Posts Tagged ‘strand’

Zondagavond rond een uur of zeven. Ik loop over de boulevard. Een digitale buitenthermometer geeft 30 graden aan. En zo voelt het ook. Het is warm, klam en zweterig. Een heel licht briesje van zee zorgt voor een heel klein beetje verkoeling. Maar echt helpen doet het niet. Ik zweet me in ieder geval nog steeds het ongans. Vertwijfeld vraag ik me af hoe ik die hitte te lijf moet gaan? Misschien dan toch maar in die Zwarte Zee zwemmen? Helaas, dit gaat niet. Ik heb namelijk mijn uitgaanspakje aan. En die leent zich niet voor een zwempartij.

En dus slenter ik, net als honderden Russen, langs winkeltjes vol snuisterijen en prullaria. T-shirts, mokken, magneten, badkleding. Dat soort zaken. Na twee etalages laat het me al volkomen koud. En met mij lijken ook de Russen, schreeuwende verkopers ten spijt, niet bepaald geïnteresseerd. Misschien is dit niet het juiste moment om te shoppen? Misschien is het tijd voor drank en spijzen? Want de desinteresse in de winkels staat in scherpe tegenstelling tot de aandacht voor de talrijke  restaurants en bars. Alle terrassen zitten vol. Een leeg tafeltje is een unicum. En zoals overal in Rusland zijn het vooral Italiaanse restaurants. Pasta of pizza, een Rus kan er niet genoeg van krijgen.

En zo slenter ik voort. Op zoek naar die ene plek waar ik nog wel kan zitten. Ondanks de drukte en de herrie – van alle kanten klinkt muziek, van Russische meezingers tot westerse rap – is het best vermakelijk en bijzonder verrassend. Sotjsi doet me denken aan Lloret de Mar of een soortgelijke Spaanse kustplaats. Zon, zee, strand, disco en drank spelen de eerste viool. Precies wat de jeugd begeert. Dat  Lloret de Mar op dit gebied hoog scoort, was me wel bekend. Maar van Sotsji wist ik dit niet. Rustig een Zwarte Zee vis verorberen is dan ook een illusie. Rondom mij joelen jeugdige Russen, driftig drinkend en rokend, naar voorbij wandelende meisjes. Ooit, in een vorig millennium, kon ik hiervan zelf geen genoeg krijgen. Maar tegenwoordig, zo merk ik, heb ik deze hormonenkermis na een uurtje wel gezien.

De volgende ochtend, terwijl de jeugd de roes uitslaapt, verken ik het centrum van de stad. Het is aangenaam rustig en stil. Een groot verschil met gisteren. Ik wandel rond in de haven, bezoek het Sotsji Museum en bewonder het enorme theater. Maar wat me toch vooral opvalt, zijn de palmbomen. Vooral omdat Sotsji in 2014 de Olympische Winterspelen zal organiseren. Hoe ik ook mijn best doe, ik kan me dit niet voorstellen. De stad ademt zon, zee en strand en doet in werkelijk niets denken aan ijzige temperaturen of sneeuwstormen. Toch, over ruim een jaar zullen Kramer en Tuitert hier hun Olympische schaatstitels moeten verdedigen.

Als ik later op een zonovergoten terras van een Russisch biertje nip, raak ik in gesprek met een local. Hij vertelt me dat de Olympische Winterspelen feitelijk helemaal niet in Sochi worden gehouden. Sotsji is, zo vertelt hij, de merknaam die gebruikt wordt om de grote sportevenementen in dit deel van Rusland te promoten. Maar Kramer en de zijnen komen in actie in Adler, een stadje op zo’n 20 kilometer van Sotsji. Terwijl de skiërs en de bobsleeërs hun kunsten in de bergen rondom Krasnaya Polyana zullen vertonen. Maar dit zijn dorpjes met slechts enkele hotels, zonder noemenswaardig nachtleven, zonder actie. Ik knik begrijpend en gerustgesteld. Inmiddels heb ik weliswaar ondervonden dat veel mogelijk is in Rusland. Maar skiën onder de palmbomen? Dat krijgt zelfs Poetin niet voor elkaar.

       

 

 

 

 

 

 

Ik besluit de dag te besluiten met een duik in de Zwarte Zee. Heb ik eigenlijk wel eens eerder in die zee gezwommen? Ik geloof eigenlijk van niet. Een primeur dus ! Op het strand liggen honderden dikkige Russen en Russinnen met karnemelkwitte lichamen te bakken. Geroosterd door de meedogenloze zon en gekastijd door de onbarmhartige stenen op het strand. Zelfs de korte wandeling naar de zee doet pijn aan mijn voeten. En ik vraag me dan ook verwonderd af hoe die Russen, vredig kijkend nota bene, hier plat op hun ruggen kunnen liggen.

 

Advertisements

‘Oh Samara, kleine stad. Ik voel me opgejaagd, sta me toe hier uit te rusten’. Zo gaan de eerste regels van een Russische meezinger. Een lied uit vervlogen tijden, want Samara is niet meer klein. Zoveel is me wel duidelijk als ik de stad binnenrijd. Vervallen flatgebouwen afgewisseld met vervuilende industrie rijgen zich aaneen. Zes uurtjes heb ik opgevouwen gezeten in een hete, lokale bus. Het mag dan niets zijn vergeleken met de, ongetwijfeld, barre reiscondities van destijds. Desondanks deel ik de blijdschap van de reizigers uit die tijden. De koelte van de Wolga lonkt net als de stranden aan haar oevers.

   

Op het busstation geeft een thermometer een schrikbarende 46 graden Celsius aan. De taxichauffeurs ontwaken dan ook met moeite uit hun siësta. Liever zouden ze onder de boom blijven liggen. Misschien is dit de reden dat ze een woekerprijs vragen? Ik negeer ze en besluit een trolleybus te nemen. Die rijden altijd en overal. Als ik instap, glimlacht de conductrice zelfs een ‘welkom in Samara’ naar me. Ik glimlach, blij verrast, terug.

Wel voel ik me nog steeds opgejaagd. Het is te heet om aan iets anders te denken dan aan een verkoelende zwempartij. Maar tot nu toe van de Wolga geen spoor. In plaats hiervan zie ik oude en vervallen houten huizen. Die moeten ’s zomers toch veel te warm zijn om in te wonen? En ’s winters toch veel te koud? Her en der zie ik de uivormige torens van orthodoxe kerken. Die zijn overal in Rusland, maar ze blijven evengoed bekoren. Het valt me op dat overal wordt gebouwd en gerenoveerd. Volop actie om van deze stad een parel aan de Wolga te maken.

Als ik eindelijk de rivier zie, verdwijnen al mijn gedachten spontaan. Het doel is bereikt. Inwendig schreeuwend van vreugde rep ik mij naar het water. Eindelijk. Zwemmen in de Wolga. Wat wenst een mens nog meer? Niets! Dit is de beste plek om de rest van de middag en de avond door te brengen. Zoveel is wel zeker. En met mij denken velen hetzelfde. Want het strand is vol.

Wanneer, laat op de avond, de temperatuur naar een draaglijker niveau daalt, laat ik het strand voor wat het is en besluit mijn zwembroek in te wisselen voor een flaneeroutfit. Samara schijnt namelijk, zo heb ik zelfs in Moskou gehoord, in een hevige tweestrijd te zijn verwikkeld met Volgograd als het gaat om waar de mooiste vrouwen van het land wonen. Als dit geen veelbelovend vooruitzicht is?

                                          

Langs de oever van de Wolga is een kilometerslange promenade aangelegd. De plek waar op zwoele zomeravonden half Samara haar vertier vindt. Ook voor de lokale schonen is dit een uitgelezen plek om hun flaneerkunsten te vertonen. Ik koop, net als de Russen, een fles bier in een kiosk en zetel me op een bankje. Ik realiseer me dat het met mijn integratieproces bepaald de goede kant opgaat. Als ik binnenkort maar niet ophoud met glimlachen, schrik ik. Links en rechts van me schalt muziek uit luidsprekers. De lokroep van de vele openluchtbars. Voorlopig aan dovemansoren gericht. Hun tijd is nog niet aangebroken.  

Skaters. Fietsers. Jonggeliefden hand in hand. Prachtige vrouwen in met zorg geselecteerde outfits. Paris Hiltonachtige hondjes. Allemaal laten ze vol overtuiging zien wat ze in huis hebben. Ergens doet het denken aan een willekeurige boulevard in het zuiden van Europa. Toch is het anders. Daarvoor zorgt de Russische muziek vanuit de strandtenten, de rook van de geroosterde sjaslieks en de vele bierdrinkende mannen die in een slobberige joggingbroek en met ontbloot bovenlijf rondstruinen.

                                         

Zondagmiddag, de zon schijnt uitbundig door mijn ramen. Ik probeer me te concentreren op die Russische les die ik eigenlijk al gisteren had willen afronden. Het lukt maar matig. Slecht eigenlijk. Telkens kijk ik naar buiten en telkens zie ik de zon uitbundiger schijnen. Waarom krijg ik die Russische woorden en die onmogelijke grammatica niet in mijn systeem? Het lijkt wel alsof mijn hersenen weeïg zijn. Alsof er geen ruimte meer is voor woorden die niet met zomer en zon te maken hebben. Eigenlijk, zo weet ik al, is het zinloos nog langer te blijven zitten. Het Kuzminki park, letterlijk op een steenworpafstand van mijn appartement, heeft een te grote aantrekkingskracht. Daar moet ik zijn.

Ik prop een laken en een fles water in mijn rugzak, zet mijn zonnebril op en realiseer me nog net op tijd dat ik ook een studieboek kan meenemen. Misschien leer ik die woorden wel probleemloos als ik aan het water lig. Ik stap op mijn fiets en ga richting park. De hele buurt lijkt wel in rep en roer. Zoveel mensen op straat. Mannen stellen hun bovenlichaam bloot aan de zon. Niet meteen het meest aantrekkelijk aangezicht, vind ik. Vaak zijn ze niet alleen karnemelkwit door de te lange winter maar ook zijn ze opgezwollen door een te veel aan zware Russische winterkost en Russische biertjes. Maar het deert ze niet, zie ik. Velen lopen ook nu rond met een fles bier in de ene en een sigaret in de andere hand. Bovendien, ze lijken wel te glimlachen. Niet meteen een alledaags verschijnsel hier in Kuzminki. De zon verricht echt wonderen vandaag.

In het park is het van hetzelfde laken een pak. Meer mannen met ontbloot bovenlijf teisteren mijn aangezicht. Maar hier doen ook de vrouwen ijverig mee. In prachtige vooroorlogse bikini’s showen ze de rest van de mensheid hun indrukwekkende lichamen. Ik realiseer me dat van Russisch leren in dit park helemaal niets terecht zal komen. Er is hier veel te veel vertier om zelfs maar het boek uit mijn tas te halen. En ook die fles water laat ik ongemoeid. In plaats daarvan ga ik naar de kiosk en koop, als een echte Rus, een fles Baltika 3. Het topbiertje, wat mij betreft althans, van Rusland. Ik leg mij neder op mijn lakentje en spied, door mijn zonnebril, de omgeving af.

Recht voor mij staat een enorme vrouw in een kanariegele bikini voor zich uit te staren. In haar hand een sigaret waarvan ze driftig rookt. Ze lijkt wel boos. Zo woest lurkt ze aan haar sigaret. Als ze begint te schreeuwen richting het water, realiseer ik me dat ze haar zoontje bestraffend toespreekt. Die is net in het water gesprongen en om de een of andere reden keurt zij dit af. Op zich te begrijpen want aan de waterkant staan borden dat zwemmen hier verboden is. Toch, vele Russen hebben hier maling aan en liggen met hun dikke lijven triomfantelijk in het water te spartelen. Zoonlief mag echter niet en bedeesd keert hij terug naar moeders. Langs de waterkant liggen en zitten veel stelletjes. Jong verliefden zitten vooral aan elkaar terwijl de ouderen voornamelijk aan bier en sigaretten zitten. Flink wat vrouwen zonnen topless valt me op. Jammer genoeg, het lijkt wel alsof vooral de oudste en de dikste zich dit durven te veroorloven. Een echt opwindend aangezicht is het daarom bepaald niet.

Na een uurtje en twee Baltika’s heb ik het wel gezien. Genoeg zwaarlijvigheid voor vandaag. En om te voorkomen dat ikzelf te veel in die richting ga, besluit ik een rondje te fietsen door het park. Let wel, het Kuzminki park is, net als bijna alles hier in Moskou, enorm groot. En met een rondje fietsen verbruik ik, met gemak, de calorieën die ik net heb geconsumeerd.

   

Op een doordeweekse dag heb ik delen van dit park welhaast voor mezelf. Maar vandaag is dit wel anders, zo realiseer ik me al snel. Om te voorkomen dat Rusland te zeer vergrijst en dat, op de hele lange termijn, Russen zouden ophouden te bestaan, hebben de heren Poetin en Medvedev bedacht dat een kindvriendelijker beleid noodzakelijk is. Daarom worden geboortepremies toegekend voor het tweede (en volgende) kind, is de kinderbijslag verhoogd en is de duur van het ouderverlof verlengd. Hier in Kuzminki werkt dit beleid als een tierelier, zo wordt mij vanmiddag wel duidelijk. Al slalommend baan ik mij een weg langs jonge moeders, overduidelijk alweer zwanger, die hun kinderwagen of buggy voortduwen. Langs spelende  kinderen. Langs kwispelende honden waarvoor, gelet op de aantallen, ook een premie wordt uitgeloofd. Van doorfietsen kan geen sprake zijn, hiervoor is het gewoon te druk.

Dieper in het park zie ik hele gezinnen, zittend op plastic stoeltjes en aan plastic tafeltjes, verorberen ze hun zondagmiddagmaal. Als ik langsfiets, ruik ik geroosterd vlees. De Russische shaslick, weet ik uit eigen ervaring, is een fantastische manier om een zonnige zondag door te brengen. Flinke hoeveelheden vlees op de barbecue, een flesje vodka op tafel en dit met vrienden of familie consumeren. Veel beter bestaat er niet.

Na een nachtelijke treinreis kom ik vroeg in de ochtend aan in Balkhash. Een ingedut stadje aan de oever van Lake Balkhash. Eén van de grootste meren in Centraal-Azië, aanzienlijk groter, bijvoorbeeld, dan onze Randstad. Nog slaperig van het gewiebel in de trein, ietwat dizzy van de warmte en volkomen ongewis van wat mij te wachten staat, wandel ik het station uit. Een heerlijk gevoel dat mijn hart vol verwachting laat kloppen. Brede straten met aan weerszijden en in het midden rijen bomen. Het geeft een vriendelijke en aangename eerste indruk. Maar in tegenstelling tot Astana is de façade hier heel eenvoudig te doorgronden. Want onder de bomen bieden oude mannetjes en vrouwtjes hun summiere koopwaar aan. Een paar stukjes fruit of groente uit eigen tuin. Een litertje melk van eigen koe of paard. Een paar pakjes sigaretten. Oude auto’s en bussen vinden slalommend hun weg. Het is me al snel duidelijk waarom. De talrijke en diepe gaten in het wegdek zijn obstakels die zij alleen op deze wijze kunnen overwinnen. Het valt me op dat twee van de belangrijkste straten hier Lenin en Karl Marx heten. Dit geeft te denken. Net als het standbeeld van Lenin dat nog steeds op zijn voetstuk staat, midden op het centrale plein. Wellicht een subtiele verwijzing naar betere tijden? Eén van de inwoners vertelt me dat deze stad pas in 1932 is gebouwd. Onbegrijpelijk vind ik dit want elk gebouw dat ik zie, lijkt minimaal 150 jaar oud te zijn. Gefascineerd loop ik door de straten. Toegegeven, het is niet mooi. Eerder lelijk eigenlijk. Hier geen enorme kranen die allerlei futuristische gebouwen uit de grond stampen. Geen vrolijke bloemenperkjes in de nationale kleuren. Het is stoffig en kaal. Nazarbajev, de president, laat het hier schrikbarend afweten. En dat realiseert hij zichzelf opperbest. Ongetwijfeld daarom prijkt, ter compensatie, zijn foto op elke hoek van elke straat. Glimlachend met kindertjes. Met wijdse armgebaren de aandacht vestigend op weer een nieuw gebouw elders in het land. Of eenvoudigweg poserend als staatshoofd. Altijd met een glimlach, een vaderlijke blik en een ‘alles komt goed uitstraling’. Niemand hoeft zich zorgen te maken. Maar als ik rondkijk, weet ik wel beter. En met mij de bewoners. Want ik zie slechts bezorgde gezichten. Gefronste wenkbrauwen. Schuchtere blikken. Hier is geen zelfvertrouwen, geen positivisme, geen hoop, geen geloof meer. Deze stad ademt verslagenheid. Hier komt het nooit meer goed. Althans, niet onder het bewind van deze Zonnekoning.

 

Als de zon hoger en hoger aan de hemel komt te staan, wordt de lokroep van het meer sterker en sterker. Het hemelsblauwe water kan niet anders dan heerlijk zijn. Ik wil naar Akwa Co. Mijn low budget resort aan Lake Balkhash. De toegangspoort is niets dan een verzameling oud ijzer en een vervallen houten huis. Drie of vier honden blaffen om het hardst. De grootste aan een ketting, de andere drie niet. Een honderdtal meters verder liggen de huisjes, bijkans in het meer. Ik loop in die richting. Overal ligt ijzer, overal groeit onkruid. Maar met elke stap die ik zet, nader ik het koele, glinsterende water. Fantastisch! Zo mooi dat mij nauwelijks opvalt dat er een roestige boot op het strandje ligt. Als een nieuwe ark van Noach wacht het op een nieuwe zondvloed? Neen, het lijkt mij niet. Die boot is oud, lek, reeds vergaan en zal de lokale bevolking niet meer kunnen redden. Ook staat er een aftandse auto zonder wielen en interieur. Alleen het stuur zit er nog in. Ik kijk naar links en zie het hotel. Een woeste verzameling hutjes in een stoffige woestenij. Wanneer de eigenaar de deur opent van mijn hut slaat mij een muffe geur tegemoet. Een nat bankstel in de kamer? De eerste keer dit jaar dat deze deur opengaat? Motten in een oude jas? Ik stap naar binnen, probeer de geur te negeren en tegelijkertijd de goede kanten van het hutje te zien. Die zijn er weinig, moet ik eerlijk toegeven. Tot ik me omdraai en het meer, wederom, in volle glorie voor me zie. Spontaan ruik ik niets dan zoetigheid. Hoor ik slechts het zacht gezoem der bijen. Deze kamer is voor mij. Hier ga ik slapen! Voor iets meer dan 10 euro, een spotprijs, is dit mijn paleis de komende nachten. Maar nu naar het meer, daar wil ik heen! Ik haast me in mijn zwembroek en ren als een jonge hond, wild zwaaiend met al mijn ledematen, het water tegemoet. Eén stap in het water doet mij abrupt afremmen. Verdorie! Stenen! Met punten! Even snel ren ik terug. Schiet mijn slippers aan. Meteen keer ik en maak dezelfde ren. De puntige stenen deren mij niet meer. Ik voel slechts het water. Aan de ene kant van mijn lichaam zoet aan de andere kant zout. Ik loop en loop. Maar dieper wordt het niet echt. Inmiddels sta ik minimaal vijftig meter van de kant maar nog steeds is mijn zwembroek niet nat. Het lijkt er sterk op dat ik, als ik wil zwemmen, ook kniebeschermers zal moeten dragen.

Het opgeknapte deel van Odessa, nabij de Zwarte Zee, verken ik na de lunch. Lantaarnpalen, gekopieerd uit vroeger tijden, maken dat de sfeer als ouderwets mag worden gekenschetst. Vooral ook omdat de gebouwen in dit gedeelte van de stad vooroorlogs (welke oorlog is dit hier eigenlijk) zijn. Het meest gefotografeerde beeld van Odessa is Puschkin. Puschkin, de vertegenwoordiger van al het kwaad en het voorbeeld van wat de mensheid verafschuwt aan de man en tegelijkertijd adoreert. Hij, de deugniet, de verleider en de recalcitrant uit Moskou. Verbannen van aldaar vanwege wangedrag en al te vrijpostige opvattingen en met gesloten armen ontvangen in Odessa. Hij maakt zich binnen de kortste keren onmogelijk in upper class Odessa vanwege ordinaire versierpogingen. Een geslaagde flirt met de vrouw van de gouverneur en daarnaast met de vrouw van de opperbevelhebber maakt dat hij binnen het jaar dit kleinburgerlijk oord dient te verlaten. Maar blijkbaar kan dergelijk wanstaltig gedrag wel beklijven, aangezien, op dit moment, honderd jaar later, Puschkin als topper en ereburger van de stad wordt beschouwd. Zelfs het minimale museum, met prachtige Sovjetvrouwen, deelt mee in deze vreugde. Iets voor vijf uur in de middag kom ik hier binnen en eerlijk gezegd, alles wekt de indruk, dat ik de eerste bezoeker ben. Drie dames zitten in een donkere zaal, minimaal verlicht door een heel klein schemerlampje, te dommelen. Vreemd kijken ze op, verstoord in hun dagdromen bijna. Toch schieten ze vrijwel meteen in hun rol van toezichthouder. Zes uah, net geen euro, dien ik te betalen en voor dit bedrag krijg ik een toegangskaartje waarop CCCP (USSR) staat gedrukt! En zo is het ook qua sfeer in dit museumpje. De tijd heeft simpelweg stilgestaan. Drie ruimtes zijn er in het museum en 1 van de dames loopt met mij mee om, per kamer, de lichtknop om te draaien. Echt veel is er, eerlijk gezegd, niet te zien dus alras beland ik in de tweede ruimte. Voordat het licht hier aangaat, gaat eerst het licht uit in de eerste kamer. Zo sta ik dus een paar seconden in het donker, tussen allerlei Pushkin memorabilia, terwijl de baboeska langs me sloft op zoek naar de lichtknop. Het mooiste moment eigenlijk in dit museum. In een minuutje of tien zie ik het hele museum en na een vriendelijk ‘spaseba’ richting de dames vertrek ik.

      

Buiten wordt het inmiddels wat donker en met het verdwijnen van de zon neemt de kou rap toe. Het moment om even terug te gaan naar het hotel voor een moment van onthaasting. Ik heb gekozen te verblijven in het oude Sovjethotel Passage. Ietwat vergane glorie maar tegelijkertijd ligt de sfeer van de communistische wereld hier nog gewoon op het tapijt, in de hal en in de kamers. De entree is enorm groot en de spiegel is ruim groot genoeg voor een giraffe om zichzelf in te bekijken. Ook de hal op weg naar mijn kamer is minimaal zes meter hoog. En in mijn kamer kan ik met gemak een tango dansen en daarna in een andere ruimte een flikflak uitvoeren. Blijkbaar ging het allemaal om grootsheid en oppervlakte. Waarom vraag ik me af? Het meubilair in mijn kamers is heel duidelijk ook nog uit deze tijden. Het bed kraakt, is kort, te zacht. De sofa’s zijn versleten en zakken door. Het bad is roestig en de poten zullen binnenkort definitief breken. En alles ademt stof. Ondanks de aanwezigheid van een servicedame op iedere etage is het stof niet tegen te houden. Het komt simpelweg door de vele kieren en gaten, verschuilt zich in tapijten om in de avond en de nachten tevoorschijn te komen. Geen kruid tegen gewassen en geen servicedame die hier tegen kan werken. Trouwens, ook zo’n fenomeen in dergelijke hotels: servicedames. Voor een kopje thee, een gestreken overhemd of een gepoetste schoen is een telefoontje (of beter wandeling) naar haar voldoende. Overhandig het betreffende item en na kortere of langere tijd zal, tegen betaling van een minimaal bedrag, het gevraagde worden uitgevoerd. Welk een aangename, persoonlijke service.
De TV, het enige moderne apparaat in mijn kamer vertoont uitsluitend Russisch en Oekraïens entertainment. Zelfs CNN of BBC World wordt geboycot in dit hotel. Nodeloze buitenlandse inmenging blijkbaar. Aangezien de wedstrijd tussen Sportclub Grozny en Spartak Moskou me niet echt kan bekoren, besluit ik na een douche wederom de stad in te duiken. Iets van voedsel met iets van een biertje lijkt me wel wat.
Toevallig heb ik gedurende de dag een Ierse pub gespot in de belangrijkste winkelstraat en na een ruime dag rondwandelen besluit ik mezelf te trakteren op een pint bier en wat Engels vertier in deze pub. Ik word niet teleurgesteld want meteen bij binnenkomst hoor ik de Engelse muziek en luide stemmen van mensen die, ondanks het tamelijk vroege uur, al enigszins galmend hun verhaal doen. Niet omdat elders het bier niet te drinken is, in tegenstelling, de Baltika smaakt overal uitstekend. Maar na een dag Russisch en Oekraïens is mijn geest simpelweg toe aan iets dat makkelijker te verstaan en te begrijpen is. Mezelf onderdompelen in vreemde, of in ieder geval andere, culturen is nog steeds 1 van mijn grootste liefhebberijen. Maar hieruit ontsnappen met een pint en Engelssprekende mannen rondom is zeer zeker op zijn tijd ook prettig.

Is het toevallig dat al deze mannen sterk op elkaar lijken? Ooit geboren om zaken te doen in Odessa, zo lijkt het. Eerlijk gezegd, ze bevestigen alle vooroordelen van zakenmannen in deze contreien. Ze zijn slecht gekleed, gulpen enorme hoeveelheden bier naar binnen en zijn, waarschijnlijk onder andere hierdoor, nogal vettig tot vet. Ik weet welhaast zeker dat na nog wat biertjes de lokale stripteasetent op het program staat. Of in ieder geval, de discotheek waar de meisjes van plezier breed glimlachend op ze zitten te wachten. De zuurverdiende euro’s belanden vast en zeker ergens in tal van kanten of zijden slipjes of beha’s. Kortom, de hoofden zijn weliswaar groot en omvangrijk maar evengoed leeg. De barkeepster daarentegen fleurt de zaak bepaald op. Ze is perfect met haar prachtige, volle lippen, haar fantastische kapsel en haar heerlijke arrogante uitstraling.
Is het trouwens wel normaal dat ik, zelfs hier in Odessa, telkens over vrouwen schrijf? Daarvoor is een reis toch niet bedoeld? Alsof ik alle mooie vrouwen in Nederland en België al heb mogen aanschouwen! Of geeft dit aan dat deze stad op andere vlakken niet voldoende te bieden heeft? Welnu, ook dit is geenszins het geval. Zelden zo prettig gevoeld in een volkomen vreemde stad.
Ondertussen in de bar worden de stemmen luider terwijl het niveau van de conversaties omgekeerd evenredig afneemt. Een of ander vage Canadees staat aan mijn tafel. Begint na het standaard ‘where are you from’ ook meteen over de vrouwen te praten. Dus op dat vlak is hij niet vager dan ik ben. Hij informeert me dat na nog wat meer biertjes in deze pub, hij en zijn vrienden zullen vertrekken naar een discotheek waar de vrouwen wulps zijn. Ik ben wel benieuwd naar zo’n club en heb eigenlijk wel oren naar zijn voorstel ze te vergezellen. Zijn laatste opmerking maakt echter dat ik volkomen van mening verander. Hij vertelt me namelijk dat hij gisteren seks heeft gehad met een vrouw met slechts 1 oog. Ongetwijfeld wulps maar een vrouw met 1 oog is toch, hoe mooi voor de rest ook, onder mijn ondergrens.

Links van me zit een mannetje gay video’s te bekijken. Met open mond en volkomen gefascineerd. Hij is zich niet meer bewust van zijn niet-virtuele omgeving. Rechts van me een jongetje dat extreem gewelddadige videospelletjes speelt. Bijzonder fanatiek bovendien. Bij voortduring moedigt hij zichzelf aan. Tussendoor een ingetogen vreugde juichend bij het neerhalen van weer een virtuele tegenstander. Moderne tijden in een nieuwe stad. Het past inderdaad probleemloos. Na bijna twee dagen in Astana, de nieuwe hoofdstad van Kazachstan, heb ik althans de façade van moderniteit, rijkdom en welvaart nog niet kunnen doorbreken.

         

Vanaf het Bayterek monument, een 105-meter hoge weergave van de wereldvoetbalbeker, is het uitzicht als in een golfstaat. Een Kaspisch Qatar. Waar ik ook kijk; links, rechts, voor en achter, overal staan allerlei futuristische en hippe gebouwen. Het nationaal archief in de vorm van een enorm ei. Een luxueus hotel met een dak van een Chinese tempel. Een hagelwitte moskee die niet of nauwelijks gebruikt lijkt te worden. Een enorme yurt die dienst doet als overdekt winkelcentrum. En tussendoor overal bloemen in prachtig geel, rood en oranje. Of enorme hijskranen die op de open plekken bouwen aan meer nieuwigheden.

Nog in 1997 was Astana een slaperig stadje in het absolute niemandsland. En nog steeds, noord, oost, zuid of west, welke kant een inwoner van deze stad ook op wil, altijd is het naar nergens. Daarbij, het klimaat alhier is bepaald vijandig. In de zomers is het heet, ook vandaag is het ruim boven de 30 graden. De winters zijn berucht koud met temperaturen tot minus 40 en fikse winden die vanaf de vlakke steppe komen aanwaaien. Het is bikkelen. In elk jaargetijde! Toch besloot Nazarbajev, de president van Kazachstan, in 1997 dat Astana de hoofdstad van het land moest worden. Argumenten? Almaty, de oude hoofdstad, zou te ver verwijderd zijn van Rusland. Astana en omgeving zou te weinig Kazach zijn. En Almaty zou in een te aardbevingsgevoelig gebied liggen. Eerlijk gezegd, ik denk dat dit slechts voorwendsels waren. Mijn onderbuikgevoel zegt mij dat Nazarbajev hoe dan ook een stad wilde creëren ter meerdere eer en glorie van hemzelf. Naar goed Centraal-Aziatisch gebruik. Per slot van rekening, zijn buurman in Turkmenistan had hem laten zien hoe absolute macht te laten samengaan met algehele pronkzucht.

Zo kwam dus een eind aan het hoofdstedelijke bestaan van Almaty. De stad met verreweg de meeste wereldse allure in Centraal-Azië. Van Nazarbajev moesten alle overheidsdiensten meteen maar verhuizen. Naar tijdelijke kantoorpanden in het oude, slaperige gedeelte van Astana. Onderwijl legde hij contacten met beroemde architecten en begon het bouwen aan de nieuwe stad. Een langdurig proces want van niets iets maken in deze steppe kost tijd, moeite en een boel geld. Maar niets kon hem weerhouden. Het nieuwe Astana zat al in zijn systeem en daarmee was het slechts een kwestie van tijd alvorens dit gerealiseerd zou zijn.

En ik moet toegeven, het is fascinerend te zien hoe een complete nieuwe stad uit de grond wordt gestampt. Evengoed, de protserige smaak vol extremiteiten kan niemand onberoerd laten. Niet iedereen zal het kunnen waarderen maar ik vind het klasse en stijl hebben. Tegelijkertijd vraag ik me sterk af of dit soort dikdoenerij de juiste manier is een minder ontwikkeld land als Kazachstan voort te stuwen in de vaart der volkeren. Ik meen, bescheiden als mijn mening is, van niet.

Terwijl ik uitkijk vertelt de gids in het rode rokje en het witte bloesje mij honderduit. Ze lijkt heel trots te zijn op alles wat hier gebeurt. Toch is haar façade veel minder moeilijk te doorgronden. Want als ik haar vraag wat ze van al deze bouwwerken vindt, wendt ze besmuikt het hoofd. Staande op het plateau van het Bayterek monument, op precies 97 meter (geen toeval) hoogte, wijst ze me op de handafdruk van Nazarbajev. Elke bezoeker kan zijn of haar hand in die van Nazarbajev leggen en een wens doen. Ze glimlacht naar me en schudt haar wijze hoofd. Zijn eigen fabeltjes mag hij dan geloven. Al zijn onderdanen weten wel beter.

In de yurt die ik vanaf het monument heb zien liggen is de sfeer welhaast als in een Amerikaanse mall. Winkelplezier, amusement, restaurants en bars zijn hier allemaal te vinden. Vooral het subtropische zwemparadijs op de bovenste verdieping spreekt tot de verbeelding. De temperatuur is hier altijd tropisch, zowel in de zomer als in de winter. Het is een dorp op zich in deze nieuwe wereldstad. Geniaal bedacht door de architect, die tegenstelling tussen yurt en moderniteit. Ook Nazarbajev schijnt dit te vinden. Want op het moment dat ik dit luxedorp verlaat, stapt hij, omringd door een tiental bodyguards, net naar binnen! Gul glimlachend en royaal zwaaiend naar mij en naar de rest van de mensheid.