Archive for the ‘Vakantie’ Category

Sushi in Shushi, als een mantra spookt dit rijmpje door mijn hoofd. Al sinds ik voor de eerste keer las over dit stadje. Niet dat ik er echt in geloof trouwens. Daarvoor heb ik teveel de indruk dat Shushi een te vervallen oord is. Met een te tragische recente geschiedenis. Maar wie weet, per slot van rekening is sushi tegenwoordig overal. Zittend in de ‘marshrutka’, op weg naar Sushi, besluit ik dat ik in ieder geval mijn uiterste best ga doen een sushitent te vinden aldaar.

De marshrutka is zo goed als leeg. Alsof niemand naar Shushi wil. Tergend langzaam ploeteren we over de bergweg omhoog. Alsof ook de marshrutka weinig zin heeft daar te geraken. Achteromkijkend zie ik Stepanakert, vooruitkijkend Sushi. En zo verzink ik in gedachten over toen, een jaartje of twintig geleden.

Shushi was tot 1822 de trotse hoofdstad van Nagorno-Karabach en een van de eerste steden, samen met Bakoe en Tbilisi, die tot ontwikkeling kwam in de Kaukasus. Het was een stad die sterke aantrekkingskracht had op Azerbeidjaanse intellectuelen, dichters, schrijvers en muzikanten. En later, tot de eerste wereldoorlog, werd Shushi ook een cultureel en economisch centrum voor de Armenen. Probleemloos ging die samenvloeiing van deze twee volkeren bepaald niet. In 1920, bijvoorbeeld, werd een groot deel van de Armeense bevolking uitgemoord door de Azerbeidjanen, geholpen door de Turken. Toch, ten tijde van de Sovjet-Unie leefden beide bevolkingsgroepen in vrede naast en met elkaar.

Maar tijdens de oorlog van 1988 tot 1992 ging het pas helemaal mis. In eerste instantie voor de Armenen. Zij hadden de keus tussen vertrekken of te worden vermoord. Door hun eigen buren, met wie zij jarenlang vreedzaam hadden geleefd. Huwelijken liepen op de klippen omdat een van de partners Armeens was en de ander Azerbeidjaans. Er bleef geen Armeen over. Iedereen vertrok naar Stepanakert of verder weg naar Armenië. En zo werd Shushi een Azerbeidjaans bolwerk in een overwegend Armeens Karabach. Erg lang duurde dit niet, want tegen het einde van de oorlog was de positie van Shushi onhoudbaar. De Armenen kwamen terug, met veel manschappen en met veel wapentuig. Zij heroverden Shushi en dwongen, op hun beurt, alle Azerbeidjanen te vertrekken.

Shushi           Shushi

Wanneer ik de stad binnenrijd, valt meteen op dat nieuwbouw en ruïnes hier hand in hand gaan. Nieuwe flats, gebouwd in de jaren na de oorlog worden omzoomd door vervallen en kapot gebombardeerde huizen. Ergens heeft de lokale overheid wat geld gevonden tot wederopbouw. Maar geld om die oude gebouwen af te breken is er blijkbaar niet. En een van de inwoners vraagt zich zelfs hardop af of die investering in nieuwbouw wel verstandig is geweest. Het was misschien beter te investeren in wapentuig. Azerbeidzjan, met een defensiebudget groter dan het totale budget van Armenië en Nagorno-Karabach tezamen, zou elke gelegenheid willen aangrijpen om een nieuwe oorlog te starten. Om het verloren gegane terrein te kunnen heroveren.

De stad ademt chaos en, wellicht nog meer, tragiek. Zelfs het oorlogsmonument, zo vaak de plek waar de schijn bedriegt in Russische steden, is een rommelpot. De jaartallen 1941 – 1945 liggen hopeloos op de grond. Gevallen van hun voetstuk en niemand die zich erom bekommert.

Midden in het stadje staat een kerk. Een gloednieuw exemplaar in uitstekende staat. Hier zijn heel veel euros, en nog veel meer drams, aan besteed. Waarom, zo vraag ik me af? Maar het zal mijn godslasterlijke aard wel zijn die deze vraag stelt. En misschien heb ik wel ongelijk. Want in een oord als deze is troost vinden bij de Almachtige waarschijnlijk de enige wijze te kunnen overleven.

Ik wandel rond. Over onverharde wegen vol kuilen en gaten. Alleen de hoofdstraat is voorzien van een laag asfalt. De gedachte aan sushi is helemaal verdwenen. Ik zie een vervallen en geplunderde moskee, waarbij een bordje staat ‘ protected by the government’. Wat de overheid hier precies beschermt, is mij niet duidelijk. Die moskee is toch al reddeloos verloren.

Vlakbij de moskee zitten twee mannen op een bankje van een niet meer dienstdoende bushalte. Een tragische uitvoering van die twee oudjes bij de Muppets, schiet me te binnen. Ik stap op ze af en begin een praatje. 88 en 86 jaar oud zijn ze, zo vertelt de jongste. En nadat ze hebben begrepen dat ik uit Nederland kom, vraagt de oudste of daar ook een oorlog gaande is. Ik kijk hem aan en schud mijn hoofd. Hoezo ook? Hier is toch geen oorlog meer? Maar de tijd heeft blijkbaar stilgestaan voor hem. Voor hem is het hier nog altijd oorlog. En misschien heeft hij wel gelijk. Iedere dag zitten ze hier. Te wachten op betere tijden. Te wachten tot de tijden van weleer, toen Shushi floreerde, zullen herleven. Maar ze weten vast ook zelf dat dit een illusie is. Een pakketjesdroom. Hun tijd is te kort.

Shushi        Shushi

Verderop zit een man in zijn tuintje. Naast hem een Lada zonder wielen en in verregaande staat van verroesting. Wat een vreemd relikwie in een tuin. Waarom haalt hij dit niet weg? Waarom ruimt hij dit niet op? Maar het zal wel niets uitmaken. Want waar hij ook kijkt, overal is troep. Overal is rommel. Er is teveel van in deze stad. Het kan niet opgeruimd en dus is het beter te doen alsof het niet bestaat.

Toch is het niet alleen kommer en kwel. Er zijn wel degelijk pogingen de oude glorie van Shushi te herstellen. Zo telt de stad vier musea, en om de tragiek van het alledaagse leven te compenseren, besluit ik ze allemaal te bezoeken. Zo beland ik in een galerie waar oude tapijten uit Nagorno-Karabach worden tentoongesteld. Een werkelijk adembenemend mooie Armeense dame heet me welkom. In uitstekend Engels nog wel. Ze vraagt of ze mij mag rondleiden. Vanzelfsprekend stem ik toe. Me figuurlijk voor de kop slaand dat ik vanochtend dat ietwat ranzige shirtje toch weer heb aangetrokken. En dat ik die baard van een dag of vijf niet heb afgeschoren. Ze zal me ongetwijfeld afleiden van de tapijten, maar een kniesoor die daar op let. Een tapijt heb ik al heel vaak gezien. Maar een Armeense schone in Shushi is absoluut nieuw voor me.

In het Geologisch Museum is de privéverzameling van de laatste Minister van Geologie van de Sovjet-Unie tentoongesteld. Een prachtig gebouw aan het eind van een straat waar toch vooral krakkemikkige huizen staan. Wederom vraag ik me af waarom? Een kerk zal dan nog wel nuttig kunnen zijn voor de lokale bevolking. Maar een museum met kristallen en mineralen? Toegegeven, het ziet er prachtig uit. Maar had deze voormalige minister niet veel beter de straat kunnen laten opkalefateren?

In het historisch museum vertelt een gevluchte Armeen uit Bakoe mij honderduit over de geschiedenis van Nagorno-Karabach en Shushi. Vooral over de oorlog, het gevaar van de Azerbeidjanen, de laffe houding van Gorbatsjov tijdens de laatste dagen van de Sovjet-Unie, aangaande de aansluiting van Nagorno-Karabach bij Armenië, de sluwheid van de Armeense troepen. Het mag allemaal flink gekleurd en zeer pro-Armeens zijn. Het verhaal maakt wel indruk. Vooral met de kapotgeschoten gebouwen buiten op het netvlies. Na de rondleiding biedt hij mij een theetje aan. En voor ik het weet, discussiëren we over de vliegramp in de Oekraïne. Voor hem is er geen ruimte voor twijfel. Het is het werk van de Oekraïense regering. Om Rusland in diskrediet te brengen. En ook voor de Europese Unie heeft hij geen goed woord over. Propaganda storten ze uit over de bevolking, als in de hoogtijdagen van de Sovjet-Unie.

Maar sushi vind ik niet. Het is er volgens mij ook niet. En dus stap ik ergens een restaurantje binnen en bestel een shaslick met bier. De eigenaar nodigt me uit samen wodka te drinken. Misschien om de tragiek van de omgeving te vergeten . Maar ik weiger evengoed, het is te warm. En bovendien, het helpt toch niet.

Advertisements

Het is al enkele jaren geleden dat ik een boek las van de bekende Poolse schrijver, journalist en avonturier Kapuscinski; waarin hij verhaalt over zijn bizarre belevenissen om in Stepanakert te geraken. Destijds, we spreken over de beginjaren negentig, was Nagorno-Karabach nog een gemengde republiek, bevolkt door Azerbeidzjanen en – vooral – Armenen, en onderdeel van de Azerbeidzjaanse Sovjetrepubliek. Was het in oorlog met zowel de macht in Moskou als met de machthebbers in Bakoe, de hoofdstad van Azerbeidzjan. Wilden ze onafhankelijkheid, of in ieder geval aansluiting bij Armenië. Destijds woonden in Stepanakert alleen maar Armenen, maar in het iets hogerop gelegen Shusha alleen Azerbeidzjanen. En de laatsten gebruikten hun geografisch voordeel om met grote regelmaat raketten op Stepanakert te doen laten neerkomen. Destijds zat Nagorno-Karabach als een rat in de val. Er was eigenlijk geen uitweg. De oorlog verliezen van Moskou zou betekenen dat de dromen over zelfstandigheid voor onbepaalde tijd in de ijskast zouden kunnen. De oorlog winnen van Moskou zou betekenen dat Azerbeidzjan het landje zou inpikken. Vergeleken met het machtige Moskou was Bakoe’s macht weliswaar beperkt, maar vergeleken met Nagorno-Karabach was het evengoed een Goliath.

Onder die omstandigheden slaagde Kapuscinski erin, verkleed als Aeroflot (co-)piloot op een vlucht van Jerevan naar Stepanakert, en als dronkenman op de achterbank van een zwarte limousine, uiteindelijk Stepanakert te bereiken. Tegenwoordig zijn dergelijke capriolen niet meer nodig. Tegenwoordig is het vooral een kwestie van het boeken van een vlucht naar Jerevan en vandaar verder te reizen per bus of auto naar Stepanakert. Een reisje van 350 kilometer, of ongeveer zes uur, door die fantastische Kaukasus. Een natuurlijk obstakel van jewelste, dat wel, al is de weg tussen deze twee steden alleraardigst. De mens, zo blijkt, zegeviert uiteindelijk ook tegen vijandige bergen. Een ander obstakel, door mensen gecreëerd, is het passeren van de grens van Armenië met Nagorno-Karabach. Maar met het visum netjes in mijn paspoort geplakt, maak ik mij ook hierover weinig tot geen zorgen. Toch, een vlucht boeken naar Stepanakert, zoals Kapuscinski, is tegenwoordig geen optie. Want ondanks de aanwezigheid van een vliegveld, is het onmogelijk naar daar te vliegen. Al vele jaren niet. De Azerbeidzjanen dreigen namelijk ieder willekeurig vliegtuig dat daar wil landen uit de lucht te schieten. Dat dan weer wel.

Laat ik eerlijk zijn, een stad met zo’n naam kan niet anders dan fantastisch zijn. Stepanakert. Stepanakert! Al die jaren zat het ergens in mijn systeem. Ergens in mijn gedachten. Al die jaren wilde ik naar daar. Soms was het gevoel overheersend, vaker ergens knagend op de achtergrond. Maar weg was het nooit. Daarvoor klonk Stepanakert te goed en te mooi. Ik bedacht zelfs dat, mocht het ooit zover komen, mijn nieuwverworven bruid te trakteren op een huwelijksreis naar daar. Maar een beperkte rondvraag aan verschillende potentiële kandidaten maakte mij duidelijk dat zo’n reisje doorgaans niet als ideale huwelijksreis wordt gezien. Daarvoor zijn de associaties van Stepanakert met zon, zee, strand, kokosnoten en palmbomen te niet bestaand.

En dus besluit ik alleen te gaan. Per vliegtuig en per auto. Als een slap aftrekseltje van de grote Kapuscinski, maar evengoed ingetogen trots op mezelf. Inmiddels zit ik al zo’n vijf uur naast Areg, de taxichauffeur. Veel praten doet hij niet, gelukkig niet. Want de manier waarop hij de ontelbare bochten aansnijdt, maakt mij het antwoorden sowieso onmogelijk. Stiekem denk ik dat zo’n verkleedpartijtje als Aeroflot-piloot nog niet zo heel avontuurlijk was. Areg schakelt stoïcijns, van twee naar drie naar vier, vijf en terug. Ondertussen rookt hij, natuurlijk. En belt hij, natuurlijker. Ik begrijp niets van zijn Armeens, maar ergens heb ik het idee dat zijn vrouw hem maant op tijd thuis te zijn. Voor het avondeten. En dus geeft hij gas, want na aankomst in Stepanakert moet hij het hele eind nog terug. Omdat zijn vrouw op hem wacht. Ik geef mij over aan Areg en aan de talrijke goden van de talrijke Kaukasische volkeren. En ik geniet van het landschap. Die fabelachtige Kaukasus laat mijn hart sneller kloppen, mijn bloed sneller stromen, mijn gedachten stilstaan. Volgens sommigen was het hier waar Adam en Eva in hun paradijs woonden. Volgens mij is het hier, zoals het in de Alpen honderd jaar geleden was. Maar dan hoger, ruiger, wilder, spannender, onontdekter,  uitgesprokener.

En dan opeens is daar dé kruising. Shusha, rechtsaf de berg op. Stepanakert rechtdoor naar beneden. Ik kijk tegelijkertijd omhoog en omlaag. ‘Jezus’, denkt mijn protestantse geest, Stepanakert en Shusha in één blik gevangen. De verwoeste en de verwoester van destijds. De opgebouwde en de vergetene van tegenwoordig. Nu wordt het echt spannend, nog een kwartiertje en we zullen de buitenwijken van Stepanakert binnenrijden.

De buitenwijken van Stepanakert zijn, zo denk ik, niet meteen veel aantrekkelijker dan de gemiddelde buitenwijk van welke willekeurige Sovjetstad dan ook. Maar die mening herzie ik spoorslags wanneer ik het monument ‘We are our Mountains’, ook wel bekend als ‘Tatik Papik’ of ‘Grootvader en Grootmoeder’ in het vizier krijg. Wat een binnenkomer! Dit monument geeft, volgens de algemeen geaccepteerde interpretatie, de verbondenheid van Nagorno-Karabach met Armenië aan. Hier herdenken de inwoners van Stepanakert, eens per jaar, de oorlog die hun stad zoveel schade en verdriet heeft bezorgd. Echte Eurovisiefielen zouden zich nog kunnen herinneren dat de Armenen, tijdens hun presentatie in de halve finale van het Eurovisiesongfestival in Bakoe, dit monument aan de wereld toonden. Tot ergernis en ontsteltenis van Azerbeidzjan. Tijdens de finale werden deze beelden dan ook vakkundig door de Azerbeidzjaanse regie weggeknipt. Iets waaraan de Armenen zich, op hun beurt, groen en geel ergerden. Ze namen vakkundig wraak door, tijdens de puntentelling, op de achtergrond beelden van dit monument te laten zien.

We are the Mountains

Areg heeft er geen oog voor. En ook geen geduld natuurlijk. Hij heeft slechts één doel, zijn passagier afleveren en terug. Vlakbij het busstation dropt hij mij. Hij knikt me nog een keer vriendelijk toe, geeft me een hand, keert zijn auto en vertrekt.  Zes uur lang dezelfde haarspeldbochten voor de boeg. Hier sta ik dan, met vaste voet aan de grond in Stepanakert. Het is er stil en rustig valt me op. Ook vlakbij het busstation. Maar het is er vooral zinderend heet.

Ik zet me neer op een terras, met uitzicht over de hoofdweg, en bestel een fles bier. De overige klanten zijn gedrongen mannetjes, stoer kijkend en kettingrokend, met een maffioos kapsel, vierkante hoofden en stierennekken. Een voor een kwamen ze aangereden, in een Range Rover of luxueuze Mercedes. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Maar na een paar uurtjes alhier, weet ik wel beter. De stad mag dan zijn opgebouwd. Het centrum mag zelfs modern en mooi zijn. In het centrale park is, nota bene, wifi. Ik heb toch vooral armetierige flatgebouwen gezien. Inwoners gekleed zien gaan volgens de laatste Sovjetmode. Uit meerdere gebouwen Modern Talking horen schallen. Buiten het centrum bekruipt me onmiddellijk het gevoel van de tijd die stil staat, de tijd die alle wonden heelt. Een etterende wond van een oorlog die ieder moment weer kan beginnen. Van een hoofdstad van een niet erkend land dat wanhopig op zoek is naar een reden om te bestaan.

Op het centrale plein zag ik foto’s hangen van een massahuwelijk in 2008, georganiseerd door de multimiljonair (en Karabach) Hairapetjan. Zijn doel? Het inwonertal van Nagorno-Karabach wat opkrikken. Want niet alleen nam hij alle kosten voor alle bruiloften voor zijn rekening, hij beloofde ook voor ieder kind, geboren uit één van deze huwelijken, nog eens 1000 dollar te betalen. Bijna 700 stellen hapten toe.

Stepanakert, centrum                     160, Stepanakert

Nagorno-Karabach probeert alles om aandacht te genereren. Zonder aandacht, van de Westerse wereld, is het landje kansloos. Maar niemand luistert. Niemand wil het olierijke Azerbeidzjan teveel tegen het hoofd stoten. En tegelijkertijd ligt Azerbeidzjan op de loer. Te loeren op de kans toe te slaan, en het verloren gegane landje wederom in te palmen. Te wachten op het moment dat Rusland de handen te vol heeft aan de Oekraïne. Of niet meer de middelen of de wil heeft Nagorno-Karabach te beschermen. En zo is er eigenlijk niets veranderd. Er mogen dan geen bommen meer vallen op Stepanakert, de stad en het land zitten nog steeds gevangen. Tussen kwaad en onverschilligheid.

Het is inmiddels al heel wat jaartjes geleden, dat ik het boek ‘Ondergang van een Wereldrijk’ las van de Poolse schrijver, oorlogscorrespondent en avonturier Ryszard Kapuscinski. Maar al die jaren wist ik het zeker, er komt een moment dat ik in zijn voetsporen treed. Natuurlijk, destijds – we spreken over begin jaren negentig – was Nagorno-Karabach een no-go zone waarvoor hij halsbrekende toeren moest uithalen om er te geraken. Terwijl het tegenwoordig vooral een kwestie is van het boeken van een vliegticket, het verkrijgen van de juiste papieren en dan simpelweg te gaan.

Gedurende al die jaren groeiden Nagorno-Karabach en dan vooral de hoofdstad Stepanakert uit tot alsmaar mythischer proporties. Soms is een naam zo mooi: StepaNAkert, zoals ik het al die jaren in mijn gedachten uitsprak. Ik zou er een lied over hebben kunnen schrijven. Maar gelukkig voor mezelf en voor mijn omgeving liet ik dit achterwege. In plaats hiervan ben ik nu op weg. Op weg naar StepanaKERT, zoals de mensen hier zeggen.

Ik ben voorlopig nog in Jerevan, de hoofdstad van Armenië en op weg naar de permanente vertegenwoordiging van Nagorno-Karabach. Want alvorens naar Nagorno-Karabach  te kunnen reizen heb ik een visum nodig. Er mag dan geen enkel land op aarde zijn dat dit land als onafhankelijke staat erkent, zelf hebben zij geen twijfel. Het is weliswaar sterk afhankelijk van Armenië en deelt met dat land, onder andere, een gezamenlijke munt en een gezamenlijk leger. Onafhankelijk zijn ze. Behalve in Jerevan heeft Nagorno-Karabach een permanente vertegenwoordiging in Moskou, Berlijn en Washington. Voor de rest nergens. Toch roept ook hier mijn bestemming vooral vraagtekens op. In ieder geval, mijn taxichauffeur kijkt me niet begrijpend aan wanneer ik hem vertel waarheen ik wil. Ambassade en straatnaam zijn bij hem onbekend. Hij belt met wat vrienden of bekenden om uit te vinden wat ik precies bedoel. En dan zijn we op weg. Al vrij snel bereiken we de bestemming: een aanzienlijk groot gebouw, parmantig en statig zelfs. Omringd door een manshoog hek, in ambassade stijl. Ze weten in ieder geval wel hoe het hoort, denk ik.

Vlag Nagorno-Karabach                           Yerevan; Nagorno Karabach Representation

Ik bel aan maar er is niemand die antwoordt. Ook na een tweede keer bellen, gebeurt er helemaal niets. Ik duw eens tegen het hek. Het piept langzaam open. En dus loop ik het terrein op. Mijn allereerste stappen op Nagorno-Karabachse aarde. Ik hoop maar dat er binnenkort nog vele zullen volgen. De deur van het gebouw zelf staat wagenwijd open. Ik klop aan, netjes als ik ben, alvorens binnen te stappen. Ik sta in een grote hal. Ook hier is niemand. Links staat een bureautje, ik vermoed de plek waar de portier normaliter zit. Maar hij had blijkbaar niemand verwacht en strekt eventjes de benen. Of rookt een sigaretje. Rechts is een keukentje waarin een aftands gasfornuis staat waarop een pan pruttelt. Waarschijnlijk de voorbereidingen voor het middagmaal. Een vleesgeur verspreidt zich door het gebouw. Aan de muur hangt een soort van certificaat waarop ik lees dat Nagorno-Karabach een onafhankelijke staat is met een eigen volkslied, parlement en president. Ergens in een hoek staat de vlag.

Opeens verschijnt de portier. Waarschijnlijk toch gealarmeerd door wat ongebruikelijke geluiden. Hij vraagt me wat ik kom doen. En ook al lijkt me dit redelijk duidelijk, ik antwoord braaf dat ik een visum nodig heb voor Nagorno-Karabach. Hij knikt begrijpend en vertelt me dat ik moet wachten. Ik loop wat door de hal terwijl het mannetje op zoek is naar de verantwoordelijke visa verstrekker. De geur van het voedsel maakt me hongerig en nieuwsgierig en zo slenter ik de keuken binnen. Net voordat ik de deksel van de pan wil tillen, zie ik vanuit mijn ooghoek een dame verschijnen. Met allerlei formulieren in haar hand. Ze kijkt me verwonderd aan, maar of dit is omdat ik voor een visum kom of omdat ik in de keuken sta, is mij niet geheel duidelijk.

Ze geeft me uitgebreid instructies over hoe het formulier in te vullen. Al blijken de vragen vrij standaard en ontstijgen ze het niveau van ‘Naam, Adres, Woonplaats en de te bezoeken plaatsen in  Nagorno-Karabach’ niet. Vervolgens word ik in een kantoortje onderworpen aan een gemoedelijk interviewtje.  Haar belangrijkste doel lijkt wel om mij één of meerdere kaarten van Nagorno-Karabach te verkopen. Waarschijnlijk haar manier om een extra zakcentje te verdienen. Normaliter, zo vertelt ze me, duurt het een halve werkdag alvorens het visum klaar is. Maar omdat het zo warm is in Jerevan, en reizen te vermoeiend is, doet ze het meteen. De warmte doet mensen hier blijkbaar harder werken. De omgekeerde wereld. Wel dien ik eerst een bedrag van 3.000 dram (zeg maar € 6) te betalen. Een schijntje! En met afstand mijn goedkoopste visum ooit. De accountant van dienst, een dame die ergens achterin het kantoortje zit, komt steunend en kreunend tot leven en gebaart me dat ik haar moet volgen. Waggelend loopt ze een trap op naar haar eigen kantoor, waar ze gewichtig een nota uitschrijft, alvorens mijn 3.000 dram in een heuse kluis te deponeren. Toch benieuwd hoeveel drams daarin zitten.

De alleraardigste visadame heeft intussen mijn visum al klaar! Netjes in mijn paspoort geplakt. De enige administratieve hindernis is definitief genomen. Het betekent trouwens wel dat ik de komende jaren Azerbeidzjan als bestemming kan vergeten. Met dit visum in mijn paspoort geraak ik daar niet binnen. Want Azerbeidzjan beschouwt Nagorno-Karabach nog steeds als het hare en is nog steeds woedend over het verloren gebied. Maar goed, dat is van later zorg. Ook daar is zeker en vast, indien nodig, een oplossing voor te vinden.

Onder de indruk van de service en de vriendelijkheid besluit ik een doos chocolade te kopen. De hele sfeer alhier doet mij vermoeden dat zoiets niet vaak bij de koffie wordt geserveerd. Bij een supermarktje om de hoek scoor ik wat chocolade en keer terug. Ik klop op de deur van het kantoortje van de visadame, die verrast opkijkt. Of er iets mis, meen ik te lezen in haar ogen. Als ik haar chocolade aanbied, kijkt ze nog verraster. Ze is overduidelijk blij maar weigert evengoed. Ik dring aan en zeg haar dat ze het verdiend heeft. Kan ze haar collega’s mee fêteren. Vinden ze vast leuk en aardig. En dan hapt ze toe. Met een glimlach. Eveneens glimlachend verlaat ik het pand, met een blij gemoed en vol verwachting. Nagorno-Karabach, ik ben er klaar voor!

Zondagochtend half zeven is het wanneer mijn trein uit Krasnoyarsk aankomst in Abakan. Ietwat dizzy van een rusteloze treinnacht stap ik uit. En met mij flink veel anderen zo merk ik want op het perron is het een drukte van belang. Mensen met slaperige hoofden slepen zware koffers en tassen richting taxi. Anderen worden hartelijk welkom geheten door vrienden of familie en verdwijnen eveneens alras richting thuis. Zo sta ik in een ommezien bijkans alleen op het station. Moederziel alleen in Siberië is de gedachte die bij mij opkomt. Maar treurig maakt het me geenszins. Eerder het tegenovergestelde. Ergens duikel ik een nog achtergebleven taxichauffeur op, geef hem het adres waarheen ik wil, onderhandel over de prijs en vertrek eveneens. In een knotsgekke, oude, oranje Lada.

In de stad is het rustig. Bijzonder rustig zelfs. Maar het is dan ook zondagochtend. In Siberië. Dus dit lijkt me vrij logisch. Kilometers lang rijden we door een verlaten centrum. Brede wegen, zoals altijd in Rusland. Maar zonder auto’s of andere weggebruikers. De zee aan asfalt geeft de taxichauffeur prima de gelegenheid zijn Lada eens flink te laten knallen. En hij maakt hiervan dankbaar gebruik. Die brede wegen worden omzoomd door bomen, wat de vriendelijke en rustige indruk alleen maar versterkt. Daarachter zie ik vooral laagbouw. Gebouwen van één, maximaal twee verdiepingen. Waarom ook, in dit onmetelijke Siberië, hoogbouw laten verschijnen?

Het eerste hoge gebouw dat ik zie, zo luidde de instructie van mijn huurbaas, is ook meteen de plek waar ik moet zijn. En het blijkt uitstekend te kloppen want op het moment dat ik een hoog gebouw zie, wijst de chauffeur deze aan als onze bestemming.

Ik druk ergens op een bel en, na lang wachten, klinkt vanuit de intercom een slaperige stem van de ‘administrator’, de Russische variant op onze conciërge. Ik mompel een verontschuldiging voor mijn vroege aankomst maar ze wuift dit vriendelijke doch resoluut weg. Vroeg aankomende of laat vertrekkende gasten deren haar blijkbaar niet. ‘Met de lift naar de zevende verdieping’, luidt haar instructie, ‘en pas op voor de muren want deze zijn net geverfd’. Aangekomen op de zevende verdieping staat de deur wagenwijd open en heet de administrator mij met een brede glimlach welkom. Bewonderenswaardig. Ik heb haar toch net wreed uit haar zondagochtendrust gewekt. En dan nu al zo’n glimlach.

Abakan, voor de duidelijkheid, is niet zomaar een nietszeggend stadje in Siberië. Het is de hoofdstad  van de Russische deelstaat Chakassië en daarmee het centrum van een gebied dat ongeveer even groot is als Nederland en België samen.  Weinig verrassend, per slot van rekening is Siberië niet meteen dichtbevolkt, is het aantal inwoners aanzienlijk lager. In de hele deelstaat wonen er ongeveer een half miljoen en in Abakan zelf zo’n 150.000. Dit verklaart ook meteen waarom ik, wanneer ik later op de zondag naar het centrum wil, vooral oude stadsbussen zonder passagiers voorbij zie rijden. Van bedrijvigheid is geen sprake. Stilte en rust heersen. Ervan uitgaande dat alle bussen naar het centrum rijden, stap ik in de leegste. De conductrice heet me hartelijk welkom, vraagt me een handjevol roebels en laat me een minuut of tien later, bij een standbeeld van Lenin uitstappen.

Ik ben in het centrum. Niet dat het hier drukker is overigens. Ik wandel door de Leninstraat en door de Karl Marxstraat, de winkelsteden van Abakan. Tot mijn verrassing zie ik Tommy Hilfiger, MEXX en een Baskin-Robbins IJssalon. Plotselinge moderniteit. Voor het overige is het vooral niets. Stilte voor een Siberische storm? Of de alledaagse gang van zaken?

3, Lenin 2, Spasko-Preobrazhenskoy Cathedral

De façade van restaurant Kaukasië trekt mijn aandacht. Plotseling luxe? Het lijkt er verdraaid veel op. Ik treed binnen in een compleet leeg restaurant. Alles is wit hier. De stoelen, de tafels, de muren, de vloer en ook de piano. Twee medewerkers, in witte tenues, staan werkeloos bij de eveneens witte bar. Een uitdrukking van teleurstelling op hun gezicht. Misschien omdat aan het nietsdoen een einde lijkt te zijn gekomen? Ik bestel, ondanks het nog steeds vroege uur, een sjasliek en 100 gram wodka. Een Siberisch ontbijt om in de juiste stemming te geraken. Beide smaken me uitstekend. En van beide zou ik best meer willen. Maar ik bedapper me. Te vroeg en te ongezond. Kan later vandaag nog wel. Nu eerst verder, de rest van de stad ontdekken.

Ik slenter door parken en door straten. Bewonder het onvermijdelijke oorlogsmonument 1941 – 1945. Bezoek het museum waar ik vooral opgezette Chakassische dieren zie. Wandel een kerk binnen. Raak de weg kwijt en beland uiteindelijk op een zondagsmarkt. En plotseling zijn de rust en de stilte verdwenen. Alsof heel Chakassië is samengekomen op deze ene plek. Verkopers van fruit, groente, kleding, schoenen, tassen, speelgoed, gereedschap, taarten, sanitair, toiletartikelen en wat al niet meer, bieden hun waar aan. En ze doen goede zaken, volgens mij. In ieder geval het aantal potentiële kopers is indrukwekkend. En velen lopen al flink bepakt en bezakt langs de talrijke kramen. Hier is het dan. Hier is het centrum van dit deel van Siberië. Maar echt opgewonden geraak ik er niet van. Te veel herrie. Te veel gedoe. En dus vertrek ik. Terug naar de stilte van het centrum. Terug naar hoe ik vind dat Siberië moet zijn.

 

 

Hoeveel kilometer ben ik eigenlijk van huis, zo vraag ik me af. Toch wel een duizendje of zeven, dunkt me. Dagen ben ik onderweg geweest om die enorme afstand te overbruggen. Nu zit ik hier in een fauteuil, bij de Oudgelovigen ergens diep in Siberië. Maar meer en meer krijg ik het idee tegenover mijn eigen ouders te zitten. Ik luister en kijk nu al een klein uurtje naar Pavel en Ekaterina en meer en meer bekruipt me het gevoel dat ik naar Antoon en Alie luister en kijk.

Qua uiterlijk zijn de overeenkomsten overigens ver te zoeken. Pavel heeft een woeste baard, terwijl mijn vader iedere ochtend zijn scheermes ter hand neemt om zijn eendagsbaard te lijf te gaan. En Ekaterina is gekleed in een lange jurk, terwijl ik mijn moeder de laatste 10 jaar alleen maar in een lange broek heb gezien. Maar de verhalen die ik hoor doen mij terugkeren naar de boerderij in Oude Pekela. Terug naar 1978, zeg maar.

Ekaterina vertelt honderduit en Pavel luistert aandachtig. Hij plukt de hele tijd ietwat nerveus aan zijn baard. Alsof hij bang is dat zijn vrouw iets verkeerds zal zeggen. Alsof hij bang is dat zijn vrouw kwaad over hem en de andere Oudgelovigen zal spreken. Ondanks zijn nerveuze gedrag is het mij allang duidelijk dat Pavel de touwtjes hier stevig in handen heeft. Ekaterina mag dan praten als brugman vandaag, als het puntje bij het paaltje komt, heeft zij niets te melden. Dan is Pavels wil wet. Af en toe bromt hij enkele woorden. Alsof hij zijn echtgenote dient te behoeden voor al te opruiende of liberale opvattingen. Want ook dit is mij allang duidelijk. Ekaterina is een moderne, eigentijdse dame die openstaat voor nieuwe ontwikkelingen en die zich met regelmaat afvraagt waarom zij in godesnaam met Oudgelovige Pavel in het huwelijksbootje is gestapt.

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, zo luidt het cliché. En hier in Erzje wordt aan deze waarheid nog minder getwijfeld dan in gereformeerd Oude Pekela in de zeventiger jaren. Pavels wil mag dan wet lijken, feitelijk is het God die regeert. Een traditionele God die woedend reageert op elke verandering. Hoe pietluttig ook. Meteen ook de reden waarom ik zo’n lange reis heb moeten maken. Want Oudgelovigen wonen doelbewust op plaatsen die moeilijk of niet te bereiken zijn. Ooit, lang geleden, toen de patriarch van de Russisch Orthodoxe kerk besloot de Russisch Orthodoxe kerk op één lijn te krijgen met de Grieks Orthodoxe waren veel gelovigen tegen dit voornemen. Zij vonden elke aanpassing of verandering een zonde en in strijd met de absolute waarheid. Maar de patriarch luisterde niet naar ze. Integendeel, als vertegenwoordiger van God op aarde vond hij dat hij het alleenrecht had op de waarheid. En dus liet hij deze opstandelingen vervolgen, onderdrukken en doden. En zo bedachten zij, tamelijk verstandig, dat het beter was te vertrekken naar verre oorden. Tegenwoordig zijn dan ook overal in Siberië Oudgelovigen te vinden.

Ekaterina ratelt maar door. Ik krijg zelfs het idee dat zij als vertegenwoordiger van de Oudgelovigen naar voren is geschoven. Uitsluitend voor de beeldvorming. Zo antwoordt zij dat zij geen probleem heeft een Russisch Orthodoxe kerk te bezoeken. Zij best een broek zou willen dragen. Jarenlang voor het gebruik van een mobiele telefoon heeft geijverd. Zou willen reizen naar onbekende bestemmingen. Zelf wel eens in Volgograd is geweest. Zo zegt ze zelfs dat ze had gehoopt dat haar man zou willen vertrekken uit dit dorp om in een meer ontwikkelde omgeving een interessanter leven te leiden. Zoiets als mijn eigen moeder, diep van binnen, ook voelt. Zoiets als mijn eigen moeder ook ooit heeft gedroomd. Al moet ik eerlijk toegeven dat ik haar dit nooit hardop heb horen zeggen. Pavel, ondertussen, zwijgt vooral. Kijkt inmiddels ook wat nors en denkt, zoveel is me wel duidelijk, bepaald niet hetzelfde. Maar ook Ekaterina is bij vlagen oerconservatief. Een van hun zonen verkettert zij zelfs omdat hij het heeft gewaagd met een ongelovig burgermeisje te trouwen en in de grote boze stad te gaan wonen. Een schande voor de familie noemt zij het en voor hun zoon is het een ticket naar de hel.

Old Believers, Cross P and E

Maar Ekaterina kan communicatief vaardig zijn, ze is en blijft kansloos tegen Pavel en de andere mannen in het dorp. Want net als Pavel regeren de buurmannen over de buurvrouwen. En uit hun midden kiezen de mannen de dorpsoudste, de wijste man van het dorp. Gekozen vanwege zijn levenservaring maar toch vooral vanwege zijn opvattingen. Traditioneel en conservatief. Hij is de baas en samen met de andere mannen zorgt hij ervoor dat de tijd zo stil mogelijk blijft staan. Helemaal buitensluiten lukt zelfs hier niet. Want de mobiele telefoon ligt ook hier op tafel. Ik zie zelfs Pavel met regelmaat op het schermpje loeren. Maar op deze geïsoleerde plek gaat het langzaam en is het relatief eenvoudig de grote, boze buitenwereld buiten te sluiten. Een Oude Pekela in het kwadraat, zeg maar. En zo vangt Ekaterina bot. Vist zij bij voortduring achter het net. Waarom Ekaterina plotsklaps, tot het chagrijn van Pavel, uitkraamt dat vrouwen nu eenmaal sterker zijn dan mannen, is mij dan ook niet helemaal duidelijk.

Als het om zaken gaat, zijn de Oudgelovigen overigens een stuk minder conservatief. Tractoren staan her en der in het dorp geparkeerd. En voor vele huizen pronkt een jeep. ‘Onmisbaar’, zo zegt Ekaterina, ‘in deze contreien.’ De wegen zijn het hele jaar onbegaanbaar vanwege overvloedige regenval, sneeuw of ijs. En het land bewerken zonder tractoren en andere moderne machinerie is evengoed onbespreekbaar. Opnieuw doet het mij denken aan de boerderij in Pekela. Ook daar was het verdomd moeilijk mijn ouders te overtuigen een fatsoenlijke TV met afstandsbediening aan te schaffen. Tegelijkertijd werden wel kostbare machines aangeschaft om het bedrijf te laten floreren.

Maar tegelijkertijd zijn de Oudgelovigen blijven hangen in een ver verleden. Want tussen alle wetenswaardigheden over het geloof, de tradities en de man/vrouw verhouding praat Ekaterina toch vooral over champignons. Echt het gesprek van de dag. Nu is de tijd deze te plukken in de bossen rondom, schoon te maken, te koken en te wecken voor de komende winter. Binnenkort geldt hetzelfde voor de aardappelen, de wortelen en de bonen. Arbeidsintensief werkje, zoveel is me wel duidelijk waar met vrouw en macht aan wordt gewerkt. Alles wordt geprepareerd zodat ook in de winter kan worden genoten van deze heerlijkheden. Net als vroeger, toen ook ik verplicht werd bonen te doppen en wortelen te schrapen. Voor de nakende winter.

Ekaterina vertelt dat zij drie keer per dag snoepen van al dit heerlijks. Ook het ontbijt bestaat uit aardappelen, fantastische volle koemelk, room en fikse hoeveelheden vlees. Wat de gevolgen zijn op lange termijn is duidelijk te zien. Overgewicht. Als een soort van Pino waggelt zij in haar keuken en rond haar huis. Het voedsel is eenvoudig te calorierijk om alles te verbranden. Ik heb het zelf gemerkt de afgelopen 48 uur. Na elke maaltijd voel ik me alsof ik zal ontploffen.

En als dan die lange winter aanbreekt, vertrekken de mannen naar de taiga. Maandenlang leven zij daar in houten hutten. Overdag jagend op alle dieren waarvan de vacht gebruikt kan worden voor een bontmantel. ‘s Avonds etend van het geprepareerde voedsel, bereid door moeder de vrouw natuurlijk. En ‘s nachts slapend in de blokhut. Thuis in het dorp wacht de vrouw getrouw op haar echtgenoot. Wellicht stiekem hopend op een bontjas, maar in werkelijkheid wetend dat de Pavels van deze wereld niet aan dergelijke luxe cadeaus doen.

 

Het regent alweer pijpenstelen. En dat is zeker niet de eerste keer deze maand. Een paar dagen geleden, toen ik nog in Moskou was, toonde het Russische journaal  al beelden van overstromingen in Tuva. Vanwege overvloedige regenval. Maar juist vandaag is die regen niet handig. Ik wil namelijk een bezoek brengen aan de Oudgelovigen in Erzhey. Naar het schijnt altijd al een hachelijke tocht, vanwege de gesteldheid van de weg naar daar. Maar na zoveel regen, zo vertelt Omar, mijn chauffeur, is er van een weg waarschijnlijk helemaal geen sprake. Toch krijg ik niet de indruk dat hij zich meteen zorgen maakt. Eerder het tegenovergestelde. Hij lijkt wel zin te hebben in dit ritje. We lopen naar zijn auto, een legergroene Russische jeep. ‘Gemaakt voor onbegaanbare wegen’, gniffelt hij. Hij stelt me voor aan een tweede Omar, zijn assistent. Speciaal ingehuurd om de jeep in het voorkomende geval uit te graven. Zijn gereedschap, twee spades, liggen glimmend achterin. Het is duidelijk, we zijn uitstekend voorbereid.

De eerste twee uur rijden we in een woedende vaart over een, voor Tuvaanse begrippen, uitstekende weg. Omar is nog steeds in een opperbeste stemming. Hij rookt zijn sigaretjes, draait zijn Tuvaans muziekje en doet zijn best de tocht zo gerieflijk mogelijk te maken. Alhoewel, die woedende snelheid hier niet echt toe bijdraagt. Vooral omdat die uitstekende weg, vanwege achterstallig onderhoud, vol gaten, kuilen en hobbels zit. Het is dan ook vooral een kwestie van mezelf goed vasthouden, hoofd intrekken en altijd alert zijn op onverwachte manoeuvres. De meegebrachte blikken Baltika bier stuiteren door de auto. Twee beginnen er spontaan te lekken zodat de benzinegeur  zich met een bierlucht vermengt. Voordat ik ze naar buiten kan kieperen, heeft bijrijder Omar ze al aan de mond gezet. Hij slurpt ze haastig en met pretoogjes leeg.

Na twee uurtjes komen we aan in Sarig Sep, het administratieve centrum van dit deel van Tuva. Omar waarschuwt me dat het nu voorbij is met de snelheid en het comfort van de moderne maatschappij. We betreden het gebied van de Oudgelovigen. Nu is Tuva op zich natuurlijk al het einde van de wereld. Maar toen de Oudgelovigen hier aankwamen, vonden ze het toch nodig verder te kijken dan de hoofdstad. Want daar wonen ze niet. Bovendien, al te veel zin te integreren met de lokale bevolking hadden ze ook al niet. En dus zochten ze naar een afgelegen gebied. Naar een plek zonder mensen. Het gevolg laat zich raden. Een weg naar nergens is geen weg. De jeep heeft al zijn paardenkrachten nodig vooruit te komen. De spades rammelen voortdurend in de achterbak. Alsof ze willen zeggen dat ze klaar zijn voor gebruik. Modder, water, bandensporen en meer modder is het enige dat we zien. Maar het deert Omar geenszins. Hij rookt rustig verder, speelt zijn muziekje en maakt grappen over marihuana rokende Nederlanders en de smaak van Nederlandse kaas.

Om de grappen en grollen van Omar wat in te tomen vraag ik hem wat hij weet over de Oudgelovigen. Half en half verwachtend dat hij schouderophalend antwoordt dat dit vreemde mensen zijn van wie hij niets weet. Maar dat is bepaald niet het geval. Hij vertelt me dat de Oudgelovigen hier al meer dan honderd jaar wonen. Op de vlucht voor de aanhangers van de staatskerk. In het westen van Rusland werd tot ongeveer 1900 verwoed jacht gemaakt op Oudgelovigen. Ze belandden op de brandstapel of werden op andere manieren geëxecuteerd. Alleen maar omdat ze het niet eens waren met hervormingen opgelegd door de tsaar en de patriarch. Hier in Siberië was de invloed van de staatskerk veel minder groot of zelfs afwezig. En dus konden ze hier hun eigen rituelen en gebruiken trouw blijven. Het verklaart ook meteen waarom de Oudgelovigen besloten op onbereikbare plaatsen te gaan wonen.

Op zijn beurt begint Omar mij vervolgens te bestoken met vragen. Zo wil hij weten of Nederland en Finland buurlanden zijn? Of Nederlandse mannen geweren dragen? En messen? Hoe hoog de bergen eigenlijk zijn in Nederland? En of er rivieren zijn? Wordt er gejaagd? En als klap op de vuurpijl wil hij weten of er een typisch Nederlands paardenras is. Ook vraagt hij of ik thuis in een auto rijd. Van mijn antwoord dat ik een Jaguar heb, laat hij zowaar het gaspedaal los. Hij kijkt me verbaasd aan en vertelt dat er in Tuva maar één Jaguar rijdt. En die is van de wereldkampioen worstelen.

Omar belooft me dat het allemaal niet zo lang zal duren. Een uurtje ongeveer. Maar na een uur is er nog steeds niets dan modder, water, sporen van andere auto’s en bomen. En na twee uur ook niet. Pas na een uurtje of drie ploeteren, bereiken we een rivier, de Kahim. Hier zie ik, toch wel tot mijn verbazing, een veerpont waarmee we naar de overzijde kunnen. Er is plaats voor precies één auto. Maar waarom zou er ook plaats moeten zijn voor meer? Zoveel verkeer is hier nu ook weer niet. Drie stoere Siberische mannen, gekleed in legerkostuum en driftig rokend , dragen zorg voor de oversteek. Met behulp van een lier en een over de rivier gespannen kabel bereiken we soepeltjes en snel de overkant. Slechts de laatste meters vereisen wat duw- en trekwerk. Maar dit is wel aan de Siberische handen besteed.

8, Cross the Kaa Khem river          17, Erzhey

Aan de andere kant van de rivier is het van hetzelfde laken een pak. Modder, water en sporen. Niets meer en zeker niets minder. Terwijl keelzingende Tuvanen door de luidsprekers schallen, hotseknotsen wij voort. Op weg naar de Oudgelovigen.

En plotseling is daar een dorp. Na uren zwoegen en ploeteren door modder en water. Als een oase in de woestijn. We stoppen bij het eerste huis waar een forse madam op een houten kruk de wacht lijkt te houden. Ze begroet ons hartelijk en lijkt maar wat blij met wat bezoekers van verre. Wellicht is ze benieuwd naar de laatste roddels uit Kyzyl? Of misschien zelfs wel naar die uit Europa? Haar minstens even forse echtgenoot komt al even goed gemutst op ons afgestapt. Voor mensen die  doelbewust in afzondering leven zijn ze opvallend gastvrij. Maar goed, het is dan ook al meer dan honderd jaar geleden dat ze actief werden vervolgd. Misschien vertrouwen ze inmiddels niet meer alleen op God maar evengoed ook hun medemens.

 

Mijn oorspronkelijke plan, met een Lada door Tuva te toeren, heb ik laten varen. Vooral omdat, buiten de stadsgrenzen van Kyzyl, de staat van de wegen dramatisch is. Mijn gids babbelde over wielophanging en stugge vering. En over voortdurende mechanische problemen bij Lada’s. Als een volleerd verkoopster van luxueuze en moderne auto’s. Ze overtuigde me. Eigenlijk zonder noemenswaardige moeite. En zo stapte ik deze ochtend in een heuse Toyota Landcruiser. Nu zoeven we met gezwinde spoed over de M54 (de weg die Tuva verbindt met Abakhan, de hoofdstad van Chakassië en vanaf daar met de rest van Rusland). En ik ben maar wat blij met die Landcruiser. Op deze hoofdweg rijden ze wel, de Lada’s. In de mooiste kleuren zelfs. Maar ze lijken haast stil te staan. Lastige obstakels zijn het voor deze Landcruiser.

We zijn op weg naar Arsjan 2, een grafheuvel uit de 7e eeuw voor Christus, die pas in de 21e eeuw is blootgelegd. De gevonden schatten zijn tegenwoordig vooral te bewonderen in het National Museum in Kyzyl en in de Hermitage in Sint Petersburg. Maar archeologen geloven dat in de directe omgeving van Arsjan 2 nog veel meer waardevols uit oude tijden is te vinden. En daarom blijven ze zoeken. Geholpen door studenten uit binnen- en buitenland. De hele zomer lang zijn zij druk geweest met het afgraven van een stukje Tuvaanse aarde. En vandaag is de laatste dag van deze exercitie. Reden genoeg voor een feestje. En ondanks het feit dat ik geen kuil heb gegraven ben ook ik uitgenodigd.

De lucht is blauw. De zon schijnt uitbundig. En op een geïmproviseerd podium houdt een Tuvaanse dame een toespraak. Ze bedankt de studenten voor hun inzet. Dankt ook de leiding voor hun gedrevenheid. Prijst de geldschieters, de lokale overheid en natuurlijk het verantwoordelijke ministerie in Moskou. Iedereen is stil, al zie ik wel dat de studenten meer oog voor elkaar hebben dan voor de spreekster. Wekenlang zaten zij op elkaars lip op het Tuvaanse platteland, dat moet toch ook welhaast tot romances leiden. Heel lang duurt haar speech niet, alsof ze weet dat niemand luistert. Ze maakt plaats voor een aantal zeer hippe Tuvaanse dames en heren die een spetterende modeshow ten beste geven. Dans en outfits zouden niet misstaan op een catwalk in Milaan of New York.

En dan zijn we weer op weg. Wat een geweldig stukje aarde, dit Tuva. De heuvels zijn zo vredig groen. De inwoners, ondanks hun imago van woest- en ledigheid in Rusland, zo vriendelijk en gastvrij. De yurts in het landschap en de voorbijtrekkende nomaden doen denken aan lang vervlogen tijden. Keelzingende mannen. Worstelende mannen. Sjamanen in woeste pakken die extatisch dansen. Boeddhisme en haar rustgevende invloed. Kuddes rendieren.

Van het keelzingen krijg ik in de auto al een prachtig voorproefje. Urenlang wordt mijn gehoor verblijd met gorgelende mannenstemmen. Het is als loungemuziek. Aperelaxed word ik ervan. Ik kan me ook helemaal voorstellen dat er ooit een Tuvaan was die, gezeten voor zijn yurt, opeens begon te keelzingen. Gewoon omdat het landschap hem hiertoe inspireerde. En des te langer ik naar de keelzingende mannen luister, des te meer ik hoop dat op een dag dit Tuvaans ensemble zal doorbreken in Nederland. Ze verdienen het.

‘s Avonds laat, het is al bijna middernacht eigenlijk, komen we aan in Chaa-Xol, het geboortedorp van mijn chauffeur. Hij is dan ook zichtbaar opgetogen en opgewonden. Eigenlijk zijn we op weg naar een kamp, 2 uurtjes verderop, waar Poetin en Medvedev ook met regelmaat verblijven. Om de Kremlin stress van zich af te vissen en te jagen. Maar bij het binnenrijden van zijn geboortedorp hapert opeens de rechtervoet van de chauffeur. Hij heeft niet meer zo heel veel zin nog verder te rijden. Liever blijft hij hier om gezellig te keuvelen met vrienden en bekenden. En eerlijk gezegd, ik kan me er wel in vinden. Ergens op een bed slapen in plaats van nog twee uur door de Tuvaanse nacht te jakkeren.

Maar waar te verblijven in dit dorp? Een hotel is er niet. Een ziekenhuis evenmin. En de plaatselijke school is op dit moment van de dag niet meer open. Bovendien, iedereen die hier buiten loopt, is op zijn zachtst gezegd stomdronken. Volgens mijn gids omdat het vrijdagavond is en omdat het bruiloftseizoen in volle gang is. Mag allemaal wel zo zijn, ik vind het een vreemde binnenkomer. Zwalkende mannen en vrouwen in de onverlichte straten. Op weg naar huis? Of naar een andere bruiloft?

De chauffeur probeert manmoedig een fatsoenlijk gesprek aan te knopen. Maar voor zover ik het kan inschatten lukt hem dat vrij matig. Veel schoudergeklop en algeheel plezier. Dat wel. Maar een slaapplaats levert al deze gesprekken vooralsnog niet op. Ik wacht geduldig. Zing op verzoek van de gids een Nederlands lied voor haar. Godbetert nog aan toe kan ik niets beters bedenken dan het eerste couplet van gezang 477: ‘Geest van Hierboven.  Leer ons geloven…’ Als antwoord zingt de gids prachtige liederen over onbeantwoorde en verloren liefdes.

De chauffeur is inmiddels ergens over een schutting geklommen. Blijkbaar zijn andere maatregelen noodzakelijk om hier een slaapplaats te bemachtigen. Na een aantal minuten keert hij hoofdschuddend terug. In deze herberg is geen plaats. Familiebezoek uit de hoofdstad maakt dat alle bedden in dit huis bezet zijn.

Of het van gezang 477 komt, weet ik niet. Maar opeens begin ik te vrezen dat ik vanavond wel eens in een stal zou kunnen belanden. De chauffeur kijkt namelijk nogal teleurgesteld en ergens meen ik zelfs wat wanhoop waar te nemen. Maar opgeven of doorrijden doen we voorlopig nog niet. In plaats hiervan rijden we nog een rondje door het dorp. Nog steeds zie ik niets dan zwalkende mensen die werkelijk geen benul lijken te hebben van hun omgeving.

Plots gaat de telefoon van de chauffeur. Een gesprek in onbegrijpelijk Tuvaans volgt. Maar ik zie wel een glimlach verschijnen. En een schittering in zijn ogen. Volgens mij is de zaak beklonken. We rijden nog een rondje door het dorp en parkeren vervolgens voor een houten huis. Opnieuw klimt de chauffeur over een schutting en verdwijnt. Om een aantal minuten later op dezelfde manier terug te keren. De slaapplaats is geregeld.

We kunnen slapen bij de broer van iemand. Wie die iemand is, is mij niet duidelijk. En eerlijk gezegd, het maakt me ook niet zo heel veel uit. Het is inmiddels half twee en ik vind alles prima. In de woonkamer tovert de vrouw des huizes een IKEA-achtig bankje om tot bed. Met de broer van iemand drink ik intussen een fles bier op het erf en rook ik een sigaretje of drie. Zijn Russisch is even gebrekkig als het mijne. Dus al te soepel verloopt het gesprek niet. Toch begrijp ik dat zijn ouders nog nomaden waren. En hij mag dan de trotse eigenaar zijn van een echt huis, in zijn hart is ook hij nog een nomade.

 

Alle waarschuwingen ten spijt ben ik er toch. In Tuva. Vol verwachting klopt dan ook mijn hart wanneer ik Kyzyl, de hoofdstad, binnenrijd. Hoe ik ook mijn best doe, ik kan maar niet geloven dat ik nog steeds in Rusland ben. Daarvoor zien de inwoners er te verschillend uit. Ik blijf denken dat ik ergens onderweg een grens ben overgestoken. Heb het gevoel in Mongolië te zijn beland. Niet alleen vanwege het uiterlijk van de mensen alhier. Ook vanwege de natuur. Op weg naar hier heb ik urenlang uitgekeken over groene, glooiende heuvels. Het deed mij dagdromen over nomadische stammen, jaks en yurts.

Tuva, map

Hier in Kyzyl is van dit alles weinig tot niets te merken. De Sovjets hebben ook in dit deel van hun rijk hun uiterste best gedaan de stad een Russisch karakter te geven. En dat is ze opperbest gelukt. Brede wegen. Lada’s. Een standbeeld van Lenin. Orthodoxe kerken her en der. Cyrillische teksten. Het ademt allemaal Rusland. Alleen, die vermaledijde inwoners met hun Mongools uiterlijk maken elke poging tot Russificatie een vruchteloze.

Ik slenter door het centrum, op zoek naar vermaak en vertier. Maar eerlijk gezegd, al te indrukwekkend is het allemaal niet. De lucht is grijs en het regent voorzichtig. Met enige regelmaat rijdt zigzaggend een Lada voorbij. De talrijke kuilen en gaten ontwijkend. Op de hoek van de Lenin- en de Karl Marxstraat (inderdaad, ook de straatnamen zijn hier identiek aan die in andere Russische steden) heeft die enorme regenbui van eerder vandaag voor flink wat overlast gezorgd. De straat staat hier blank. Een vijftal mannen probeert het water in een aftandse tankauto te pompen. Veel meer gebeurt er niet. Alsof de 100.000 inwoners van Kyzyl massaal hebben besloten zich vandaag niet te laten zien. Na een uurtje slenteren oordeel ik voorzichtig dat het hier nogal armetierig is. Op zich een weinig verrassende conclusie. Want van alle 83 deelstaten in Rusland is Tuva het meest afhankelijk van steun van de centrale overheid in Moskou. Bij gebrek aan natuurlijke hulpbronnen, industrie of handel komt maar liefst 98% van het budget van de deelstaat Tuva rechtstreeks van Poetin en consorten.

Enig commercieel inzicht is de lokale autoriteiten toch niet vreemd. Bij gebrek aan bezienswaardigheden hebben zij namelijk een ietwat kunstmatige toeristische attractie ontwikkeld. Een creatieve, of wellicht verveelde, medewerker van het stadhuis van Kyzyl besloot op een goede dag de kaart van Azië uit de Russische Bosatlas te knippen en deze vervolgens op zijn middelvinger te laten balanceren. Volgens mij niet meteen een teken van extreem hoge werkdruk. Maar wat bleek? Inderdaad, Kyzyl is het middelpunt van Azië! Enthousiast deelde hij zijn vondst met zijn superieuren. En ook zij zagen wel brood in deze ontdekking. Sindsdien is er, op zo’n 500 meter vanwaar Lenin op zijn sokkel staat, het ‘ Centrum van Azië Monument’. Als toerist natuurlijk een niet te missen attractie. En zo sta ik dan ook al vrij snel oog in oog met het monument. Het doet me aan Manneken Pis denken. Niet omdat het daarop lijkt, maar omdat het bij mij dezelfde vraag doet opkomen: ‘Is dit het nou?’ Ik maak een paar foto’s en maak vervolgens rechtsomkeert. Overigens, Kyzyl is niet de enige plek die claimt het centrum van Azië te zijn. Ergens in de omgeving van Urumqi, in Chinees Xinjiang, staat een soortgelijk monument.

Centre of Asia Monument           National Museum, Kyzyl

Op weg naar het Nationaal Museum word ik uitgenodigd aan een boeddhistisch gebedswiel te draaien. De allereerste keer dat ik zo’n uitnodiging ontvang hier in Rusland. Ik sla het dan ook niet af en draai hartstochtelijk. Nu maar hopen op een goed karma voor alle inwoners hier. Eenmaal in het museum word ik hartelijk welkom geheten door een dame die fantastisch Engels spreekt. Ze vraagt of ze mij een rondleiding mag geven. Blij te zijn verlost van de eeuwige tweestrijd die ik voer met het Russisch, stem ik maar wat graag in. Verheugd veert ze op. Zich meteen verontschuldigend voor haar beperkte kennis van het Engels. Iets waarin ze het komende uur zal blijven volharden. Daar kan mijn voortdurende opmerking dat haar Engels vloeiend is, niets aan veranderen.

Mijn gids is een kostbaar geschenk uit de grijze Tuvaanse hemel. Ze vertelt honderduit over Tuva, de geschiedenis, de mensen, de cultuur, Kyzyl, de Russen. En vooral over Arzjan 2 (ook wel bekend als de Vallei der Koningen), een archeologische vindplaats, zo’n 60 kilometer ten noordwesten van Kyzyl, uit de vroeg Scythische periode. In het museum is aan Arzjan 2 een permanente tentoonstelling gewijd. ‘De trots van Kyzyl’, zo zegt mijn gids. Deze zaal binnentreden kan dan ook niet zomaar. Daarvoor zijn de Scythische schatten te waardevol. Eerst moet een bewaker allerlei grendels en sloten van een zware, ijzeren deur losmaken. Zoveel voorzorgsmaatregelen en beveiliging in Kyzyl? Het moet welhaast een voorbode zijn tot iets bijzonders.

Eenmaal binnen bevind ik me in een vrij donkere en koele ruimte. Een tiental vitrinekasten, subtiel verlicht, trekken dan ook logischerwijs mijn aandacht. En in één oogopslag zie ik dat hier pracht en praal wordt tentoongesteld. De archeologen van dienst in Arzjan 2 hebben een echte schat gevonden. Meer dan 20 kilo aan gouden voorwerpen in allerlei vormen. Opgegraven tussen 2000 en 2003, maar stammend uit de zevende eeuw voor Christus! Duizenden jaren lang slaagde geen enkele plunderaar erin, ondanks talloze verwoede pogingen, de centrale grafkamer te vinden. Om de tuin geleid door de architecten van de Scythische heersers. Inderdaad, er is ook een Arzjan 1. Alleen hierover heeft de gids niets te melden. Simpelweg omdat plunderaars het heilige der heilige van dit graf wel hebben leeggeroofd.

De gouden halsketting van de koning is het stralende middelpunt van heel veel glorie. Op mijn wellicht ietwat knullige vraag hoeveel zo’n ketting kost, antwoordt mijn gids, licht spottend, dat deze van onschatbare waarde is. Historisch erfgoed is onbetaalbaar. Zelfs niet met een gouden credit card. Maar niet alleen de heerser werd met een overdaad aan schatten begraven. Met hem werden ook zijn vrouwen, zijn concubines, zijn adviseurs en zijn paarden gedood en overladen met schatten bijgezet. Allen waren zij nodig om de heerser te assisteren in zijn volgend leven.

Het is toch wel heel bijzonder, blijf ik maar denken, dat in het arme Tuva, naar alle waarschijnlijkheid, nog steeds enorme hoeveelheden rijkdom ondergronds te vinden zijn. Misschien her en der toch maar eens wat kuiltjes graven de komende dagen.

 

Bij de kapper. Tijdens de lunchpauzes. Bij de tandarts. Overal ontmoet ik dezelfde vragende blik wanneer ik over Tuva begin. Tuva? Of vaker nog Tuva??? Nooit volgt een spontane opsomming van de geneugten van dit stukje Rusland: joerts, boeddhisme, wildernis, sjamanen, Russisch Mongolië, postzegels, keelzingen. Niets van dit alles is bekend. Bij niemand niet.

Op weg naar onontdekt Tuva maak ik een tussenstop in Moskou. En ook hier is Tuva het gespreksonderwerp van de dag. Vooral omdat bijna elke Moskoviet mij de vraag stelt, waarom ik precies in Rusland ben. Op mijn antwoord dat ik op weg ben naar Tuva, worden hier vooral wenkbrauwen gefronst. En ook hier zie ik regelmatig vraagtekens in ogen. Tuva mag dan een slordige vijf vlieguurtjes van Moskou verwijderd zijn, iedereen kent het. En iedereen komt met eenzelfde reactie. De Tuva mannen zijn wild, onderontwikkeld, gevaarlijk. Ik ga mijn eigen ondergang tegemoet. Niet dat iemand ooit in Tuva is geweest. Natuurlijk niet. Een Moskoviet vliegt niet naar Tuva. Daar is immers geen zee. En ook de zon schijnt er lang niet zo vrolijk als in zuidelijk Europa. Maar evengoed weet iedereen hier dat Tuva ten koste van alles dient te worden vermeden. Een boos stukje aarde. Als ik vraag waarom Tuva dan zo wild en gevaarlijk is, is het antwoord nogal onbevredigend. Want eigenlijk weet niemand ook maar iets van Tuva. Een enkeling noemt keelzingen of sjamanisme. Voor het overige is het vooral niets.

Gelukkig zorgde Poetin zelf het afgelopen jaar voor wat Tuva-ophef. Hij besloot namelijk, samen met ‘vriend’ Medvedev, daar eens te gaan vissen. En niet zonder succes. In de Russische kranten pronkte namelijk een foto met daarop Poetin en een net door hem gevangen snoek van maar liefst 21 kilo. Althans, dit stond als tekst onder de foto vermeld. Op internet werd dit overigens meteen in twijfel getrokken. Volgens experts (ik vermoed verwoede vissers) zou de snoek op die foto nooit en te nimmer 21 kilo kunnen wegen. Maximaal 12 was de inschatting. Een kleine overdrijving van de PR-machine van het Kremlin. Misschien omdat het de hoogste tijd was het macho imago van Poetin nieuw leven in te blazen? Andere criticasters beweerden zelfs dat Poetin helemaal niet in Tuva was geweest. Zijn stoere visbroek en het horloge om zijn pols leken namelijk verdacht veel op de visbroek en het horloge uit 2007. Ook toen was Poetin in Tuva om het Russische volk zijn avontuurlijke instincten te tonen. En een president loopt toch geen zeven jaar in dezelfde visbroek? Overigens, over de vissen gevangen door Medvedev werd in de Russische pers met geen woord gerept.

Poetin Tuva                     Tuva

Het mag dan zo zijn dat Poetin zijn tripje vooral voor het opkrikken van zijn eigen populariteit en imago maakte. Het had evengoed een positieve uitstraling op Tuva gehad kunnen hebben. Per slot van rekening, iedere Rus is, diep van binnen, nog steeds een natuurmens. Niet voor niets verruilen de Moskovieten, iedere zomerse vrijdag, in grote getale de stad voor hun datsja. Met enorme files tot gevolg. Op zondag volgt dan de omgekeerde exodus met identieke gevolgen. Toch, in Moskou, zo merk ik, is niet opeens iedereen laaiend enthousiast over Tuva. In feite hebben Poetin’s tripjes niets veranderd aan het imago van wildemannen en koppensnellers.

Krasnoyarsk is een forse stad in Siberië met ruim één miljoen inwoners. Slechts op zo’n 15 treinuren van de hoofdstad van Tuva, Kyzyl. Hier, zo denk ik althans, zal de Rus toch wel iets genuanceerder denken over mijn bestemming. Maar het tegengestelde blijkt waar. De mening van de lokale bewoners is hier nog angstaanjagender. ‘Ze zullen je vermoorden en je lichaam achterlaten ergens in de bossen. En niemand zal je ooit meer terugvinden’. Dat is nog eens een mening die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat. Het doet me zelfs lichtelijk huiveren. Maar ook de mevrouw, die deze mening etaleert, is nog nooit in Tuva geweest. Want ook deze mevrouw vliegt bij voorkeur naar een zonnige bestemming aan zee. En dus, concludeer ik, kan ik de Russische meningen over Tuva met een fikse korrel zout nemen.

En dan is daar plotseling Andrei, eigenaar van een reisbureau gespecialiseerd in extreme bestemmingen. Wanneer ik hem vertel dat ik naar Tuva ga, omhelst hij mij bijna. Tuva is wild, spannend, fantastisch, prachtig, onontdekt en sensationeel. Tuva is gemaakt om te ontdekken. Dat zegt Andrei. En zijn ogen glimmen van opwinding. Precies wat ik wil horen en zien. En laat Andrei nu al dertien keer in Tuva zijn geweest. Dertien keer vaker dan alle andere Russen die ik de afgelopen dagen heb gesproken.

Eindeloze rijen kolossale betonblokken doen dienst als flat. Het verkeer staat vast in oneindig lange files, 24 uur per etmaal. De mensen haasten zich van hot naar her. Zonder glimlach en zonder blijdschap. In de winter is het donker, guur en stervenskoud. In de zomer is het verstikkend heet. Niet alleen vanwege de temperatuur maar vooral door de uitlaatgassen van al die oude Lada’s, die nieuwe SUV’s en de walmende fabrieken. Welkom in Moskou!

De resultaten van de jaarlijkse ‘City Trip Enquête’ van Trip Advisor, enkele weken geleden gepubliceerd, waren ook al niet bepaald positief voor Moskou. Ongeveer 54.000 respondenten plaatsten Moskou op de allerlaatste plaats vanwege, onder andere, het hoge prijspeil, de moeilijke taal, de slechte service en de vervelende taxichauffeurs. Welkom in Moskou!

Het mag allemaal waar zijn. Het zal allemaal kloppen. Maar het is slechts een deel van de gehele werkelijkheid. Volgens de statistieken is Moskou, bijvoorbeeld, een veel groenere stad dan Londen of Parijs. En als ik op een aangenaam zonnige zondagmiddag door de Moskouse buitenwijken slenter, begrijp ik al snel waarom. Al die flats worden omringd door bomen, parkjes, en bosschages. Vaak met een speeltuintje waar de kinderen kunnen wippen, glijden en schommelen. Overal staan schaduwrijke bankjes waarop de moeders, en een sporadische vader, hun nageslacht in alle rust kunnen gadeslaan. Waar de gepensioneerden hun laatste roddels kunnen uitwisselen. In hetzelfde parkje bespreken groepen mannen de week, de politiek, het weer en het leven. Onderwijl lurkend aan een fles bier of toostend met een glas wodka. Plak al deze parkjes aan elkaar en zou het een groot park maken. Een heel groot park.

Maar behalve deze lapjes groen heeft Moskou ook echte parken. En zoals alles hier zijn ze dan ook meteen groot. Kuzminki Park, Komsomolskaya, Botanische Tuinen, om een aantal te noemen, zijn allemaal de moeite waard. En op zonnige en minder zonnige dagen bevolken de Moskovieten al deze parken dan ook massaal.

En dan is daar Tsaritsyno (Russisch voor tsarina’s). Mijn persoonlijke favoriet. Ooit in 1775, op doorreis van A naar B, passeerde Catharina de Grote hier. Ze viel meteen voor de schoonheid van het landschap en besloot spontaan het landgoed te kopen. Vanzelfsprekend besloot ze ook maar direct tot de bouw van een paleis. Toen ze, op een latere doorreis, het paleis kwam aanschouwen, vond ze de kamers te donker en te klein en verklaarde ze het gebouw absoluut ongeschikt om in te wonen. Ze gaf dan ook de opdracht het gehele gebouw maar weer af te breken. Vasili Bazhenov, de architect, had mazzel. Hij werd slechts ontslagen. Ander onheil bleef hem bespaard. Catharina stelde een nieuwe architect aan die de opdracht kreeg wel iets smaakvols neer te zetten. Hij ging driftig en vol ijver aan de slag maar voordat het gebouw kon worden voltooid, overleed Catharina.

Toch, de nieuwe, niet complete versie is het pronkstuk van het park. Trots en statig gesitueerd op een heuvel is het vanuit alle hoeken van het park te bewonderen. Ieder weekend weer poseren tientallen jonggehuwden glimlachend en gelukkig voor de poorten van het paleis. En als de avond valt dan maakt de verlichting het paleis nog trotser en majesteitelijker.

Tsaritsyno, paleis               Tsaritsyno, paleis1

Het park zelf is al even trots en majesteitelijk. Netjes aangeharkte bloembedjes, kort gemaaide grasperkjes, elegante fonteinen en strak betegelde wandelpaden. In andere parken, zoals in Kuzminki park, is het vaak nogal een rommeltje. Overal zijn daar Russen en Russinnen aan de barbecue, zwemmen ze in ‘verboden te zwemmen water’, en laten ze met regelmaat flessen bier of wodka, afgekloven botten of plastic tassen achter op de plek van hun vermaak. Maar hier in Tsaritsyno is van dit alles niets. Hier heerst rust, orde en regelmaat. Zelfs bierdrinken is verboden. En om te voorkomen dat de Russen toch massaal hun geliefde barbecue aansteken in dit park, wordt er streng gecontroleerd.

Veel bezoekers liggen languit op het gras, likkend aan een Sovjetijsje of peuzelend aan zonnebloempitten. Anderen slenteren hand in hand rondom de vijver. Mensen glimlachen vriendelijk naar elkaar. De lucht is schoon en zuurstofrijk. Zelfs de eenden lijken blijer te kwaken.

Middenin de vijver, bereikbaar via een boogbrug, danst een fontein op knuffelende rock, Sovjetdeuntjes, klassieke muziek en romantische wijsjes. De muziek en het water, samen  zijn ze een echte publiekstrekker. Terwijl uit de speakers ‘The lady in red’ of ‘Careless whisper’ of Vertinski klinkt, danst de fontein op het ritme. De kleuren zijn prachtig. De sfeer is romantisch. De rozenverkopers doen goede zaken. En de Russische jonggeliefden staren elkaar liefdevol in de ogen. Haast en gejaagdheid? Het mag op een luttele aantal meters van hier de boventoon voeren. In Tsaritsyno is er slechts plaats voor rust en liefde.

Tsaritsyno

Slenteren en liefdevol staren maken hongerig. Maar, gelukkig, ook hiervoor is het niet nodig het park te verlaten. Er zijn genoeg restaurants waar een sappige shaslick wordt geserveerd en koele Baltika wordt geschonken. Allemaal bieden ze uitzicht op het paleis en op een enorme hoeveelheid appelbomen. Welk een idyllische afsluiting van een onthaastende dag. Op het gras lopen twee jonge vrouwen in hagelwitte jurken. De lichte wind doet de jurken lichtjes opwaaien terwijl de zon goudgeel door de appelbomen straalt. Vreemd toch, dat die hippe lounge bars hier in Moskou als paddenstoelen uit de grond schieten. Er is immers al Tsaritsyno.