Posts Tagged ‘Moskou’

Dan is de grote dag daar, ik ga verhuizen. Van Kuzminki naar Petrovka. Nu zullen deze namen niet meteen allerlei belletjes doen rinkelen bij de gemiddelde Nederlander. Kuzminki? Petrovka? Nooit van gehoord natuurlijk. En als ik dan ook nog verklap dat dit beide wijken in Moskou zijn, hoor ik je bijna hardop denken: verhuizinkje van niks, fluitje van een cent. Qua voorbereiding en fysieke inspanning is dit inderdaad ook waar. Mijn spullen passen namelijk met gemak in drie koffers. Met twee vingers in de neus struin ik door het huis, pak links wat t-shirts en broeken, rechts een paar schoenen en nog een paar. En klaar is Kees. Zelfs een taxi bellen lijkt me niet nodig. Met die drie koffertjes kan ik ook wel in de metro. Het spitsuur is per slot van rekening voorbij en dus is daar wel ruimte voor mij en mijn bagage.

Kuzminki was prachtig, voor een tijdje. Bij vlagen waande ik me in Tadzjikistan of Oezbekistan of ergens in de Kaukasus. Ik leefde in een multiculturele Sovjetvariant. Die Kirgizische kapper die me voor een habbekrats een prachtige Sovjetcoupe bezorgde zal me bijvoorbeeld nog lang heugen. Ook al is het alleen maar omdat ik hieraan, als ik in de spiegel kijk,  niet kan ontsnappen. Die sublieme kebabs van de Oezbeek om de hoek, bereid in een houten keet, zal ik zeker missen. Die sigaretjes, per stuk te koop bij een andere houten keet, evenzeer. Vaak waande ik mij in de zeventiger jaren in Nederland. De kleding van de mensen, de inrichting van mijn huis, de auto’s op straat, de kinderwagens van de jonge moeders in het Kuzminki park. Telkens weer dacht ik aan mijn jongste jeugd. Terug naar de roots in Kuzminki, ik had het vooraf niet meteen verwacht.

     

Maar nu zit ik in de metro. Op zich niets bijzonders, heb al wel honderd keer in die metro gezeten. Toch, vandaag is het de laatste keer. Vandaag ben ik omringd door al mijn Russische bezittingen. En dat is toch wel apart. Ik zit hier met een blij gemoed en vermoedelijk met een fikse glimlach om mijn lippen. Verbeeld ik me nou dat al die Russen rondom mij jaloers kijken? Zal het komen van mijn blije uitstraling? Of zal het komen omdat ze zich realiseren dat ik Kuzminki achter mij laat? Voorgoed. Ik heb geen idee. En eerlijk gezegd, het kan me ook niets schelen.

Als ik beter nadenk over mijn verhuizing, realiseer ik me welk een enorme stap ik eigenlijk zet. Van Kuzminki naar Petrovka. Vergelijkbaar, om het naar Nederlandse proporties te vertalen, met een verhuizing van Oude Pekela naar Wassenaar. Zoiets, maar dan op zijn Russisch. Eerlijk gezegd, ik vermoed dat al mijn medepassagiers zelfs nog nooit hebben gedacht aan een verhuizing naar Petrovka. Te ver van hun bed. Te onmogelijk.

Dus dat verhuizinkje, van die ene wijk naar de andere, heeft toch wel behoorlijk wat voeten in de aarde. Van een buitenwijk van Moskou, verketterd door iedereen, naar Petrovka, het kloppend hart van de stad. Van gebreide bikini’s gedragen door dikkige en rokende mensen naar hooggehakte laarzen van Louis Vuitton. Van mannen met ontblote en karnemelkwitte bovenlijven die op straat hun Baltika naar binnen slurpen naar patsertjes die hun cognacje combineren met een veel te dure Cubaanse sigaar. En sta me toe nog een poosje door te gaan. Van onbeschofte en chagrijnige supermarktmedewerkers naar eeuwig glimlachende caissières en vlijtige boodschappeninpakkers. Van Lada naar Range Rover. Van een aftandse markt vol nepbont naar bontmutsjes van 500 euro. Van een salaris van 800 euro per maand naar een salaris van 800 euro per dag. Van 350 euro huur per maand voor een appartement met twee slaapkamers naar 1000 euro huur per maand voor één slaapkamer met een gedeelde keuken en woonkamer.

Toen ik hier in Moskou arriveerde dacht ik nog dat het allemaal niet uitmaakte. Kuzminki of Petrovka, het is allemaal onderdeel van die grote, grijze, grauwe, koude, drukke, snelle en haastige stad. Maar inmiddels weet ik beter. Die enorme stad bestaat uit heel veel verschillende werelden met enorme onderlinge verschillen. En waarom dan niet van twee uitersten proeven?

Na een half uurtje in de metro stap ik uit. Petrovka heet me welkom. Onderweg naar mijn nieuwe optrekje loop ik langs luxueuze Italiaanse restaurants, winkels waar breedgeschouderde mannetjes de deur bewaken, vijfsterren hotels, in bont gehulde dames en schreeuwende reclames voor de nieuwe Jaguar XJ. Allemaal niet aan mij besteed, dat realiseer ik me meteen. Alhoewel, zo’n Italiaans restaurant? Dat moet ik toch maar eens proberen binnenkort. No more Kuzminki, lang leve Petrovka!

        

Advertisements

‘Als er een paradijs is op aarde, is het hier’. Er zijn steden op aarde die zich op deze manier proberen te onderscheiden van de massa. Een nogal hoogdravende en arrogante claim, zou ik denken. En eerlijk gezegd, in mijn beleving hoe dan ook ten onrechte. Tot op heden heeft nog niemand in Moskou zo’n bombastische slogan voor deze stad bedacht. Voor zover ik weet, is er überhaupt geen slogan waarmee Moskou zich onderscheidt van de rest van de wereld. Misschien omdat niemand in Moskou de euvele moed heeft gehad de eigen stad hardop te promoten?

Maar waarom eigenlijk niet? Het imago van te grote, te drukke, grijze, gevaarlijke, koude stad met chagrijnige en knorrige mensen behoeft toch echt een verandering. Want hoe die ambitieuze doelstelling te realiseren om in 2018 maar liefst zeven miljoen buitenlandse toeristen over het Rode Plein te zien lopen? Toch zo’n slordige drie miljoen meer dan in het afgelopen jaar. Ja, toevallig (of niet) in 2018 is er het WK Voetbal in Rusland. En dit zal ongetwijfeld een boel mensen doen besluiten naar Rusland af te reizen. Mensen die anders hun neus zouden hebben opgehaald voor Rusland en Moskou. In dit opzicht is het slim 2018 te noemen. Maar na 2018 wordt het al snel 2019. En het zou toch wat knullig zijn als na het piekjaar 2018 de bezoekersaantallen meteen weer drastisch zouden afnemen?

Image      Image

De cijfers vier en zeven miljoen zijn overigens afkomstig van het ‘Moscow Committee for Tourism and Hospitality’. Inderdaad, helemaal neutraal zal dit comité niet zijn. Het is dan ook maar sterk de vraag of er in 2011 werkelijk vier miljoen buitenlanders Lenin in zijn mausoleum hebben zien liggen, hebben geprobeerd een glimp op te vangen van Poetin in zijn Kremlin of hebben rondgewandeld op het Rode Plein. In een land waar niets is zoals het lijkt, is het verleidelijk een groot vraagteken achter deze cijfers te plaatsen. Even verleidelijk is het, nu al te zeggen, dat dit comité in 2018 zal aankondigen dat de doelstelling van zeven miljoen is gehaald. De kans hierop is wellicht nog groter dan dat Poetin wordt herkozen in datzelfde jaar.

Een belangrijker vraag is wat Moskou nu precies doet deze groei daadwerkelijk te realiseren. Vraag het aan de marketeers van de grote hotels of aan medewerkers van de lokale reisbureaus. Zelfs voordat ze antwoorden, is al duidelijk dat zij hierover in ieder geval niet al te positief denken. De blik in hun ogen is daarvoor te veelzeggend. Meteen wordt er geklaagd over die ondoorgrondelijke en niet al te bezoekersvriendelijke uitnodigingsbrieven en visumreguleringen. Velen geloven sterk in de aantrekkingskracht van Moskou als weekendbestemming. En het is waar, drie uurtjes vliegen vanuit Europa en je staat al op Moskouse bodem. Maar vanwege die administratieve rompslomp en het imago van de stad laten Europeanen een weekendje Moskou wel uit hun hoofd. Te veel gedoe, te veel gezeik, te veel heisa.

Dan zijn er de daden van de Moskouse autoriteiten, verantwoordelijk voor het toerisme. Volkomen in tegenspraak met de woorden. Het meest recente voorbeeld is de entreeprijs voor het Kremlin. Waarschijnlijk de meest geliefde en bekendste toeristische attractie van de stad. Sinds januari 2012 betaal je, als je hier met z’n tweeën naar binnen wilt, zo’n € 70 per persoon voor een bezoek aan het Kremlin en de pracht en praal van de Armoury en het Diamond Fund. Zeventig euro! Toegegeven, hierbij zijn dan wel de diensten van een gids inbegrepen. Maar zo’n gids is noodzaak want zonder ruik je slechts aan de rijke historie. Loop je rond zonder iets te begrijpen van deze ommuurde stad. Wat is dan de achterliggende gedachte van zulk beleid? Die vette koe, genaamd het Kremlin, uitmelken lijkt de meest logische. Want, zo weet iedereen in Moskou, eenmaal daar gaat iedere toerist toch wel naar het Kremlin. Of het nu € 25 of € 70 kost. Op de korte termijn levert het dus wel wat op, zoveel is duidelijk. Maar op de langere termijn? Eerder het tegenovergestelde. Investeren in of ontwikkelen van nieuwe toeristische attracties lijkt hiermee in ieder geval niet meteen een prioriteit.

Loop eens rond bij het Rode Plein of het Kremlin op een zonnige lente- of zomerdag. Hordes toeristen zitten ergens op een muurtje aan een Russisch ijsje te likken, kijken ietwat onthutst rond of vragen zichzelf bijna hardop af wat nu te doen. Want wat is er nog meer dan het Rode Plein en het Kremlin? Natuurlijk, een heleboel en meer. Maar voor een westerse toerist, die hoogstwaarschijnlijk de taal niet spreekt en het cyrillisch niet kan lezen, is deze heleboel niet meteen eenvoudig te vinden. En echt geholpen in zijn zoektocht naar meer wordt hij niet. Talrijke mannetjes en vrouwtjes, gewapend met een megafoon, kondigen weliswaar talrijke excursies aan. Maar het is allemaal in het Russisch. Alsof er geen vier miljoen buitenlandse toeristen rondlopen, die allemaal op zoek zijn naar die heleboel. Een gemiste kans op meer inkomsten. Een gemiste kans ook die vele andere topattracties van de stad onder het voetlicht te brengen.

Maar wie weet? Misschien was ooit, heel lang geleden, op deze grond wel het paradijs te vinden? Waarom eigenlijk niet? Laat het duidelijk zijn, aan de oppervlakte is hiervan niets meer te zien of te merken. Het is graven, ploeteren en hard werken voor de toerist de schoonheid van deze prachtige stad te ontdekken. Misschien Moskou is het tijd die miljoenen buitenlandse toeristen de helpende hand toe te steken? En waarom niet beginnen met een goede slogan. Laat dat paradijselijke voorlopig echter maar achterwege. Te hoogdravend en te ver bezijden de waarheid. Maar wat te denken van deze: Moscow Matters.

Prachtig herfstweer is het in Moskou. Te prachtig om in de stad te blijven, zo besluit ik. Weliswaar kleuren ook de bladeren aan de Moskouse bomen velerlei, maar het beton en het asfalt overheersen te zeer om die kleurenpracht echt op waarde te kunnen schatten. En dus pak ik mijn koffertje eens in. Op naar oorden waar de natuur haar gang kan gaan en niet wordt belemmerd door een overvloed aan mens en machine. Het mooie is dat die immense stad Moskou wordt omringd door een nog immenser platteland. Gewoon een kwestie van een trein pakken, richting noord, oost, zuid of west. Het maakt allemaal niet uit waarheen ik ga.

Met deze gedachten in mijn hoofd en met de koffer in mijn hand sta ik op het metrostation. Te midden van een enorme mensenmassa die allemaal op weg zijn naar hun jungle. Van beton. Ik glimlach in mezelf. Want ik weet dat ik over een paar uurtjes in Suzdal ben. De parel aan de ketting die bekend staat als de Gouden Ring, een aantal steden die ten oosten van Moskou liggen. ‘Gouden’ slaat op de tijd, lang geleden, toen Moskou nog niet de hoofdstad van Rusland was. Zelfs op de tijd toen Rusland nog geen natie was. Destijds waren deze steden belangrijk en haar bestuurders machtig en invloedrijk. ‘Ring’ verwijst naar de geografische ligging van deze steden. Een blik op de wereldkaart van Rusland leert dat ze, door het trekken van een cirkel, met elkaar te verbinden zijn. Al deze steden ademen tegenwoordig nog geschiedenis. Al zijn erbij waar je tegelijkertijd giftige dampen van oude Sovjetindustrie of moderne industrieën inademt.

Al snel laat ik de metromassa achter me en wissel ik deze in voor de relatieve rust van de trein. Die Russische trein die me altijd doet dagdromen over plekken, dagen reizen van Moskou. Over toendra, taiga, leegte, Siberië en Kamtsjatka. Vandaag is dit alles niet aan de orde. Suzdal, of beter gezegd Vladimir, want een treinstation kent Suzdal niet, is maar een uurtje of drie treinen. Een kippeeindje dus, voor Russische begrippen. In een gezapig tempo tuffen we naar het oosten. Van de conductrice koop ik een theetje voor 25 eurocent – wie zegt toch dat Rusland een duur land is? Onderwijl kijk ik uit het raam en zie al vrij snel de flats van Moskou plaatsmaken voor vervallen stationnetjes en rommelige periferie. Niet veel later door houten huisjes, landerijen, bomen. Hoe groot Moskou ook mag zijn, in een ommezien ben ik op het platteland.

In Vladimir, ook een van de steden van die Gouden Ring, wissel ik de trein in voor een bus. Jammer genoeg is deze al tjokvol als ik instap. En dus moet ik staan. Als ik om me heen kijk, zie ik allemaal Russen, die blijkbaar ook naar Suzdal willen. Vreemd, denk ik, Suzdal is niet groter dan Oude Pekela of Surhuisterveen en bovendien een plek waar, althans in mijn herinnering, nooit iets gebeurt. Waarom al die Russen er dan heen willen? Een klein uurtje later zijn al deze gedachten overbodig. Die Russen willen natuurlijk gewoon de skyline van Suzdal zien. Hoe vanzelfsprekend! Uivormige kerktorens in allerlei kleuren, witte kerkjes, de kleuren van de herfst, riviertjes en houten huizen. Dit is het panorama van Suzdal. De zon en de strakblauwe lucht maken het sprookje compleet. Verbaasd hap ik de frisse Suzdalse adem in. Mijn herinneringen waren overduidelijk wat vervaagd.

In alle rust wandel ik door het stadje, op zoek naar een plek om te slapen. Het lijkt wel alsof hier meer kerken staan dan mensen wonen. Van de eerste zie ik er in ieder geval meer. Na verloop van tijd zie ik een bord waarop een ‘komnata’ (kamer) wordt aangeprijsd. Precies wat ik zoek. Ik loop in de richting die staat aangegeven en klop op de deur van een van die houten huisjes. Een Suzdalse schone opent de deur en heet me welkom. Ze glimlacht vriendelijk en vertelt me dat ze nog een kamer heeft. Natuurlijk heeft ze die nog, het seizoen is namelijk voorbij. Als ik naar binnenstap, schiet een dozijn katten alle kanten uit. Helemaal het recht alleen heb ik hier dus blijkbaar niet. Het huis is klein, oud, vervallen, scheef, te warm, harig, stoffig maar wel schoon. Het bed kraakt prachtig als ik erop ga zitten. Het doet me denken aan Hans en Grietje. De sprookjeswereld die Suzdal heet, houdt overduidelijk niet op bij de voordeur. Ik knik verheugd en vertel mijn gastvrouw dat ik hier met graagte een nachtje doorbreng.

Twintig jaar geleden, toen Rusland nog de Sovjet-Unie was en het Moskouse kapitalisme zelfs nog niet in de kinderschoenen stond, stond hier – op een steenworpafstand van het Rode Plein en het Kremlin – ook al het  warenhuis ЦУМ (TSUM). Wat heet, dit warenhuis staat hier al sinds 1909, toen de tsaren het nog voor het zeggen hadden. Al ruim een eeuw dus staat deze joekel van een gebouw al in het centrum van Moskou. Het is dan ook niet overdreven te stellen dat TSUM heel wat stormen, revoluties en veranderingen heeft doorstaan. Maar ongemerkt is de tand des tijds niet aan haar voorbijgegaan. Bepaald niet.

    

Een eeuw geleden stond de M van TSUM voor Mагазин (winkel), tegenwoordig staat dezelfde M voor Модный (mode). Het geeft een redelijk beeld van de ontwikkeling van de afgelopen honderd jaar. Toen was TSUM een warenhuis waar de gemiddelde Rus, met een beetje geluk, iets nuttigs kon kopen. Een paar nieuwe schoenen, een feestelijke jurk, een modieuze tas of  een net kostuum. Natuurlijk, alles gemeten volgens Sovjet maatstaven. Tegenwoordig zijn al deze waren hier nog steeds volop te koop. Maar de Russische Henk en Ingrid kunnen hier alleen naar kijken. Iets aanschaffen is een illusie, een dagdroom en een jaarsalaris.

Wat trouwens niet veranderd schijnt te zijn is de indeling. TSUM bestaat uit talloze kleine winkeltjes die allemaal hun eigen specialiteit kennen. In de ene winkel staat het horloge centraal en in een andere vind je louter tassen of schoenen. Je moet dus, om een compleet nieuwe garderobe aan te schaffen, bij heel wat winkeltjes naar binnen.

Het is weliswaar nog alleraardigst weer hier in Moskou vandaag. Toch besluit ik die laatste zonnestralen van het jaar te laten voor wat ze zijn en me in plaats hiervan te vergapen aan de luxe tentoongesteld in dit warenhuis. Per slot van rekening, ik heb al de hele zomer kunnen genieten van de zon en de Moskouse blauwe luchten.

Eerlijk gezegd, ik vraag me bij binnenkomst meteen af wat ik hier in godesnaam aan het doen ben. Heb het sowieso al niet zo op tasjes en horloges. En ook feestelijke jurkjes, ringen, colliers en dergelijke kunnen me maar matig bekoren. Blijft over de schoenenwinkels. Deze zijn weliswaar talrijk in aantal, maar de hele middag dure schoenen kijken is wel wat erg karig en eenzijdig. Als ik mezelf wat wil vermaken vanmiddag, kan ik heel veel beter een list verzinnen. Ik neem me dan ook voor, als een Russische nouveau riche, alle winkeltjes binnen te gaan en te doen alsof ik al het aangebodene bijzonder interessant vind.

Mijn eerste stop is een horlogewinkel. Een alleraardigste dame glimlacht haar breedste glimlach naar me. Ik mompel een warempel in mezelf. Is het dan zo dat Russen wel glimlachen als ik mijn oog laat vallen op een horloge van ruim € 30.000 euro? Wat zeg ik, één horloge? Voor mijn ogen draaien tientallen horloges, tergend langzaam hun rondjes. Alsof ze me willen vertellen dat ze gemakkelijk te pakken zijn. Gewoon even de creditcard gebruiken. Als ik een stap dichterbij kom, blijkt het toch niet helemaal zo te zijn. Schielijk trekken alle horloges zich plotsklaps terug in hun hol, alsof ze bang zijn voor al te grijpgrage handjes. De verkoopster glimlacht intussen onverdroten voort. Bijna ongemerkt drukt ze op ergens op een knop zodat de horloges allemaal weer tevoorschijn komen. Blijkbaar zegt haar verkopersinstinct dat deze buitenlander wel eens zou kunnen toehappen. Ook al glimlachend, wijs ik haar een oranje horloge, vraagprijs 1.350.000 roebel (€ 31.500) en een groen exemplaar voor dezelfde prijs. Ik wil ze wel eens om, misschien zijn ze inderdaad onweerstaanbaar. En ik moet toegeven dat ze me goed staan. Zo pas ik ook nog een blauwe, witte, zwarte, rode en allemaal doen ze het goed.

Ergens halverwege deze sessie stapt een familie – man, vrouw en zoontje – binnen. De man loopt in een soort van joggingbroek, dus in eerste instantie denk ik nog dat hij verdwaald is. Maar alras begrijp ik dat dit niet het geval is. Want in hun voetsporen volgen twee brede mannetjes met spiedende oogjes en ‘oortjes’ in. Echte Russische nouveau riche, vermoed ik. De man loopt recht op zijn doel af en wijst op een, ongetwijfeld, bijzonder duur horloge. Nieuwsgierig laat ik mijn horloges voor wat ze zijn en begeef me zo achteloos mogelijk richting de familie. Maar aan de aandacht van de twee Jerommekes ontsnap ik niet. Met hun adelaarsogen kijken ze me doordringend aan. En zonder woorden vertellen ze me dat ik vooral niet moet blijven plakken. Wat daar gebeurt, zijn mijn zaken niet. Toch zie ik evengoed dat, binnen een paar minuten, de familie weer vertrekt. Een horloge rijker en ongetwijfeld flink wat roebels armer. 

De rest van de middag loop ik rond te midden van Guchi, Dolce Gabana, Luis Vuitton, Schumacher, Loro Piana, Armani Collezioni, Marni, Miu Miu, Costume National, Malo, Elie Tahari, Laundry, Corneliani, Balenciaga, Emilio Pucci, Chanel, Dior, Lancome, Guerlain, Serge Lutens, Creed, Comptoir Sud Pacifique, Hermes, La Mer, La Ric, Revive, Kanebo, Aesop. Soms is het alleraardigst charmant, altijd is het opzichtig duur. Eerlijk gezegd, na een uurtje of twee heb ik het wel gezien. Ik laat TSUM voor wat het is en vertrek. Met lege handen.

Het is laat in de middag als ik in Samara in de trein stap. Mijn bestemming is Volgograd, een slordige 600 kilometer en achttien treinuren zuidelijker. Volgograd, tegenwoordig een willekeurige Russische miljoenenstad waar nooit echt iets gebeurt. Toegegeven, ik ben er nog niet. Maar de omgeving waarin ik de afgelopen dagen heb rondgedwaald geeft me niet bepaald de indruk dat ik binnenkort het epicentrum van de moderne tijd zal binnenrijden.

                 

Ooit, niet eens heel lang geleden, toen mijn bestemming nog Stalingrad heette, was dit wel de plek waar de geschiedenis een wending kreeg. Moeilijk voor te stellen nu. Trouwens, het is vandaag evenmin mogelijk voor te stellen dat de Duitsers, destijds in deze contreien, werden geplaagd door de extreme koude. Extreme hitte, dat is wat ik voel als ik de trein binnenstap. Het is hier binnen ruim boven de dertig graden. Dat kan niet anders. De hoeveelheid zweetdruppels op mijn voorhoofd vertellen me dit. Buiten was het eigenlijk al niet vol te houden. Nooit een zuchtje wind dat voor een heel klein beetje verkoeling zorgde. Niets dan een strakblauwe hemel en een ongenadige zon. En waarschijnlijk heeft deze trein, zo vermoed ik, de hele dag ergens op een rangeerterrein gestaan onder diezelfde blauwe hemel en zon.  

Echt mee zit het me ook niet. Als ik mijn stoel annex bed heb gevonden, zie ik dat juist hier het raam niet open kan. Dus als zo dadelijk die trein gaat rijden, kan ik fluiten naar die broodnodige frisse lucht. Mopperend neem ik plaats. Deze trein is gemaakt voor de barre Russische winters. En zeker niet voor temperaturen zoals vandaag. De hostess, om haar eens zo te noemen, knikt me vriendelijk toe als ze de lakens en de handdoek brengt. Welk een aangename verrassing. Misschien is het bedoeld mij in deze barre temperaturen in ieder geval wat morele steun te geven? Ik glimlach zo vriendelijk mogelijk terug. Vooral omdat ik die handdoek bepaald nodig heb. Want zweetdruppels hebben lang geleden al plaatsgemaakt voor straaltjes. Als ik in dit tempo doorzweet, ben ik voor de avond valt uitgedroogd. Ook dit kan niet anders.

Ik vlei mezelf op mijn bed en val in een soort van slaap. Of beter gezegd, een combinatie van katzwijm en een staat van halve bewusteloosheid. Af en toe word ik gewekt door de schoonmaakster. Zij is danig aan het poetsen. Ik heb met haar te doen. Slapen in deze temperaturen is al moeilijk. Laat staan een smerige trein schoonpoetsen. Toch, ook zij glimlacht naar mij. Wat doen die hoge temperaturen toch met de Russen hier? Een algeheel gevoel van blijdschap ontwikkelen?

Urenlang tuffen we, in een gezapig tempo, naar het zuiden. Er gebeurt eigenlijk helemaal niets. Enorme velden met gras en wat bomen, dit is wat ik zie als ik naar buiten kijk. Voor de rest is het landschap leeg. Maar de rust en de hitte gaan eigenlijk fantastisch samen, zo realiseer ik me. Ik dommel wat, droom over koude oorden en drankjes, beweeg zo weinig mogelijk en denk na over niets. Slechts af en toe wordt de rust verstoord, wanneer we stoppen op een stationnetje. Eerlijk gezegd, ik vraag me af waarom. Want ook dan zie ik eigenlijk niets dan gras en bomen.

Ergens in die leegte hoor ik opeens een dame schreeuwen. Verheugd schrik ik wakker als ik hoor dat ze ‘piwo’ in de aanbieding heeft. Een gekoelde fles bier, hierover heb ik al die uren gefantaseerd. Ik rep me naar de uitgang en wijs verheugd naar de biertjes. Twee koop ik er. De eerste om achterover te gieten, zonder te proeven of na te denken. De tweede om rustig van te genieten. Naast mijn ‘bierdame’ staat de ‘visdame’. Met hoopvolle ogen showt ze mij haar gerookte vis. Een enorm exemplaar uit de Wolga, althans dit vermoed ik. Ik kan haar blik niet weerstaan en koop die veel te grote vis.

Voordat de trein zich weer in beweging zet, gulp ik al gulzig mijn eerste biertje naar binnen en hap ik al gretig van mijn vis. De hitte is meteen compleet vergeten. Ik voel me fantastisch. Koud bier met Wolgavis. Wat wenst een mens nog meer? Al snel realiseer ik me dat de aanschaf van die twee biertjes wat aan de karige kant was. Ook al omdat die gerookte vis nogal zoutig is. Met elke hap stil ik weliswaar mijn honger maar evengoed neemt mijn dorst omgekeerd evenredig toe. Als mijn biertjes op zijn, besluit ik dat het beter is die vis te laten voor wat ze is. Met het halve verorberde exemplaar in mijn handen meld ik mij bij de hostess en de schoonmaakster. Glimlachend en onder het uitspreken van een paar woorden Russisch overhandig ik ze deze. Ze kijken verheugd. Vragen me hoeveel ze hiervoor moeten betalen. Als ik mijn hoofd schud en zeg dat het een gift is, beginnen ze te stralen en glimlachen ze. Breder dan ooit tevoren.

Het is zaterdagmiddag, rond een uur of drie, als ik aankom in Ulyanovsk. Mijn verwachtingen over deze stad waren, voordat ik vanochtend aan mijn busreis begon, hooggespannen. Maar de afgelopen uren zijn ze behoorlijk getemperd. Een aantal van mijn medepassagiers keek me niet begrijpend aan toen ik ze mijn reisdoel vertelde. ‘Wat heb je daar nou te zoeken’, was nog een milde reactie. ‘Niet doen, niet gaan’, al een stuk helderder. ‘Helemaal niks te doen daar’,  liet aan duidelijkheid helemaal niets te wensen over.

Het busstation ademt rust. Logisch, de zon schijnt onbarmhartig en het is er zinderend heet. Onder de parasols van de enige uitspanning zitten mannetjes in de schaduw. Ze drinken allemaal bier, sommigen zelfs uit een 2,5 liter fles. Ik zie het begerig aan en kan de verleiding welhaast niet weerstaan. Maar ik beheers me. Het is te laat voor bier. Of beter gezegd, ik heb er geen tijd voor. Als ik het geboortehuis van Lenin wil zien, moet ik opschieten. En dus rep ik mij, met visioenen over koude biertjes, richting Leninstraat. Over creatieve naamgeving gesproken.

De Leninstraat ademt nog meer rust dan het busstation. Niemand te zien hier. Aan beide kanten staan prachtige houten huizen, dat wel. Alle in uitstekende staat. Bomen zorgen voor wat schaduw. Ik maak er dankbaar gebruik van. Op nummer 31 staat het groen geschilderde huis waarnaar ik op zoek ben. Verrassende kleur, schiet me te binnen. Als ik naar binnen wil, tref ik een gesloten deur. Een ferme bons baat niet. De deur blijft gesloten. Misschien had de dame van dienst in het museum/geboortehuis de stilte op straat ook opgemerkt? En is ze gewoon voor de officiële sluitingstijd vertrokken?

     

Maar één dichte deur mag de pret niet drukken. Moeder Lenin was, zo wil het verhaal, een nogal ongedurig type, die nooit lang op één plek kon blijven wonen. Er moeten, hier in Ulyanovsk, wel een stuk of zes huizen staan waar Lenin een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht. Dus vervolg ik mijn weg. Op zoek naar Lenins jeugd. Ik slenter door het centrum richting de Wolga. Hoe stil en rustig is het overal. Ergens op een pleintje verstoort een bandje de stilte. Russische meezingers, concludeer ik, als ik voorbijloop. Een deel van het publiek zingt althans mee.

Bij het Lenin Memorial Centre, een veel te groot uitgevallen betonnen kolos, aan de oever van de Wolga, staat nog een huis waar Lenin ooit heeft gewoond. Maar ook hier is de deur gesloten. En ook hier helpt een bons op de deur niet. Ik gooi spontaan de handdoek. Die andere huizen kunnen me gestolen worden. Die zijn ook vast al gesloten. Of zal het komen omdat ik een promenade ontwaar waar tal van cafés koude drank en warm voedsel aanbieden? En ik deze verleiding op dit moment simpelweg niet meer kan weerstaan? Ik bestel een lokaal biertje en wat vlees van de barbecue. Ondertussen kijk ik uit over de Wolga, die hier zo breed is dat het wel een zee lijkt, en denk na over Lenin.

Als de avond valt, vervolg ik mijn wandeling. Nog steeds is het stil op straat. Waar zijn toch al die mensen? Per slot van rekening, er wonen bijna een miljoen hier. Aan een van de weinige passanten vraag ik de weg. Hij kijkt me verheugd aan. Een buitenlander! Mijn steenkolenrussisch heeft mij verraden. Hij antwoordt in het Engels dat hij mij persoonlijk de weg zal wijzen. Zijn plannen laat hij voor wat ze zijn. Zijn baboesjka (oma) kan wel even wachten. In plaats hiervan gidst hij me door zijn stad. Vertelt trots over de Wolga, het oorlogsmonument, de schone straten. Staat erop mijn rugzak te dragen en vraagt zich bezorgd af waar ik vannacht zal slapen.

Als ik later, op een eenzaam terras, terugdenk aan vandaag, realiseer ik me dat mijn medepassagiers gelijk hadden. Behalve dichte deuren heb ik niet veel gezien. Behalve een Russische meezinger niet veel gehoord. Maar toch klopt er iets niet. Mijn gevoel vertelt me namelijk een heel ander verhaal. Het niets van Ulyanovsk is de attractie van de stad. Voordat ik hier weg ben, weet ik al dat ik terug zal komen. Gewoon, om nog eens niets te zien.

Zondagavond, m’n koelkast is weer eens leeg. Ik zie nog een eenzame tomaat liggen en een restantje cola light in een fles. Wil ik het weekend uitluiden met een normale maaltijd of een vers glaasje prik dan is een gang naar de supermarkt vereist. Zoveel is me wel duidelijk. En dus pak ik mijn boodschappentas en rep mij richting de Russische versie van de Albert Heijn.

Onderweg realiseer ik me hoe geweldig het is dat ik op elk moment van de dag deze gang kan maken. Aan openingstijden doen ze hier namelijk niet en aan sluitingstijden al helemaal niet. Mijn supermarkt is altijd open. Zeven dagen per week en 24 uur per dag. Altijd kan ik terecht voor alles wat ik behoef. Bovendien, de keus is indrukwekkend uitgebreid. De tijden van lege schappen zijn definitief verleden tijd. Ook dat is me wel duidelijk geworden de afgelopen weken.

Als ik de supermarkt binnen wil stappen, kijkt de bewaker me ietwat haatdragend aan. Althans, zo interpreteer ik zijn duistere blik. Heb me al vaak voorgenomen die blik te negeren, maar vooralsnog lukt het me maar matig. De eerste keer dat ik hier binnenstapte, dacht ik dat hij mij, als op een vliegveld, zou scannen. Alsof ik, om de een of andere reden, iets zou meenemen naar de supermarkt dat verboden is. Maar hij deed toen niets en ook nu niet. Behalve dan die duistere blik.

Enigszins geïntimideerd vervolg ik mijn gang. Op de afdeling verse groenten en fruit valt mij op dat het vooral fruit is dat de klok slaat. Die boycot van Europese groenten heeft nu toch echt Kuzminki bereikt. Waardeloos, denk ik. Alsof dat Russische fruit zo veilig, gezond en vrij van verschrikkingen is. Ik heb in ieder geval zo mijn twijfels. Zonder groente maar met het fruit meld ik mij bij de dame van dienst. Zij weegt mijn fruit en voorziet het van een sticker met een prijs. Overigens, zonder mij een blik waardig te gunnen of ook maar een woord met mij te wisselen. Omdat ik vandaag in een goede bui ben, bedank ik haar met een vriendelijk ‘spasiba’, nadat zij mijn laatste fruit heeft geprijsd. Ze gromt knorrig als reactie. Waarschijnlijk, zo denk ik, komt dit omdat ik de eerste ben vandaag die haar vriendelijk bedankt voor haar werk. En het is inmiddels toch al ruim na achten. Ik haal dan ook mijn schouders op als reactie. Inmiddels ben ik wel gewend aan dit geknor.

Ik vervolg mijn weg richting de worsten. Een van de hoogtepunten in de supermarkt. Het assortiment is werkelijk orgastisch uitgebreid. Het lijkt wel alsof het hele Russische dierenrijk tot worst wordt gedraaid. Kiezen uit deze enorme hoeveelheid is ondoenlijk en daarom deponeer ik blindelings een exemplaar in mijn mand. Het enige dat ik denk is dat het volkomen logisch is dat de ochtendmetro eenzelfde geur verspreidt. Ik loop door richting de wodka. Niet omdat ik voor vanavond een flesje nodig heb. Nee, ik wil me gewoon even vergapen aan de fantastische keuze alhier. Een litertje van dit vocht is er al voor niet meer dan 120 roebel (3 euro!). Maar evengoed kan ik een flesje halen voor een paar duizend roebel. Het is, hoe dan ook, een genot voor mijn oog, deze muur van wodka.

  

Met worst en zonder wodka meld ik mij bij de kassa. Eerlijk gezegd, het dieptepunt van deze supermarkt. Altijd staat er een immense rij mensen te wachten. En altijd duurt het maar alvorens ik eindelijk mijn boodschapjes op die band kan leggen. Zeven uur in de ochtend, zes uur in de avond of zelfs tegen middernacht. Het is hier altijd druk. Ik sluit, nu zelf knorrend, aan en kijk eens rustig rond. Soortgelijke mensen als in het Kuzminki park zie ik nu weer rondom mij staan. Dikkig en onverzorgd. Ik kan helaas niets anders concluderen. Het enige verschil is dat de lichamen niet slechts zijn bedekt met bikini’s en minuscule zwembroekjes maar met een ruimere hoeveelheid textiel. Dat stemt me dan weer gelukkig.

Na veel getuur en gestaar, is het eindelijk mijn beurt. Een veel te forse kassadame imiteert het gedrag van haar collega van de groente en het fruit. Behalve dan dat ze mij in drie woorden twee vragen stelt. ‘Kart?’ (kaart) en ‘paket nuzjno?’ (tas nodig). Maar ik overtref haar met mijn antwoorden, want ik doe het in twee woorden, ‘njet’ en ‘njet’. Waarom ook vriendelijk zijn? Waarom ook een verhaal beginnen over een bonuskaart of een plastic zak? Aanpassen is echt niet zo moeilijk. Gewoon het hoognodige zeggen en vervolgens verder turen en staren. Naar die oneindige rij mensen achter mij die allemaal graag mijn plaats willen innemen.

                                         

Zondagmiddag, de zon schijnt uitbundig door mijn ramen. Ik probeer me te concentreren op die Russische les die ik eigenlijk al gisteren had willen afronden. Het lukt maar matig. Slecht eigenlijk. Telkens kijk ik naar buiten en telkens zie ik de zon uitbundiger schijnen. Waarom krijg ik die Russische woorden en die onmogelijke grammatica niet in mijn systeem? Het lijkt wel alsof mijn hersenen weeïg zijn. Alsof er geen ruimte meer is voor woorden die niet met zomer en zon te maken hebben. Eigenlijk, zo weet ik al, is het zinloos nog langer te blijven zitten. Het Kuzminki park, letterlijk op een steenworpafstand van mijn appartement, heeft een te grote aantrekkingskracht. Daar moet ik zijn.

Ik prop een laken en een fles water in mijn rugzak, zet mijn zonnebril op en realiseer me nog net op tijd dat ik ook een studieboek kan meenemen. Misschien leer ik die woorden wel probleemloos als ik aan het water lig. Ik stap op mijn fiets en ga richting park. De hele buurt lijkt wel in rep en roer. Zoveel mensen op straat. Mannen stellen hun bovenlichaam bloot aan de zon. Niet meteen het meest aantrekkelijk aangezicht, vind ik. Vaak zijn ze niet alleen karnemelkwit door de te lange winter maar ook zijn ze opgezwollen door een te veel aan zware Russische winterkost en Russische biertjes. Maar het deert ze niet, zie ik. Velen lopen ook nu rond met een fles bier in de ene en een sigaret in de andere hand. Bovendien, ze lijken wel te glimlachen. Niet meteen een alledaags verschijnsel hier in Kuzminki. De zon verricht echt wonderen vandaag.

In het park is het van hetzelfde laken een pak. Meer mannen met ontbloot bovenlijf teisteren mijn aangezicht. Maar hier doen ook de vrouwen ijverig mee. In prachtige vooroorlogse bikini’s showen ze de rest van de mensheid hun indrukwekkende lichamen. Ik realiseer me dat van Russisch leren in dit park helemaal niets terecht zal komen. Er is hier veel te veel vertier om zelfs maar het boek uit mijn tas te halen. En ook die fles water laat ik ongemoeid. In plaats daarvan ga ik naar de kiosk en koop, als een echte Rus, een fles Baltika 3. Het topbiertje, wat mij betreft althans, van Rusland. Ik leg mij neder op mijn lakentje en spied, door mijn zonnebril, de omgeving af.

Recht voor mij staat een enorme vrouw in een kanariegele bikini voor zich uit te staren. In haar hand een sigaret waarvan ze driftig rookt. Ze lijkt wel boos. Zo woest lurkt ze aan haar sigaret. Als ze begint te schreeuwen richting het water, realiseer ik me dat ze haar zoontje bestraffend toespreekt. Die is net in het water gesprongen en om de een of andere reden keurt zij dit af. Op zich te begrijpen want aan de waterkant staan borden dat zwemmen hier verboden is. Toch, vele Russen hebben hier maling aan en liggen met hun dikke lijven triomfantelijk in het water te spartelen. Zoonlief mag echter niet en bedeesd keert hij terug naar moeders. Langs de waterkant liggen en zitten veel stelletjes. Jong verliefden zitten vooral aan elkaar terwijl de ouderen voornamelijk aan bier en sigaretten zitten. Flink wat vrouwen zonnen topless valt me op. Jammer genoeg, het lijkt wel alsof vooral de oudste en de dikste zich dit durven te veroorloven. Een echt opwindend aangezicht is het daarom bepaald niet.

Na een uurtje en twee Baltika’s heb ik het wel gezien. Genoeg zwaarlijvigheid voor vandaag. En om te voorkomen dat ikzelf te veel in die richting ga, besluit ik een rondje te fietsen door het park. Let wel, het Kuzminki park is, net als bijna alles hier in Moskou, enorm groot. En met een rondje fietsen verbruik ik, met gemak, de calorieën die ik net heb geconsumeerd.

   

Op een doordeweekse dag heb ik delen van dit park welhaast voor mezelf. Maar vandaag is dit wel anders, zo realiseer ik me al snel. Om te voorkomen dat Rusland te zeer vergrijst en dat, op de hele lange termijn, Russen zouden ophouden te bestaan, hebben de heren Poetin en Medvedev bedacht dat een kindvriendelijker beleid noodzakelijk is. Daarom worden geboortepremies toegekend voor het tweede (en volgende) kind, is de kinderbijslag verhoogd en is de duur van het ouderverlof verlengd. Hier in Kuzminki werkt dit beleid als een tierelier, zo wordt mij vanmiddag wel duidelijk. Al slalommend baan ik mij een weg langs jonge moeders, overduidelijk alweer zwanger, die hun kinderwagen of buggy voortduwen. Langs spelende  kinderen. Langs kwispelende honden waarvoor, gelet op de aantallen, ook een premie wordt uitgeloofd. Van doorfietsen kan geen sprake zijn, hiervoor is het gewoon te druk.

Dieper in het park zie ik hele gezinnen, zittend op plastic stoeltjes en aan plastic tafeltjes, verorberen ze hun zondagmiddagmaal. Als ik langsfiets, ruik ik geroosterd vlees. De Russische shaslick, weet ik uit eigen ervaring, is een fantastische manier om een zonnige zondag door te brengen. Flinke hoeveelheden vlees op de barbecue, een flesje vodka op tafel en dit met vrienden of familie consumeren. Veel beter bestaat er niet.

Kwart over acht in de ochtend. Ik ben een heel klein onderdeeltje van een lange rij zich voortspoedende mensen. Allemaal met dat ene doel voor ogen, het metrostation van Kuzminki. Bij de ingang van dit station staan oude vrouwtjes hun koopwaar aan te bieden, versgeplukte bloemen van de velden rondom Moskou met wat groenten uit eigen tuin. Niemand keurt ze een blik waardig. Blijkbaar niet het juiste moment voor de aanschaf van zulke artikelen. De krantenjongen die de plaatselijke variant van de gratis krant aanbiedt, kan op meer aandacht rekenen.  Met een haastige greep eigenen vele passanten zich een exemplaar toe onderwijl de treden richting ondergrondse afdalend.

Eenmaal ondergronds neemt de drukte alleen maar toe. Van alle kanten stromen mensen toe die allemaal die twee roltrappen dienen af te dalen tot de metro. De winkeltjes met de prullaria zijn allemaal al open zie ik. En ook die ene bedelaarster, een oud vrouwtje van, ze lijkt wel 100 jaar of ouder en ze heeft de kromste rug ooit gemeten, staat al op haar plaats. Maar ook zij worden genegeerd. Geen tijd voor goede doelen, goedkope beha’s of kleffe broodjes. Alleen bij de ticketverkoop van de metro staat een flinke rij.

Ik wurm me door de toegangspoortjes en betreed het perron. Een enorme mensenmassa staat al te wachten. Het is als een Koninginnedag, behalve dan dat de overheersende kleuren hier bruin, grijs en zwart zijn. De metro komt net aan. Dat is logisch, want hier in Moskou komt de metro, vooral in de spits, altijd net aan. En even logisch in de spits, deze is overvol met mensen die al op eerdere stations hun eigen mensenmassa hebben getrotseerd. Toch openen de deuren zich en dringen zoveel mogelijk mensen zich naar binnen. Ik niet. Ik blijf, met vele anderen, achter. Wachten op de volgende, ongetwijfeld ook overvolle, metro. Lang wachten hoef ik niet want 45 seconden na vertrek van metro 1 staat metro 2 al voor. Hetzelfde ritueel herhaalt zich. En wederom geraak ik niet binnen. Als metro 3 zich meldt, ben ik wel één van de gelukkigen. Alhoewel, heel gelukkig word ik niet meteen. De dag als dat spreekwoordelijk sardientje te moeten  beginnen is nu eenmaal niet ideaal.

   

Als de metro zich in beweging zet, gaat er een schokgolf door de massa. Iedereen leunt tegen iedereen om het domino effect te voorkomen. Dat lukt vrij aardig, ook al omdat er toch geen ruimte is om te vallen. Vanochtend sta ik innig ingeklemd tussen een man in een net, grijs pak en een jongen in een geelgroenig adidasjack. Achter mij staan ook nog flink wat mensen. Ik kan ze weliswaar niet zien, maar ik voel ze wel degelijk. Zoals ik al zei, het is niet meteen het prettigste begin van de dag, zoveel geduw en getrek rondom mij. Maar op de een of andere manier lukt het toch mij hiervoor af te sluiten. Ogen dicht, verstand op oneindig, Russisch praten in mezelf. Zoiets.

 Een stuk vervelender is de onfrisheid van mijn medepassagiers. Dat nette pak naast mij oogt nog wel, maar te dichtbij staan is bepaald geen  feest voor mijn reukorgaan. Hij ruikt alsof hij ook gedragen is als pyjama. En niet alleen de afgelopen nacht. Een weeïge geur, ruik ik. Bijna schiet het woord ranzig mij te binnen. maar nog net niet. Ook ruik ik worst. Russische worst. Alsof een ieder hier in deze coupé een flinke worst heeft verorberd. Heel wel mogelijk trouwens want in de supermarkt is het schap met worsten, in vele soorten en vele maten, bepaald indrukwekkend. Het zou natuurlijk best kunnen dat, als je elke dag een stuk van zo’n worst eet, je vanzelf zo gaat geuren. Als ik hierover nadenk, lijkt dit mij onzinnig. Het lijkt mij eigenlijk een stuk waarschijnlijker dat het tandenpoetsen massaal in de wind wordt geslagen. Ik huiver lichtelijk.

De volgende halte maakt mijn leven nog ietsje zuurder. We zijn nog steeds in de buitenwijken dus natuurlijk stapt er niemand uit. Toch willen er wel een heleboel mensen bij. Twee breedgeschouderde en grote mannen duwen zich naar binnen. Minder ruimte dus voor een ieder. Maar vergeleken met de geur die van de truitjes van de mannetjes komt, valt dit in het niet. Zelfs de Russen rondom mij kijken ietwat verschrikt. Een van de mannen strekt zijn lange arm om zich ergens aan een leuning te kunnen vasthouden. Niet meteen de prettigste handeling met zo’n ongewassen truitje. Ik huiver niet meer lichtelijk.

Maar ontsnappen is niet aan de orde. Natuurlijk, ik kan uitstappen maar de kans is bepaald groot dat de volgende metro dezelfde worstengeur verspreidt. Dus dat schiet niet op. Ik kijk maar wat rond. Op zoek naar mooie ogen of  ander aangenaam vertier. Plots valt mijn oog op een poster van Christiano Ronaldo. Met een stralende glimlach om zijn lippen showt hij een fles shampoo van het merk ‘Clean’. Ik glimlach in mezelf. Die adverteerder boort de juiste markt aan, dit is me wel duidelijk. Maar of het in vruchtbare aarde valt? Ik waag het te betwijfelen.

 

Zaterdagavond in Moskou. Van pure vreugde en opwinding liepen we de hele dag al met onze zielen onder onze armen. Lenin op het Rode Plein? Poeshkin museum? Arbat? Kremlin? Natuurlijk, het is allemaal interessant, prachtig, mooi, leuk en aardig maar pas vanavond kloppen onze harten echt snel! Nu we op het punt staan het roemruchte nachtleven van Moskou te ontdekken.

Ondanks het feit dat de enorme hoeveelheden rondgierend testosteron ons bijkans al voor negen uur naar de superclubs schreeuwen, beheersen we onszelf en besluiten bescheiden te beginnen in Club Vysotskiy. Genoemd naar één van de beroemdste en roemruchtste zangers uit de voormalige Sovjet-Unie. De sfeer is, logischerwijs, Sovjet. Vooral gecreëerd door de band die nostalgische liederen uit vroegere tijden ten gehore brengt, allemaal hartstochtelijk meegezongen door de clientèle. Maar helaas, onze hormonenhuishouding blijkt te onrustig om al hier te kunnen worden gekalmeerd. Om dit klaar te spelen moeten we verder, naar oorden waar hip zijn schoon is en waar schoonheid geen grenzen kent. Met andere woorden, we moeten door naar Soho Rooms.

In een stad waar clubs als paddenstoelen uit herfstige gronden tevoorschijn schieten en vervolgens even snel definitief verdwijnen, is Soho Rooms een blijvertje. Al jarenlang staat deze club in de top van de ‘clubbing top 10’. En dus moet dit wel een gerechtvaardige keuze zijn, daarvan zijn wij overtuigd. Als we aankomen bij Soho Rooms gebaart de parkeerwacht dat we voor de deur kunnen parkeren. Een verleidelijk aanbod omdat de regen op het dak van de auto klettert en wij, zeker weten, op ons paasbest willen binnenstappen. Echter, op het moment dat we willen inparkeren, maakt de parkeerwacht ons duidelijk dat wij voor dit voorrecht wel het lieve sommetje van 1000 roebels (25 euro) mogen neertellen. Iets te gortig zo oordelen we, paasbest mag dan ons streven zijn maar financieel zijn de grenzen Nederlands. Daarom laten we de beste man voor wat hij is en zoeken een andere plek voor onze auto. Een fluitje van een cent, zo blijkt, want binnen 100 meter is er volop gratis parkeergelegenheid.

Gewapend met een paraplu melden we ons vervolgens bij de ingang van club Soho Rooms. Het belangrijkste moment van de avond, in feite. Want binnenkomen in een club als deze is bepaald geen sinecure. De zogeheten face-control is hier alarmerend streng en binnenkomen is simpelweg afhankelijk van het hebben van de juiste contacten of de juiste genen. En ondanks het feit dat wij helemaal niets te klagen hebben over dit laatste schijnt de genenlat hier dusdanig hoog te liggen dat wij kansloos zijn. Blijft over, de contacten. Helaas zijn deze hier ook schaars, bijzonder schaars zelfs. De enige persoon die we kennen is een medewerker van de keuken van deze club en het is hoogst dubieus of een dergelijk contact toereikend is. Hoe dan ook, we spreken de uitsmijter met de juiste hoeveelheid bravoure aan, noemen de naam van onze contactpersoon, glimlachen lichtjes en kijken zelfverzekerd rond zonder dit te overdrijven. De uitsmijter murmelt zachtjes in zijn portofoon, vermoedelijk om het hoofd der face-control te verwittigen wie wij zijn. De bodyguard is namelijk slechts uitvoerder, de feitelijke beslisser zetelt elders. Een tergend langzame minuut later vindt de verlossende handeling plaats: de ketting wordt losgemaakt en we worden binnengelaten. Vanzelfsprekend blijft onze blik stoer maar inwendig jubelen we van vreugde: Het feest kan beginnen!

Bij de bar bestellen we een whisky, wodka en bier is uiteraard not done in een dergelijke tent, en kijken we eens rustig rond. Alhoewel? Rustig? Zowel links, rechts, voor en achter staan de meest fantastische vrouwen die God ooit gemaakt heeft. Oké, we realiseren ons meteen dat het inderdaad sterk de vraag is of dit alles uitsluitend het werk van God is, maar een hele grote kniesoor die hier oplet! Hier passen slechts twee reacties: een automatisch openvallende mond en een hartgrondig ‘Jezus nog aan toe’. Ooit waren we in de Skybar in Kiev waar de vrouwen onovertrefbaar mooi waren. Althans, we dachten onovertrefbaar. Hier in Soho Rooms aanschouwen we toch nog de overtreffende trap. Recht voor ons staan zes dames in fantastische kledij, cocktailtje in de ene en mobieltje in de andere hand, te pronken met alles wat ze hebben. Spontaan denk ik aan een uitspraak van een vriend: ‘Lelijke vrouwen bestaan niet, alleen te weinig bier’. Vaak klopt dit wel maar hier is het tweede gedeelte van dit gezegde overbodig. Het credo van Soho Rooms is: ‘Lelijke vrouwen bestaan niet’.

Op de dansvloer van precies hetzelfde laken een enorm dik pak. De vrouwen pronken, pretenderen onbenaderbaarheid en nippen aan hun drankjes, onderwijl de dunste sigaretjes oprokend. Dansen doen ze niet, dat schaadt het imago, zo lijkt het. Heel voorzichtig wordt wel het ene voetje voor het andere voetje gezet maar voor Nederlandse standaarden is dit geen dansen. Bepaald niet zelfs. En het frappante is dat wij, na nog een aantal whisky’s, besluiten de vrouwen te laten voor wat ze zijn en ons te verpozen op de dansvloer met wildkomische Nederlandse danspassen. Een aantal minuten lang zijn wij het middelpunt en voelen wij tientallen prachtige ogen op ons gericht. Reden genoeg om nog een extra stap te zetten. Maar alras verwatert de aandacht en speelt een ieder weer haar eigen spel.