Archive for the ‘Ethiopia’ Category

Een herder met zijn kudde schapen loopt voorbij terwijl de zon langzaam maar zeker de aarde verwarmt. Baobabbomen staan her en der verspreid in het groene landschap. Vrouwen vegen hun huis en het aanpalende stukje grond schoon onderwijl de talrijke kinderen in het gareel houdend. De verschijning van een blanke reus verstoort de rust want iedereen reageert enthousiast, verrast en nieuwsgierig. Vooral de kinderen steken dit niet onder stoelen of banken en rennen, ‘farangi’ schreeuwend rondom mij. Een hand schudden is het enige dat ze willen, al vermoed ik dat een handjevol birrs of snoep nog veel meer welkom zou zijn.

    

Ik ben op weg naar de watervallen van de Blauwe Nijl, een toeristische attractie in dit deel van Ethiopië. Maar van gewenning aan blanken is niets te merken want iedereen reageert alsof ik de eerste blanke ben hier sinds mensenheugenis. Iedereen behalve de jongemannen die zich bij voortduring aandienen als gids, begeleider, praatpaal of anderszins. In alle gevallen willen ze natuurlijk een financiële vergoeding voor deze diensten. Maar ik wil hun diensten niet omdat ik de watervallen kan horen maar vooral ook omdat ik gewoon alleen wil zijn. Natuurlijk, alleen zijn in Afrika is een illusie maar hier en nu ga ik mijn uiterste best doen deze illusie te realiseren.

Het landschap is werkelijk subliem. Zo Afrikaans als in al mijn vooroordelen en gedachten. Het is zelfs zo mooi dat het tamelijk eenvoudig is de onvoorstelbaar armoedige omstandigheden waarin de lokale bevolking leeft te vergeten. Anderhalf uur lang geniet ik en met elke stap die ik zet, kom ik dichter bij mijn einddoel: de watervallen. Ooit vielen deze over een breedte van 400 meter 29 meter naar beneden. Maar tegenwoordig, na de bouw van een waterkrachtcentrale, is van die 400 meter nog maar 35 meter over. Toch zijn de namen Tis Isat (water dat rookt) en Tis Abay (Nijl die rookt) die de plaatselijke bevolking gebruiken voor deze watervallen nog steeds van toepassing. Het uitzicht aan het eind van de wandeling is er één van rokend water dat met een oorverdovend geraas naar beneden stort. En de ultieme beloning is mijn zweet weg te wassen in een douche van door de wind meegevoerde waterdeeltjes.

Advertisements

Naar de kerk op een zondagochtend in Nederland, het is lang geleden. Maar wat ik mij er nog van herinner is vooral de saaiheid van het gebouw (protestants inderdaad) en de langdradige preken, met als centrale thema hel en verdoemenis, van de dominee. Een grotere tegenstelling met de kerken in Tigray, een gebied in het noorden van Ethiopie nabij de grens met Eritrea, is werkelijk niet mogelijk. En dan heb ik het niet eens over het feit dat ik de priesters van deze orthodoxe kerken niet kan verstaan. Ik doel vooral op de de waanzinnige lokaties van deze kerken.

                

De, naar alle waarschijnlijkheid, oudste kerk van Ethiopie, Debre Damo, is hiervan een goed voorbeeld. Volgens de legende liep Abuna Aregawi, één van de heilige mannen van de Ethiopische orthodoxe kerk, rond in deze omgeving toen hij een plateau zag dat uitstekend geschikt leek om een kerk te bouwen. Hij bad daarom tot God voor hulp en, genadig als Hij is, liet God een enorme python uit de hemel neerdalen die de heilige zonder enige moeite op het plateau tilde. En zo kon de heilige hier een kerk bouwen. Het probleem is dat iedereen die tegenwoordig deze kerk wil bezoeken natuurlijk vergeefs wacht op een uit de lucht vallende python die vervolgens, zonder noemenswaardige inspanning, de pelgrim of toerist op het plateau tilt. Het willen bezichtigen van deze kerk vereist nu flink wat klimwerk. Met behulp van een touw, dat met heel veel fantasie wel iets op een python gelijkt, en de mankracht van een monnik (of meerdere in mijn geval) kan een bezoeker op het plateau, zo’n 15 meter hoger geraken. Het vereist wat handigheid en lef maar de beloning is niet bepaald protestants te noemen. Want eenmaal op het plateau blijkt dat er niet alleen een kerk is gebouwd maar dat in de loop der eeuwen een heel dorp is ontstaan met woningen voor de 80 monniken, grazige weiden voor de koeien (die letterlijk op het plateau worden getakeld), moestuinen en alles wat meer nodig is om de monniken zelfvoorzienend te laten zijn. Hier hebben ze werkelijk alles wat ze begeren. En dat vrouwen niet tot hun begeerten behoren, mag duidelijk blijken uit het gegeven dat, tot op heden, dit gehele plateau verboden terrein is voor vrouwelijke toeristen en pelgrims incluis.

         

Maar Debre Damo is slechts een opwarmer en valt volkomen in het niet bij de waanzinnigheid van de lokatie van Abuna Yemata Guh. Na een wandeling van zo ongeveer 45 minuten steil bergop zijn vooral de laatste vijf minuten hemeltergend angstaanjagend. Afgronden links en rechts van honderden meters diep en ik balanceer, kruipend moet ik toegeven, op een paadje van minder dan een meter breed richting kerk. Van mijn gids mag ik alleen maar naar boven kijken en vooral niet naar beneden. Hij is bang dat de afgronden mij doen verstijven en ik niet meer voor- en achteruit durf. Ik kijk dan ook niet maar toch voel, ruik, zie en hoor ik de diepte. Mijn knietjes knikken en mijn handen zijn kletsnat, niet bepaald handig op dit moment. Maar moeder natuur regeert en ik kan het niet stoppen. In mijn gedachten roep ik God aan, toch wel een unicum om dit al te doen alvorens een kerk te betreden. Trouwens, Shiva, Allah en boeddha roep ik evengoed om hulp tijdens deze klim. Geen idee of ze me daadwerkelijk helpen maar wat ik wel weet is dat ik zonder mijn gids kansloos ten onder zou gaan. Of zou het allemaal zo bedacht zijn?Eerst een tocht door de hel alvorens de hemelse geneugten van de kerk te mogen proeven? En zouden slechts de slechteriken deze barre tocht niet overleven? Mocht dit het geval zijn dan mag ik mijzelf sindsdien tot de niet-slechten rekenen, een meevaller! Hoe dan ook, zelden, nee nooit, ben ik zo blij geweest een kerk te bereiken!

De preek van de priester (hoe vaak heeft hij deze beklimming overleefd?) laat ik me met graagte welgevallen. Ik ben immers in de hemel! Alleen jammer dat ik, om op aarde terug te kunnen keren, eerst weer door de hel moet.

Addis Ababa, één van de grootste steden van Afrika en bovendien de diplomatieke hoofdstad van het continent, zal toch wel een levendig en gevarieerd uitgaansleven kennen? Op verkenning door de nachtelijke stad beland ik, vooral omdat het op steenworpafstand van mijn hotel ligt, op het Piazza. Een door de Italianen gecreëerd plein in het centrum van de stad. Twee dagen geleden, toen ik aankwam in Addis Ababa, was me al opgevallen dat hier wel degelijk sprake is van na-middernachtelijke activiteiten. Ook al zag ik toen niet veel meer dan wat loslopende reggae mannetjes en een heleboel vrouwen van lichtere zeden die, in de donkere nacht, hun mooie en minder mooie lijven in de aanbieding hadden.

       

Zaterdagavond, het uitgelezen moment om de kroegen en de Afrikaanse discotheken eens van binnen te verkennen. Daarom met frisgestreken overhemd, gepoetste schoentjes, vrij schoon pantalonnetje en zelfs met wat aftershave op de stad in. En dit nu trekt, ondanks de duisternis, meteen de aandacht. Geen idee of het mijn outfit is of mijn opwindende geur maar na nauwelijks twee stappen buiten de hoteldeur te hebben gezet, loopt er al een mannetje naast me die hoopvol vraagt of ik naar een disco ga. Op mijn positief antwoord reageert hij bepaald verheugd. Ik probeer hem verder te negeren en uitsluitend schouderophalend zijn vragen te beantwoorden, maar ik ben kansloos. Hij heeft zich reeds vastgebeten in zijn prooi en die prooi ben ik. Sterker nog, inmiddels meldt zich een tweede persoon die al even hoopvol informeert naar mijn plannen. Antwoorden hoef ik niet, dat doet mijn compagnon al voor mij. En zo loop ik in gezelschap van twee bepaald vage kereltjes door de uitgaansstraat van Addis.

Ik realiseer me dat ik deze mannetjes alleen kan afschudden als ik terugga naar het hotel. En omdat ik dit niet wil, besluit ik van de nood een deugd te maken en ze als gids te gebruiken. Per slot van rekening kennen zij de stad waarschijnlijk een heel stuk beter dan ik. Ik vertel ze dus dat ik naar een echte Afrikaanse disco wil en dat ik daarvoor niet te ver wil lopen. Enig overleg volgt en vervolgens leiden ze mij naar de, in hun ogen, beste discotheek.

Zo sta ik plotseling in het aardedonker. Ik zie werkelijk helemaal niks behalve dan de gebitten van de dansende en lachende menigte. Daarbij loeiharde muziek die horen en zien ook al doet vergaan. Dit, samen met een gecombineerde bier- en zweetlucht en de enorme mensenmassa, maakt dat ik in een ommezien, naar adem happend, weer buiten sta. In disco twee precies hetzelfde verhaal en dus begin ik mij af te vragen of deze stapavond wellicht een hele korte zal worden? Disco nummer drie is, zomaar, precies het tegenovergestelde. Drie mannen aan de bar met bloeddoorlopen ogen en een woeste blik, een barkeeper met een identieke uitstraling, hel verlicht en geen muziek. Nee, dit is ook niet waarnaar ik op zoek ben. Meer en meer geef ik de moed op maar mijn begeleiders zijn nog steeds enthousiast en vol vertrouwen. En zo wandelen we gedrieën naar weer een disco.

En warempel, deze keer lijkt het raak! Ook hier is het weliswaar donker, vol en lawaaierig maar het is allemaal net iets draaglijker. Ik zet me dan ook met mijn nieuw verworven kameraden aan een tafeltje. Om meteen te begrijpen waarom ik deze vrienden heb gemaakt. Ze willen namelijk bier en ze willen dat ik dat biertje, of die meerdere biertjes betaal. Met een gelukzalige glimlach geven ze hun bestelling door aan de ober, nog net de moeite nemend mij te vragen wat ik drink. Na een proost, op de Heere weet wat, gulp ik mijn biertje in een ommezien naar binnen. Een blik naar links en rechts leert mij, vervolgens, dat mijn ongenode gasten zo voorzichtig aan hun fles nippen dat het wel lijkt alsof het goudgele vocht puur goud is. Waarschijnlijk consumeren ze iets minder snel omdat de prijs van dit biertje, in vergelijking met hun maandelijkse inkomen, nogal dramatisch hoog is.

Veel praten zit er overigens niet in want daarvoor is de herrie te alom aanwezig. Vooral als één van de twee ook nog zijn Frans met mij wil oefenen, geef ik het op. In plaats daarvan probeer ik maar wat rond te kijken en zo valt me op dat er inmiddels toch wel vier vrouwen rondom mij dartelen. Eén laat zich, via mijn vrienden, zelfs voorstellen maar vanwege haar absolute gebrek aan kennis van de Engelse taal is van een gesprek geen sprake. Aangezien de duisternis wel behoorlijk adembenemend is, vraag ik mijn vrienden hoe zij kunnen zien of een dame ze bevalt of juist niet. Hun antwoord is even praktisch als ontnuchterend. Neem haar mee naar het toilet, daar schijnt het licht. Zo werkt dat dus in Addis. Sjansen in het aardedonker en vervolgens keuren in de tl-lichten op het toilet.

Het is maandag 02-02-02, Ethiopische jaartelling, en rond vijf uur in de ochtend laat ik mij per taxi afzetten op het busstation van Addis Ababa. Als ik uitstap en richting ingang van het busstation loop, regent het lichtjes en de plassen water op straat zijn moeilijk te zien aangezien het nog aardedonker is. Maar met het ticket voor bus 5213 naar Harar stevig in mijn hand en een volledige reizigersbepakking op mijn rug voel ik mij toch uitstekend. Het avontuur ligt om de hoek en Harar, een verboden stad voor blanken tot ver in de 19e eeuw, lonkt.

  

Het busstation is een enorm complex volledig omgeven door hekken, zo had ik al gezien toen ik gisteren mijn ticket kocht. Waar al die hekken voor dienen, vroeg ik mij toen nog af maar op deze vroege en donkere maandagochtend is deze vraag meteen beantwoord. Deze bieden namelijk de mogelijkheid het hele station volledig af te sluiten en de toestroom van de passagiers en de wannabe passagiers te reguleren. Gevolg? Voor de twee minieme toegangsdeurtjes tot het station staan honderden, of waarschijnlijker duizenden, Ethiopiërs die allemaal naar binnen willen. Waarom er op dit vroege tijdstip zoveel mensen naar binnen willen? Omdat alle bussen naar alle bestemmingen allemaal om zes uur in de ochtend vertrekken! Een vlugge schatting van mijn kant leert dat er in ieder geval 60 bussen, al dan niet met ronkende motoren, staan te wachten op hun passagiers, van wie er minimaal 50 in één bus gaan. Een simpele rekensom leert dan ook dat er zo rond de 3000 mensen voor de poorten staan te dringen.

Ondanks de onaantrekkelijkheid van de gedachte rest mij niets anders dan mijzelf te mengen in het strijdgewoel dat zich voor mijn ogen afspeelt. Het is hoe dan ook de enige mogelijkheid met mijn gisteren verworven ticket mijn gereserveerde zitplaats in bus 5213 te bemachtigen. Maar het lijkt niet bepaald een eenvoudige klus door die smalle entree te geraken. Nu prijs ik me gelukkig dat ik met mijn 1 meter 95 een heel stuk boven al mijn medepassagiers uitsteek en dat mijn rugzak een prima buffer vormt voor alles wat zich achter mijn rug afspeelt. Daarom, zonder verder nog te dralen, begin ik mijn persoonlijk robbertje duw- en trekwerk. En zoals ik had gehoopt en stiekem verwacht, dankzij mijn fysiek voordeel, gaat het gewoon soepeltjes. In een mum van tijd ben ik in de buurt van de toegangsdeur. Maar, hoe verrassend, met het naderen ervan, neemt de druk van achteren toe en als ik vlak voor de poort sta, bekruipt mij het gevoel dat ik geplet zal worden. Visioenen van Afrikaanse voetbalstadions waar in het gedrang tientallen mensen bezwijken flitsen door mijn hoofd. Vooral als ik zie dat het veiligheidspersoneel van het station uit alle macht probeert deze deur ook te sluiten! Is het busstation dan vol? Een stringent toelatingsbeleid? Face control wellicht? De waanzin van deze actie ontgaat me volkomen maar heel veel tijd mij hierover op te winden heb ik niet. Naast mij probeert namelijk een doorgedraaide Ethiopiër, met op zijn hoofd een enorme koffer, iedereen aan de kant te zetten en als eerste bij de poort te zijn. Het lijkt een kansloze missie maar zijn testosteron gehalte is dusdanig dat hij er nota bene in slaagt menigeen te passeren. Vervaarlijk komt hij mijn kant uit en ik realiseer me net bijtijds dat zijn koffer mij dreigt te raken ergens tussen mijn rechteroor en rechteroog. In een reflex haal ik daarom uit en plant mijn rechterelleboog vol in zijn maag. Een voltreffer zo blijkt want met een schreeuw komt hij tot bedaren en, belangrijker, tot stilstand. Dit gevaar is bezworen.

Als ik uiteindelijk bij de poort ben, vragen de uitsmijters of ik een ticket heb. Sullige vraag in mijn beleving want wie stort zich nu in een dergelijk gedrang zonder ticket? Toch antwoord ik braaf, glimlach een grimas en knik dankbaar als de poort voor mij opengaat. Na enig speurwerk vind ik maar liefst vijf bussen die allemaal naar Harar vertrekken. Maar vervelend genoeg staat mijn bus 5213 niet in het rijtje. Een slecht voorgevoel bekruipt mij en de regen die inmiddels echt serieus nat maakt, maakt dit niet beter. Ik besluit dan ook ergens naar binnen te gaan waar ik opeengeperst met vele andere passagiers sta te wachten op het noodlot. Ongewassen lichamen, oud zweet, stinkende kleding en penetrante okselgeuren strijden om voorrang zodat ik al snel besluit dat een buitje nog zo erg niet is.

Hoe dan ook, een half uur wordt een uur en een uur nog langer. En dan opeens, word ik bij mijn hand en naar een kantoortje geleid. Bij het mannetje alhier mag ik mijn ticket inleveren en in ruil hiervoor krijg ik mijn 133 birr (ruim 7 euro) terug. Bus 5213 komt niet vandaag, zoveel is duidelijk. Misschien is de chauffeur ziek? Misschien het busbedrijf failliet? Was ik misschien de enige passagier? Motorpech? Ik weet het niet want op deze vraag wordt slechts met een schouderophalen gereageerd. Duidelijk is wel dat ik vandaag niet vertrek. Morgen een nieuwe kans!

Realiseert Van Persie zich wel, zittend in zijn luxueuze appartement in Londen, hoe wereldberoemd hij is op volkomen onverwachte en onmogelijke plaatsen op deze aardbol? In Ethiopië bijvoorbeeld heb ik inmiddels ondervonden dat Van Persie met afstand de beroemdste Nederlander is. Zoals in zoveel landen is ook hier de meest gestelde vraag ‘Where are you from?’. En iedere keer dat ik antwoord ‘the Netherlands’ is de standaardreactie, zeker als het een jongere man betreft, ‘Van Persie’. Dit gaat dan altijd gepaard met een blik van bewondering, ontzag en jaloezie. Eerlijk gezegd, de eerste keren dat dit mij overkwam, had ik nogal wat moeite deze jongemannen te begrijpen. Van Persie is voor de gemiddelde Ethiopiër weliswaar een held maar zijn naam op een fatsoenlijke en begrijpelijke wijze uitspreken is toch een ander verhaal. Van Persie verwordt vaak tot zoiets als ‘Vampiersie’. Het was daarom even wennen maar inmiddels weet ik niet beter. Van Persie zal voor mij vanaf heden dan ook altijd ‘Vampiersie’ zijn.

Toch ben ik de eerste dagen nogal verbaasd over deze reactie. Waarom, in godesnaam, is deze Nederlandse mijnheer zo wereldberoemd alhier? Tot het eerste weekend aanbreekt en ik werkelijk in elke bar, kroeg en openbare ruimte een TV zie met daarop een voetbalwedstrijd uit de Premier League. Navraag leert mij dat Manchester United en Arsenal de absolute favorieten zijn en dat, naar schatting, zo ongeveer 80% van de bevolking één van deze twee clubs steunt. En Van Persie, zo wordt mij verteld, is extra populair omdat hij het ook nogal goed doet bij de Ethiopische dames!

Eigenlijk begint op vrijdagavond al een soort van Premier League atmosfeer te ontstaan in de openbare ruimtes. De aankondigingen dat op zaterdag en zondag meerdere wedstrijden live zijn te aanschouwen verschijnen bij de voordeur (mooi voorbeeld, zie foto, is Aresenal – Fuleham). En de ruimte wordt tevens omgebouwd tot provisorische bioscoop. Zoals met alles hier wordt daarbij geen enkele rekening gehouden met de comfortzone. Het is slechts een kwestie van zoveel mogelijk stoelen in de ruimte te plaatsen zodat deze bijna letterlijk op elkaar staan. Armen en benen thuislaten lijkt het devies want hiervoor is sowieso geen ruimte.
Op zaterdag, uren voor aanvang van de wedstrijd, stroomt de tent vol. Tegen betaling van één of twee consumpties krijgt een ieder een plek toegewezen en is het geduldig wachten tot de wedstrijd begint. Vooral in kleinere steden lijken de straten tijdens de uitzending zo goed als ‘ontmand’!

Hoe groot kan een contrast zijn? Buiten op de markt doen uien, aardappelen en rijst 20 cent per kilo, bieden de meeste mensen schoenloos hun koopwaar aan en worden alle goederen per muilezel aangeleverd of afgevoerd. Binnen schreeuwen de armoedig geklede mannen hun vedetten, met hun hippe en modieuze voetbalschoentjes, vooruit onderwijl niet luisterend naar het onvervalst Oxford-Engels sprekend mannetje dat het commentaar verzorgt.

     

In Debark, een boerengehucht in de Simien Mountains, worden alle niet-betalende inwoners gratis en voor niets getrakteerd op een live audio verslag. Als een soort communistische propaganda schalt het commentaar door de, op straat gemonteerde geluidsinstallatie. Op momenten van groot enthousiasme resulterend in stilstaande Ethiopiërs die, ondanks hun beperkte kennis van het Engels, allemaal hopen dat Vampiersie wederom zal toeslaan.