Posts Tagged ‘rust’

Altijd moet ik maar weer ver. Naar oorden waarvan menigeen niet eens het bestaan kent. Vreemde culturen proeven, op jacht naar het onontdekte en op zoek naar spanning. Een vreemde gewoonte eigenlijk. Want vandaag realiseer ik me dat zelfs de directe omgeving rondom mijn ouderlijk huis, voor een deel, onontdekt terrein is voor mij.

     

Het is zondagochtend als ik op mijn fiets stap. Bij het verlaten van het ouderlijk huis is mijn moeder al bezig het warme middagmaal te prepareren. En mijn vader wikt en weegt talrijke wijnen in de wijnkelder. Ik zwaai een tot ziens alsof ik inderdaad naar verre oorden vertrek en rijd met fikse snelheid het erf af. Het is koud, guur, grijs en ik ben dan ook blij dat ik goed ingepakt op mijn fiets zit. In stevige tred, ook al is het alleen maar om warm te blijven, vertrek ik richting het noordoosten. Het is stil op straat. Ik vermoed dat vele moeders zich over warme maaltijden ontfermen en dat vele vaders zich in wijnkelders bevinden. Slechts een enkeling laat zijn hond uit. Bij het passeren knikken ze een vriendelijk ‘moi’, de prachtige, plaatselijke variant van ‘hallo’. Ik geniet van de omgeving. De stilte. Met elke rondgang van mijn pedalen strijden mijn wollige, stadse gedachten een kanslozer strijd tegen de rust rondom.

Op weg naar mijn einddoel passeer ik het roemruchte Ganzedijk. Twee jaar geleden werd dit gehucht nog met de dood bedreigd omdat de lokale wethouder alle 57 huizen wilde laten slopen. Zijn argumentatie was dat Ganzedijk een spookdorp was geworden en geen bestaansrecht meer zou hebben. Grimmige bewoners hebben sloop weten te voorkomen en dus is er nog steeds een Ganzedijk hier. Toch spookt het hier op deze ochtend danig. Slierten mist en dauw over de velden maken dat ik het spook van Hannelore meen te ontwaren. Hier in dit gehucht, werd ze omgebracht door haar echtgenoot en schrijver Richard Klinkhamer. Deze hele zaak werd pas opgelost toen de nieuwe bewoners, jaren later bij het omspitten van de tuin, op Hannelore stuitten. En dit ondanks het feit dat Klinkhamer in zijn boek ‘Woensdag Gehaktdag’ al uitgebreid verslag had gedaan van zijn wreedheden. Ganzedijk, een boel gedachten, één koude rilling over mijn rug, één huivering door mijn lichaam, tien rondgangen van mijn pedalen en ik heb het achter mij gelaten.

En verder ga ik, op weg naar de meest noordoostelijk gelegen polder in Nederland. De Carel Coenraadpolder. Mijn benen geven gas, mijn longen vullen zich met zuivere polderlucht en ik voel een geweldige hoeveelheid energie. Maar goed ook, want deze polder doorkruisen kost tijd, heel veel tijd. De afstanden zijn enorm en de huizen dungezaaid. Hier woont bijna niemand en de mensen die er wonen, houden zich schuil in hun huizen. Hier geen hond op straat, geen mens zelfs achter de ramen. Niets dat de stilte ook maar dreigt te verstoren. Behalve dan het geluid van mijn banden. Wat een fantastische manier om een zondag te beginnen! Wonen in een dergelijke omgeving, het is net een stapje te ver wellicht. Maar op dit moment hier fietsen is werkelijk subliem. Ik wil nu elk weggetje hier onder mijn wielen zien verdwijnen alvorens richting warme maaltijd te vertrekken. Ik wil de dijk opfietsen om te kijken wat zich precies aan de andere kant schuilhoudt. Ik wil die kou in mijn gezicht en op mijn benen blijven voelen tot ik niet meer verder kan. Tot ik moet erkennen dat ook in Nederland de natuur mij de baas kan zijn.

Op een steenworpafstand van deze polder ligt het plaatsje Bad Nieuweschans. Tot 2009 heette het hier nog Nieuweschans. Maar om commerciële redenen is dit veranderd. ‘Bad’ verwijst naar het kuuroord Fontana, het pronkjuweel van dit dorp. Bij het binnenrijden vraag ik me af of de lokale bestuurders zich wel realiseren hoe fantastisch de combinatie polder en kuuroord is. Eerst een paar uurtjes bikkelen over kleigronden en vervolgens extreem relaxen in het bad Fontana. Het lichaam moe, enigszins geteisterd en dan vervolgens een thermaal bad, een luxueuze massage door zachte en elegante vrouwenhanden met aansluitend een hapje en een drankje. Het is goud in de handen!

Vandaag blijkt dat het soms helemaal niet nodig is ver te reizen om onontdekte gebieden te vinden. Want welke Nederlander kent deze polder? Bijna niemand toch? Hoogste tijd om het te ontdekken!

Advertisements

Na een nachtelijke treinreis kom ik vroeg in de ochtend aan in Balkhash. Een ingedut stadje aan de oever van Lake Balkhash. Eén van de grootste meren in Centraal-Azië, aanzienlijk groter, bijvoorbeeld, dan onze Randstad. Nog slaperig van het gewiebel in de trein, ietwat dizzy van de warmte en volkomen ongewis van wat mij te wachten staat, wandel ik het station uit. Een heerlijk gevoel dat mijn hart vol verwachting laat kloppen. Brede straten met aan weerszijden en in het midden rijen bomen. Het geeft een vriendelijke en aangename eerste indruk. Maar in tegenstelling tot Astana is de façade hier heel eenvoudig te doorgronden. Want onder de bomen bieden oude mannetjes en vrouwtjes hun summiere koopwaar aan. Een paar stukjes fruit of groente uit eigen tuin. Een litertje melk van eigen koe of paard. Een paar pakjes sigaretten. Oude auto’s en bussen vinden slalommend hun weg. Het is me al snel duidelijk waarom. De talrijke en diepe gaten in het wegdek zijn obstakels die zij alleen op deze wijze kunnen overwinnen. Het valt me op dat twee van de belangrijkste straten hier Lenin en Karl Marx heten. Dit geeft te denken. Net als het standbeeld van Lenin dat nog steeds op zijn voetstuk staat, midden op het centrale plein. Wellicht een subtiele verwijzing naar betere tijden? Eén van de inwoners vertelt me dat deze stad pas in 1932 is gebouwd. Onbegrijpelijk vind ik dit want elk gebouw dat ik zie, lijkt minimaal 150 jaar oud te zijn. Gefascineerd loop ik door de straten. Toegegeven, het is niet mooi. Eerder lelijk eigenlijk. Hier geen enorme kranen die allerlei futuristische gebouwen uit de grond stampen. Geen vrolijke bloemenperkjes in de nationale kleuren. Het is stoffig en kaal. Nazarbajev, de president, laat het hier schrikbarend afweten. En dat realiseert hij zichzelf opperbest. Ongetwijfeld daarom prijkt, ter compensatie, zijn foto op elke hoek van elke straat. Glimlachend met kindertjes. Met wijdse armgebaren de aandacht vestigend op weer een nieuw gebouw elders in het land. Of eenvoudigweg poserend als staatshoofd. Altijd met een glimlach, een vaderlijke blik en een ‘alles komt goed uitstraling’. Niemand hoeft zich zorgen te maken. Maar als ik rondkijk, weet ik wel beter. En met mij de bewoners. Want ik zie slechts bezorgde gezichten. Gefronste wenkbrauwen. Schuchtere blikken. Hier is geen zelfvertrouwen, geen positivisme, geen hoop, geen geloof meer. Deze stad ademt verslagenheid. Hier komt het nooit meer goed. Althans, niet onder het bewind van deze Zonnekoning.

 

Als de zon hoger en hoger aan de hemel komt te staan, wordt de lokroep van het meer sterker en sterker. Het hemelsblauwe water kan niet anders dan heerlijk zijn. Ik wil naar Akwa Co. Mijn low budget resort aan Lake Balkhash. De toegangspoort is niets dan een verzameling oud ijzer en een vervallen houten huis. Drie of vier honden blaffen om het hardst. De grootste aan een ketting, de andere drie niet. Een honderdtal meters verder liggen de huisjes, bijkans in het meer. Ik loop in die richting. Overal ligt ijzer, overal groeit onkruid. Maar met elke stap die ik zet, nader ik het koele, glinsterende water. Fantastisch! Zo mooi dat mij nauwelijks opvalt dat er een roestige boot op het strandje ligt. Als een nieuwe ark van Noach wacht het op een nieuwe zondvloed? Neen, het lijkt mij niet. Die boot is oud, lek, reeds vergaan en zal de lokale bevolking niet meer kunnen redden. Ook staat er een aftandse auto zonder wielen en interieur. Alleen het stuur zit er nog in. Ik kijk naar links en zie het hotel. Een woeste verzameling hutjes in een stoffige woestenij. Wanneer de eigenaar de deur opent van mijn hut slaat mij een muffe geur tegemoet. Een nat bankstel in de kamer? De eerste keer dit jaar dat deze deur opengaat? Motten in een oude jas? Ik stap naar binnen, probeer de geur te negeren en tegelijkertijd de goede kanten van het hutje te zien. Die zijn er weinig, moet ik eerlijk toegeven. Tot ik me omdraai en het meer, wederom, in volle glorie voor me zie. Spontaan ruik ik niets dan zoetigheid. Hoor ik slechts het zacht gezoem der bijen. Deze kamer is voor mij. Hier ga ik slapen! Voor iets meer dan 10 euro, een spotprijs, is dit mijn paleis de komende nachten. Maar nu naar het meer, daar wil ik heen! Ik haast me in mijn zwembroek en ren als een jonge hond, wild zwaaiend met al mijn ledematen, het water tegemoet. Eén stap in het water doet mij abrupt afremmen. Verdorie! Stenen! Met punten! Even snel ren ik terug. Schiet mijn slippers aan. Meteen keer ik en maak dezelfde ren. De puntige stenen deren mij niet meer. Ik voel slechts het water. Aan de ene kant van mijn lichaam zoet aan de andere kant zout. Ik loop en loop. Maar dieper wordt het niet echt. Inmiddels sta ik minimaal vijftig meter van de kant maar nog steeds is mijn zwembroek niet nat. Het lijkt er sterk op dat ik, als ik wil zwemmen, ook kniebeschermers zal moeten dragen.