Archive for the ‘Kazakhstan’ Category

‘En als er geen bier meer is, dan drinken we paardenpis, oh Heineken bier, oh Heineken bier’.

Altijd al had ik mijn bedenkingen bij dit dronkemansliedje. Terwijl de rest van de dronken menigte ‘oh Heineken bier, oh Heineken bier’ brulde, huiverde ik bij de gedachte dat ik ooit, op een kwade dag, echt paardenpis zou moeten drinken. En nu weet ik dat die huivering een terechte was. Niet dat ik net mijn lunch heb weggespoeld met paardenpis en daardoor voor eens en voor altijd zekerheid heb over de smaak. Zo gek is het, gelukkig, ook weer niet. Hoe ik dan die zekerheid heb kunnen krijgen? Omdat ik vandaag paardenmelk heb gedronken.  En dit, zo kan ik een ieder verzekeren, is al dusdanig smerig dat geen haar op mijn hoofd ook maar op de gedachte komt ooit weer iets vloeibaars van een paard te drinken.

Maar in Kazachstan is paardenmelk een traktatie. Op veel plaatsen staan houten keten waar dit goedje wordt aangeprezen. En bijna altijd zie ik daar mannetjes en vrouwtjes, gezellig keuvelend, nippen van een plastic bekertje. Of ik zie dat ze literflessen laten vullen. En dus, zo heb ik al een aantal keren gedacht, is een bezoek aan dit land niet compleet zonder een groot glas paardenmelk te hebben gedronken.

‘Vroeger’, zo vertelt mijn taxichauffeur, ‘ toen de gemiddelde Kazach nog geen vaste woon- en verblijfplaats had, maar als een nomade rondzwierf door dit gigantische land, dronk iedereen paardenmelk. Op de lange zwerftochten door het kurkdroge land was het soms zelfs het enige beschikbare vocht.’ ‘Tegenwoordig’, zo vervolgt hij, ‘is dit natuurlijk allemaal heel erg veranderd. Water, Coca-Cola, bier en dergelijke zijn overal ruim voorhanden. Toch heeft ook de moderne Kazach de gewoonte bij tijd en wijle paardenmelk te drinken. En deze gewoonte wordt nog steeds doorgegeven van generatie op generatie.’

De hele dag heb ik doorgebracht met deze chauffeur. Aardige kerel. Al waren de onderwerpen waarover hij praatte wat afgezaagd. Hij vertelde me over Nazarbajev, over het moeilijke leven hier in Kazachstan, hij klaagde over de dure benzineprijs. Toch speelde er bij voortduring een glimlach rond zijn lippen. Alsof hij het allemaal niet zo meende. Nu we eindelijk stoppen bij zo’n houten keet, zie ik hem opeens echt glimlachen. Sadistisch glimlachen.

Een gezond uitziende jongeman staat achter een balietje zijn paardenmelk en kamelenmelk te verkopen. Mocht het zo zijn dat deze verkoper zelf met enige regelmaat snoept van zijn eigen koopwaar dan lijkt dit, in eerste instantie althans, geen nadelige invloed te hebben op lijf en leden. De beste man probeert me meteen een litertje aan te smeren. Maar mijn scepsis is te groot en ik vraag dan ook beleefd om een bekertje. Ook dit schenkt hij met plezier en een gulle glimlach in. Als ik het bekertje overhandigd krijg, verandert mijn scepsis spontaan in wantrouwen. Paardenmelk? Het ziet er niet bepaald uit als melk van de Melkunie koeien. Het doet me veel meer denken aan behangplaksel. En dan de geur. Alcohol ruik ik. Toegegeven, normaliter heb ik daarmee niet zo’n moeite. Maar melk en alcohol? Ik vind het een wat vreemde combinatie.

Ik hoor opeens een heleboel proteststemmen. Alsof alle zintuigen hardop protesteren. Maar ik negeer ze allemaal. Vandaag luister ik maar naar één stem. En dus zet ik het bekertje aan mijn lippen en neem een slok. Ik bedoel, ik neem een slokje. Maar het is genoeg. Genoeg om te proeven en genoeg om nooit meer te vergeten. Bittere smaak, proef ik. Zurige geur, ruik ik. Behangplaksel en paardenpis, denk ik. Ik wil het uitspugen maar doe het toch niet. Eten of drinken uitspugen, zo heeft mijn moeder mij geleerd, mag hoe dan ook niet. En dus drink ik het hele bekertje leeg. Tot grote vreugde van de taxichauffeur en de verkoper. Vragend kijken ze me aan. En in koor vragen ze me naar mijn mening. ‘Niet slecht’, antwoord ik, terwijl de rillingen over mijn rug lopen en de zurige lucht nog in mijn neus prikt, ‘geef me nu maar een glaasje kamelenmelk’.

Advertisements

Na een nachtelijke treinreis kom ik vroeg in de ochtend aan in Balkhash. Een ingedut stadje aan de oever van Lake Balkhash. Eén van de grootste meren in Centraal-Azië, aanzienlijk groter, bijvoorbeeld, dan onze Randstad. Nog slaperig van het gewiebel in de trein, ietwat dizzy van de warmte en volkomen ongewis van wat mij te wachten staat, wandel ik het station uit. Een heerlijk gevoel dat mijn hart vol verwachting laat kloppen. Brede straten met aan weerszijden en in het midden rijen bomen. Het geeft een vriendelijke en aangename eerste indruk. Maar in tegenstelling tot Astana is de façade hier heel eenvoudig te doorgronden. Want onder de bomen bieden oude mannetjes en vrouwtjes hun summiere koopwaar aan. Een paar stukjes fruit of groente uit eigen tuin. Een litertje melk van eigen koe of paard. Een paar pakjes sigaretten. Oude auto’s en bussen vinden slalommend hun weg. Het is me al snel duidelijk waarom. De talrijke en diepe gaten in het wegdek zijn obstakels die zij alleen op deze wijze kunnen overwinnen. Het valt me op dat twee van de belangrijkste straten hier Lenin en Karl Marx heten. Dit geeft te denken. Net als het standbeeld van Lenin dat nog steeds op zijn voetstuk staat, midden op het centrale plein. Wellicht een subtiele verwijzing naar betere tijden? Eén van de inwoners vertelt me dat deze stad pas in 1932 is gebouwd. Onbegrijpelijk vind ik dit want elk gebouw dat ik zie, lijkt minimaal 150 jaar oud te zijn. Gefascineerd loop ik door de straten. Toegegeven, het is niet mooi. Eerder lelijk eigenlijk. Hier geen enorme kranen die allerlei futuristische gebouwen uit de grond stampen. Geen vrolijke bloemenperkjes in de nationale kleuren. Het is stoffig en kaal. Nazarbajev, de president, laat het hier schrikbarend afweten. En dat realiseert hij zichzelf opperbest. Ongetwijfeld daarom prijkt, ter compensatie, zijn foto op elke hoek van elke straat. Glimlachend met kindertjes. Met wijdse armgebaren de aandacht vestigend op weer een nieuw gebouw elders in het land. Of eenvoudigweg poserend als staatshoofd. Altijd met een glimlach, een vaderlijke blik en een ‘alles komt goed uitstraling’. Niemand hoeft zich zorgen te maken. Maar als ik rondkijk, weet ik wel beter. En met mij de bewoners. Want ik zie slechts bezorgde gezichten. Gefronste wenkbrauwen. Schuchtere blikken. Hier is geen zelfvertrouwen, geen positivisme, geen hoop, geen geloof meer. Deze stad ademt verslagenheid. Hier komt het nooit meer goed. Althans, niet onder het bewind van deze Zonnekoning.

 

Als de zon hoger en hoger aan de hemel komt te staan, wordt de lokroep van het meer sterker en sterker. Het hemelsblauwe water kan niet anders dan heerlijk zijn. Ik wil naar Akwa Co. Mijn low budget resort aan Lake Balkhash. De toegangspoort is niets dan een verzameling oud ijzer en een vervallen houten huis. Drie of vier honden blaffen om het hardst. De grootste aan een ketting, de andere drie niet. Een honderdtal meters verder liggen de huisjes, bijkans in het meer. Ik loop in die richting. Overal ligt ijzer, overal groeit onkruid. Maar met elke stap die ik zet, nader ik het koele, glinsterende water. Fantastisch! Zo mooi dat mij nauwelijks opvalt dat er een roestige boot op het strandje ligt. Als een nieuwe ark van Noach wacht het op een nieuwe zondvloed? Neen, het lijkt mij niet. Die boot is oud, lek, reeds vergaan en zal de lokale bevolking niet meer kunnen redden. Ook staat er een aftandse auto zonder wielen en interieur. Alleen het stuur zit er nog in. Ik kijk naar links en zie het hotel. Een woeste verzameling hutjes in een stoffige woestenij. Wanneer de eigenaar de deur opent van mijn hut slaat mij een muffe geur tegemoet. Een nat bankstel in de kamer? De eerste keer dit jaar dat deze deur opengaat? Motten in een oude jas? Ik stap naar binnen, probeer de geur te negeren en tegelijkertijd de goede kanten van het hutje te zien. Die zijn er weinig, moet ik eerlijk toegeven. Tot ik me omdraai en het meer, wederom, in volle glorie voor me zie. Spontaan ruik ik niets dan zoetigheid. Hoor ik slechts het zacht gezoem der bijen. Deze kamer is voor mij. Hier ga ik slapen! Voor iets meer dan 10 euro, een spotprijs, is dit mijn paleis de komende nachten. Maar nu naar het meer, daar wil ik heen! Ik haast me in mijn zwembroek en ren als een jonge hond, wild zwaaiend met al mijn ledematen, het water tegemoet. Eén stap in het water doet mij abrupt afremmen. Verdorie! Stenen! Met punten! Even snel ren ik terug. Schiet mijn slippers aan. Meteen keer ik en maak dezelfde ren. De puntige stenen deren mij niet meer. Ik voel slechts het water. Aan de ene kant van mijn lichaam zoet aan de andere kant zout. Ik loop en loop. Maar dieper wordt het niet echt. Inmiddels sta ik minimaal vijftig meter van de kant maar nog steeds is mijn zwembroek niet nat. Het lijkt er sterk op dat ik, als ik wil zwemmen, ook kniebeschermers zal moeten dragen.

Links van me zit een mannetje gay video’s te bekijken. Met open mond en volkomen gefascineerd. Hij is zich niet meer bewust van zijn niet-virtuele omgeving. Rechts van me een jongetje dat extreem gewelddadige videospelletjes speelt. Bijzonder fanatiek bovendien. Bij voortduring moedigt hij zichzelf aan. Tussendoor een ingetogen vreugde juichend bij het neerhalen van weer een virtuele tegenstander. Moderne tijden in een nieuwe stad. Het past inderdaad probleemloos. Na bijna twee dagen in Astana, de nieuwe hoofdstad van Kazachstan, heb ik althans de façade van moderniteit, rijkdom en welvaart nog niet kunnen doorbreken.

         

Vanaf het Bayterek monument, een 105-meter hoge weergave van de wereldvoetbalbeker, is het uitzicht als in een golfstaat. Een Kaspisch Qatar. Waar ik ook kijk; links, rechts, voor en achter, overal staan allerlei futuristische en hippe gebouwen. Het nationaal archief in de vorm van een enorm ei. Een luxueus hotel met een dak van een Chinese tempel. Een hagelwitte moskee die niet of nauwelijks gebruikt lijkt te worden. Een enorme yurt die dienst doet als overdekt winkelcentrum. En tussendoor overal bloemen in prachtig geel, rood en oranje. Of enorme hijskranen die op de open plekken bouwen aan meer nieuwigheden.

Nog in 1997 was Astana een slaperig stadje in het absolute niemandsland. En nog steeds, noord, oost, zuid of west, welke kant een inwoner van deze stad ook op wil, altijd is het naar nergens. Daarbij, het klimaat alhier is bepaald vijandig. In de zomers is het heet, ook vandaag is het ruim boven de 30 graden. De winters zijn berucht koud met temperaturen tot minus 40 en fikse winden die vanaf de vlakke steppe komen aanwaaien. Het is bikkelen. In elk jaargetijde! Toch besloot Nazarbajev, de president van Kazachstan, in 1997 dat Astana de hoofdstad van het land moest worden. Argumenten? Almaty, de oude hoofdstad, zou te ver verwijderd zijn van Rusland. Astana en omgeving zou te weinig Kazach zijn. En Almaty zou in een te aardbevingsgevoelig gebied liggen. Eerlijk gezegd, ik denk dat dit slechts voorwendsels waren. Mijn onderbuikgevoel zegt mij dat Nazarbajev hoe dan ook een stad wilde creëren ter meerdere eer en glorie van hemzelf. Naar goed Centraal-Aziatisch gebruik. Per slot van rekening, zijn buurman in Turkmenistan had hem laten zien hoe absolute macht te laten samengaan met algehele pronkzucht.

Zo kwam dus een eind aan het hoofdstedelijke bestaan van Almaty. De stad met verreweg de meeste wereldse allure in Centraal-Azië. Van Nazarbajev moesten alle overheidsdiensten meteen maar verhuizen. Naar tijdelijke kantoorpanden in het oude, slaperige gedeelte van Astana. Onderwijl legde hij contacten met beroemde architecten en begon het bouwen aan de nieuwe stad. Een langdurig proces want van niets iets maken in deze steppe kost tijd, moeite en een boel geld. Maar niets kon hem weerhouden. Het nieuwe Astana zat al in zijn systeem en daarmee was het slechts een kwestie van tijd alvorens dit gerealiseerd zou zijn.

En ik moet toegeven, het is fascinerend te zien hoe een complete nieuwe stad uit de grond wordt gestampt. Evengoed, de protserige smaak vol extremiteiten kan niemand onberoerd laten. Niet iedereen zal het kunnen waarderen maar ik vind het klasse en stijl hebben. Tegelijkertijd vraag ik me sterk af of dit soort dikdoenerij de juiste manier is een minder ontwikkeld land als Kazachstan voort te stuwen in de vaart der volkeren. Ik meen, bescheiden als mijn mening is, van niet.

Terwijl ik uitkijk vertelt de gids in het rode rokje en het witte bloesje mij honderduit. Ze lijkt heel trots te zijn op alles wat hier gebeurt. Toch is haar façade veel minder moeilijk te doorgronden. Want als ik haar vraag wat ze van al deze bouwwerken vindt, wendt ze besmuikt het hoofd. Staande op het plateau van het Bayterek monument, op precies 97 meter (geen toeval) hoogte, wijst ze me op de handafdruk van Nazarbajev. Elke bezoeker kan zijn of haar hand in die van Nazarbajev leggen en een wens doen. Ze glimlacht naar me en schudt haar wijze hoofd. Zijn eigen fabeltjes mag hij dan geloven. Al zijn onderdanen weten wel beter.

In de yurt die ik vanaf het monument heb zien liggen is de sfeer welhaast als in een Amerikaanse mall. Winkelplezier, amusement, restaurants en bars zijn hier allemaal te vinden. Vooral het subtropische zwemparadijs op de bovenste verdieping spreekt tot de verbeelding. De temperatuur is hier altijd tropisch, zowel in de zomer als in de winter. Het is een dorp op zich in deze nieuwe wereldstad. Geniaal bedacht door de architect, die tegenstelling tussen yurt en moderniteit. Ook Nazarbajev schijnt dit te vinden. Want op het moment dat ik dit luxedorp verlaat, stapt hij, omringd door een tiental bodyguards, net naar binnen! Gul glimlachend en royaal zwaaiend naar mij en naar de rest van de mensheid.

Maandagavond in een vreemde stad. De regen valt al enkele uren, en nu ook de avond valt, vraag ik me af wat vandaag nog zal brengen. Ik staar naar mijn TV die Russische flauwekul uitbraakt. Soortgelijke programma’s als in Nederland. Het enige verschil is dat ik er hier niets van begrijp. Geeft niks, zo denk ik, vergeleken bij de onzin op de Nederlandse TV, is het onverstaanbare Russisch waarschijnlijk een zegen.

Maar kijken naar een TV waaruit slechts vage klanken komen, is saai en wordt snel nog saaier. Als ik op mijn overdekt balkon sta en naar buiten tuur, zie ik dat de regen is opgehouden. Spontaan dwalen mijn gedachten af. Af naar die hippe nightclub een paar straten verderop. Misschien moet ik mijn geluk daar eens beproeven? Het mag dan maandag zijn, wat geeft het? Ik heb immers vakantie. Inmiddels ken ik mezelf wel zo goed dat ik weet, dat deze gedachte niet meer uit mijn hoofd zal verdwijnen. Mij rest niets anders dan te handelen. Een figuurlijke kam door het haar, hippe schoentjes aan de voeten, een fris gestreken bloesje met dito broekje aan en ik zal gaan.

Door de donkere straten van Almaty wandel ik naar nightclub Esperanzo. Die rechttoe rechtaan straten alhier, maken het onmogelijk te verdwalen, zelfs op mijn eerste dag hier in het donker. Bovendien, de nightclub is zo dichtbij dat verdwalen sowieso niet mogelijk is. In een ommezien sta ik voor de deur. Alleszins vriendelijk word ik door de uitsmijter richting de club geloodst. Geen face control nota bene. Of, zo schiet door mij heen, misschien is mijn outfit wel dusdanig fancy dat ik uitstekend binnen de doelgroep pas.

Op het ritme van de beats stap ik de discotheek binnen. Ik kijk om me heen en zie in de duisternis dat er maximaal tien mensen zijn. Niemand danst nog. Iedereen zit op een stoel of op een comfortabelere bank. Even kom ik in de verleiding de avond met een dansje te beginnen. Maar ik weersta mijzelf en in plaats hiervan zetel ik mij op een luxueuze sofa. Meteen staat een gastvrouw naast me die mij kenbaar maakt dat deze zitplaats 20.000 tenge (zeg maar 100 euro) kost. Iets te gortig, concludeer ik. Per slot van rekening, die stoelen vijf meter verderop lijken ook prima.

Typisch een plek om geen bier te drinken. Het zou hier niet eens smaken. Daarom bestel ik een whisky. Terwijl ik aan mijn dure vocht nip, kijk ik rond. Er mogen dan weliswaar slechts tien mensen zijn, het is wel degelijk vermakelijk. Net voor mij zitten drie mannetjes, ik schat ze op maximaal 25 jaar, wèl op zo’n dure sofa. Een fles wodka en veel voedsel op tafel. Bij voortduring aan een sigaret lurkend. Alle drie vadsig en vettig. Constant en hoopvol kijken ze richting ingang. Duidelijk in afwachting. Ik nip voort en vind, ondanks de luide beats, rust in mijn systeem. Langzaam maar zeker loopt de tent vol. Zonder uitzondering hele jonge mensjes. Zonder uitzondering ook hip en duur gekleed. Overduidelijk de kinderen van de plaatselijke elite die hier op maandagavond uit hun dak zullen gaan.

Opeens rumoer op de sofa voor mij. Drie, laat ik gewoon duidelijk zijn, ultrastrakke dames in sublieme outfits melden zich. Het geduld van ‘mijn’ mannetjes is beloond. Hun vadsige lijven veren op. Hun monden verworden tot de breedste glimlach. Eén van de mannetjes deelt rode rozen uit. Een ander bestelt champagne, cocktails en meer voedsel. Geld koopt mooie vrouwen, het blijkt wederom.

Inmiddels is de tent echt vol aan het geraken. Met elke gast schroeft de DJ, overgevlogen uit Moskou, het volume en het tempo van de muziek verder op. Van het ene op het andere moment staat de dansvloer vol. Zelfs de vadsige mannetjes melden zich aan het front. Rondgierend testosteron maakt ze tot halve woestelingen. Opeens hebben ze geen oog meer voor hun nieuwverworven schoonheden, maar nog slechts voor zichzelf. Ze dansen voor de spiegels die midden op de dansvloer zijn geplaatst. Kickend op zichzelf. Nog steeds met dezelfde glimlach rond de lippen. Ze zijn niet de enigen overigens. Een ieder verdringt zich rondom de spiegels. Een ieder danst alleen.

Hoog zomer in Almaty en ik denk aan schaatsen. Heel bijzonder! Vooral omdat ik, als het hartje winter is in Nederland, hoe dan ook niet aan schaatsen denk. Vreselijk vind ik dat. Schaatsen. En hier, ver weg in Kazachstan, krijg ik de gedachten hieraan niet uit mijn systeem. Wel realiseer ik me dat dit, wederom, een voorbeeld is dat ook voor mij de jaren voortschrijden. Geen (echte) jongere zal het in zijn of haar hoofd halen Almaty te linken met schaatsen. Immers, Heerenveen, Calgary, Salt Lake City zijn de tegenwoordige schaatshoofdsteden van de wereld. Maar ik ben hier in Almaty en ik denk schaatsen. Sterker nog, een nostalgisch gevoel bekruipt me en de herinneringen uit vervlogen tijden zijn talrijk.

      

Bus nummer 6 brengt mij vanaf het centrum van de stad naar de Medeo vallei. Een ritje van een half uur waarbij de weg uitsluitend omhoog loopt. Als ik uitstap, merk ik dat het hier aanmerkelijk kouder is dan beneden in de stad. Het voelt alsof het vriest, al lijkt dit me, in augustus, hoogst onwaarschijnlijk. Wel sta ik letterlijk naast de wonderbaan die Medeo heet. Nu begint mijn fantasie echt een loopje met me te nemen. Want bijna zie ik Igor Zhelezovski (ook bekend als Igor de Verschrikkelijke) hier, voor mijn ogen, al zijn tegenstanders verpulveren op de 500 meter. Behalve dan natuurlijk Uwe-Jens Mey omdat die niet verpulverbaar was. Zelfs niet door de verschrikkelijke Igor.

Schaatsen zit er niet in vandaag. Niet alleen omdat het weer het niet toelaat, ook omdat de baan onder constructie is. Overal lopen mannetjes in overalls. Vrachtauto’s met zand rijden af en aan. En van alle kanten hoor ik geklop, geboor, gefrees en getimmer. Met man en macht wordt hier gewerkt. Zoveel is wel duidelijk. En pottenkijkers zijn hierbij niet welkom, lijkt het. De hele wonderbaan is namelijk omgeven door een metershoog hek. Met slechts enkele, door bewakers in de gaten gehouden, openingen voor de vrachtauto’s.

Mijn ambitie één keer in mijn leven als Igor Zhelezovski over Medeo te snellen is echter behoorlijk. Een metershoog hek en bewaakte toegangen kunnen mij, vanzelfsprekend, niet tegengehouden. Per slot van rekening, ik zou het ijs hebben kunnen ruiken, zou het er hebben gelegen. En dus loop ik langzaam maar met zekere tred richting één van de ingangen. Als ik langs de bewakers loop, glimlach ik vriendelijk maar resoluut. Ze zijn aan het eten, zie ik. Dat is niet bepaald een nadeel, zo denk ik nog. Maar alvorens ik uitgedacht ben, staat één der mannetjes al voor mijn neus. Hij maakt me, zonder omwegen, duidelijk dat ik niet verder mag. De entree van Medeo is veertig meter verderop! Nota bene! Maar ik word tegengehouden door een plichtsgetrouwe diender.

Ik glimlach nogmaals en wijs naar de ingang van Medeo. Daarheen wil ik gaan. Hij volgt mijn blik en schudt vervolgens het hoofd. Neen! In roestig Russisch begin ik mijn verhaal over Nederland schaatsland. Over Zhelezovski en Uwe-Jens Mey. Het mag niet baten. Sowieso, het knakkertje is veel te jong om deze sprintkanonnen uit vervlogen tijden te kennen. Bovendien, wat weet een gemiddelde Kazach van schaatsen. Ik vermoed bitter weinig.

Voor de poorten van de Medeo-hemel maak ik rechtsomkeert. De deur gewezen door een Kazachse beveiligingsbeambte. Vandaag zal ik niet in de voetsporen treden van de verschrikkelijke Igor. In plaats daarvan vertrek ik, met de staart tussen de benen, naar omhoog. Want, zo vertelt deze hemelbewaarder, als ik de weg naar boven vervolg, kom ik vanzelf op een plek waar ik Medeo kan zien. ‘Vreemd’, denk ik, ‘is het mogelijk hoger te geraken dan de hemel?’ Ik grimas en vertel hem, niet eens meer in het Russisch, dat dit een wel hele schrale troostprijs is.