Posts Tagged ‘Oeral’

Eind december in de Oeral en ik besluit Nevyansk, de plaatselijke variant op Pisa te bezoeken. Het hoeft geen betoog dat ook in dit deel van de wereld de dagen, zo midden in de winter, kort en koud zijn. Voor negen uur in de ochtend is er niets dan duisternis en 24 uur per dag is er niets anders dan bittere kou. Op het busstation van Jekaterinburg geeft de thermometer een schrikbarende minus 32 aan! Terwijl ik wacht op mijn bus rijgen aankondigingen van uitgevallen of vertraagde bussen zich aaneen. Opmerkelijk vind ik want dergelijke temperaturen zijn hier in de winter toch eerder regel dan uitzondering?

Hoe dan ook, de bus naar Nevyansk is keurig op tijd en vol goede moed verlaat ik de warme wachtruimte om deze in te ruilen voor een iets minder warme bus. Voor, achter en naast mij zitten dik ingepakte Russen met enorme hoeveelheden dode dieren rondom hun lichaam en op hun hoofd. Ondanks mijn principes begin ook ik sterk te neigen naar de aanschaf van een dergelijk kledingstuk. Al mijn reisgenoten lijken in ieder geval zonder noemenswaardige problemen warm te blijven, vooral te merken omdat ik her en der een paar handschoenen of een muts van handen of hoofd zie verdwijnen. Tussen deze ervaringsdeskundigen bikkel ikzelf flink om ook die aangenamere temperaturen te behouden. Zeker geen eenvoudige opgave, vooral ook omdat de ijsbloemen op de ramen mij de koude rillingen blijven bezorgen.

Na 86 kilometer en zo’n anderhalf uur later bereik ik Nevyansk. Het bus- annex treinstation, waar ik word gedropt,  lijkt hier ooit zonder enige bedoeling te zijn gebouwd. De bewoonde wereld beperkt zich tot een verdwaalde fabriek, een verlaten huis en een rondzwervende hond. Als dit het voorland is van het Pisa van de Oeral dan moet ik wellicht mijn verwachtingen bijstellen. Gelukkig staat er wel een mashroetka (minibus) met ronkende motor die mij voor een paar roebels naar het dorpscentrum wil brengen. Ik stap in en bemerk meteen dat mijn medepassagiers allemaal ontzettend fors, vettig en vooral toch ook lelijk zijn. Bovendien, ze lijken allemaal op elkaar! Zou het dan toch waar zijn dat die Russen in de lange, koude winters niet alleen wodka drinken…

Als ik uitstap in het centrum verdwijnen al mijn (voor)oordelen. In plaats hiervan bewonder ik de kathedraal en de scheve toren van Nevyansk. Vooral vanaf de bevroren rivier is heel goed te zien hoeveel graden deze toren uit het lood staat. Al geloof ik niet dat Pisa hier wordt overtroffen. Maar de Siberische koude, het besneeuwde land, de strakblauwe hemel en de volkomen afwezigheid van andere toeristen maken het tot een geweldige ervaring. Ook het aanpalende mini-museumpje, net een paar maandjes geleden geopend, is de dertig roebel meer dan waard. Eerlijk gezegd, het tentoongestelde is van een tamelijk erbarmelijk niveau maar de sfeer, vooral gecreëerd door de talrijke baboeska’s, is fantastisch. Alleen al mijn jas afgeven aan een norsige oude dame gekleed in een hyperouderwetse jurk en niet passende sloffen is veel meer waard dan dat. Het Russische platteland is zo fantastisch! Onontdekt en misschien daarom wel zo vol schoonheid en elke moeizame en koude stap veel meer dan waard.

   

Hoe klein en nietszeggend dit dorp ook mag zijn, er is wel een restaurant/bar/café te vinden. Als ik, vanaf de kathedraal, over mijn rechterschouder kijk, aanschouw ik deze in volle glorie. Verkleumd van een half uurtje buiten zijn, zoek ik hier met graagte mijn toevlucht. Als ik de deur opendoe, komen een heerlijke warmte samen met klanken van hippe westerse muziek mij tegemoet. In een hoek zie ik drie sterk gelijkende mannen, ondanks het tamelijk vroege uur, in rap tempo biertjes naar binnen gieten, ondertussen de ene pizza na de andere verorberend. Meteen vermoed ik dat hun gelijkenis is ontstaan omdat deze activiteit van bier en pizza een dagelijks terugkerende is. De gastvrouw in het museum vertelde mij namelijk daarnet dat de werkloosheid hier schrikbarend hoog is en dat vele mannen hun toevlucht zoeken tot andere vormen van genot. En eerlijk gezegd, ik begin het nog te begrijpen ook. Wat anders te doen in dit barre klimaat? Met behulp van de kachel en het nuttigen van een enkel glaasje wodka, ruime hoeveelheden thee en een kippetje van eigen makelij ben ik binnen het uur op een aangename temperatuur en weer in staat de kou opnieuw te trotseren.

Een rondje door het centrum levert een Lenin standbeeld, een iconenwinkel annex museum en een prachtige schoenenzaak op. Voor een habbekrats schaf ik mij hier een paar valenki aan, een Russische laars, gemaakt van wol, die ook bij temperaturen van minus 30 voeten en tenen warm kan houden. Ik waan mij een Eskimo als ik de winkel verlaat en op zoek ga naar een mashroetka die mij kan terugbrengen naar het station en de bewoonde wereld.

Advertisements

Britse eenheidsworst in de Oeral, zo schiet door mijn hoofd, terwijl ik wacht op mijn gastheer en -dames. Maar al snel begin ik aan mijzelf te twijfelen. Want op deze vrijdagavond lijkt Gordon’s, een Schotse pub in hartje Jekaterinenburg, een behoorlijk hippe tent te zijn. Althans af te lezen aan de aanzienlijke hoeveelheid mensen voor de ingang. Duidelijk allemaal met de bedoeling hier naar binnen te gaan. Typisch, vind ik. Een ordinaire Schotse pub en de Russen staan letterlijk in de rij.

Goed dat wij hebben gereserveerd. Zo kunnen we de rij links laten liggen en zonder te wachten naar binnen. Een alleraardigste dame glimlacht ons welkom en wijst ons met dezelfde glimlach een tafel. Welk een vriendelijkheid! Welk een gemak! Wel, vraag ik mij meteen af of deze tent überhaupt een bezoekje waard is. Een muur van geluid komt op mij af. Geproduceerd door een Russische coverband die snoeihard Abba, Beatles en Police speelt. Twee zangers gillen met overslaande stem boven de eigen herrie uit. Wat is dit in godesnaam? Ik kijk vertwijfeld rond en zie dat ook de rest van de aanwezigen slechts gedoogd, de meesten met gebogen hoofden. Alleen de eigenaar schijnt het prachtig te vinden. Althans, hij springt vreugdevol rond achter zijn toog en stemt woest gebarend in met de muziek. Maar hij is toch echt de enige. Eén van mijn metgezellen schreeuwt in mijn oor dat dit spektakel doorgaans om 10 uur is afgelopen. Ik kijk op mijn horloge en zie dat het pas kwart over negen is. Nog 45 minuten te gaan. Dus kan ik ook beter beginnen dit te gedogen. Ondertussen tel ik wel de minuten af. Duw wat vingers in mijn oren. Schud mijn hoofd over zoveel herrie. En applaudisseer van louter vreugde als de laatste noot is gespeeld.

Te vroeg!

Gordon, eigenaar en DJ, zet meteen een Schots volkslied in. Nog net iets luider dan de band! Horen en zien vergaan me. Ramen trillen in sponningen. Praten is een utopie. Iemand verstaan nog veel meer. Maar de DJ geniet. Zwaait woester met zijn armen dan tevoren. Glimlacht in zichzelf en grimast naar de menigte. Probeert hij zijn klanten te kastijden? Hun trommelvliezen te scheuren? Als ik mijn zicht hervind zie ik, tot mijn grote verbazing, talrijke Russen springen op de muziek. Tegelijkertijd heffen ze de armen in de lucht en zingen ze zelfs naar elkaar. Althans, ik zie lippen bewegen. Zal zulke herrie dan standaard Russisch vermaak zijn? Dat kan toch welhaast niet? Maar als ik beter kijk, realiseer ik me dat de overgrote meerderheid, net als ik, stilletjes voor zich uit staart. Dan valt mijn kwartje. De beschonkenen genieten en de nog sobere meerderheid kijkt lijdzaam toe. Inmiddels is dit vertier overigens voltooid verleden tijd. Gordon’s is namelijk in vlammen opgegaan.

          

Na het nuttigen van een aantal, door Gordon zelf gebrouwen, biertjes is het de hoogste tijd verder te gaan. Weg van deze waanzin. Op zoek naar andere. In de zwoele Oeralse nacht wandelen we naar Havana. Een latinoclub die ook al tamelijk hot moet zijn. Eerlijk gezegd, mijn verwachtingen zijn laaggespannen. Per slot van rekening, het is hier geen Moskou en latinomuziek is ook al niet meteen mijn ding. Maar ik vergis me! De toelatingsprocedure, inclusief face-control en een kort interview met de gastvrouw, is al veelbelovend. En meteen bij binnenkomst zie ik dat deze club wel degelijk hip is. Prachtige vrouwen in prachtige gewaden en met dito schoenen scheren links en rechts aan mij voorbij. Op stoelen en in sofa’s zitten pafferige, vettige, rokende Russen en Armenen. Een fles whisky of gin op tafel en voor hun dames een exotische cocktail. De muziek, overigens geen salsa of ander ongerief maar stampende house, beukt uit de speakers. Van praten komt dus wederom niets. En dan is het extra prettig dat het oog aangenaam verpoosd wordt. Met één oog lees ik het menu terwijl ik met het andere oog de omgeving nauwlettend in de gaten houd. Ik zie nog net dat het hippe Heineken biertje even duur is als elke willekeurige cocktail. En dus drink ik Cuba-Libres. Rijg ze aaneen tot een niet onaanzienlijke ketting. Zie daardoor de vrouwen nog aantrekkelijker worden. Waag zelfs een houterig dansje op de vloer. En concludeer uiteindelijk dat dit een toptent is!

Vanaf Jekaterinburg brengt de trein mij in twaalf uurtjes in Tobolsk. Voor Nederlandse begrippen een fikse trip natuurlijk. Maar voor Russische standaarden, even natuurlijk, helemaal niet. Op de enorme kaart van het enorme Rusland, die in de stationshal van Tobolsk hangt, zie ik de minuscule afstand die ik heb overbrugd. Toch ben ik een grens overgegaan, en niet zo maar eentje. Van de Oeral ben ik aangekomen in Siberië. En dat nu, doet mij deugd.

Vanuit de bus, die mij van het station naar het centrum brengt, neem ik de stad in mij op. Weinig verrassend, de stad is uitgestrekt en hoogbouw is er niet of nauwelijks. Lijkt me logisch want er is hier genoeg ruimte, vanzelfsprekend. Voor de rest valt vooral op dat deze stad bepaald lijkt op vele andere Russische plattelandssteden. Hele brede straten. Vele Lada’s. Oude vrouwen gekleed in nog oudere rokken en getooid met een weinig fleurige hoofddoek. Rokende mannen met bleke gezichten. Kortom, hier lijkt op het eerste gezicht niets bijzonder te zijn of bijzonders te gebeuren.

Hotel Novy Tobol probeert evengoed niet op te vallen. Een naambord of anderszins een indicatie dat dit een hotel is, is niet te vinden. Pas na aanwijzingen van vele bewoners loop ik dan ook het juiste gebouw binnen. De ‘administrator’ knikt enigszins vriendelijk terwijl ze me naast de prijs voor mijn kamer nog eens 285 roebels (7 euro) afhandig maakt. Extra kosten omdat ik vooraf heb gereserveerd. Geldklopperij denk ik. Toch betaal ik. Wat kan ik ook anders?

   

Het Kremlin bekijk ik vol verwondering. Mooi, zo’n ommuurde kerk en klooster. Prachtig ook, die witte kleur. Recent is het verkozen tot mooiste Kremlin van de regio. Een ietwat nietszeggende titel lijkt me. Per slot van rekening, hoeveel Kremlins kunnen er zijn in deze regio? Het oude gedeelte van de stad, vol houten huizen, bekoort mij evenzeer. Vraag me wel af of deze bewoonbaar zijn in de winter als een buitentemperatuur van minus 35 bepaald geen uitzondering is. Vooral die kieren tussen die planken baren me wat dit betreft zorgen.

In de avond die hier zo midden juni eeuwig voortduurt, loop ik verder door het stadje. Zonder te betalen mag ik, van de caissière van het theater, de laatste 20 minuten van het toneelstuk dat hier gespeeld wordt meemaken. Mijn zeer beperkte kennis van het Russisch maakt helaas dat ik er nauwelijks iets van meekrijg. Toch gaat het niet helemaal langs me heen.

Dochter Olga, een hippe dame, met haar groene haar en dito lippen, loopt de hele tijd dollend en provocerend over het podium. Haar moeder, een nette mevrouw, trekt dit nogal slecht. Zij doet dan ook verwoede pogingen dochterlief enigszins in het gareel te houden. Tevergeefs, zo blijkt, want niemand kan haar stoppen. Ook niet de in volkomen wit geklede invalide man die niets zegt en slechts naar de muur staart. Om hem tot leven te wekken, scheurt Olga met hem over het podium. Zonder noemenswaardig succes overigens want hij blijft levenloos in zijn, ook al witte, rolstoel. Dan verschijnt Olga’s vader ten tonele, een glansrol van de lokale look-a-like van Jan Marijnissen. Qua uiterlijk althans weinig verschillen, qua principes op het eerste gezicht een flink aantal. Waar onze Jan pal staat voor SP-principes, loopt deze lokale Jan in een duur maatpak vooral patserig en protserig te doen. Maar ook zijn pogingen zijn dochter te kalmeren zijn kansloos. Dit lukt pas als de postbode komt met een pakketje uit Nederland (!). In het pakketje zit een houten been voor de kreupele man. Reden genoeg voor Olga eindelijk tot rust te komen. In tegenstelling tot haar moeder die haar lang bewaard geheim, na het zien van het been, spontaan prijsgeeft. In tranen vertelt ze dat niet Jan maar de witte man in de witte rolstoel de vader is van Olga. Welk een apotheose!

Na zoveel cultuur en vooral na zoveel luisterinspanning heb ik honger. Daarom besluit ik maar eens een flinke hap te gaan eten in één van de twee restaurants in het viersterren hotel Slavyanskaya. Bij aankomst blijkt het eerste helemaal leeg! En in het tweede zit ook al helemaal niemand! Verder zoeken naar een voller restaurant lijkt me zinloos. Bovendien, ik heb echt trek. Daarom besluit ik, na een lichte aarzeling, gewoon het grootste restaurant binnen te gaan. Aan de muur hangen foto’s van Karpov en Medvedev. Ooit aten zij hier. Maar dus niet vanavond. Want vanavond ben ik de enige gast. Tot mijn grote verbazing word ik, nadat ik heb plaatsgenomen op één van de 150 lege stoelen, spontaan onthaald op livemuziek. Een alleszins zuiver zingende dame brengt vanaf het podium een Russisch lied ten gehore. Twee obers, ongetwijfeld blij met een teken van leven, snellen op mij toe. De één brengt het menu en de ander de indrukwekkende wijnkaart. Omzichtig bepaal ik mijn voorkeuren. Normaliter ben ik niet zo dol op volkomen lege restaurants. Maar hier past het uitstekend bij de omgeving. Althans bij mijn ideeën over deze omgeving. Alleen in een restaurant ergens in Siberië. Kan het passender? Het heerlijke voedsel, het prachtige flesje wijn en het repertoire aan Russische liederen maken dat mijn stemming naar grote hoogten stijgt.

      

Na het tafelen is mijn stemming van een dusdanig hosanna gehalte dat ik besluit eens de plaatselijke nachtclubs te bezoeken. Harlekijn en Atrium, beide om de hoek van dit restaurant, zijn echter gesloten. Deze doen het alleen op vrijdag en op zaterdag. Raspoetin, de nachtclub van dit hotel, is wel open. Op het program staat een striptease. Niet meteen mijn ding, moet ik zeggen. Vooral niet omdat ik vermoed dat ik ook hier de enige gast zal zijn.

Ze groeien dan niet tot in de hemel maar wel tot voorbij het oog reikt. Onafzienbaar. Slechts af en toe onderbroken door een rivier, een huis, een dorp. Maar telkens van hele korte duur. Nee, dat ze hier geen behoefte hebben aan een nationale boomplantdag is duidelijk. Pas als de zon ondergaat, laat ik de bomen voor wat ze zijn. Ik vermoed dat ik, morgenochtend bij het wakker worden, min of meer hetzelfde plaatje aan mij voorbij zal zien trekken. Weliswaar zal de trein, ergens vannacht, Siberië binnenrijden maar ik kan me niet voorstellen dat daarmee de bomen zullen verdwijnen.

  

Ik richt mijn aandacht op mijn medepassagiers. En daarvan zijn er een heleboel. Bij het kopen van het ticket had ik de keus tussen kupé (met vier personen in een afgesloten ruimte) of platskart (met vele anderen in een grote ruimte). Ik koos voor het laatste. En heus niet omdat het goedkoper was. Toch vooral omdat het me een betere manier leek de Russische trein te voelen en te proeven. Meer kans bovendien op een interessante ontmoeting. Daarvoor geef ik graag wat comfort en privacy op. Een hele goede keus, zo zal blijken.

Vice zit naast mij een Tadzjiek uitziend manspersoon. Als ik hem vraag, in mijn gebroken Russisch, waar hij vandaan komt, bevestigt hij dit. Zijn thuisbasis is Dushanbe, maar reeds lang geleden heeft hij dit verruild voor een werkend bestaan in Nojabrsk, een oliestad in het noorden van Rusland. Hij vertelt mij dat zijn leven aldaar bepaald plezierig is. Zelfs in de winter. Met temperaturen van minus 50 lijkt mij dit toch geen pretje. Maar ook dan gaat hij fluitend naar zijn werk! Een aangenaam warme muts, dito handschoenen en een gevoerde overall maken dat de kou geen enkele grip op hem heeft. En als hij niet werkt, is er het culturele leven. Volgens mijn Tadzjiek zelfs vergelijkbaar met dat van Moskou. Theaters spelen. Bars zijn, iets minder verrassend, altijd open. De bioscopen draaien de laatste films. Daarbij biedt werken in de noordelijke oliegebieden fikse voordelen. Een beter salaris dan menigeen of een vervroegd pensioen om eens iets te noemen. Het zijn lokkertjes om een Tadzjiek (of een Rus natuurlijk) zijn huis te doen verlaten en de ijzige kou van Siberië te laten trotseren.

Versa ontmoet ik een Oekraïense jongeman die al zijn hele leven in Tobolsk woont, een stadje in het uiterste westen van Siberië. Tot mijn grote verbazing spreekt hij mij aan in het Engels. Dat gebeurt niet al te vaak in deze contreien. Hij vertelt me dat hij op weg is naar Jekaterinenburg om bij het Amerikaans consulaat zijn visum voor de Verenigde Staten te halen. Vanaf augustus gaat hij drie maanden ergens in een stadje in North Carolina werken, als bordenwasser en klusjesman. Van de ene uithoek op deze aarde naar de andere dus. Maar zo ziet hij dit niet meteen. Hij is werkelijk dolenthousiast dat hij zeer binnenkort naar de USA mag vertrekken. En als hij niet over zijn nieuwe bestemming praat, ratelt hij wel over Armin van Buuren, Odessa of zijn rappende vriendin. Tussendoor vraagt hij zich af wanneer ik ga trouwen. Want met mijn wijkende haarlijn zou ik mij binnenkort wel eens definitief uit de markt kunnen prijzen. Ik verbaas me ten zeerste over zoveel wereldse kennis bij deze jongeman. Per slot van rekening, hij komt uit Tobolsk, net als ik. Het enige verschil is dat ik er twee dagen ben geweest en hij zijn hele leven. En na twee dagen is de conclusie dat Tobolsk niet werelds is bepaald geen voorbarige.

Ik nodig hem uit voor een fles bier in de restauratiewagon. Naast de platskart een tweede attractie van de Russische trein. Het restaurant ziet er prachtig uit. Groene stoelen, een tafelkleedje, bloemetje erop en een gordijntje voor het raam. Heerlijke kneuterigheid. Aan enkele tafels zitten wat mannetjes, ieder met een kruikje, met daarin een paar honderd gram wodka, voor zich. Als ik die mannen wat beter in mij opneem, realiseer ik me dat ze al flink meer dan een paar honderd gram van dit vocht hebben geconsumeerd. Misschien zelfs wel een kilo! Als ze dan niet dronken zijn, zijn ze toch in ieder geval ladderzat. Ik ga aan een tafel zitten, samen met mijn nieuw verworven vriend. Nuttig een biertje. Praat over zijn koetjes en mijn kalfjes. Terwijl wij daar rustig keuvelen word ik op mijn schouder getikt door één van de drinkebroeders. Of ik een rondje wodka wil meedrinken. In eerste instantie wil ik hem wegwuiven maar zijn grote, vriendelijke en onschuldige ogen maken dat ik van mening verander. Bovendien, wegwuiven is kansloos en zeer onbeleefd. En dus stem ik toe.

De beste man is zelf bepaald stomdronken en raffelt in rap Russisch allerlei. Ik antwoord naar beste weten. Niet dat het er toe doet overigens. De man praat toch gewoon door. Voor mij is het meer een kwestie van blijven zitten, af en toe een begripvolle knik, een toost uitbrengen en vooral die wodka consumeren. Gelukkig voor mij is de fles Bajkal wodka zo goed als leeg. En nog gelukkiger voor mij, de volgende stop, zo’n twintig minuten verderop, is het eindstation voor mijn gastheer. Toch slagen wij erin per persoon drie wodkaatjes uit de nagenoeg lege fles te persen en deze bijkans achteloos te consumeren. De aangeboden bruinige stukjes appel, om de smaak van de wodka te camoufleren, sla ik vriendelijk doch beslist af. Grappig genoeg, hierover wordt door mijn gastheer een stuk minder ophef gemaakt. Een wodka afslaan is not done maar een stukje appel kan probleemloos geweigerd.

                 

Beide nachten maak ik deel uit van één grote, ronkende, Russische massa. Een ieder nestelt zich tussen de schone lakens op een alleszins acceptabel bed. Veel van mijn medepassagiers zijn gekleed in kleurige pyjama’s met bijkleurende slippers of slofjes. Ze voelen zich thuis in deze trein. Althans die indruk heb ik. En met hen, heb ik hetzelfde gevoel.

De beroemde Oeral. Ik weet nog dat ik hiervan al droomde op de lagere school. Op de topografische kaart stond het wel aangegeven maar het was zo ver weg van alles. De bewoonde wereld hield toch al voorzichtig op bij Berlijn en alles verder oostwaarts was onduidelijk, onveilig, gevaarlijk, te mijden. Een stipje in dit oostelijke niemandsland gaf Moskou aan en dan nog een heel stuk verder de Oeral. En toch, ik wist toen al, dat er een dag zou komen dat ik dit gebergte in levende lijve zou aanschouwen.

     

Alhoewel, ik ben er dan wel maar ik zie het nergens. Geen bergtop in de verste verte, althans niet waarneembaar vanuit mijn taxi. Ik zie niets dan vervuilende industrieën, hoge flatgebouwen volgestopt met mensen en roestige vrachtwagens die langzaam hun weg vinden richting elders. Jekaterinenburg, op de grens van Europa en Azië en toegangspoort tot Siberië heet mij welkom. Siberië! Nog zo’n droom. Siberië, het begin van het einde. Duizenden kilometers van niemandsland, onontdekt bijkans liggen aan mijn voeten.

De taxichauffeur onderbreekt ruw mijn dromen door aan te kondigen dat we zijn aangekomen bij mijn hotel, het Bolsjoj Ural Hotel (Grote Oeral hotel). Ongetwijfeld, toen Rusland nog Sovjet-Unie heette, het pronkstuk van het lokale toerisme. Nu is het vooral groot en enigszins verpauperd. Maar het maakt me evengoed uitermate gelukkig. Dankzij de heuse Sovjetdames die op elke verdieping de wacht houden, omgeven door bloemetjes, een strijkplank, een brits om op te slapen en een waterkoker. En in die gesloten kast naast ze zitten vast nog veel meer attributen die de gast op tal van andere manieren kunnen behagen. Ook al is mijn kamer klein, op het minuscule af eigenlijk, is het toilet tientallen meters verderop in de gang en de douche al helemaal onvindbaar, een ander hotel wil ik niet. Deze dames maken dat ik mij thuis voel en ik moet mij beheersen ze niet te verleiden met mijn verleidelijkste glimlach.

Maar daarvoor heb ik helemaal geen tijd! Want wat weet ik eigenlijk van deze stad? Om eerlijk te zijn, bijna niets. Eigenlijk is het enige, die eerder genoemde grens en het feit dat de tsarenfamilie Romanov hier is vermoord. Jekaterinenburg, op het eerste gezicht lijkt het een stad als vele andere in Rusland. Grauwig, morsig, enorm brede straten, trolleybussen, bejaarde trams en een Lenin op zijn sokkel. Echt kleurig zijn uitsluitend de reclamezuilen waarop dure merkkleding wordt gepromoot. Maar als ik om me heen kijk, zie ik dat het overgrote deel van het winkelend en wandelend publiek niet in staat is tot de aanschaf van een Vuitton, een Armani of een Ermenigildo Zegna. Hier heerst de lokale Zeeman met een sporadische uitschieter tot het niveau C&A. Maar daarmee houdt het op. Natuurlijk, de vrouwen doen pogingen in opzichtige schoenen met hoge hakken, met strak geblondeerde kapsels en gelakte nagels de sfeer van het centrum van Moskou te imiteren. Maar het lukt niet. Daarvoor ontbreekt het geld, daarvoor ontbreekt ook de arrogante houding en dito blik. Ik voel meteen dat ik, ondanks de grootte van de stad, op het platteland ben aanbeland. Alleen jammer dat de bussen en de oude auto’s enorme wolken diesel en benzine uitstoten en de fabrieken in de omgeving er nog een flinke schep bovenop doen zodat van een gezonde plattelandslucht bepaald geen sprake is.

Tot mijn groot genoegen schijnt de zon op deze middag uitbundig. De hele stad haalt opgelucht adem lijkt het wel. Eindelijk! De tweede helft van mei is al begonnen, en eindelijk lijkt het dat de lente het definitief gaat winnen van de eeuwigdurende winter. De parken zitten vol met mensen die stralend doch ook enigszins weifelend de zon op hun gezicht laten schijnen. Ik zie een buschauffeur met ontbloot bovenlijf zijn bus besturen. Ik hoor de vogels wel heel uitzinnig zingen. Ik geloof dat ik zelfs kan zien dat de bladeren aan de bomen per uur groter groeien. Voorwaar, het is lente!

Op de een of andere manier maken de sfeer in de stad en de zon op mijn gezicht dat ik moeite heb het heden om te ruilen voor het verleden. De vermoorde tsarenfamilie Romanov en de enorme kathedraal, gebouwd op de plek waar de familie in 1918, is vermoord, en daarom bekend onder de naam ‘de kerk van het bloed’, hebben simpelweg minder aantrekkingskracht. Toch ga ik. Ook al omdat ik hiervoor niet eens het centrum hoef te verlaten. Eerlijk gezegd, ik vind de kathedraal niet meteen het beste voorbeeld van goede smaak. Het is, zoals gezegd, vooral groot en waarschijnlijk ook duur. Onder andere omdat de duurste icoon van Rusland zich hier zou bevinden. Ganana Yama, de plek waar de uitgemoorde familie, pas in 1976 overigens, werd teruggevonden, is eigenlijk van hetzelfde laken een pak. Nieuw, modern en opzichtig religieus. Waarom zo vraag ik me af? Per slot van rekening gedroegen die Romanovs zich gedurende hun leven niet bepaald als heiligen.

     

In de avond, die maar niet wil overgaan in de nacht, zie ik honderden jeugdigen in de vele parken zitten. Een Baltika of een Russische Hoegaarden in de linkerhand, een sigaret in de andere en elkaar in beide. Dit moet toch ook voor hen een verademing zijn. Na vele, vele maanden van koude en duisternis nu eindelijk zonder loopneus naar de potentiële nieuwe vriendin te kunnen lonken. Want ik ben zeker dat de Russische jeugd ook in de donkerste wintermaanden niet anders kan dan een fles bier bij de lokale kiosk te kopen en deze weg te tikken in de parken of op straat. Een fles bier in een café, laat staan in een restaurant, is simpelweg te duur. Dat deze stad mijn Russische genen activeert blijkt wel uit het feit dat ook ik besluit café of restaurant links te laten liggen. In plaats hiervan koop ik twee flessen Baltika om ze te consumeren op een bank in het park.