Posts Tagged ‘Sochi’

Zondagavond rond een uur of zeven. Ik loop over de boulevard. Een digitale buitenthermometer geeft 30 graden aan. En zo voelt het ook. Het is warm, klam en zweterig. Een heel licht briesje van zee zorgt voor een heel klein beetje verkoeling. Maar echt helpen doet het niet. Ik zweet me in ieder geval nog steeds het ongans. Vertwijfeld vraag ik me af hoe ik die hitte te lijf moet gaan? Misschien dan toch maar in die Zwarte Zee zwemmen? Helaas, dit gaat niet. Ik heb namelijk mijn uitgaanspakje aan. En die leent zich niet voor een zwempartij.

En dus slenter ik, net als honderden Russen, langs winkeltjes vol snuisterijen en prullaria. T-shirts, mokken, magneten, badkleding. Dat soort zaken. Na twee etalages laat het me al volkomen koud. En met mij lijken ook de Russen, schreeuwende verkopers ten spijt, niet bepaald geïnteresseerd. Misschien is dit niet het juiste moment om te shoppen? Misschien is het tijd voor drank en spijzen? Want de desinteresse in de winkels staat in scherpe tegenstelling tot de aandacht voor de talrijke  restaurants en bars. Alle terrassen zitten vol. Een leeg tafeltje is een unicum. En zoals overal in Rusland zijn het vooral Italiaanse restaurants. Pasta of pizza, een Rus kan er niet genoeg van krijgen.

En zo slenter ik voort. Op zoek naar die ene plek waar ik nog wel kan zitten. Ondanks de drukte en de herrie – van alle kanten klinkt muziek, van Russische meezingers tot westerse rap – is het best vermakelijk en bijzonder verrassend. Sotjsi doet me denken aan Lloret de Mar of een soortgelijke Spaanse kustplaats. Zon, zee, strand, disco en drank spelen de eerste viool. Precies wat de jeugd begeert. Dat  Lloret de Mar op dit gebied hoog scoort, was me wel bekend. Maar van Sotsji wist ik dit niet. Rustig een Zwarte Zee vis verorberen is dan ook een illusie. Rondom mij joelen jeugdige Russen, driftig drinkend en rokend, naar voorbij wandelende meisjes. Ooit, in een vorig millennium, kon ik hiervan zelf geen genoeg krijgen. Maar tegenwoordig, zo merk ik, heb ik deze hormonenkermis na een uurtje wel gezien.

De volgende ochtend, terwijl de jeugd de roes uitslaapt, verken ik het centrum van de stad. Het is aangenaam rustig en stil. Een groot verschil met gisteren. Ik wandel rond in de haven, bezoek het Sotsji Museum en bewonder het enorme theater. Maar wat me toch vooral opvalt, zijn de palmbomen. Vooral omdat Sotsji in 2014 de Olympische Winterspelen zal organiseren. Hoe ik ook mijn best doe, ik kan me dit niet voorstellen. De stad ademt zon, zee en strand en doet in werkelijk niets denken aan ijzige temperaturen of sneeuwstormen. Toch, over ruim een jaar zullen Kramer en Tuitert hier hun Olympische schaatstitels moeten verdedigen.

Als ik later op een zonovergoten terras van een Russisch biertje nip, raak ik in gesprek met een local. Hij vertelt me dat de Olympische Winterspelen feitelijk helemaal niet in Sochi worden gehouden. Sotsji is, zo vertelt hij, de merknaam die gebruikt wordt om de grote sportevenementen in dit deel van Rusland te promoten. Maar Kramer en de zijnen komen in actie in Adler, een stadje op zo’n 20 kilometer van Sotsji. Terwijl de skiërs en de bobsleeërs hun kunsten in de bergen rondom Krasnaya Polyana zullen vertonen. Maar dit zijn dorpjes met slechts enkele hotels, zonder noemenswaardig nachtleven, zonder actie. Ik knik begrijpend en gerustgesteld. Inmiddels heb ik weliswaar ondervonden dat veel mogelijk is in Rusland. Maar skiën onder de palmbomen? Dat krijgt zelfs Poetin niet voor elkaar.

       

 

 

 

 

 

 

Ik besluit de dag te besluiten met een duik in de Zwarte Zee. Heb ik eigenlijk wel eens eerder in die zee gezwommen? Ik geloof eigenlijk van niet. Een primeur dus ! Op het strand liggen honderden dikkige Russen en Russinnen met karnemelkwitte lichamen te bakken. Geroosterd door de meedogenloze zon en gekastijd door de onbarmhartige stenen op het strand. Zelfs de korte wandeling naar de zee doet pijn aan mijn voeten. En ik vraag me dan ook verwonderd af hoe die Russen, vredig kijkend nota bene, hier plat op hun ruggen kunnen liggen.

 

Advertisements

Zondagmorgen acht uur en ik sta al op het station. Van Krasnodar. Te wachten op de trein naar Sochi. Ondanks het vroege uur is het al flink warm. Zelfs op slippertjes, in kort broekje en T-shirtje kostte het me nog aardig wat zweetdruppels mijn koffer de trappen op en af te slepen. Verhit en met klotsende oksels probeer ik weer op adem te komen. Nu maar hopen dat de trein modern is en een airco heeft.

Wanneer even later de trein het station binnenrolt, zie ik meteen dat mijn hoop op een airco een ijdele is. Het is een oud gevaarte. En alle ramen die open kunnen, staan dan ook open. Niet dat dit meteen veel helpt overigens. Russische treinen zijn weliswaar uitstekend warm te krijgen. Zelfs midden in de winter is het binnen met gemak dertig graden. Maar frisse en koude lucht in hartje zomer is een utopie. Dat wordt dus een warm dagje vol ontblote bovenlichamen en puffende en steunende mensen rondom. En omdat deze trein ruim 20 uur geleden al is vertrokken uit Moskou, wat betekent dat veel van mijn toekomstige medepassagiers erin hebben gegeten, gedronken, geslapen en wie weet wat nog meer, zullen ook de geuren niet meteen de aangenaamste zijn. Een combinatie van oud zweet, worsten, fruit, bier en slaap, zo vermoed ik.

Ondanks de afstand van 1.200 kilometer tussen Moskou en Krasnodar arriveert de trein stipt op tijd  op het station. Werkelijk op de minuut nauwkeurig. Ooit verbaasde ik me hierover. Inmiddels heb ik me wel gerealiseerd dat de Russische spoorwegen twee fantastische manieren hebben gevonden altijd op tijd te zijn. Allereerst, de gemiddelde snelheid ligt behoorlijk laag. Voor deze trein zo rond de 60 kilometer per uur. Inderdaad niet meteen een voorbeeld van een hogesnelheidstrein. Ten tweede, op belangrijke stations staat de trein zomaar 30 tot 40 minuten stil. Zogenaamd om bij te tanken, eventueel van machinist te verwisselen en dergelijke. Maar het geeft ook mooi de gelegenheid eventuele vertragingen probleemloos goed te maken.

Net als ik op het punt sta mijn wagon en mijn zitplaats op te zoeken, komen drie imposante dames afgedaald van de stationstrap. Ik schat ze in totaal toch op ruim 400 kilo. Twee zijn echt enorm en de derde is hard op weg enorm te worden. Gekleed in ultrastrakke leggings (welke legging zit niet strak om zulke benen?)en in niets verhullende hemdjes. Overduidelijk met de konijnen los in hun hokken. Ik kijk gebiologeerd toe. Uiterst langzaam schrijden zij voort. Op naar hun eigen wagon, zo vermoed ik. Gelukkig voor ze dat die Russische spoorwegen geen haast hebben op stations!

Of het nu mijn starende blik is, mijn opengevallen mond of slechts toeval, ik heb geen idee. Feit is wel dat de dunste van de drie, die ik toch nog steeds op 120 kilo schat, juist aan mij vraagt waar wagon 12 is. Ik antwoord in het Russisch dat ik dit niet weet. Drie woorden slechts. Maar evengoed voldoende om mijn buitenlandse afkomst te verraden. Honderdtwintig kijkt me verrukt aan en mindert langzaam vaart. Een buitenlander! Zo lees ik in haar ogen. Hier in Krasnodar! Langzaam komt ze in mijn richting geschuifeld. Het is duidelijk, ze wil meer weten van die lange. Ook dat lees ik in haar ogen.

Haar twee enorme vriendinnen hebben inmiddels gemerkt dat Honderdtwintig niet meer in de buurt is. Ook zij houden daarom langzaam halt. Ze schreeuwen naar Honderdtwintig dat ze niet moet talmen. Het is aan dovemansoren gezegd. Die trein wacht wel, maar die buitenlander wellicht niet. En zo staat ze voor me. Met iets van een begeerlijke blik. Ik kan natuurlijk makkelijk ontsnappen. Zeker weten dat ze me niet kan bijhouden. Toch blijf ik gewoon staan, het is ook veel te warm om te vluchten. Ik glimlach een beetje schaapachtig, vermoed ik. Niet precies wetend wat te doen. En zo staat zij eigenlijk ook tegenover me. Misschien realiseert ze zich dat er een kans is dat ik haar niet zal begrijpen? Misschien wilde ze mij alleen maar van dichtbij zien? Misschien is ze opeens verlegen?

Inmiddels schreeuwen haar vriendinnen moord en brand. Wat ze precies zeggen, krijg ik niet helemaal mee. Maar de ‘bljads’ en ‘sukas’ zijn niet van de lucht. Grimmigheden alom, zoveel is dus wel duidelijk. En het blijkt dat Honderdtwintig hiervoor niet ongevoelig is. Want opeens draait ze zich om, werpt me in haar draai een raadselachtige glimlach en een kushandje toe en vertrekt.