Posts Tagged ‘Avontuur’

Het is al enkele jaren geleden dat ik een boek las van de bekende Poolse schrijver, journalist en avonturier Kapuscinski; waarin hij verhaalt over zijn bizarre belevenissen om in Stepanakert te geraken. Destijds, we spreken over de beginjaren negentig, was Nagorno-Karabach nog een gemengde republiek, bevolkt door Azerbeidzjanen en – vooral – Armenen, en onderdeel van de Azerbeidzjaanse Sovjetrepubliek. Was het in oorlog met zowel de macht in Moskou als met de machthebbers in Bakoe, de hoofdstad van Azerbeidzjan. Wilden ze onafhankelijkheid, of in ieder geval aansluiting bij Armenië. Destijds woonden in Stepanakert alleen maar Armenen, maar in het iets hogerop gelegen Shusha alleen Azerbeidzjanen. En de laatsten gebruikten hun geografisch voordeel om met grote regelmaat raketten op Stepanakert te doen laten neerkomen. Destijds zat Nagorno-Karabach als een rat in de val. Er was eigenlijk geen uitweg. De oorlog verliezen van Moskou zou betekenen dat de dromen over zelfstandigheid voor onbepaalde tijd in de ijskast zouden kunnen. De oorlog winnen van Moskou zou betekenen dat Azerbeidzjan het landje zou inpikken. Vergeleken met het machtige Moskou was Bakoe’s macht weliswaar beperkt, maar vergeleken met Nagorno-Karabach was het evengoed een Goliath.

Onder die omstandigheden slaagde Kapuscinski erin, verkleed als Aeroflot (co-)piloot op een vlucht van Jerevan naar Stepanakert, en als dronkenman op de achterbank van een zwarte limousine, uiteindelijk Stepanakert te bereiken. Tegenwoordig zijn dergelijke capriolen niet meer nodig. Tegenwoordig is het vooral een kwestie van het boeken van een vlucht naar Jerevan en vandaar verder te reizen per bus of auto naar Stepanakert. Een reisje van 350 kilometer, of ongeveer zes uur, door die fantastische Kaukasus. Een natuurlijk obstakel van jewelste, dat wel, al is de weg tussen deze twee steden alleraardigst. De mens, zo blijkt, zegeviert uiteindelijk ook tegen vijandige bergen. Een ander obstakel, door mensen gecreëerd, is het passeren van de grens van Armenië met Nagorno-Karabach. Maar met het visum netjes in mijn paspoort geplakt, maak ik mij ook hierover weinig tot geen zorgen. Toch, een vlucht boeken naar Stepanakert, zoals Kapuscinski, is tegenwoordig geen optie. Want ondanks de aanwezigheid van een vliegveld, is het onmogelijk naar daar te vliegen. Al vele jaren niet. De Azerbeidzjanen dreigen namelijk ieder willekeurig vliegtuig dat daar wil landen uit de lucht te schieten. Dat dan weer wel.

Laat ik eerlijk zijn, een stad met zo’n naam kan niet anders dan fantastisch zijn. Stepanakert. Stepanakert! Al die jaren zat het ergens in mijn systeem. Ergens in mijn gedachten. Al die jaren wilde ik naar daar. Soms was het gevoel overheersend, vaker ergens knagend op de achtergrond. Maar weg was het nooit. Daarvoor klonk Stepanakert te goed en te mooi. Ik bedacht zelfs dat, mocht het ooit zover komen, mijn nieuwverworven bruid te trakteren op een huwelijksreis naar daar. Maar een beperkte rondvraag aan verschillende potentiële kandidaten maakte mij duidelijk dat zo’n reisje doorgaans niet als ideale huwelijksreis wordt gezien. Daarvoor zijn de associaties van Stepanakert met zon, zee, strand, kokosnoten en palmbomen te niet bestaand.

En dus besluit ik alleen te gaan. Per vliegtuig en per auto. Als een slap aftrekseltje van de grote Kapuscinski, maar evengoed ingetogen trots op mezelf. Inmiddels zit ik al zo’n vijf uur naast Areg, de taxichauffeur. Veel praten doet hij niet, gelukkig niet. Want de manier waarop hij de ontelbare bochten aansnijdt, maakt mij het antwoorden sowieso onmogelijk. Stiekem denk ik dat zo’n verkleedpartijtje als Aeroflot-piloot nog niet zo heel avontuurlijk was. Areg schakelt stoïcijns, van twee naar drie naar vier, vijf en terug. Ondertussen rookt hij, natuurlijk. En belt hij, natuurlijker. Ik begrijp niets van zijn Armeens, maar ergens heb ik het idee dat zijn vrouw hem maant op tijd thuis te zijn. Voor het avondeten. En dus geeft hij gas, want na aankomst in Stepanakert moet hij het hele eind nog terug. Omdat zijn vrouw op hem wacht. Ik geef mij over aan Areg en aan de talrijke goden van de talrijke Kaukasische volkeren. En ik geniet van het landschap. Die fabelachtige Kaukasus laat mijn hart sneller kloppen, mijn bloed sneller stromen, mijn gedachten stilstaan. Volgens sommigen was het hier waar Adam en Eva in hun paradijs woonden. Volgens mij is het hier, zoals het in de Alpen honderd jaar geleden was. Maar dan hoger, ruiger, wilder, spannender, onontdekter,  uitgesprokener.

En dan opeens is daar dé kruising. Shusha, rechtsaf de berg op. Stepanakert rechtdoor naar beneden. Ik kijk tegelijkertijd omhoog en omlaag. ‘Jezus’, denkt mijn protestantse geest, Stepanakert en Shusha in één blik gevangen. De verwoeste en de verwoester van destijds. De opgebouwde en de vergetene van tegenwoordig. Nu wordt het echt spannend, nog een kwartiertje en we zullen de buitenwijken van Stepanakert binnenrijden.

De buitenwijken van Stepanakert zijn, zo denk ik, niet meteen veel aantrekkelijker dan de gemiddelde buitenwijk van welke willekeurige Sovjetstad dan ook. Maar die mening herzie ik spoorslags wanneer ik het monument ‘We are our Mountains’, ook wel bekend als ‘Tatik Papik’ of ‘Grootvader en Grootmoeder’ in het vizier krijg. Wat een binnenkomer! Dit monument geeft, volgens de algemeen geaccepteerde interpretatie, de verbondenheid van Nagorno-Karabach met Armenië aan. Hier herdenken de inwoners van Stepanakert, eens per jaar, de oorlog die hun stad zoveel schade en verdriet heeft bezorgd. Echte Eurovisiefielen zouden zich nog kunnen herinneren dat de Armenen, tijdens hun presentatie in de halve finale van het Eurovisiesongfestival in Bakoe, dit monument aan de wereld toonden. Tot ergernis en ontsteltenis van Azerbeidzjan. Tijdens de finale werden deze beelden dan ook vakkundig door de Azerbeidzjaanse regie weggeknipt. Iets waaraan de Armenen zich, op hun beurt, groen en geel ergerden. Ze namen vakkundig wraak door, tijdens de puntentelling, op de achtergrond beelden van dit monument te laten zien.

We are the Mountains

Areg heeft er geen oog voor. En ook geen geduld natuurlijk. Hij heeft slechts één doel, zijn passagier afleveren en terug. Vlakbij het busstation dropt hij mij. Hij knikt me nog een keer vriendelijk toe, geeft me een hand, keert zijn auto en vertrekt.  Zes uur lang dezelfde haarspeldbochten voor de boeg. Hier sta ik dan, met vaste voet aan de grond in Stepanakert. Het is er stil en rustig valt me op. Ook vlakbij het busstation. Maar het is er vooral zinderend heet.

Ik zet me neer op een terras, met uitzicht over de hoofdweg, en bestel een fles bier. De overige klanten zijn gedrongen mannetjes, stoer kijkend en kettingrokend, met een maffioos kapsel, vierkante hoofden en stierennekken. Een voor een kwamen ze aangereden, in een Range Rover of luxueuze Mercedes. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Maar na een paar uurtjes alhier, weet ik wel beter. De stad mag dan zijn opgebouwd. Het centrum mag zelfs modern en mooi zijn. In het centrale park is, nota bene, wifi. Ik heb toch vooral armetierige flatgebouwen gezien. Inwoners gekleed zien gaan volgens de laatste Sovjetmode. Uit meerdere gebouwen Modern Talking horen schallen. Buiten het centrum bekruipt me onmiddellijk het gevoel van de tijd die stil staat, de tijd die alle wonden heelt. Een etterende wond van een oorlog die ieder moment weer kan beginnen. Van een hoofdstad van een niet erkend land dat wanhopig op zoek is naar een reden om te bestaan.

Op het centrale plein zag ik foto’s hangen van een massahuwelijk in 2008, georganiseerd door de multimiljonair (en Karabach) Hairapetjan. Zijn doel? Het inwonertal van Nagorno-Karabach wat opkrikken. Want niet alleen nam hij alle kosten voor alle bruiloften voor zijn rekening, hij beloofde ook voor ieder kind, geboren uit één van deze huwelijken, nog eens 1000 dollar te betalen. Bijna 700 stellen hapten toe.

Stepanakert, centrum                     160, Stepanakert

Nagorno-Karabach probeert alles om aandacht te genereren. Zonder aandacht, van de Westerse wereld, is het landje kansloos. Maar niemand luistert. Niemand wil het olierijke Azerbeidzjan teveel tegen het hoofd stoten. En tegelijkertijd ligt Azerbeidzjan op de loer. Te loeren op de kans toe te slaan, en het verloren gegane landje wederom in te palmen. Te wachten op het moment dat Rusland de handen te vol heeft aan de Oekraïne. Of niet meer de middelen of de wil heeft Nagorno-Karabach te beschermen. En zo is er eigenlijk niets veranderd. Er mogen dan geen bommen meer vallen op Stepanakert, de stad en het land zitten nog steeds gevangen. Tussen kwaad en onverschilligheid.

Advertisements

Zaterdagochtend, het is nog donker als ik wakker word. Dus moet het nog wel heel vroeg zijn, realiseer ik me. Want in juni, hier in Moskou, wordt het licht ver voordat de eerste haan kraait. Toch weet ik meteen dat weer in slaapvallen een illusie is. Daarvoor giert de adrenaline, nu al, te veel door mijn systeem. Dus sta ik op, maak wat koffie, eet wat roggebrood en lees obligaat het nieuws. Niet dat dit laatste echt tot mij doordringt overigens. Natuurlijk niet, want ik denk slechts aan mijn uitje van vandaag. Opgewonden als een jongetje dat op schoolreisje gaat, zo voel ik mij. De uren die volgen, duren dan ook eindeloos. Net als vroeger. Ik wil die kleine wijzer wel vooruit kijken. Net als vroeger.

Het rinkelen van mijn telefoon doet mij uit mijn dagdroom ontwaken. Exact half acht. Verrast neem ik op. Ze is namelijk precies op tijd. En dat nu, gebeurt nooit hier in Rusland. Het moet haast wel betekenen dat ook zij opgewonden is. Dit kan toch niet anders? Ik haast me naar beneden en sta in een ommezien buiten. Ik stap in en kus haar op haar wangen en op haar voorhoofd. Ze glimlacht verward. Als ik haar aankijk, zie ik dat ook zij rode blosjes op haar wangen heeft. Wederzijdse opwinding en verwachtingen concludeer ik.

Op dit vroege uur heerst er, zelfs in Moskou, een soort van stilte. De tienbaanswegen zijn als zeeën van asfalt met slechts her en der een auto. En dus trapt zij, zoals iedere Moskoviet, het gaspedaal eens flink in. De kilometerteller gaat richting 140, zie ik. En zij geniet, zie ik. Haar brede glimlach vertelt me dit. Na een half uurtje zijn we de stad al uit. Een record! Na MKAD, de buitenste ring rondom Moskou, te zijn gepasseerd verandert de asfaltzee vrijwel meteen in een tweebaansweg. Maar vandaag maakt dit niet uit, er is namelijk hoegenaamd geen verkeer. En dus denderen we voort over Russische wegen, in een zo hoog mogelijk tempo.

Na twee uurtjes melden we ons aan de poort van een kazerne. De dienstdoende soldaat kijkt fronsend naar onze blije gezichten. Alsof wij de eersten zijn, in lange tijd, die hij ziet glimlachen. Als we de naam noemen van onze gastheer, verdwijnt zijn frons en glimlacht hij spontaan terug. Het is duidelijk, hij weet waarvoor we komen. Iets verderop staat onze gastheer – laat ik hem voor het gemak maar Sergej noemen – ons op te wachten. Ook hij glimlacht, van oor tot oor. Ik schud hem hartelijk de hand en, voor één keer, sta ik een man toe mijn wangen te kussen. Hij heeft het, zelfs voordat het evenement echt is begonnen, verdiend.

Zonder verder veel woorden te verspillen gebaart hij ons hem te volgen. Hij stapt in zijn jeep en rijdt voor ons uit. We volgen braaf, per slot van rekening, naar een kolonel moet je luisteren. Na luttele minuten stapt hij alweer uit. We zijn er. Hier gaat het gebeuren. Inmiddels bonkt mijn hart toch echt in mijn keel. We lopen een houten gebouwtje in. En daar liggen en staan ze! Uzi’s, kalashnikovs, M60’s en meer van dergelijke Rambo wapens. Meteen is mijn hele pacifistische ik naar de filistijnen. Schieten met die dingen, dat wil ik. En vandaag is mijn geluksdag, want precies hiervoor zijn we gekomen.

Ik krijg meteen een M60 in mijn handen gedrukt. De kogels over mijn schouder gelegd. En na een bemoedigend knikje van Sergej richt ik. Ergens, voor mijn gevoel honderden meters verderop, staan wat flessen. Ik vuur. Als een bezetene. Ik voel de patroonband over mijn schouder glijden. Natuurlijk, ik raak geen fles. En aan de stofwolken te zien, kom ik zelfs niet in de buurt. Maar het drukt de pret bepaald niet. Ik voel me als Rambo. Sterker, ik ben Rambo! In een ommezien is die patroonband verdwenen. Glunderend draai ik me om. Meer van dat spul wil ik. Maar Sergej maant me tot rust. Straks krijg ik meer. Nu eerst borrelen.

            

 

 

 

 

 

 

 

Een andere soldaat van dienst heeft inmiddels de barbecue op temperatuur gebracht. Flinke hompen vlees geuren me aangenaam tegemoet. Dat schieten maakt hongerig. Op tafel staan, weinig verrassend, flessen sterke drank. Vreemd genoeg, het is cognac. En geen wodka. Nooit geweten dat ze in het Russische leger liever cognac drinken. Maar goed, wat maakt het uit? Om elf uur in de ochtend ligt het toch wel zwaar op de maag. We drinken, op het linkeroog. Meteen gevolgd door een tweede glas, op het rechteroog. Opgelucht haal ik adem. Meer ogen heb ik immers niet. En twee van die glaasjes kan ik nog wel handelen. Maar zo werkt het dus niet. Het derde oog volgt, dan is er de vriendschap tussen Rusland en Nederland, tussen mannen en vrouwen en de laatste toost is op het leven. Tussendoor eten we flink van het vlees en van allerlei andere Russische heerlijkheden. Gelukkig wel.

Volledig verzadigd en redelijk onder invloed sta ik even later met een kalashnikov in mijn handen. Of is het nou met een uzi? Ik heb eerlijk gezegd geen flauw benul. Maar evengoed knal ik er vrolijk op los. Nog vrolijker dan voor de borrels, geloof ik. En dat ik de flessen, die inmiddels wel op een halve kilometer afstand lijken te staan, niet raak doet me helemaal niets.