Wat zit ik heerlijk gerieflijk in die Toyota Landcruiser. Beenruimte te over, prima airco, Tadzjieks muziekje op de achtergrond en wanneer ik naar buiten kijk, zie ik de buitenwijken van Dushanbe aan mij voorbijglijden. Zelfs de weg is in goede staat. Althans, op dit moment. Maar dat het wilde oosten van Tadzjikistan al meteen buiten Dushanbe begint, wordt mij alras duidelijk. Nauwelijks zijn we de stad uit of de weg verwordt tot een soort van zandpad, her en der opgevuld met restanten asfalt en puntige stenen. Een voortdurende slalom is het gevolg. De chauffeur is een en al concentratie. En niet alleen vanwege de staat van de weg. Vooral omdat hij, zoals ik inmiddels heb begrepen, deze auto pas gisteravond heeft gekocht. En natuurlijk wil hij zijn nieuwe aanwinst ongeschonden aan zijn familieleden in Khorog laten zien.

Na een uurtje of twee stoppen we voor een lunch, al hebben we die eerder vandaag ook al genuttigd. Allemaal, de chauffeur, de bijrijder, mijn twee medepassagiers en ikzelf slurpen haastig een shurpa – soep met wat groente en een vettig stuk vlees – naar binnen. Alsof we haast hebben. En misschien hebben we dat ook wel, want de eindbestemming Khorog is nog steeds een slordige 600 kilometer verderop. En dat betekent nog minimaal 15 uurtjes slalommen.

Gesterkt door de shurpa, maar waarschijnlijker vanwege die 600 kilometers zet de chauffeur er flink de pas in. En dat nu, had hij beter niet kunnen doen. Want snelheid en puntige stenen, ze gaan niet samen. Dat weet toch iedereen? Het wachten op het onvermijdelijke duurt niet lang. Binnen een half uur staan we weer stil. Dit keer met een lekke achterband. En niet zo’n klein beetje lek ook. De band is volledig aan barrels. De chauffeur kijkt beteuterd en teleurgesteld. Alsof hij had verwacht dat Toyota Landcruiser banden niet kapot kunnen gaan. Hoe vervelend ook, een band is eenvoudig te vervangen. Alleen, de wrede Tadzjiekse werkelijkheid leert mij dat deze nieuwe auto is afgeleverd zonder reserveband. Hoe de chauffeur ook zoekt, hij vindt deze nergens. Nu is het mijn beurt beteuterd en teleurgesteld te kijken. Hoe is het in godesnaam mogelijk een reis als deze aan te vangen zonder reserveband? Dat is niet een klein beetje maar heel erg dom.

De bijrijder bedingt een lift naar ergens om twee uur later terug te komen met een band. Helaas, deze past niet. Modelletje Lada of iets dergelijks en te klein voor de Landcruiser. Auto’s, trucks, bussen worden aangehouden, maar niemand heeft een passende band. Aan een van de chauffeurs die richting Dushanbe rijdt, wordt gevraagd aldaar een band te organiseren. Hij krijgt wat somani in zijn hand gedrukt en belooft plechtig dit bij aankomst meteen te regelen. Alleen, Dushanbe is uren rijden. Dat betekent nog minstens vijf uur wachten. Minimaal. En de avond valt al. Er zit dan ook weinig anders op om asiel aan te vragen bij een van de huizen die iets verderop staan. Met ons vijven wandelen we naar het grote en armoedige huis. In Nederland, zo denk ik, lijkt zoiets een kansloze exercitie. Zelfs als er plaats zou zijn in herberg of stal, zou het antwoord vermoedelijk een negatieve zijn. Alleen, we zijn niet in Nederland, we zijn in Tadzjikistan. De heer des huizes opent de deur als antwoord op ons geklop. Hij kijkt niet eens verbaasd en geleidt ons, zonder enige twijfel, naar binnen. Schoenen uit en dan mogen we plaatsnemen in de woonkamer. In een ommezien staat er dampende thee voor onze neus, en niet veel later happen we in brood, vlees, groente, rijst en aardappel. Alsof we vrienden zijn die na een jarenlang verblijf in het buitenland onverwacht op bezoek komen. Alsof ze blij zijn dat ze hun, ongetwijfeld tamelijk beperkte, voedselvoorraad mogen delen met volkomen onbekenden. Ik heb honger maar niet heel veel trek. Ik kan toch niet hun voorraad aardappels en rijst plunderen? Alleen, de heer des huizes gebiedt mij te eten. Schept zelf mijn bord vol. Wijst dat er nog meer vlees is. Weigeren kan niet en mag niet. Ik zal eten tot ik omval.

Maar voordat ik kan omvallen lig ik al in een bed. En als ik zo om me heen kijk, zou het best eens het bed van de gastheer en –vrouw kunnen zijn. Natuurlijk, ik protesteerde en sprak dat ik best op de grond kan slapen. Natuurlijk, ik stribbelde tegen en zei dat ik niet op de beste plek in het huis wil slapen . Maar wederom was ik kansloos. De gastheer glimlachte lichtjes, wees slechts naar het bed en vertrok. Verdere discussie was overbodig. Die lange Nederlander slaapt vannacht in het ouderlijke bed.

Wat een nacht! Geslapen in een Tadzjieks dorp waarvan ik de naam niet eens ken. In een huis waarvan ik de bewoners niet ken. In een bed dat normaliter beslapen wordt door de heer en vrouw des huizes. Ben net gewekt door een stem die iets zei over thee en hoogste tijd. Ik schiet mijn broek aan, een shirtje en schoenen. De kans op een douche alhier lijkt me uitgesloten. Sowieso, ik kan toch niet half naakt door een vreemd Tadzjieks huis lopen?

Eerst maar eens naar het toilet, dat ergens achter in de tuin staat. Niets meer dan een diepe kuil, een houten vlondertje met een mooi rond gat, bedoeld om de behoefte door te mikken, en een krakkemikkig houten huisje. Ik stap voorzichtig naar binnen, mezelf afvragend of die planken wel berekend zijn op mijn 100 kilo. Per slot van rekening, de gemiddelde Tadzjiek zal niet veel meer wegen dan de helft hiervan. De planken kraken inderdaad vervaarlijk. Willen ze me waarschuwen? Ik blijf toch staan, doe wat ik moet doen, knijp halverwege af en haal opgelucht adem wanneer ik weer buiten sta. Volgende keer toch maar tegen een boom, zo neem ik me voor.

Wanneer ik na het ontbijt naar de auto loop, zie ik dat deze nog steeds op drie wielen staat. Vertrekken is voorlopig dus een illusie. Sterker nog, de geruchten gaan dat een lawine de weg tussen Dushanbe en alhier onbegaanbaar heeft gemaakt. Het zou dan ook best kunnen, zo wordt me verteld, dat de komende uren, wie weet zelfs dagen, geen nieuwe band zal worden gevonden. Ik knik begrijpend en vraag me af wat nu te doen. Veel vertier is er zeker en vast niet in dit dorp.

Advertisements

Drie dagen loop ik inmiddels door Dushanbe, de bepaald niet bruisende hoofdstad van Tadzjikistan. Ik wacht op het moment dat mijn GBAO (beter bekend als Gorno Badakshan Autonomous Oblast) permit gereed is. Want zonder deze permit mag ik, zoveel is zeker, het oostelijke deel van Tadzjikistan niet in. Ik dood de tijd met trolleybusritjes, het bezoeken van marktjes en markten, een ritje in een reuzenrad, het verorberen van flinke hoeveelheden kebab en het consumeren van een aanzienlijk aantal biertjes in de bar van Hotel Dushanbe.

                     DSC04032

Aan het einde van dag drie komt het verlossende telefoontje. De permit is klaar en ik mag deze terstond komen ophalen. De dame van dienst wappert vrolijk met mijn paspoort wanneer ik een uurtje later haar kantoor binnenstap. Tegen betaling van $ 50, in plaats van de afgesproken $ 30 ben ik weer de trotse eigenaar van mijn eigen paspoort. Ik kan praten als brugman, de reactie is en blijft hetzelfde. Een glimlach met een schouderophalen en een blik van ‘het-is-graag-of-niet’. En dus betaal ik, enigszins grommend, het niet afgesproken bedrag. Niettemin, ik ben blij en opgetogen. Morgen kan ik vertrekken richting de Pamirs.

Voor dag en dauw ben ik wakker. Deels omdat ik opgewonden ben over de reis, deels omdat het broodnodig is. Want Khorog, het doel van mijn reis is niet bepaald om de hoek. Sterker, het is een klereneind verderop. En dus sta ik al voor zes uur op het busstation. Alhoewel, busstation? Er valt geen enkele bus te bekennen, louter wat vrachtauto’s en wat jeeps. Evengoed, word ik belaagd door bijna alle mannetjes die hier op het station rondlopen. En allemaal bieden ze mij een plek aan in hun voertuig. Volop keuze, zo lijkt het. Alleen, een korte inspectie leert me dat er twee probleempjes zijn. Het eerste is dat er nog geen andere passagiers zijn, wat kan betekenen dat ik uren en uren moet wachten. Het tweede is dat de meeste voertuigen zo krakkemikkig zijn dat ik mij serieus afvraag of ze de barre tocht naar Khorog ooit zullen vervolmaken. Niet goed wetend wat te doen, bestel ik maar een thee. Vertrekken doen we de komende tijd toch niet.

Plotsklaps staat er een mannetje voor mijn neus. Hij ziet er anders uit. Netjes gekleed, gepoetste schoenen, een mooi rood sjaaltje om zijn nek gedrapeerd. Hij wijst naar zijn auto, die net buiten het station staat geparkeerd. Een fris gewassen Toyota Landcruiser nota bene. Hij is op weg naar Khorog en biedt mij een zitplaats aan. Ik kijk hem blij verrast aan, laat mijn thee voor wat het is en stap in. ‘Lucky bastard’ glimlach ik in mezelf. Niks geen krakkemikkigheid deze reis, maar pure luxe.

We vertrekken meteen, om binnen tien minuten alweer stil te staan. Gestopt door de verkeerspolitie. En verder rijden, zo is mij al snel duidelijk, is uitgesloten. Want de aan de agent overhandigde autopapieren blijken niet van deze auto. En dus volgt een heleboel getelefoneer, met een heleboel mensen. Geen idee eigenlijk wat er allemaal gebeurt. Tot er opeens een breedgeschouderde militair voor mijn neus staat. ‘Kolonel Rostam’, zo stelt hij zich voor, onderwijl mijn hand zeer krachtig schuddend. En meteen is hij het middelpunt van alle aandacht. Hij wil met me op de foto, beantwoordt drie telefoontjes per minuut, praat met de chauffeur, met de agenten en vertelt mij bij voortduring dat hij heel ‘happy’ is mij te ontmoeten. Ook deelt hij tussendoor nog even mee dat hij, van 1979 tot 1985, in Afghanistan heeft gevochten. Niettemin, de juiste autopapieren zijn er ook binnen een kwartier.

Niet dat we nu kunnen vertrekken. Zo is het ook weer niet. Want kolonel Rostam heeft honger gekregen en nodigt ons allen uit voor een vroege lunch. En het mag duidelijk zijn, niemand die het in zijn hoofd haalt dit te weigeren. In een colonne rijden we naar het favoriete restaurant van de kolonel. Ergens aan de andere kant van Dushanbe, zo lijkt het. Maar niemand die het in zijn hoofd haalt te klagen. Dat is al even vanzelfsprekend. Ook bij het restaurant neemt de kolonel de touwtjes meteen stevig in handen. Hij commandeert het personeel, regelt een fles wodka, zorgt ervoor dat ik naast hem kan zitten, beantwoordt nog steeds drie telefoontjes per minuut en praat tegelijkertijd met iedereen. Wanneer hij hoort van mijn maagproblemen, speelt hij spontaan ook de rol van dokter. Hij fabriceert zijn eigen medicijn dat, ik kan het nu al verklappen, fantastisch werkt. Daarom, mocht je ooit maagproblemen hebben, dan raad ik het recept van kolonel Rostam van harte aan.

Gooi wat zout in een kopje, voeg wodka toe en vervolgens nog wat meer zout. Roer. Proef. Voeg dan nog wat zout toe. Roer opnieuw. Giet het in een ander kopje en voeg dan nog een flinke scheut wodka toe. In één teug achterover slaan. Vervolgens twee dagen zonder wodka en zonder vlees. Succes gegarandeerd.

DSC04099                   DSC04097

Net als iedereen, ik luister braaf naar hem. En voer al even braaf uit wat hij mij opdraagt. Hij slaat me dan ook, bulderend lachend, tevreden op mijn schouder. Tijd om te eten. Terwijl de rest van de gasten zich laaft aan hompen vlees, eet ik slechts een groentensoepje, met een homp brood. Rostam kijkt vaderlijk toe en ziet dat het allemaal goed is. Toch komt hij rap terug op zijn eigen adviezen. Want na een half soepje te hebben gegeten, schenkt hij mij toch een wodkaatje in. Tijd voor een toost. Op Nederland en Tadzjikistan. Op Afghanistan. En op onze vriendschap.

Uiteindelijk, het is inmiddels na twaalven en ruim zes uur na mijn aankomst op het station, vertrekken we. Rostam zoent me uitbundig op mijn wangen en dan zijn we op weg. Op naar de GBAO, een slordige 600 kilometer verderop.

Verrassend. De marshrutka naar Gori is bomvol. Moet ik nog een uur wachten ook alvorens de volgende komt. Maar de chauffeur zegt mij dat er nog wel een plek is. En hij knikt naar het gangpad, waar op ingenieuze wijze wat klapstoeltjes zijn gemonteerd. Met een rugleuning van maximaal twintig centimeter. Heel comfortabel zal het niet worden. Maar wat geeft het, een reisje van niet veel meer dan een uur behoeft niet heel veel gerief. Bovendien, de chaos van het station hier in Tbilisi, is niet meteen een aantrekkelijk alternatief. En dus stap ik in. Klap het stoeltje op zitstand. Glimlach naar mijn medepassagiers, bij wie ik bijkans op schoot zit en wacht rustig af. De chauffeur ouwehoert nog wat met zijn collega’s. Lurkt nog een laatste keer aan zijn peuk. En stapt dan ook in.

Ook de chauffeur heeft wel zin in Gori, zo blijkt. Want met gezwinde spoed gaan we op weg. Goede, strak geasfalteerde weg trouwens. Zal de EU dit grotendeels of helemaal hebben gefinancierd? Gewoon om de Georgische bevolking te paaien? Of ter meerdere eer en glorie van de EU zelf? Gisteren liep ik, in Tbilisi, nog op een EU-propaganda markt. Alle lidstaten waren daar vertegenwoordigd. Om zichzelf en de EU als geheel te promoten. Eerlijk gezegd, het was een nogal armetierige toestand. De Nederlandse stand blonk uit door kleffe blokjes Goudse kaas weg te geven. De Engelsen hadden een paar oude auto’s opgescharreld waar een ieder naar mocht kijken en mee op de foto mocht. En de EU-stand medewerkers deden niets anders dan ballonnen opblazen (van die blauwe met twaalf sterren) en vlaggetjes uitdelen (met aan de ene kant de EU-vlag en aan de andere de Georgische). Beschamende propaganda van een tamelijk knullig niveau. Een beetje vergelijkbaar met die goede oude Sovjet-Unie. Maar dan met schamele middelen vanwege de schamele EU-begroting. Toch, mocht de weg van Tbilisi naar Gori inderdaad met EU-geld zijn gebouwd dan is van een armoedige toestand zeker geen sprake. Vierbaans met glimmend, zwart asfalt. Die 80 kilometer leggen we dan ook ruim binnen het uur af.

Gori, de naam doet inderdaad al niet veel goeds vermoeden, is de geboorteplaats van Iosif Vissarionovitsj Dzjoegasjvili, beter bekend als Stalin (de man van staal). Wanneer ik uitstap, valt me op dat het hier niet bepaald warm is. Eerder koud eigenlijk. Bovendien, het regent lichtjes en het waait hard. Onplezierig weer. Alsof God een vervelend microklimaatje heeft geschapen voor Gori. Als straf voor het grootbrengen van Stalin.

Stalin mag dan nog steeds begraven liggen op het Rode Plein in Moskou, net achter het mausoleum van Lenin, de meeste Russen hebben toch in ieder geval hun bedenkingen bij hem. Maar aan bedenkingen hebben ze hier in Gori, zo schijnt, totaal geen boodschap. Hier overheerst trots. Trots op de beroemde plaatsgenoot. Die het toch maar heeft geschopt van een aftands huisje alhier tot het Kremlin in Moskou. Hardop ‘very bad motherfucker’ zeggen, iets wat mij spontaan te binnenschiet, is dan ook not done. Al vraag ik me af of dit überhaupt begrepen wordt.

Nu is het, ik moet het eerlijk toegeven, ook geen geringe prestatie. Van dit onooglijk oord naar het pluche van het Kremlin. Het is niet alleen in kilometers een enorme reis. Wellicht, wakkerde het provinciale en ver weggelegen Gori zijn drang naar macht aan? Bovendien, zijn jeugdjaren kunnen niet bepaald onbezorgd worden genoemd. Zijn vader, een schoenmakersknecht, dronk veel en vaak. En in zijn dronken buien tuigde hij zijn zoon Iosef met flinke regelmaat af.  Wellicht wakkerden deze vernederingen zijn drang naar macht aan?

                           64

In het plaatselijke museum riekt alles naar verheerlijking. Het begint al met het standbeeld van Stalin voor de ingang. In heel Rusland zijn er geen Stalin standbeelden meer te vinden (op een enkel minuscuul beeldje in Vladikavkaz na) maar hier pronkt Stalin parmantig op zijn sokkel. Binnen in het museum is het van Josef en van Stalin. Foto’s uit zijn jongste jaren, met paps en mams, samen met Lenin, als volksmenner, als leider, samen met kinderen. Tapijten met zijn afbeelding. Wijze spreuken ooit door hem gebezigd. En meer van dit soort pracht. Ook zijn er vitrines met geschenken van de grote mogendheden. De bijdrage vanuit Nederland is, hoe genereus, een paar houten klompen, maat baby.

Hoezeer de museummedewerkers hun best hebben gedaan Stalins imago tot hemelse proporties op te vijzelen. Hoezeer ze ook tijdens mijn bezoek hun best doen louter goed over hem te spreken. Mijn mening blijft onveranderd: ‘a very bad motherfucker’. In de museumwinkel laat ik de t-shirts met zijn afbeelding, flessen Stalinwijn of koffiemokken met zijn portret dan ook moeiteloos aan mij voorbijgaan.

Zittend in mijn taxi zag ik de Kaukasus de afgelopen uren langzaam veranderen; van kaal en vijandig tot groener en vriendelijker. En dan is daar plotseling Dadivank. Een juweel van een gehucht. Exact 27 huizen met daarboven, hoog op een klif, een eeuwenoud klooster annex kerk. Oorspronkelijk gebouwd in de vierde eeuw, en sindsdien talloze keren gerestaureerd. Maar al zo’n 1600 jaar staat het daar. Welk een fenomenale locatie. Ik mag dan vaak zeggen dat het niet meer hoeft. Het aanschouwen van nog meer kerken. Gewoon, omdat ik er al zo heel veel heb gezien in mijn leven. Maar ik moet mezelf ongelijk geven. Want deze moet wel. Te mooi om te laten lopen. Ik loop rond. Geniet van het uitzicht. Zie niemand. Hoor alleen het prachtige gezang van een vrouw.

De kerk en het gezang maken dat ik hier wil blijven. In dit gehucht. De vraag is alleen waar en hoe? Mijn taxichauffeur is alvast overtuigd dat overnachten hier een utopie is. ‘Arme, primitieve mensen en een Europese toerist gaan niet samen’ zo vertelt hij mij. Alleen, zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Schoonheid heeft immers een prijs. Bovendien, vroeger op de boerderij in Pekela, was er ook geen verwarming en was de douche ook niet altijd heet. Dus ik ben wel wat gewend.

Bij een winkeltje, aan de hoofdweg, zie ik een aantal mensen staan. Ik spreek een oude dame aan en vraag haar of ik hier ergens kan slapen. Ze knikt verheugd. Zeker kan dat. Bij haar thuis is plek genoeg. Ze wijst naar het eerste huis in het dorp. Ik ben meteen overtuigd. Daar ga ik slapen, dat wordt mijn thuis. De taxichauffeur haalt hoofdschuddend mijn bagage uit de kofferbak, neemt weifelend mijn geld aan, maar scheurt vervolgens evengoed met hoge snelheid weg.

En zo beland ik in een soort van Hans en Grietje huis. Oud, vervallen met in de logeerkamer zes roestige en krakkemikkige bedden. Ik ben de enige gast. Hoe verrassend. Meteen voel ik me thuis. Het doet me denken aan het huis van mijn grootouders. In de keuken braakt een karaokespeler – dat dan weer wel – Russische pop. Loeihard. Sonja, zoals mijn gastvrouw heet, trekt meteen een fles huisgemaakte kefir uit de koelkast, haalt een homp zelfgemaakt brood tevoorschijn en trakteert me op een glas wijn. Ook al zelfgemaakt. Het smaakt fantastisch.
Onderwijl vertelt Sonja over zichzelf. Voordat de oorlog begon, woonde ze met haar familie in Bakoe. Vredig en rustig. Maar die oorlog veranderde haar leven voorgoed. Haar man en één van haar zonen lieten het leven, en zij besloot met haar andere zonen en haar dochter te vluchten. Net als zoveel andere Armenen. Eerst naar Jerevan en vervolgens naar hier. Naar Dadivank. Om een nieuw bestaan op te bouwen. Dit huis heeft zij, natuurlijk zonder vergunning, zelf gebouwd.

Dat het leven zwaar is en flinke sporen nalaat, is duidelijk aan haar te zien. Ik laat me dan ook niet verleiden tot het schatten van haar leeftijd. Zoals ze me herhaaldelijk vraagt. Uiteindelijk geeft ze het op en vertelt ze dat ze 52 is. Gelukkig, denk ik, heb ik me niet laten ompraten. Want, eerlijk gezegd, ik had haar minimaal 65 jaar gegeven. En dat had ze vast niet heel leuk gevonden. Ze praat maar door. Over de angst voor een nieuwe oorlog. Over weer een gedwongen verhuizing. Over Azerbeidzjan. Over het geweld.
Opeens besluit Sonja dat het tijd is voor wat vrolijkheid. Per slot van rekening, ze heeft een gast. Op haar mobiel speelt ze muziek, Russische liedjes die ze uit volle borst meezingt en waarop ze voorzichtig heupwiegend danst. ‘Er is geen tijd voor meer verdriet want we leven maar één keer’, zegt ze. Maar even abrupt als het begon, stopt de muziek ook weer. Omdat Sonja zich realiseert dat haar gast nog ongewassen is. Na een lange en stoffige reisdag.

Ze verontschuldigt zich, ook voor het feit dat hier geen douche is. De rivier is de enige optie. Poedeltjenaakt, verscholen achter wat struiken en struikjes, was ik het zweet en het stof van me af. Maar wat geeft het? Toch helemaal niets? Shampoo voor het haar, een stukje zeep voor het lichaam en rondom de Kaukasus. Grootse pret. Dat is het. Een topdouche. Dat is het.
Aan de oever van de rivier is een soort van openlucht restaurant, bestierd door de dochter van Sonja. In tegenstelling tot haar moeder is dochterlief wat knorrig en kortaf. Alsof ze boos is op de wereld. Of op zichzelf. Of op mij. Ik heb geen idee. En ik vraag haar ook niet wat er is. Gewoon omdat ik er geen zin in heb. Ik bestel een sjasliek, met van die sublieme Karabachse tomaten en komkommers, brood en bier. Welk een maal. En rondom weer de Kaukasus.

Bij thuiskomst is de zoon van Sonja op bezoek. Hij gaat morgen naar Jerevan, naar de grote stad. Voor zaken en zaakjes. En daarom moet hij er piekfijn uitzien. Moeder strijkt zijn shirt en poetst zijn schoenen. Hijzelf scheert zijn baard, zonder schuim. Wanneer ik hem mijn scheerschuim geef, lacht hij vrolijk. En mijn aftershave maakt hem nog vrolijker.

Wanneer ik later op de avond wil gaan slapen, zegt Sonja dat het nog te vroeg is. Eerst moet ik meer van die huisgemaakte wijn proeven. Ze bedoelt dat ze meer met mij wil praten. Blij met het gezelschap, blijft ze mijn glas vullen. Het smaakt nog steeds uitstekend. Ik drink zo een half litertje van dat spul, zonder moeite. Totdat ik vrolijk ben. Van de wijn en van de Kaukasus.
Na de wijn mag ik slapen. Maar Sonja komt me, als een echte moeder, nog wel een goede nacht wensen. Zij besluit dat slapen onder een laken niet warm genoeg is en legt heel voorzichtig een deken over me heen. Bijna heb ik het idee dat ze me een zoen op mijn voorhoofd gaat geven. Maar ze doet het niet. En dat vind ik jammer!

Een bezoek aan Nagorno-Karabach is volgens het Ministerie van Buitenlandse Zaken af te raden. Te onstabiel en te gevaarlijk. De afgelopen dagen heb ik hierover inderdaad veel gehoord maar hoe dan ook niets gemerkt. En dus vermoed ik dat reizen langs de bestandslijn, de plek waar Armeense en Azerbeidjaanse troepen elkaar beloeren, waarschijnlijk ook minder gevaarlijk is dan de ambtenaren van het Ministerie beweren.

Ik twijfel tussen taxi en marshrutka. De verleiding voor de luxe van een taxi is groot, moet ik eerlijk toegeven. Ook omdat ik de afgelopen hiervan al met flinke regelmaat gebruik heb gemaakt. Gewoon omdat het kan, omdat het mag, omdat het zo heel warm is en omdat ik een klein beetje lui ben. Maar deze ochtend besluit ik dat een avontuurlijke reis als deze niet per taxi kan en mag. En dus wandel ik naar het busstation in Stepanakert waar de marshrutka naar Tigranakert al klaar staat. Helaas is de enige plek met enige beenruimte al bezet en dus rest mij niets anders dan met opgevouwen benen op een te krappe zitplaats plaats te nemen. Die Armenen zijn ook allemaal zo klein van stuk, mopper ik in mezelf.

Nagorno-Karabach, het is een gebied waar bijna niemand in de westerse wereld ook maar enige aandacht aan besteedt. Of dit helemaal terecht is, is nog maar de vraag. In het kruitvat, dat de Kaukasus heet, kan ook de situatie in Nagorno-Karabach zomaar ontploffen. De afgelopen dagen heb ik al meerdere keren gehoord dat de toch al broze vrede tussen Armenië en Azerbeidzjan alsmaar brozer wordt. Ik kan wel stellen dat de mensen hier bang zijn. Bang voor Azerbeidzjan. Bang dat een nieuwe oorlog niet meer lang op zich zal laten wachten. Eigenlijk heeft iedereen zijn of haar hoop op Rusland gevestigd. En op de Russische troepen. Om te helpen de Azerbeidzjanen tegen te houden. Of, beter nog, om te voorkomen dat zij überhaupt in actie durven te komen.

Bovenstaande is het verhaal dat ik de afgelopen dagen talloze keren heb gehoord. Van de Armeense bevolking alhier. Maar, er is ook een andere kant van het verhaal. Want ook de Azerbeidzjanen hebben ontzettend geleden tijdens de oorlog van 1988 tot 1994. En hiervan zie ik vandaag een voorbeeld wanneer ik langs Aghdam rijd. Aghdam is, of beter gezegd was, een stad op zo’n 20 kilometer van Stepanakert. Twintig jaar geleden woonden hier zo’n 40.000 mensen, allemaal Azerbeidjanen. Maar ze zijn gevlucht voor het geweld. En nu woont er niemand meer. Helemaal niemand. Dit kan ook niet, want alle huizen zijn verwoest. Bovendien, de Azerbeidzjaanse sluipschutters, de grens is niet veel verderop, hebben de akelige gewoonte te schieten op alles wat er nog beweegt. Een roestige tank is een stille getuige van een wreed slagveld, niet eens uit een zo grijs verleden.

Terwijl ik naar Aghdam tuur, word ik aangesproken door een medepassagier. Verrast kijk ik op, want hij spreekt alleraardigst Engels. En dat is bepaald ongebruikelijk hier. Hij stelt zich voor als Narek en vertelt me dat hij priester is in Martakert, een stadje verderop. Ik maak van de gelegenheid gebruik hem zijn mening te vragen over Aghdam. Zijn antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over:  ‘Azerbeidzjanen zijn slecht en gevaarlijk. Ze mogen Nagorno-Karabach claimen als zijnde deel van Azerbeidzjan. Maar ze hebben geen enkel recht van spreken. Dit is een onafhankelijke staat, iedereen die hier woont is Armeen. En iedereen huivert van Azerbeidzjan. Het is het kwaad op aarde. De duivel in hoogsteigen persoon’. Narek hoopt dat de rest van de wereld gaat inzien dat er hier gevaar dreigt. Dat een onafhankelijke staat onder de voet gelopen kan worden door een islamitische agressor. Maar hij heeft tegelijkertijd weinig hoop. Azerbeidzjan is te rijk, heeft teveel olie en invloed in de wereld. Het nietige Nagorno-Karabach is kansloos.

Aghdam      Tigranakert

Als hij hoort dat ik later vandaag van plan ben naar Martakert te reizen, nodigt hij me uit vooral bij hem langs te komen. Om verder te praten. Ik neem zijn uitnodiging maar wat graag aan. Hij mag dan, zoals iedereen hier, een nogal eenzijdig beeld schetsen van het conflict, het is hoe dan ook aangenaam eens wat Engels te babbelen.

Plotseling, voor mijn gevoel in de absolute middle of nowhere, stopt de bus. De chauffeur roept dat we in Tigranakert zijn. Hij bedoelt, dit is de plek waar ik moet uitstappen. Verwonderd kijk ik op en rond. Heel even heb ik de neiging te blijven zitten. Maar dan zie ik verderop, op een flinke heuvel, een kerkje. Precies de reden waarom ik meende hier te moeten uitstappen. En dus stap ik uit. Me wel afvragend hoe ik hier in godesnaam weer weg zal geraken. Niets dan kale bergen rondom. Behalve stofwolken van een graafmachine en zandauto’s. En een onbarmhartige zon op mijn hoofd. Daar sta ik dan met mijn koffertje. Bijna op de bestandslijn. Twee meter mens als schietschijf voor de sluipschutters, schiet door me heen. Door de stofwolken heen zie ik, als ware het een fata morgana, een kasteelachtig gebouw liggen. Wanneer ik wat dichterbij ben, zie ik ook mensen rondlopen. Het blijkt, nota bene, het museum van Tigranakert te zijn. Een alleraardigste dame leidt me in een ijltempo rond. Op 100 meter van hier, zo vertelt ze, is een gebouw blootgelegd uit de eerste eeuw. En hier in het museum zijn enkele opgegraven voorwerpen tentoongesteld.

Gewapend met een flesje water beklim ik vervolgens de heuvel. Die met op de top dat kerkje. Uit de zesde eeuw. De woedende zon doet me zweten en de steile heuvel doet mijn benen pijn. Maar ik stap door. Op naar de zesde eeuw. Wanneer ik boven ben, weet ik dat al het zweet en al die voetstappen meer dan de moeite waard zijn geweest. Eenzaam op de top, met rondom niets dan de kale bergen van de Kaukasus. Ik voel mij als een koning. Of, wellicht toepasselijker, als een profeet. Het is hier Bijbels. Er is hier niemand. Het enige geluid komt van de krekels. De kerk zelf mag dan flink gerestaureerd zijn, zoveel is wel duidelijk. Ik vraag me af hoeveel zesde eeuw er nog van over is. Niet al te veel volgens mij. Maar het drukt de pret geenszins. Welk een stilte. Welk een natuur. Welk een pracht.

Weer beneden maak ik vrienden met de medewerkers van het museum en de werklui van de graafmachine en de vrachtwagens. We drinken thee, roken sigaretten als dollemannen en praten, zo goed en zo kwaad als dit gaat, over familie en over Azerbeidzjan. Altijd weer Azerbeidzjan. En altijd weer die woede. En die angst.

Ik wil wel blijven. Zittend onder een boom in de schaduw is een aangename verpozing. Maar ik moet door. Door naar Martakert. Met wat kilootjes lood in mijn benen loop ik terug naar daar waar ik uit de bus ben gestapt. Half en half verwachtend dat ik hier uren moet wachten. Veel verkeer komt hier nu eenmaal niet voorbij. Dat is een zekerheid. Maar binnen drie minuten stopt een prachtige blauwe Lada. Oud en aftands. Net als de chauffeur. Hij vertelt me dat hij naar Martakert gaat. Net als ik dus. Hij nodigt me uit op de passagiersstoel te gaan zitten. Zijn radio staat hard. Ik herken Kylie Minogue, maar dan met een Nagorno-Karabach beat. Behalve de radio gaat er niets hard in deze auto. Bergop tuffen we met een gangetje van maximaal 20 per uur, terwijl we bergaf niet veel sneller gaan. Want bij elke afdaling gaat de motor uit. Om benzine te besparen. Desondanks zijn we binnen het uur in Martakert. Ik betaal hem 2000 dram (zeg maar 4 euro), waarop hij mij blij verrast de hand drukt.

Martakert is een stoffig oord. Een roestig reuzenrad is opvallend aanwezig. Voor de rest is het vooral stof. Toch, ik had bedacht hier vannacht te blijven en van dit plan wijk ik niet af. Dus ga ik op zoek naar een hotel. De soldaat, aan wie ik vraag waar een hotel is, vertelt me dat ik hem kan volgen. Hij wijst me graag de weg. Wanneer ik bij het hotel aankom, vertelt de receptioniste me dat er in haar herberg geen plaats is. Alle kamers zijn bezet.

Ik bestel een lunch van thee met vet schapenvlees en rijst. Ook om te bedenken wat nu te doen. Alleen, die kans krijg ik niet want plotsklaps staat daar Narek, de priester. Met een bedrukt gezicht. Al zegt hij dat hij blij is mij terug te zien. In zijn kielzog lopen vier soldaten. De priester vertelt me dat onze afspraak niet doorgaat omdat hij onmiddellijk naar Jerevan moet. Een collega-soldaat van deze vier is daarnet omgekomen. Omgebracht door een Azerbeidzjaanse sluipschutter. Narek moet de ouders van de omgekomen soldaat bijstaan. En dus vertrekt hij terstond. De vier soldaten schuiven bij me aan. Ze zijn stil, bestellen een Fanta en beginnen te roken. Als bezetenen. Aan tafel met soldaten die net een collega hebben verloren. Op drie kilometer van hier. De wereld mag dan geen weet willen hebben van hetgeen hier gebeurt, hier woedt wel degelijk een oorlog. Iedere maand wordt het broze vredesakkoord tientallen keren geschonden. Met doden en gewonden tot gevolg.

Mijn lunch smaakt me slecht. Niet zozeer omdat ik bang ben maar wel omdat ik eigenlijk niet kan eten. Het past niet. Er past hier alleen maar stilte. En sigaretten. De posters in het restaurant, van cocktails aan het strand, van cognac en sigaren passen ook al niet hier. Stof en een dode soldaat gaan daar niet mee samen.

Martakert           231

Een vol hotel en een dode soldaat doen mij besluiten verder te gaan. Op naar Dadivank. Buiten op straat vind ik een taxichauffeur die me voor 20.000 dram (40 euro) wel wil brengen. Ik vind het veel geld, maar van onderhandelen wil hij niet weten. Het is graag of niet. En het mag duidelijk zijn, een heel goede onderhandelingspositie heb ik bepaald niet. Er zijn weinig alternatieven, want weinig auto’s en bovendien wil ik graag weg. Dus stem ik toe en stap in zijn Opel Astra. De chauffeur waarschuwt me meteen dat de weg slecht zal zijn. En hij krijgt gelijk. Kuilen en gaten in het asfalt. Als er al asfalt is. En verder vooral weer stofhappen. Maar tegelijkertijd, wat een geweldige rit door de Kaukasus. Weer ben ik stil, maar deze keer van de schoonheid. Urenlang rijden we door de bergen. Af en toe doet een tegenligger ons nog meer naar stof happen. Steeds weer herhaalt de chauffeur dat de weg te slecht is voor zijn Astra. Steeds weer verontschuldigt hij zich voor de staat van de weg. In Nederland is het vast beter. In Nederland is vast alles beter. Ik ontken en wijs naar de bergen. Zo mooi hebben wij ze niet in Nederland.

Uiteindelijk is de weg te slecht. Te slecht voor een van de banden van de Astra. De chauffeur verwisselt de band in een recordtijd. Binnen enkele minuten gaan we weer voort. Nu zonder reserveband.

Sushi in Shushi, als een mantra spookt dit rijmpje door mijn hoofd. Al sinds ik voor de eerste keer las over dit stadje. Niet dat ik er echt in geloof trouwens. Daarvoor heb ik teveel de indruk dat Shushi een te vervallen oord is. Met een te tragische recente geschiedenis. Maar wie weet, per slot van rekening is sushi tegenwoordig overal. Zittend in de ‘marshrutka’, op weg naar Sushi, besluit ik dat ik in ieder geval mijn uiterste best ga doen een sushitent te vinden aldaar.

De marshrutka is zo goed als leeg. Alsof niemand naar Shushi wil. Tergend langzaam ploeteren we over de bergweg omhoog. Alsof ook de marshrutka weinig zin heeft daar te geraken. Achteromkijkend zie ik Stepanakert, vooruitkijkend Sushi. En zo verzink ik in gedachten over toen, een jaartje of twintig geleden.

Shushi was tot 1822 de trotse hoofdstad van Nagorno-Karabach en een van de eerste steden, samen met Bakoe en Tbilisi, die tot ontwikkeling kwam in de Kaukasus. Het was een stad die sterke aantrekkingskracht had op Azerbeidjaanse intellectuelen, dichters, schrijvers en muzikanten. En later, tot de eerste wereldoorlog, werd Shushi ook een cultureel en economisch centrum voor de Armenen. Probleemloos ging die samenvloeiing van deze twee volkeren bepaald niet. In 1920, bijvoorbeeld, werd een groot deel van de Armeense bevolking uitgemoord door de Azerbeidjanen, geholpen door de Turken. Toch, ten tijde van de Sovjet-Unie leefden beide bevolkingsgroepen in vrede naast en met elkaar.

Maar tijdens de oorlog van 1988 tot 1992 ging het pas helemaal mis. In eerste instantie voor de Armenen. Zij hadden de keus tussen vertrekken of te worden vermoord. Door hun eigen buren, met wie zij jarenlang vreedzaam hadden geleefd. Huwelijken liepen op de klippen omdat een van de partners Armeens was en de ander Azerbeidjaans. Er bleef geen Armeen over. Iedereen vertrok naar Stepanakert of verder weg naar Armenië. En zo werd Shushi een Azerbeidjaans bolwerk in een overwegend Armeens Karabach. Erg lang duurde dit niet, want tegen het einde van de oorlog was de positie van Shushi onhoudbaar. De Armenen kwamen terug, met veel manschappen en met veel wapentuig. Zij heroverden Shushi en dwongen, op hun beurt, alle Azerbeidjanen te vertrekken.

Shushi           Shushi

Wanneer ik de stad binnenrijd, valt meteen op dat nieuwbouw en ruïnes hier hand in hand gaan. Nieuwe flats, gebouwd in de jaren na de oorlog worden omzoomd door vervallen en kapot gebombardeerde huizen. Ergens heeft de lokale overheid wat geld gevonden tot wederopbouw. Maar geld om die oude gebouwen af te breken is er blijkbaar niet. En een van de inwoners vraagt zich zelfs hardop af of die investering in nieuwbouw wel verstandig is geweest. Het was misschien beter te investeren in wapentuig. Azerbeidzjan, met een defensiebudget groter dan het totale budget van Armenië en Nagorno-Karabach tezamen, zou elke gelegenheid willen aangrijpen om een nieuwe oorlog te starten. Om het verloren gegane terrein te kunnen heroveren.

De stad ademt chaos en, wellicht nog meer, tragiek. Zelfs het oorlogsmonument, zo vaak de plek waar de schijn bedriegt in Russische steden, is een rommelpot. De jaartallen 1941 – 1945 liggen hopeloos op de grond. Gevallen van hun voetstuk en niemand die zich erom bekommert.

Midden in het stadje staat een kerk. Een gloednieuw exemplaar in uitstekende staat. Hier zijn heel veel euros, en nog veel meer drams, aan besteed. Waarom, zo vraag ik me af? Maar het zal mijn godslasterlijke aard wel zijn die deze vraag stelt. En misschien heb ik wel ongelijk. Want in een oord als deze is troost vinden bij de Almachtige waarschijnlijk de enige wijze te kunnen overleven.

Ik wandel rond. Over onverharde wegen vol kuilen en gaten. Alleen de hoofdstraat is voorzien van een laag asfalt. De gedachte aan sushi is helemaal verdwenen. Ik zie een vervallen en geplunderde moskee, waarbij een bordje staat ‘ protected by the government’. Wat de overheid hier precies beschermt, is mij niet duidelijk. Die moskee is toch al reddeloos verloren.

Vlakbij de moskee zitten twee mannen op een bankje van een niet meer dienstdoende bushalte. Een tragische uitvoering van die twee oudjes bij de Muppets, schiet me te binnen. Ik stap op ze af en begin een praatje. 88 en 86 jaar oud zijn ze, zo vertelt de jongste. En nadat ze hebben begrepen dat ik uit Nederland kom, vraagt de oudste of daar ook een oorlog gaande is. Ik kijk hem aan en schud mijn hoofd. Hoezo ook? Hier is toch geen oorlog meer? Maar de tijd heeft blijkbaar stilgestaan voor hem. Voor hem is het hier nog altijd oorlog. En misschien heeft hij wel gelijk. Iedere dag zitten ze hier. Te wachten op betere tijden. Te wachten tot de tijden van weleer, toen Shushi floreerde, zullen herleven. Maar ze weten vast ook zelf dat dit een illusie is. Een pakketjesdroom. Hun tijd is te kort.

Shushi        Shushi

Verderop zit een man in zijn tuintje. Naast hem een Lada zonder wielen en in verregaande staat van verroesting. Wat een vreemd relikwie in een tuin. Waarom haalt hij dit niet weg? Waarom ruimt hij dit niet op? Maar het zal wel niets uitmaken. Want waar hij ook kijkt, overal is troep. Overal is rommel. Er is teveel van in deze stad. Het kan niet opgeruimd en dus is het beter te doen alsof het niet bestaat.

Toch is het niet alleen kommer en kwel. Er zijn wel degelijk pogingen de oude glorie van Shushi te herstellen. Zo telt de stad vier musea, en om de tragiek van het alledaagse leven te compenseren, besluit ik ze allemaal te bezoeken. Zo beland ik in een galerie waar oude tapijten uit Nagorno-Karabach worden tentoongesteld. Een werkelijk adembenemend mooie Armeense dame heet me welkom. In uitstekend Engels nog wel. Ze vraagt of ze mij mag rondleiden. Vanzelfsprekend stem ik toe. Me figuurlijk voor de kop slaand dat ik vanochtend dat ietwat ranzige shirtje toch weer heb aangetrokken. En dat ik die baard van een dag of vijf niet heb afgeschoren. Ze zal me ongetwijfeld afleiden van de tapijten, maar een kniesoor die daar op let. Een tapijt heb ik al heel vaak gezien. Maar een Armeense schone in Shushi is absoluut nieuw voor me.

In het Geologisch Museum is de privéverzameling van de laatste Minister van Geologie van de Sovjet-Unie tentoongesteld. Een prachtig gebouw aan het eind van een straat waar toch vooral krakkemikkige huizen staan. Wederom vraag ik me af waarom? Een kerk zal dan nog wel nuttig kunnen zijn voor de lokale bevolking. Maar een museum met kristallen en mineralen? Toegegeven, het ziet er prachtig uit. Maar had deze voormalige minister niet veel beter de straat kunnen laten opkalefateren?

In het historisch museum vertelt een gevluchte Armeen uit Bakoe mij honderduit over de geschiedenis van Nagorno-Karabach en Shushi. Vooral over de oorlog, het gevaar van de Azerbeidjanen, de laffe houding van Gorbatsjov tijdens de laatste dagen van de Sovjet-Unie, aangaande de aansluiting van Nagorno-Karabach bij Armenië, de sluwheid van de Armeense troepen. Het mag allemaal flink gekleurd en zeer pro-Armeens zijn. Het verhaal maakt wel indruk. Vooral met de kapotgeschoten gebouwen buiten op het netvlies. Na de rondleiding biedt hij mij een theetje aan. En voor ik het weet, discussiëren we over de vliegramp in de Oekraïne. Voor hem is er geen ruimte voor twijfel. Het is het werk van de Oekraïense regering. Om Rusland in diskrediet te brengen. En ook voor de Europese Unie heeft hij geen goed woord over. Propaganda storten ze uit over de bevolking, als in de hoogtijdagen van de Sovjet-Unie.

Maar sushi vind ik niet. Het is er volgens mij ook niet. En dus stap ik ergens een restaurantje binnen en bestel een shaslick met bier. De eigenaar nodigt me uit samen wodka te drinken. Misschien om de tragiek van de omgeving te vergeten . Maar ik weiger evengoed, het is te warm. En bovendien, het helpt toch niet.

Het is al enkele jaren geleden dat ik een boek las van de bekende Poolse schrijver, journalist en avonturier Kapuscinski; waarin hij verhaalt over zijn bizarre belevenissen om in Stepanakert te geraken. Destijds, we spreken over de beginjaren negentig, was Nagorno-Karabach nog een gemengde republiek, bevolkt door Azerbeidzjanen en – vooral – Armenen, en onderdeel van de Azerbeidzjaanse Sovjetrepubliek. Was het in oorlog met zowel de macht in Moskou als met de machthebbers in Bakoe, de hoofdstad van Azerbeidzjan. Wilden ze onafhankelijkheid, of in ieder geval aansluiting bij Armenië. Destijds woonden in Stepanakert alleen maar Armenen, maar in het iets hogerop gelegen Shusha alleen Azerbeidzjanen. En de laatsten gebruikten hun geografisch voordeel om met grote regelmaat raketten op Stepanakert te doen laten neerkomen. Destijds zat Nagorno-Karabach als een rat in de val. Er was eigenlijk geen uitweg. De oorlog verliezen van Moskou zou betekenen dat de dromen over zelfstandigheid voor onbepaalde tijd in de ijskast zouden kunnen. De oorlog winnen van Moskou zou betekenen dat Azerbeidzjan het landje zou inpikken. Vergeleken met het machtige Moskou was Bakoe’s macht weliswaar beperkt, maar vergeleken met Nagorno-Karabach was het evengoed een Goliath.

Onder die omstandigheden slaagde Kapuscinski erin, verkleed als Aeroflot (co-)piloot op een vlucht van Jerevan naar Stepanakert, en als dronkenman op de achterbank van een zwarte limousine, uiteindelijk Stepanakert te bereiken. Tegenwoordig zijn dergelijke capriolen niet meer nodig. Tegenwoordig is het vooral een kwestie van het boeken van een vlucht naar Jerevan en vandaar verder te reizen per bus of auto naar Stepanakert. Een reisje van 350 kilometer, of ongeveer zes uur, door die fantastische Kaukasus. Een natuurlijk obstakel van jewelste, dat wel, al is de weg tussen deze twee steden alleraardigst. De mens, zo blijkt, zegeviert uiteindelijk ook tegen vijandige bergen. Een ander obstakel, door mensen gecreëerd, is het passeren van de grens van Armenië met Nagorno-Karabach. Maar met het visum netjes in mijn paspoort geplakt, maak ik mij ook hierover weinig tot geen zorgen. Toch, een vlucht boeken naar Stepanakert, zoals Kapuscinski, is tegenwoordig geen optie. Want ondanks de aanwezigheid van een vliegveld, is het onmogelijk naar daar te vliegen. Al vele jaren niet. De Azerbeidzjanen dreigen namelijk ieder willekeurig vliegtuig dat daar wil landen uit de lucht te schieten. Dat dan weer wel.

Laat ik eerlijk zijn, een stad met zo’n naam kan niet anders dan fantastisch zijn. Stepanakert. Stepanakert! Al die jaren zat het ergens in mijn systeem. Ergens in mijn gedachten. Al die jaren wilde ik naar daar. Soms was het gevoel overheersend, vaker ergens knagend op de achtergrond. Maar weg was het nooit. Daarvoor klonk Stepanakert te goed en te mooi. Ik bedacht zelfs dat, mocht het ooit zover komen, mijn nieuwverworven bruid te trakteren op een huwelijksreis naar daar. Maar een beperkte rondvraag aan verschillende potentiële kandidaten maakte mij duidelijk dat zo’n reisje doorgaans niet als ideale huwelijksreis wordt gezien. Daarvoor zijn de associaties van Stepanakert met zon, zee, strand, kokosnoten en palmbomen te niet bestaand.

En dus besluit ik alleen te gaan. Per vliegtuig en per auto. Als een slap aftrekseltje van de grote Kapuscinski, maar evengoed ingetogen trots op mezelf. Inmiddels zit ik al zo’n vijf uur naast Areg, de taxichauffeur. Veel praten doet hij niet, gelukkig niet. Want de manier waarop hij de ontelbare bochten aansnijdt, maakt mij het antwoorden sowieso onmogelijk. Stiekem denk ik dat zo’n verkleedpartijtje als Aeroflot-piloot nog niet zo heel avontuurlijk was. Areg schakelt stoïcijns, van twee naar drie naar vier, vijf en terug. Ondertussen rookt hij, natuurlijk. En belt hij, natuurlijker. Ik begrijp niets van zijn Armeens, maar ergens heb ik het idee dat zijn vrouw hem maant op tijd thuis te zijn. Voor het avondeten. En dus geeft hij gas, want na aankomst in Stepanakert moet hij het hele eind nog terug. Omdat zijn vrouw op hem wacht. Ik geef mij over aan Areg en aan de talrijke goden van de talrijke Kaukasische volkeren. En ik geniet van het landschap. Die fabelachtige Kaukasus laat mijn hart sneller kloppen, mijn bloed sneller stromen, mijn gedachten stilstaan. Volgens sommigen was het hier waar Adam en Eva in hun paradijs woonden. Volgens mij is het hier, zoals het in de Alpen honderd jaar geleden was. Maar dan hoger, ruiger, wilder, spannender, onontdekter,  uitgesprokener.

En dan opeens is daar dé kruising. Shusha, rechtsaf de berg op. Stepanakert rechtdoor naar beneden. Ik kijk tegelijkertijd omhoog en omlaag. ‘Jezus’, denkt mijn protestantse geest, Stepanakert en Shusha in één blik gevangen. De verwoeste en de verwoester van destijds. De opgebouwde en de vergetene van tegenwoordig. Nu wordt het echt spannend, nog een kwartiertje en we zullen de buitenwijken van Stepanakert binnenrijden.

De buitenwijken van Stepanakert zijn, zo denk ik, niet meteen veel aantrekkelijker dan de gemiddelde buitenwijk van welke willekeurige Sovjetstad dan ook. Maar die mening herzie ik spoorslags wanneer ik het monument ‘We are our Mountains’, ook wel bekend als ‘Tatik Papik’ of ‘Grootvader en Grootmoeder’ in het vizier krijg. Wat een binnenkomer! Dit monument geeft, volgens de algemeen geaccepteerde interpretatie, de verbondenheid van Nagorno-Karabach met Armenië aan. Hier herdenken de inwoners van Stepanakert, eens per jaar, de oorlog die hun stad zoveel schade en verdriet heeft bezorgd. Echte Eurovisiefielen zouden zich nog kunnen herinneren dat de Armenen, tijdens hun presentatie in de halve finale van het Eurovisiesongfestival in Bakoe, dit monument aan de wereld toonden. Tot ergernis en ontsteltenis van Azerbeidzjan. Tijdens de finale werden deze beelden dan ook vakkundig door de Azerbeidzjaanse regie weggeknipt. Iets waaraan de Armenen zich, op hun beurt, groen en geel ergerden. Ze namen vakkundig wraak door, tijdens de puntentelling, op de achtergrond beelden van dit monument te laten zien.

We are the Mountains

Areg heeft er geen oog voor. En ook geen geduld natuurlijk. Hij heeft slechts één doel, zijn passagier afleveren en terug. Vlakbij het busstation dropt hij mij. Hij knikt me nog een keer vriendelijk toe, geeft me een hand, keert zijn auto en vertrekt.  Zes uur lang dezelfde haarspeldbochten voor de boeg. Hier sta ik dan, met vaste voet aan de grond in Stepanakert. Het is er stil en rustig valt me op. Ook vlakbij het busstation. Maar het is er vooral zinderend heet.

Ik zet me neer op een terras, met uitzicht over de hoofdweg, en bestel een fles bier. De overige klanten zijn gedrongen mannetjes, stoer kijkend en kettingrokend, met een maffioos kapsel, vierkante hoofden en stierennekken. Een voor een kwamen ze aangereden, in een Range Rover of luxueuze Mercedes. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Maar na een paar uurtjes alhier, weet ik wel beter. De stad mag dan zijn opgebouwd. Het centrum mag zelfs modern en mooi zijn. In het centrale park is, nota bene, wifi. Ik heb toch vooral armetierige flatgebouwen gezien. Inwoners gekleed zien gaan volgens de laatste Sovjetmode. Uit meerdere gebouwen Modern Talking horen schallen. Buiten het centrum bekruipt me onmiddellijk het gevoel van de tijd die stil staat, de tijd die alle wonden heelt. Een etterende wond van een oorlog die ieder moment weer kan beginnen. Van een hoofdstad van een niet erkend land dat wanhopig op zoek is naar een reden om te bestaan.

Op het centrale plein zag ik foto’s hangen van een massahuwelijk in 2008, georganiseerd door de multimiljonair (en Karabach) Hairapetjan. Zijn doel? Het inwonertal van Nagorno-Karabach wat opkrikken. Want niet alleen nam hij alle kosten voor alle bruiloften voor zijn rekening, hij beloofde ook voor ieder kind, geboren uit één van deze huwelijken, nog eens 1000 dollar te betalen. Bijna 700 stellen hapten toe.

Stepanakert, centrum                     160, Stepanakert

Nagorno-Karabach probeert alles om aandacht te genereren. Zonder aandacht, van de Westerse wereld, is het landje kansloos. Maar niemand luistert. Niemand wil het olierijke Azerbeidzjan teveel tegen het hoofd stoten. En tegelijkertijd ligt Azerbeidzjan op de loer. Te loeren op de kans toe te slaan, en het verloren gegane landje wederom in te palmen. Te wachten op het moment dat Rusland de handen te vol heeft aan de Oekraïne. Of niet meer de middelen of de wil heeft Nagorno-Karabach te beschermen. En zo is er eigenlijk niets veranderd. Er mogen dan geen bommen meer vallen op Stepanakert, de stad en het land zitten nog steeds gevangen. Tussen kwaad en onverschilligheid.

Het is inmiddels al heel wat jaartjes geleden, dat ik het boek ‘Ondergang van een Wereldrijk’ las van de Poolse schrijver, oorlogscorrespondent en avonturier Ryszard Kapuscinski. Maar al die jaren wist ik het zeker, er komt een moment dat ik in zijn voetsporen treed. Natuurlijk, destijds – we spreken over begin jaren negentig – was Nagorno-Karabach een no-go zone waarvoor hij halsbrekende toeren moest uithalen om er te geraken. Terwijl het tegenwoordig vooral een kwestie is van het boeken van een vliegticket, het verkrijgen van de juiste papieren en dan simpelweg te gaan.

Gedurende al die jaren groeiden Nagorno-Karabach en dan vooral de hoofdstad Stepanakert uit tot alsmaar mythischer proporties. Soms is een naam zo mooi: StepaNAkert, zoals ik het al die jaren in mijn gedachten uitsprak. Ik zou er een lied over hebben kunnen schrijven. Maar gelukkig voor mezelf en voor mijn omgeving liet ik dit achterwege. In plaats hiervan ben ik nu op weg. Op weg naar StepanaKERT, zoals de mensen hier zeggen.

Ik ben voorlopig nog in Jerevan, de hoofdstad van Armenië en op weg naar de permanente vertegenwoordiging van Nagorno-Karabach. Want alvorens naar Nagorno-Karabach  te kunnen reizen heb ik een visum nodig. Er mag dan geen enkel land op aarde zijn dat dit land als onafhankelijke staat erkent, zelf hebben zij geen twijfel. Het is weliswaar sterk afhankelijk van Armenië en deelt met dat land, onder andere, een gezamenlijke munt en een gezamenlijk leger. Onafhankelijk zijn ze. Behalve in Jerevan heeft Nagorno-Karabach een permanente vertegenwoordiging in Moskou, Berlijn en Washington. Voor de rest nergens. Toch roept ook hier mijn bestemming vooral vraagtekens op. In ieder geval, mijn taxichauffeur kijkt me niet begrijpend aan wanneer ik hem vertel waarheen ik wil. Ambassade en straatnaam zijn bij hem onbekend. Hij belt met wat vrienden of bekenden om uit te vinden wat ik precies bedoel. En dan zijn we op weg. Al vrij snel bereiken we de bestemming: een aanzienlijk groot gebouw, parmantig en statig zelfs. Omringd door een manshoog hek, in ambassade stijl. Ze weten in ieder geval wel hoe het hoort, denk ik.

Vlag Nagorno-Karabach                           Yerevan; Nagorno Karabach Representation

Ik bel aan maar er is niemand die antwoordt. Ook na een tweede keer bellen, gebeurt er helemaal niets. Ik duw eens tegen het hek. Het piept langzaam open. En dus loop ik het terrein op. Mijn allereerste stappen op Nagorno-Karabachse aarde. Ik hoop maar dat er binnenkort nog vele zullen volgen. De deur van het gebouw zelf staat wagenwijd open. Ik klop aan, netjes als ik ben, alvorens binnen te stappen. Ik sta in een grote hal. Ook hier is niemand. Links staat een bureautje, ik vermoed de plek waar de portier normaliter zit. Maar hij had blijkbaar niemand verwacht en strekt eventjes de benen. Of rookt een sigaretje. Rechts is een keukentje waarin een aftands gasfornuis staat waarop een pan pruttelt. Waarschijnlijk de voorbereidingen voor het middagmaal. Een vleesgeur verspreidt zich door het gebouw. Aan de muur hangt een soort van certificaat waarop ik lees dat Nagorno-Karabach een onafhankelijke staat is met een eigen volkslied, parlement en president. Ergens in een hoek staat de vlag.

Opeens verschijnt de portier. Waarschijnlijk toch gealarmeerd door wat ongebruikelijke geluiden. Hij vraagt me wat ik kom doen. En ook al lijkt me dit redelijk duidelijk, ik antwoord braaf dat ik een visum nodig heb voor Nagorno-Karabach. Hij knikt begrijpend en vertelt me dat ik moet wachten. Ik loop wat door de hal terwijl het mannetje op zoek is naar de verantwoordelijke visa verstrekker. De geur van het voedsel maakt me hongerig en nieuwsgierig en zo slenter ik de keuken binnen. Net voordat ik de deksel van de pan wil tillen, zie ik vanuit mijn ooghoek een dame verschijnen. Met allerlei formulieren in haar hand. Ze kijkt me verwonderd aan, maar of dit is omdat ik voor een visum kom of omdat ik in de keuken sta, is mij niet geheel duidelijk.

Ze geeft me uitgebreid instructies over hoe het formulier in te vullen. Al blijken de vragen vrij standaard en ontstijgen ze het niveau van ‘Naam, Adres, Woonplaats en de te bezoeken plaatsen in  Nagorno-Karabach’ niet. Vervolgens word ik in een kantoortje onderworpen aan een gemoedelijk interviewtje.  Haar belangrijkste doel lijkt wel om mij één of meerdere kaarten van Nagorno-Karabach te verkopen. Waarschijnlijk haar manier om een extra zakcentje te verdienen. Normaliter, zo vertelt ze me, duurt het een halve werkdag alvorens het visum klaar is. Maar omdat het zo warm is in Jerevan, en reizen te vermoeiend is, doet ze het meteen. De warmte doet mensen hier blijkbaar harder werken. De omgekeerde wereld. Wel dien ik eerst een bedrag van 3.000 dram (zeg maar € 6) te betalen. Een schijntje! En met afstand mijn goedkoopste visum ooit. De accountant van dienst, een dame die ergens achterin het kantoortje zit, komt steunend en kreunend tot leven en gebaart me dat ik haar moet volgen. Waggelend loopt ze een trap op naar haar eigen kantoor, waar ze gewichtig een nota uitschrijft, alvorens mijn 3.000 dram in een heuse kluis te deponeren. Toch benieuwd hoeveel drams daarin zitten.

De alleraardigste visadame heeft intussen mijn visum al klaar! Netjes in mijn paspoort geplakt. De enige administratieve hindernis is definitief genomen. Het betekent trouwens wel dat ik de komende jaren Azerbeidzjan als bestemming kan vergeten. Met dit visum in mijn paspoort geraak ik daar niet binnen. Want Azerbeidzjan beschouwt Nagorno-Karabach nog steeds als het hare en is nog steeds woedend over het verloren gebied. Maar goed, dat is van later zorg. Ook daar is zeker en vast, indien nodig, een oplossing voor te vinden.

Onder de indruk van de service en de vriendelijkheid besluit ik een doos chocolade te kopen. De hele sfeer alhier doet mij vermoeden dat zoiets niet vaak bij de koffie wordt geserveerd. Bij een supermarktje om de hoek scoor ik wat chocolade en keer terug. Ik klop op de deur van het kantoortje van de visadame, die verrast opkijkt. Of er iets mis, meen ik te lezen in haar ogen. Als ik haar chocolade aanbied, kijkt ze nog verraster. Ze is overduidelijk blij maar weigert evengoed. Ik dring aan en zeg haar dat ze het verdiend heeft. Kan ze haar collega’s mee fêteren. Vinden ze vast leuk en aardig. En dan hapt ze toe. Met een glimlach. Eveneens glimlachend verlaat ik het pand, met een blij gemoed en vol verwachting. Nagorno-Karabach, ik ben er klaar voor!

Zondagochtend half zeven is het wanneer mijn trein uit Krasnoyarsk aankomst in Abakan. Ietwat dizzy van een rusteloze treinnacht stap ik uit. En met mij flink veel anderen zo merk ik want op het perron is het een drukte van belang. Mensen met slaperige hoofden slepen zware koffers en tassen richting taxi. Anderen worden hartelijk welkom geheten door vrienden of familie en verdwijnen eveneens alras richting thuis. Zo sta ik in een ommezien bijkans alleen op het station. Moederziel alleen in Siberië is de gedachte die bij mij opkomt. Maar treurig maakt het me geenszins. Eerder het tegenovergestelde. Ergens duikel ik een nog achtergebleven taxichauffeur op, geef hem het adres waarheen ik wil, onderhandel over de prijs en vertrek eveneens. In een knotsgekke, oude, oranje Lada.

In de stad is het rustig. Bijzonder rustig zelfs. Maar het is dan ook zondagochtend. In Siberië. Dus dit lijkt me vrij logisch. Kilometers lang rijden we door een verlaten centrum. Brede wegen, zoals altijd in Rusland. Maar zonder auto’s of andere weggebruikers. De zee aan asfalt geeft de taxichauffeur prima de gelegenheid zijn Lada eens flink te laten knallen. En hij maakt hiervan dankbaar gebruik. Die brede wegen worden omzoomd door bomen, wat de vriendelijke en rustige indruk alleen maar versterkt. Daarachter zie ik vooral laagbouw. Gebouwen van één, maximaal twee verdiepingen. Waarom ook, in dit onmetelijke Siberië, hoogbouw laten verschijnen?

Het eerste hoge gebouw dat ik zie, zo luidde de instructie van mijn huurbaas, is ook meteen de plek waar ik moet zijn. En het blijkt uitstekend te kloppen want op het moment dat ik een hoog gebouw zie, wijst de chauffeur deze aan als onze bestemming.

Ik druk ergens op een bel en, na lang wachten, klinkt vanuit de intercom een slaperige stem van de ‘administrator’, de Russische variant op onze conciërge. Ik mompel een verontschuldiging voor mijn vroege aankomst maar ze wuift dit vriendelijke doch resoluut weg. Vroeg aankomende of laat vertrekkende gasten deren haar blijkbaar niet. ‘Met de lift naar de zevende verdieping’, luidt haar instructie, ‘en pas op voor de muren want deze zijn net geverfd’. Aangekomen op de zevende verdieping staat de deur wagenwijd open en heet de administrator mij met een brede glimlach welkom. Bewonderenswaardig. Ik heb haar toch net wreed uit haar zondagochtendrust gewekt. En dan nu al zo’n glimlach.

Abakan, voor de duidelijkheid, is niet zomaar een nietszeggend stadje in Siberië. Het is de hoofdstad  van de Russische deelstaat Chakassië en daarmee het centrum van een gebied dat ongeveer even groot is als Nederland en België samen.  Weinig verrassend, per slot van rekening is Siberië niet meteen dichtbevolkt, is het aantal inwoners aanzienlijk lager. In de hele deelstaat wonen er ongeveer een half miljoen en in Abakan zelf zo’n 150.000. Dit verklaart ook meteen waarom ik, wanneer ik later op de zondag naar het centrum wil, vooral oude stadsbussen zonder passagiers voorbij zie rijden. Van bedrijvigheid is geen sprake. Stilte en rust heersen. Ervan uitgaande dat alle bussen naar het centrum rijden, stap ik in de leegste. De conductrice heet me hartelijk welkom, vraagt me een handjevol roebels en laat me een minuut of tien later, bij een standbeeld van Lenin uitstappen.

Ik ben in het centrum. Niet dat het hier drukker is overigens. Ik wandel door de Leninstraat en door de Karl Marxstraat, de winkelsteden van Abakan. Tot mijn verrassing zie ik Tommy Hilfiger, MEXX en een Baskin-Robbins IJssalon. Plotselinge moderniteit. Voor het overige is het vooral niets. Stilte voor een Siberische storm? Of de alledaagse gang van zaken?

3, Lenin 2, Spasko-Preobrazhenskoy Cathedral

De façade van restaurant Kaukasië trekt mijn aandacht. Plotseling luxe? Het lijkt er verdraaid veel op. Ik treed binnen in een compleet leeg restaurant. Alles is wit hier. De stoelen, de tafels, de muren, de vloer en ook de piano. Twee medewerkers, in witte tenues, staan werkeloos bij de eveneens witte bar. Een uitdrukking van teleurstelling op hun gezicht. Misschien omdat aan het nietsdoen een einde lijkt te zijn gekomen? Ik bestel, ondanks het nog steeds vroege uur, een sjasliek en 100 gram wodka. Een Siberisch ontbijt om in de juiste stemming te geraken. Beide smaken me uitstekend. En van beide zou ik best meer willen. Maar ik bedapper me. Te vroeg en te ongezond. Kan later vandaag nog wel. Nu eerst verder, de rest van de stad ontdekken.

Ik slenter door parken en door straten. Bewonder het onvermijdelijke oorlogsmonument 1941 – 1945. Bezoek het museum waar ik vooral opgezette Chakassische dieren zie. Wandel een kerk binnen. Raak de weg kwijt en beland uiteindelijk op een zondagsmarkt. En plotseling zijn de rust en de stilte verdwenen. Alsof heel Chakassië is samengekomen op deze ene plek. Verkopers van fruit, groente, kleding, schoenen, tassen, speelgoed, gereedschap, taarten, sanitair, toiletartikelen en wat al niet meer, bieden hun waar aan. En ze doen goede zaken, volgens mij. In ieder geval het aantal potentiële kopers is indrukwekkend. En velen lopen al flink bepakt en bezakt langs de talrijke kramen. Hier is het dan. Hier is het centrum van dit deel van Siberië. Maar echt opgewonden geraak ik er niet van. Te veel herrie. Te veel gedoe. En dus vertrek ik. Terug naar de stilte van het centrum. Terug naar hoe ik vind dat Siberië moet zijn.

 

 

Hoeveel kilometer ben ik eigenlijk van huis, zo vraag ik me af. Toch wel een duizendje of zeven, dunkt me. Dagen ben ik onderweg geweest om die enorme afstand te overbruggen. Nu zit ik hier in een fauteuil, bij de Oudgelovigen ergens diep in Siberië. Maar meer en meer krijg ik het idee tegenover mijn eigen ouders te zitten. Ik luister en kijk nu al een klein uurtje naar Pavel en Ekaterina en meer en meer bekruipt me het gevoel dat ik naar Antoon en Alie luister en kijk.

Qua uiterlijk zijn de overeenkomsten overigens ver te zoeken. Pavel heeft een woeste baard, terwijl mijn vader iedere ochtend zijn scheermes ter hand neemt om zijn eendagsbaard te lijf te gaan. En Ekaterina is gekleed in een lange jurk, terwijl ik mijn moeder de laatste 10 jaar alleen maar in een lange broek heb gezien. Maar de verhalen die ik hoor doen mij terugkeren naar de boerderij in Oude Pekela. Terug naar 1978, zeg maar.

Ekaterina vertelt honderduit en Pavel luistert aandachtig. Hij plukt de hele tijd ietwat nerveus aan zijn baard. Alsof hij bang is dat zijn vrouw iets verkeerds zal zeggen. Alsof hij bang is dat zijn vrouw kwaad over hem en de andere Oudgelovigen zal spreken. Ondanks zijn nerveuze gedrag is het mij allang duidelijk dat Pavel de touwtjes hier stevig in handen heeft. Ekaterina mag dan praten als brugman vandaag, als het puntje bij het paaltje komt, heeft zij niets te melden. Dan is Pavels wil wet. Af en toe bromt hij enkele woorden. Alsof hij zijn echtgenote dient te behoeden voor al te opruiende of liberale opvattingen. Want ook dit is mij allang duidelijk. Ekaterina is een moderne, eigentijdse dame die openstaat voor nieuwe ontwikkelingen en die zich met regelmaat afvraagt waarom zij in godesnaam met Oudgelovige Pavel in het huwelijksbootje is gestapt.

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, zo luidt het cliché. En hier in Erzje wordt aan deze waarheid nog minder getwijfeld dan in gereformeerd Oude Pekela in de zeventiger jaren. Pavels wil mag dan wet lijken, feitelijk is het God die regeert. Een traditionele God die woedend reageert op elke verandering. Hoe pietluttig ook. Meteen ook de reden waarom ik zo’n lange reis heb moeten maken. Want Oudgelovigen wonen doelbewust op plaatsen die moeilijk of niet te bereiken zijn. Ooit, lang geleden, toen de patriarch van de Russisch Orthodoxe kerk besloot de Russisch Orthodoxe kerk op één lijn te krijgen met de Grieks Orthodoxe waren veel gelovigen tegen dit voornemen. Zij vonden elke aanpassing of verandering een zonde en in strijd met de absolute waarheid. Maar de patriarch luisterde niet naar ze. Integendeel, als vertegenwoordiger van God op aarde vond hij dat hij het alleenrecht had op de waarheid. En dus liet hij deze opstandelingen vervolgen, onderdrukken en doden. En zo bedachten zij, tamelijk verstandig, dat het beter was te vertrekken naar verre oorden. Tegenwoordig zijn dan ook overal in Siberië Oudgelovigen te vinden.

Ekaterina ratelt maar door. Ik krijg zelfs het idee dat zij als vertegenwoordiger van de Oudgelovigen naar voren is geschoven. Uitsluitend voor de beeldvorming. Zo antwoordt zij dat zij geen probleem heeft een Russisch Orthodoxe kerk te bezoeken. Zij best een broek zou willen dragen. Jarenlang voor het gebruik van een mobiele telefoon heeft geijverd. Zou willen reizen naar onbekende bestemmingen. Zelf wel eens in Volgograd is geweest. Zo zegt ze zelfs dat ze had gehoopt dat haar man zou willen vertrekken uit dit dorp om in een meer ontwikkelde omgeving een interessanter leven te leiden. Zoiets als mijn eigen moeder, diep van binnen, ook voelt. Zoiets als mijn eigen moeder ook ooit heeft gedroomd. Al moet ik eerlijk toegeven dat ik haar dit nooit hardop heb horen zeggen. Pavel, ondertussen, zwijgt vooral. Kijkt inmiddels ook wat nors en denkt, zoveel is me wel duidelijk, bepaald niet hetzelfde. Maar ook Ekaterina is bij vlagen oerconservatief. Een van hun zonen verkettert zij zelfs omdat hij het heeft gewaagd met een ongelovig burgermeisje te trouwen en in de grote boze stad te gaan wonen. Een schande voor de familie noemt zij het en voor hun zoon is het een ticket naar de hel.

Old Believers, Cross P and E

Maar Ekaterina kan communicatief vaardig zijn, ze is en blijft kansloos tegen Pavel en de andere mannen in het dorp. Want net als Pavel regeren de buurmannen over de buurvrouwen. En uit hun midden kiezen de mannen de dorpsoudste, de wijste man van het dorp. Gekozen vanwege zijn levenservaring maar toch vooral vanwege zijn opvattingen. Traditioneel en conservatief. Hij is de baas en samen met de andere mannen zorgt hij ervoor dat de tijd zo stil mogelijk blijft staan. Helemaal buitensluiten lukt zelfs hier niet. Want de mobiele telefoon ligt ook hier op tafel. Ik zie zelfs Pavel met regelmaat op het schermpje loeren. Maar op deze geïsoleerde plek gaat het langzaam en is het relatief eenvoudig de grote, boze buitenwereld buiten te sluiten. Een Oude Pekela in het kwadraat, zeg maar. En zo vangt Ekaterina bot. Vist zij bij voortduring achter het net. Waarom Ekaterina plotsklaps, tot het chagrijn van Pavel, uitkraamt dat vrouwen nu eenmaal sterker zijn dan mannen, is mij dan ook niet helemaal duidelijk.

Als het om zaken gaat, zijn de Oudgelovigen overigens een stuk minder conservatief. Tractoren staan her en der in het dorp geparkeerd. En voor vele huizen pronkt een jeep. ‘Onmisbaar’, zo zegt Ekaterina, ‘in deze contreien.’ De wegen zijn het hele jaar onbegaanbaar vanwege overvloedige regenval, sneeuw of ijs. En het land bewerken zonder tractoren en andere moderne machinerie is evengoed onbespreekbaar. Opnieuw doet het mij denken aan de boerderij in Pekela. Ook daar was het verdomd moeilijk mijn ouders te overtuigen een fatsoenlijke TV met afstandsbediening aan te schaffen. Tegelijkertijd werden wel kostbare machines aangeschaft om het bedrijf te laten floreren.

Maar tegelijkertijd zijn de Oudgelovigen blijven hangen in een ver verleden. Want tussen alle wetenswaardigheden over het geloof, de tradities en de man/vrouw verhouding praat Ekaterina toch vooral over champignons. Echt het gesprek van de dag. Nu is de tijd deze te plukken in de bossen rondom, schoon te maken, te koken en te wecken voor de komende winter. Binnenkort geldt hetzelfde voor de aardappelen, de wortelen en de bonen. Arbeidsintensief werkje, zoveel is me wel duidelijk waar met vrouw en macht aan wordt gewerkt. Alles wordt geprepareerd zodat ook in de winter kan worden genoten van deze heerlijkheden. Net als vroeger, toen ook ik verplicht werd bonen te doppen en wortelen te schrapen. Voor de nakende winter.

Ekaterina vertelt dat zij drie keer per dag snoepen van al dit heerlijks. Ook het ontbijt bestaat uit aardappelen, fantastische volle koemelk, room en fikse hoeveelheden vlees. Wat de gevolgen zijn op lange termijn is duidelijk te zien. Overgewicht. Als een soort van Pino waggelt zij in haar keuken en rond haar huis. Het voedsel is eenvoudig te calorierijk om alles te verbranden. Ik heb het zelf gemerkt de afgelopen 48 uur. Na elke maaltijd voel ik me alsof ik zal ontploffen.

En als dan die lange winter aanbreekt, vertrekken de mannen naar de taiga. Maandenlang leven zij daar in houten hutten. Overdag jagend op alle dieren waarvan de vacht gebruikt kan worden voor een bontmantel. ‘s Avonds etend van het geprepareerde voedsel, bereid door moeder de vrouw natuurlijk. En ‘s nachts slapend in de blokhut. Thuis in het dorp wacht de vrouw getrouw op haar echtgenoot. Wellicht stiekem hopend op een bontjas, maar in werkelijkheid wetend dat de Pavels van deze wereld niet aan dergelijke luxe cadeaus doen.