, dit is wat ik zie als ik naar buiten kijk. Voor de rest is het landschap leeg. Maar de rust en de hitte gaan eigenlijk fantastisch samen, zo realiseer ik me. Ik dommel wat, droom over koude oorden en drankjes, beweeg zo weinig mogelijk en denk na over niets. Slechts af en toe wordt de rust verstoord, wanneer we stoppen op een stationnetje. Eerlijk gezegd, ik vraag me af waarom. Want ook dan zie ik eigenlijk niets dan gras en bomen.

Ergens in die leegte hoor ik opeens een dame schreeuwen. Verheugd schrik ik wakker als ik hoor dat ze ‘piwo’ in de aanbieding heeft. Een gekoelde fles bier, hierover heb ik al die uren gefantaseerd. Ik rep me naar de uitgang en wijs verheugd naar de biertjes. Twee koop ik er. De eerste om achterover te gieten, zonder te proeven of na te denken. De tweede om rustig van te genieten. Naast mijn ‘bierdame’ staat de ‘visdame’. Met hoopvolle ogen showt ze mij haar gerookte vis. Een enorm exemplaar uit de Wolga, althans dit vermoed ik. Ik kan haar blik niet weerstaan en koop die veel te grote vis.

Voordat de trein zich weer in beweging zet, gulp ik al gulzig mijn eerste biertje naar binnen en hap ik al gretig van mijn vis. De hitte is meteen compleet vergeten. Ik voel me fantastisch. Koud bier met Wolgavis. Wat wenst een mens nog meer? Al snel realiseer ik me dat de aanschaf van die twee biertjes wat aan de karige kant was. Ook al omdat die gerookte vis nogal zoutig is. Met elke hap stil ik weliswaar mijn honger maar evengoed neemt mijn dorst omgekeerd evenredig toe. Als mijn biertjes op zijn, besluit ik dat het beter is die vis te laten voor wat ze is. Met het halve verorberde exemplaar in mijn handen meld ik mij bij de hostess en de schoonmaakster. Glimlachend en onder het uitspreken van een paar woorden Russisch overhandig ik ze deze. Ze kijken verheugd. Vragen me hoeveel ze hiervoor moeten betalen. Als ik mijn hoofd schud en zeg dat het een gift is, beginnen ze te stralen en glimlachen ze. Breder dan ooit tevoren.

Ze groeien dan niet tot in de hemel maar wel tot voorbij het oog reikt. Onafzienbaar. Slechts af en toe onderbroken door een rivier, een huis, een dorp. Maar telkens van hele korte duur. Nee, dat ze hier geen behoefte hebben aan een nationale boomplantdag is duidelijk. Pas als de zon ondergaat, laat ik de bomen voor wat ze zijn. Ik vermoed dat ik, morgenochtend bij het wakker worden, min of meer hetzelfde plaatje aan mij voorbij zal zien trekken. Weliswaar zal de trein, ergens vannacht, Siberië binnenrijden maar ik kan me niet voorstellen dat daarmee de bomen zullen verdwijnen.

  

Ik richt mijn aandacht op mijn medepassagiers. En daarvan zijn er een heleboel. Bij het kopen van het ticket had ik de keus tussen kupé (met vier personen in een afgesloten ruimte) of platskart (met vele anderen in een grote ruimte). Ik koos voor het laatste. En heus niet omdat het goedkoper was. Toch vooral omdat het me een betere manier leek de Russische trein te voelen en te proeven. Meer kans bovendien op een interessante ontmoeting. Daarvoor geef ik graag wat comfort en privacy op. Een hele goede keus, zo zal blijken.

Vice zit naast mij een Tadzjiek uitziend manspersoon. Als ik hem vraag, in mijn gebroken Russisch, waar hij vandaan komt, bevestigt hij dit. Zijn thuisbasis is Dushanbe, maar reeds lang geleden heeft hij dit verruild voor een werkend bestaan in Nojabrsk, een oliestad in het noorden van Rusland. Hij vertelt mij dat zijn leven aldaar bepaald plezierig is. Zelfs in de winter. Met temperaturen van minus 50 lijkt mij dit toch geen pretje. Maar ook dan gaat hij fluitend naar zijn werk! Een aangenaam warme muts, dito handschoenen en een gevoerde overall maken dat de kou geen enkele grip op hem heeft. En als hij niet werkt, is er het culturele leven. Volgens mijn Tadzjiek zelfs vergelijkbaar met dat van Moskou. Theaters spelen. Bars zijn, iets minder verrassend, altijd open. De bioscopen draaien de laatste films. Daarbij biedt werken in de noordelijke oliegebieden fikse voordelen. Een beter salaris dan menigeen of een vervroegd pensioen om eens iets te noemen. Het zijn lokkertjes om een Tadzjiek (of een Rus natuurlijk) zijn huis te doen verlaten en de ijzige kou van Siberië te laten trotseren.

Versa ontmoet ik een Oekraïense jongeman die al zijn hele leven in Tobolsk woont, een stadje in het uiterste westen van Siberië. Tot mijn grote verbazing spreekt hij mij aan in het Engels. Dat gebeurt niet al te vaak in deze contreien. Hij vertelt me dat hij op weg is naar Jekaterinenburg om bij het Amerikaans consulaat zijn visum voor de Verenigde Staten te halen. Vanaf augustus gaat hij drie maanden ergens in een stadje in North Carolina werken, als bordenwasser en klusjesman. Van de ene uithoek op deze aarde naar de andere dus. Maar zo ziet hij dit niet meteen. Hij is werkelijk dolenthousiast dat hij zeer binnenkort naar de USA mag vertrekken. En als hij niet over zijn nieuwe bestemming praat, ratelt hij wel over Armin van Buuren, Odessa of zijn rappende vriendin. Tussendoor vraagt hij zich af wanneer ik ga trouwen. Want met mijn wijkende haarlijn zou ik mij binnenkort wel eens definitief uit de markt kunnen prijzen. Ik verbaas me ten zeerste over zoveel wereldse kennis bij deze jongeman. Per slot van rekening, hij komt uit Tobolsk, net als ik. Het enige verschil is dat ik er twee dagen ben geweest en hij zijn hele leven. En na twee dagen is de conclusie dat Tobolsk niet werelds is bepaald geen voorbarige.

Ik nodig hem uit voor een fles bier in de restauratiewagon. Naast de platskart een tweede attractie van de Russische trein. Het restaurant ziet er prachtig uit. Groene stoelen, een tafelkleedje, bloemetje erop en een gordijntje voor het raam. Heerlijke kneuterigheid. Aan enkele tafels zitten wat mannetjes, ieder met een kruikje, met daarin een paar honderd gram wodka, voor zich. Als ik die mannen wat beter in mij opneem, realiseer ik me dat ze al flink meer dan een paar honderd gram van dit vocht hebben geconsumeerd. Misschien zelfs wel een kilo! Als ze dan niet dronken zijn, zijn ze toch in ieder geval ladderzat. Ik ga aan een tafel zitten, samen met mijn nieuw verworven vriend. Nuttig een biertje. Praat over zijn koetjes en mijn kalfjes. Terwijl wij daar rustig keuvelen word ik op mijn schouder getikt door één van de drinkebroeders. Of ik een rondje wodka wil meedrinken. In eerste instantie wil ik hem wegwuiven maar zijn grote, vriendelijke en onschuldige ogen maken dat ik van mening verander. Bovendien, wegwuiven is kansloos en zeer onbeleefd. En dus stem ik toe.

De beste man is zelf bepaald stomdronken en raffelt in rap Russisch allerlei. Ik antwoord naar beste weten. Niet dat het er toe doet overigens. De man praat toch gewoon door. Voor mij is het meer een kwestie van blijven zitten, af en toe een begripvolle knik, een toost uitbrengen en vooral die wodka consumeren. Gelukkig voor mij is de fles Bajkal wodka zo goed als leeg. En nog gelukkiger voor mij, de volgende stop, zo’n twintig minuten verderop, is het eindstation voor mijn gastheer. Toch slagen wij erin per persoon drie wodkaatjes uit de nagenoeg lege fles te persen en deze bijkans achteloos te consumeren. De aangeboden bruinige stukjes appel, om de smaak van de wodka te camoufleren, sla ik vriendelijk doch beslist af. Grappig genoeg, hierover wordt door mijn gastheer een stuk minder ophef gemaakt. Een wodka afslaan is not done maar een stukje appel kan probleemloos geweigerd.

                 

Beide nachten maak ik deel uit van één grote, ronkende, Russische massa. Een ieder nestelt zich tussen de schone lakens op een alleszins acceptabel bed. Veel van mijn medepassagiers zijn gekleed in kleurige pyjama’s met bijkleurende slippers of slofjes. Ze voelen zich thuis in deze trein. Althans die indruk heb ik. En met hen, heb ik hetzelfde gevoel.